zondag 18 oktober 2009

Een bijzonder vorstelijke vondst

Afgelopen zaterdagmiddag bezocht ik weer eens antiquariaat Lectori Salutem in Weesp. Snuffelen, sneupen, je weet maar nooit. Na een half uurtje was ik eigenlijk wel klaar en verwachtte elk moment de verlossing in de vorm van een boze partner met een ongeduldige dochter...

Nog een laatste blik op het plankje ‘Oranjehuis’, waar mijn oog viel op een apart gekleurd boekruggetje zonder titel. Het bleek te gaan om de “Catalogus der tentoonstelling van portretten en voorwerpen betrekking hebbende op het Huis van Oranje Nassau te houden ter gelegenheid van de inhuldiging van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina in het Fragmenten-gebouw van het Rijks-Museum te Amsterdam. 8 september-31 cotober 1898”. Ruim 120 pagina’s, grotendeels ongeopend, met achterin los bijgevoegd een kleine brochure met niet minder dan 21 bladzijden aanvullingen en verbeteringen!
De eerste verbetering betrof het titelblad "Cotober moet zijn: October”! Ai… dat moet de uitgever pijn gedaan hebben!


De inhoud bestaat uit een droge opsomming van meer dan 1300 objecten zonder ook maar één illustratie. Uitermate onaantrekkelijk dus, maar die boekband….
Die fraaie luxe band intrigeerde me enorm. Overduidelijk perkament maar bovendien op kunstzinnige wijze in Art Nouveau-/Jugendstilstijl bedrukt en met goud bewerkt.
Even apart leggen maar...
In hetzelfde boekenrijtje vond ik ook een publicatie van Marieke E. Spliethoff: “Feestelijke geschenken voor de jonge koningin 1898-1913” (Amsterdam, 1998). Tot mijn stomme verbazing trof ik daarin op bladzijde 44 een grote foto aan van dezelfde catalogus met als bijschrift: “Band van de Catalogus van de Oranje-Nassau tentoonstelling gehouden ter gelegenheid van de inhuldiging. Amsterdam 1898. Gebatikt perkament door C.A. Lion Cachet”.
Zijn bekendste ontwerp was ongetwijfeld het gebatikte Wilhelmina-bordje dat je op elke verzamelaarsbeurs ziet, een feestgave in 1898 aan de Amsterdamse schooljeugd (Petrus Regout & Co, Maastricht, in een oplage van 77.875 exemplaren!). Lion Cachet was de eerste kunstenaar die de batiktechniek op perkament toepaste.


Het zweet brak mij uit en koortsachtig las ik verder:

Lion Cachet heeft vele opdrachten gekregen voor de levering van prachtbanden, portefeuilles en dozen in verband met de inhuldiging van koningin Wilhelmina in 1898. De grootste opdracht hield verband met de Catalogus der tentoonstelling van portretten en voorwerpen betrekking hebbende op het Huis van Oranje Nassau, die van 8 september tot 31 oktober gehouden werd in het zogenaamde Fragmentengebouw van het Rijksmuseum. Aan de hand van meer dan 1300 voorwerpen werd de geschiedenis van het vorstenhuis vanaf de zestiende eeuw tot het moment van de troonsbestijging van Wilhelmina in beeld gebracht. 

De catalogus werd uitgegeven door de Amsterdamse firma van Holkema en Warendorf, waarvan de directeur tevens de directie voerde over de kunsthandel Van Wisselingh. Toch is dat niet de reden waarom de opdracht voor de prachtbanden naar Lion Cachet ging.
In een brief laat een der directeuren der uitgeverij aan de ondervoorzitter van het uitvoerend comité, J.F.M. Sterck op 17 juli 1898 weten: ‘Tegen de teekening van den omslag door den heer Lion Cachet bestaat mijnerzijds geen bezwaar, mits de uitnoodiging daartoe aan den heer L.C. van het comité uitgaat.
Bij ondervinding weet ik dat deze artist allerlei bezwaar maakt en zeer duur is, wanneer ik ’t hem zou vragen’.



De opdracht omvatte drie prachtbanden in gebatikt perkament voor koningin Wilhelmina, koningin Emma en prinses Marie von Wied, zes exemplaren voor de leden van het organiserend comité en nog eens dertig bestemd voor buitenlandse vertegenwoordigers. Als decoratie koos Lion Cachet voor een motief van rodekoolbladeren en varens. Midden op het voorplat bracht hij een gekroonde W aan, midden op het achterplat een gestileerde oranjeboom. Voor- en achterplat laten voorts horizontale banden zien die de constructie van het boek aangeven.
De exemplaren voor de Koninklijke familie zijn uitgevoerd in de kleuren rood en zwart op een naturel ondergrond. De door de binder aangebrachte goudstempeling zorgt voor een extra luxe aangezicht.
De andere banden vertonen soortgelijke decoratie, echter in een andere kleurstelling, waarin oranje en geel overheersen.
Op 7 september leverde Lion Cachet persoonlijk enkele exemplaren van de catalogus bij het Rijksmuseum af, zodat de Koninklijke gasten bij hun bezoek aan de tentoonstelling de volgende dag er ieder een in ontvangst konden nemen.
Voor enkele leden van het comité waren ook reeds exemplaren voorhanden. Het duurde echter nog tot het voorjaar van 1899 voor Lion Cachet de omvangrijke opdracht geheel had uitgevoerd
”.

Dit exemplaar was dus één van de genoemde zesendertig in een andere kleurstelling! Met potlood stond voorin het prijsje; veertien euro en een paar centen! Samen met het boekje van Marieke E. Spliethoff rekende ik af bij de kassa: zevenentwintig euri, vijftig cent! Inpakken en wegwezen...


zaterdag 17 oktober 2009

Nieuw maatpak voor Frederik Muller

Het ideale boek is als een mooie intelligente vrouw. Inhoud en verpakking zijn even belangrijk en van beiden moet ik kunnen genieten. Net als ieder ander heb ik inhoudelijk wel mijn voorkeuren. De muze Clio voert de boventoon. En wat uiterlijk betreft verkeren mijn boeken, oud (liefst in perkament!) of nieuw, zoveel mogelijk in onberispelijke staat. Het boek is voor mij ook een esthetisch object.

Geruime tijd terug kocht ik A.C. Kruseman's: “Frederik Muller 1817-1881. In memoriam. Voor vrienden overgedrukt uit de Levensberichten der afgestorven Leden van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde” (Haarlem, 1881).
Een boekje van 96 pagina’s, gedrukt op niet afgesneden geschept papier met een portret van Frederik Muller. Het is geen kostbare noch zeer schaarse publicatie. Via internet vond ik verschillende exemplaren voor prijzen rond de veertig euro.

Bij het noemen van Muller's naam hoort het hart van elke rechtgeaarde bibliofiel sneller te gaan kloppen. Zijn verdienste voor de wereld van het boek als boekhandelaar, uitgever, antiquaar, veilinghouder, bibliograaf, historicus, verzamelaar en bibliothecaris zijn immers groot.
Wie daarvan uitvoerig kennis wil nemen kan ik het boek aanbevelen van Marja Keyser en anderen: “Frederik Muller (1817-1881). Leven en werken” (Zutphen, 1996).
Het verscheen ter gelegenheid van het honderdvijftigjarig bestaan van de Bibliotheek van de Koninklijke Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels waarvan Frederik Muller medeoprichter was.
‘In memoriam’ is een inhoudelijk interessant boekje maar werd helaas gebonden in een zeer eenvoudig stofomslagje. Al een tijd liep ik rond met het plan het te laten binden in een mooie leren band en dan niet een moderne band die uiterlijk representatief is voor het einde van de 19de eeuw, maar een smaakvol, kunstzinnig en eigentijds ontwerp. Zeg maar Frederik Muller in een 21ste eeuws maatpak.

Sándor Schouten jr. van boekbinderij Bibliopegus in Amsterdam heeft deze klus op zich genomen en op bijzondere wijze geklaard.
Allereerst werd het gebrocheerde boek losgehaald.
Een schutbladconstructie met linnen binnenscharnier en handmarmerpapier van Eva Clifford Kocq van Breugel zijn vervaardigd en aangezet.
Het boekblok is machinaal genaaid, gekapitaald overlijmd met een strook handmarmer. De originele omslag en stofomslag zijn meegebonden. De boekband werd toegesneden, de inlegrug is voorzien van valse ribben, die kunstzinnig zijn doorgetrokken over de platten. De band is gerond, het boekblok bandgezet en ingehangen. Het boek werd omtrokken met heel, vol, geitenleer en tussen de inslagen opgevuld. Sluitlinten van chroom gelooid schapenleer zijn aangebracht aan de voorzijde van de boekband. Reepjes van dit leer zijn ook aangebracht over het scharnier van de boekband als valse spitsels. Het voorplat werd blind bestempeld met ‘Frederik Muller’ en ‘In Memoriam’ in het hetzelfde lettertype als gebruikt voor de titelpagina.

Het resultaat, u ziet het, mag er wezen en ik ben erg tevreden met mijn eerste ‘custom made’ boekband. Dat smaakt naar meer!

zondag 11 oktober 2009

Jachtseizoen 2009

Het bibliofiele jachtseizoen is weer in volle gang. De start lag enige tijd terug met de jaarlijkse Amsterdam Antiquarian Book, Map & Print Fair georganiseerd door de NVVA in de Passenger Terminal Amsterdam (2 en 3 oktober jl.). Veel mooie boeken maar vaak ook prijzig. Wel leuk om ideeën op te doen, te praten en te leren, snuiven, snuffelen en genieten.
Ik was er op zaterdagochtend 3 oktober en stoof in de lunchtijd (op jacht vergeet ik altijd te eten en heb ik nooit trek!) te voet door hartje Amsterdam naar dierentuin Artis waar de eerste editie van 'Books at the Zoo' plaatsvond. Een mooie beurs met veel leuke dingen en veel bekende gezichten maar ik had helaas maar weinig tijd en heb op beide beurzen niets gekocht.

Gisteren heb ik dat ruimschoots goed gemaakt en wel op de jaarlijkse boekenbeurs van de BOB in de Pieterskerk in Leiden.
Mijn eerste aankoop was: “Hebben is houden. Wat iedere verzamelaar en boekenliefhebber over zichzelf moet weten” net verschenen bij uitgeverij Aspekt en geschreven door socioloog Jaco Berveling, die het boek op de beurs ten doop hield en mijn exemplaartje vriendelijk voorzag van zijn signatuur. Inmiddels heb ik de eerste vijf hoofdstukken uitgelezen en ik kan u verzekeren dat het een prettig leesbaar boek is met heel herkenbare verhalen en hoofdstukjes zoals, “Ik ben wat ik heb”, “Wat de gek ervoor geeft” en “Prettig gestoord”. Slechts twee tientjes en van harte aanbevolen dus.

Ook maar twee tientjes was mijn volgende aankoop bij antiquariaat Fokas Holthuis uit Den Haag. Het ging om een exemplaar (één van de 35!) van “De Bibliofiel” (Uitgave Bucheliuspers, Utrecht, december 2001).


Het is een kort gedicht dat werd aangetroffen in een nalatenschap en op twijfelachtige gronden werd toegeschreven aan Simon Carmiggelt.
Het slot luidt:

Soms overweegt hij ooit eens uit te zoeken
Waar al die fraaie letters toch voor stààn.
Maar snel klapt hij weer dicht. Geen denken aan.
Want lezen, dat is zonde van de boeken
”.

Vervolgens deed ik een aankoop in stijl bij de tafel van Antiquariaat De Vries & De Vries uit Haarlem in de vorm van een in perkament gebonden fraaie eerste druk van Daniel Willink's "Amsterdamsche buitensingel, nevens de omleggende dorpen opgeheldert door aanteekeningen, over veele voornaame geschiedeniszen" (Amsterdam, Andries van Damme, 1723).


Een topografisch werk, op rijm over Amsterdam en omgeving, voorzien van uitgebreide annotatie, vier fraaie uitslaande platen en twaalf platen met elk twee afbeeldingen van met name Amsterdamse gebouwen.
De originele tweede druk uit 1738 wordt wat vaker aangeboden maar vaak ontbreken er uitslaande platen. De eerste druk is overigens in 1970 in facsimile herdrukt door de Europese Bibliotheek en volop in het antiquariaat verkrijgbaar.

De absolute topper kocht ik aan het eind van de dag en is een apart blog ‘Het Hornboek Project’ waard.

Het Hornboek Project


Bij de stand van antiquariaat Dik Ramkema uit Overveen bereikte ik een bibliofiel orgasme met de kostbare aanschaf van een exemplaar van het adembenemende ‘Hornboek’.

Het werd uitgegeven in 2003 in een beperkte oplage van 135 exemplaren (waarvan 92 voor de verkoop, die al bij voorintekening verkocht waren). Het was een monsterproject van 26 (!) margedrukkers waarover Ronald Rijkse, conservator van de Zeeuwse bibliotheek, destijds het volgende schreef:

Als enige van de dertien bibliotheken met een wetenschappelijke steunfunctie heeft de Zeeuwse bibliotheek vanaf de oprichting van de Stichting Drukwerk in de Marge in 1975 een speciale band met margedrukkers en hun producten en streeft zij er naar een representatief beeld van het margedrukken te geven. Zo ontstond door aankoop of schenking een collectie die duizenden boeken en talloze efemere (eenmalige) druksels omvat. In deze verzameling zijn diverse bibliofiele persen nagenoeg compleet aanwezig.


Dit margedrukwerk vergt een bijzondere behandeling wat conserveren betreft. Het is kwetsbaar en bovendien kostbaar en het vergt een speciale manier van opbergen. De Zeeuwse Bibliotheek heeft daar momenteel echter geen middelen voor; de vele noodzakelijke restauraties van het Oud Bezit slokken de beschikbare gelden op. Om deze bijzondere collectie toch op een goede manier te kunnen conserveren is vanuit de wereld van de margedrukkers zelf het Hornbook-project tot stand gekomen.
Hornbooks zijn de voorlopers van het ons vertrouwde ABC-boek en werden vanaf de Middeleeuwen tot de 18de eeuw in het onderwijs gebruikt.
Een Hornbook is in feite een rechthoekig plankje (met een handgreep) met daarop een velletje papier met het alfabet. Dat papier is bedekt met een plaatje hoorn. In 2002 zijn er 26 drukkers aan het werk gegaan om gestalte te geven aan een Hornbook ten behoeve van het project.
Het project was gecompliceerd en het aantal betrokkenen zo groot - naast drukkers waren er ook boekbinders, houtbewerkers, cassettemakers, zeefdrukkers en clichémakers bij betrokken - dat het uiteindelijke resultaat een unicum is in de Nederlandse boekgeschiedenis.

Allereerst is er een rode cassette waarin het Hornbook gestoken is. Haalt men dit eruit, dan ziet men 2 eikenhouten platten die de vorm van het oude Hornbook hebben. Tussen de platten bevinden zich achtereenvolgens een katern met het voorwerk, een leporello en een katern met het nawerk.
Een leporello is een boek waarvan de bladen uit één lange, meermalen gevouwen strook bestaan. In dit geval gaat het om een leporello met een lengte van vier meter. Daartoe zijn 13 dubbelzijdig bedrukte bladen harmonicagewijs gevouwen en aan elkaar geplakt. Op de bladen zijn door 26 margedrukkers de 26 letters van het alfabet gedrukt, voorzien van een (literaire) uitweiding en/of afbeelding. Iedere drukker was vrij om zelf vorm te geven aan zijn door loting toegewezen letter, echter binnen het overkoepelend thema margedrukken. De drukkers werkten in koppels van twee: de voor- en achterzijde van een blad moesten in onderling overleg vervaardigd worden. 



Het voorwerk is getiteld
“Van Hornbook tot ABC-Prentenboek” en bevat geïllustreerde bijdragen van John Landwehr en Frits Booy over de ontwikkeling van het hornbook tot de bekende 20ste eeuwse ABC-boekjes. Het nawerk bestaat eveneens uit 2 bijdragen.
De eerste is van Ronald Rijkse, die de kwetsbaarheid van de collectie aan de orde stelt. De tweede bijdrage betreft de verantwoording van het gehele project
”.

Het is werkelijk een onbeschrijfelijk mooi voorbeeld van kunstzinnige vormgeving en typografie en ik prijs mij dan ook gelukkig dat ik op de BOB beurs in de Leidse Pieterskerk een exemplaar kon bemachtigen.
Mijn drie fotootjes geven slechts een indruk maar als u wilt smullen en alle letters A t/m Z zelf wilt zien dan zult u toch echt op jacht moeten gaan naar een eigen exemplaar!

donderdag 1 oktober 2009

Leesboek voor ter dood veroordeelden

In Nederland werd de doodstraf in vredestijd afgeschaft in 1870. De laatste die hier krachtens een doodvonnis werd opgehangen was Johannes Nathan uit Sittard. Hij was schuldig bevonden aan de moord met voorbedachten rade op zijn schoonmoeder en werd in Maastricht op 31 oktober 1860 in het openbaar opgehangen door de laatste officiële scherprechter in Nederland; de Amsterdammer Dirk Jansen.

Tijdens mijn laatste boekenjacht in Leiden trof ik bij boekhandel De Slegte in de vitrine een curieus boekje aan met de titel: “Leesboek voor GEVANGENEN, inzonderheid die ter dood veroordeeld zijn”. Het is de vierde druk uit 1842, een uitgave van (en gesigneerd door) M. Wijt & Zonen te Rotterdam, “drukkers van het Nederlandsche Zendeling-Genootschap”. Een eenvoudig boekje in papieren omslag dat, blijkens de achterzijde - “de prijs is 45 Cents”- , destijds te koop was. Na 167 jaar was die prijs inmiddels naar 40,- euro gestegen maar ik heb er geen spijt van, want op het alleswetende internet ben ik dit curiosum (nog) niet tegengekomen.

Het Nederlandsch Zendeling Genootschap (NZG) werd in 1797 opgericht te Rotterdam, met als zinspreuk ‘Vrede door het bloed des Kruises’, zoals ook rond het titelvignet staat. Het doel van het NZG was niet kerkstichting, maar het brengen van individuen tot een innerlijk doorleefd christendom, gekoppeld aan beschaving.
De zending vormde zeker in de 19de eeuw een belangrijke pijler. In 1951 ging het NZG op in de Zending der Nederlands Hervormde kerk.

Uit het voorbericht blijkt dat de uitgave niet voor Jan en alleman was bedoeld maar voor “geestelijken welke de gevangene misdadigers moeten bezoeken” en voor de gevangenen zelf. Het boekje telt 20 hoofdstukjes.
Hoofdstuk I: “Hartelijk woord aan de Gevangenen” en II: “De Gevangene, welke meent dat hij onschuldig of te zwaar gevonnisd is” zijn nog weinig spiritueel van aard.
Dat verandert met hoofdstuk drie als er overdenkingen of onderwerpen met betrekking tot de verhalen in de Bijbel worden besproken zoals de tweede overdenking ‘Die zijne overtredingen bedekt zal niet voorspoedig zijn’ of hoofdstuk XI ‘De twee moordenaars, welke met Jezus zijn gekruist. Luc. XXIII: 39-43’.
Wat was de bedoeling van deze uitgave? Ik citeer: “Om maar ronduit te spreken: wij wenschten welmeenend iets toe te brengen tot verzachting van uw lot, tot uwe vertroosting, en opbeuring, tot teregtbrenging en behoudenis van uwe redelijken geest, welke overblijft na de ontbinding van uw ligchaam”.

Geestelijken die tegenwoordig de ter dood veroordeelden bezoeken in bijvoorbeeld de ‘Death row’ van een Amerikaanse gevangenis raad ik aan een andere benadering te kiezen, maar in de 19de eeuw begon het eerder gemelde ‘hartelijk woord’ met de volgende bemoedigende openingszin: “Ongelukkige medereizigers naar de eeuwigheid. Met een deelnemend, ja, diep bewogen hart treden wij uwen kerker in, en brengen u, door dit geschrift een bezoek in uwe banden”. Zo!
Dat moet al een hele troost geweest zijn…

Thans spelen zaken als forensisch onderzoek, dactyloscopie en DNA-onderzoek een grote rol in een veroordeling, zeker in die gevallen waarin de doodstraf wordt geëist, maar in 1842 bestond dat allemaal nog niet. Men vertrouwde op het goede in de mens, de beschaafde maatschappij en op een rechtvaardige God. Hoofdstuk II begint dan ook met de constatering : “Zeer zeldzaam, men mag wel zeggen, zedelijk onmogelijk zijn de voorbeelden, dat iemand in eene welgeregelde maatschappij, onder eene wijze en goede regering, onschuldig ter dood veroordeeld, en ter dood gebragt wordt: evenwel natuurkundig onmogelijk is het niet dat zulks eene enkele keer geschiede”.

En mocht dat zeldzame natuurkundige verschijnsel zich toch voordoen dan was het advies aan de betrokkene:
Hij onderwerpe zich (-). Hij overwege verder, of hij niet zulk een lot, van de zijde Gods, billijk heeft verdiend..(-) Hij denke eindelijk; wie weet, waartoe ik wel zoude gekomen zijn, indien ik niet op deze tijd, en op deze wijze het leven moest verliezen..(-). Hij blijve vrij biddend hopen op redding. Op het laatste oogenblik zou God zijne onschuld aan den dag kunnen brengen door ongeziene en ongedachte wegen”.

Johannes Nathan werd destijds in zijn laatste uren bijgestaan door paters en op het schavot door een kapelaan. Zou hij dit boekje gelezen hebben?