donderdag 22 april 2010

Antiquariaat en rozemarijn


Ik ben wel een echte Bourgondiër en mag graag kokkerellen. Daarbij schuw ik de kruidenpotjes niet en volgens mijn partner en dochter gebruik ik daarvan teveel. Onzin natuurlijk! Neem nou een goede lamsbout, daarbij hoort vanzelfsprekend knoflook en verse geurende rozemarijn. À propos…Wie op boekenjacht gaat in hartje Amsterdam ontkomt niet aan de Rosmarijnsteeg.
Alweer vele jaren geleden zat hier op de hoek met de Nieuwezijds Voorburgwal (op de foto links) de befaamde Simon Emmering. Tegenwoordig loop ik over de smalle stoepjes (rechts) langs De Friedesche Molen waar ik zo af en toe onder het genot van een sigaartje met Hein over ‘het wereldje’ ouwehoer en buurman Just en -vrouw Christianne waken over hun grote verzameling Klassieken in Straat antiquaren. Als je vervolgens doorloopt en de Spuistraat oversteekt, naar de Raamsteeg, kom je al gauw bij de prentenhandel van Eduard van Dishoeck wiens etalage ik het liefst bewonder met een koel glas Oude Geuze Boon vanuit het tegenovergelegen biercafé Gollem. ‘Last but not least’ zit op de hoek van deze steeg en de Singelgracht, antiquariaat Brinkman (waar Frank meestal bedrijvig heen en weer loopt en de oude Brinkman aan zijn pijp lurkt!).

Ik heb overigens in geen van deze antiquariaten mijn (in perkament gebonden) exemplaar gekocht van Ludolph Smids: “Schatkamer der Nederlandsse oudheden of woordenboek, behelsende Nederlands Steden en Dorpen, Kasteelen, Sloten en Heeren Huysen, Oude Volkeren, Rievieren, Vermaarde Luyden in Staat en Oorlogh, Oudheden, Gewoontes en Lands wysen” (Amsterdam, 1711). Toch was het Smids die mij in gedachten meenam naar de Rosmarijnsteeg en daarover iets curieus wist te vermelden.
Ludolph Smids (1649-1720) was een veelzijdig man. Arts, dichter, geschiedkundige en schrijver. Zijn bovengenoemde boek, feitelijk een soort encyclopedie, is gewild om de zestig illustraties van met name kasteelruïnes, door Jacobus Schijnvoet (1685-na 1733) vaak naar Roelant Roghman (1627-1692). Velen daarvan bezocht Smids zelf (“…ging ik het selve besien, onder een dichten slaghregen komende van…”).

Zijn commentaar op bepaalde onderwerpen of gebeurtenissen is levendig en soms ronduit grappig. Heel toepasselijk en met enige spot besloot hij zijn boek met een zelfgemaakt gedicht:
En hier mee sluit het werk. Gy schriften laat u drukken;
Gaat heen: doch als gy syt voltooit en in een band,
Denk vry het sal u gaan als all myn Andre stukken,
Wat heeft de nyd daar niet wel op gelekkertand:
Doch hou u stil; gelyk de dogg, die sich laat quellen,
En hoord de keffertjes niet meerder als haar bellen.



Terug naar de Rosmarijnsteeg. Eén van de lemma's die Ludolph Smids behandelt is de Dood. Verschillende typische gebruiken en gewoontes worden beschreven: “Te Amsteldam is, noch voor weinige jaaren, ontrent het overlyden van kinderen, het volgende gebruik geweest. Men steekt een bedstok uit, ontrent de deur, met palm vercierd. Aan het einde word een neus-doek, aan de vier tippen met strikjes opgedaan, over een hoep gehangen. Midden op de gemelde doek word een wasse popje (nu jongetje nu meisje) op een kussentje sittende, vast gemaakt. Deese opschik, naar der ouderen geringer of ryker stand, slechter of opsichtelyker, haaldemen van de Verciersters uit de Rosmarynsteegh”.


De rozemarijn van deze ‘Verciersters’ had dus niks te maken met het smakelijk maken van een maaltijd maar met het verdrijven van onwelriekende geurtjes, in dit geval de weeïge geur van ontbinding. Dat gebruik van geurige bloemen, planten en kruiden, in bosjes, kransen of los bij een overlijden maar ook bij andere hoogte- en dieptepunten in het menselijk leven zoals geboorte en huwelijk bestaat nog steeds, al gaat het ons nu meer om de fleur dan om het verdrijven van de geur! Een bijzondere aanvulling op Smids vond ik nog in het bekende werk: “De Uithangteekens, in verband met Geschiedenis en Volksleven beschouwd” (Amsterdam, 1867-1868) van J. ter Gouw en mr. J. van Lennep.


De Verciersters, die in de 17de eeuw haar kwartier in de Rosmarijnsteeg hadden, maar later door de gansche stad verspreid raakten, hadden een cierlijk en bevallig uithangteeken. – de Verciersterskastjes, die sinds eenige jaren gansch verdwenen zijn. ’t Waren glazekastjes, die een half achtkant vormden, en met de platte zijde tegen den gevel hingen, - waarin rosmarijn, kransjes, bloemtakken, en in ’t midden de dominé op den preekstoel, en een bruid en bruidegom voor hem. Zoo werden, in vroeger tijd, de oogen der jeugd, heel de stad door, steeds met die lieflijke voorstelling gestreeld wat een zoet vooruitzicht voor den geest bracht. ’t Is echter maar beter, dat ze er niet meer zijn; de jeugd zou er toch niet meer bij kunnen staan kijken. Dat ging goed toen er stoepen waren, waarin men veilig stond; op de trottoirs staat men niet, maar loopt er of wordt omvergeloopen” (deel 1, blz. 121/122).

In gedachten zie ik ze hangen. Een Rosmarijnsteeg vol kleine welriekende etalagekastjes. Als ik hier binnenkort weer langs antiquaren loop zal ik nog vaak denken aan de ‘Verciersters’ en hun geurige rozemarijn (en wat minder aan lamsbout)!

woensdag 14 april 2010

Amsterdams 'algezigt'


Bij velen zal het woord ‘panorama’ associaties oproepen met het bekende Panorama Mesdag in Den Haag. Dit panorama, een schilderij van bijna 15 meter hoog en een lengte van ruim 114 meter rond, stelt Scheveningen en omstreken voor. Het werd in 1881 geschilderd door Hendrik Willem Mesdag (1831-1915). Panorama Mesdag is als één van de weinige 19de eeuwse panorama’s bewaard gebleven dankzij het feit dat Mesdag zelf voor het behoud en de exploitatie ervan een familievennootschap oprichtte.


De geschiedenis van deze ‘algezigten’ startte een eeuw eerder. In 1792, schilderde de Ier Robert Barker (1739-1806) een panorama van Edinburgh en omgeving (een patent voor de techniek kreeg hij al in 1787). In de daaropvolgende 19de eeuw werd het een rage. Alleen al tussen 1793 en 1863 moeten er zeker 126 panorama’s in Europa zijn geweest!
Van de vier panorama’s van Amsterdam die tussen 1804 en 1829 werden geschilderd is niet één bewaard gebleven. De verrassing was daarom groot toen in 2003 in de collectie van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap voorstudies werden ontdekt van het derde panorama uit 1818, geschilderd vanaf de (in 1829 afgebroken) Haringpakkerstoren aan het IJ. Dit panorama werd in opdracht van de bekende Amsterdamse boekhandelaar en uitgever Evert Maaskamp geschilderd door 'Stads- en Scheeps-Schilders' Cornelis de Kruyf (1774-1828) en Wijbrand Schaap (1766-1821). Het was het tweede grote panorama dat in opdracht van Maaskamp werd vervaardigd. Over zijn eerste, een weergave van de Slag bij Waterloo, verhaalde ik eerder in ‘Panorama Rarissima’. Ook dit Amsterdamse ‘algezigt’ werd vanaf 1818 tentoongesteld in het ronde houten gebouwtje tegenover de Schouwburg op het Leidseplein.


In deze ruimte (zeven meter hoog en zeventien meter in doorsnee) bevond zich een rond podium van circa twee meter hoog.
De bezoekers hadden zo de illusie dat ze zelf op de Haringpakkerstoren stonden en rondom uitzicht hadden op de stad en het IJ. “De beschouwer, die met de stoffering eenigzins bekend is, zal spoedig ontdekken, dat de voorwerpen, welke in deze Panoramatische vertooning voorkomen, het tijdstip van de maand October 1817 voorstellen…”, schreef Maaskamp.


Net als bij zijn eerste panorama liet Maaskamp een thans zeldzame brochure drukken die hij opdroeg aan de Amsterdamse burgermeesters. Daarin werd eerst iets verteld over de ligging, de haven, de IJstroom en de oorsprong en oudheid van de stad. Vervolgens werden de verschillende gebouwen en objecten beschreven, die op de los verkrijgbare panoramaprent waren genummerd.


Bij nummer 29, de Montelbaanstoren, schreef Maaskamp weinig vleiend over het eerste panorama van Amsterdam dat in 1804 door de Fransman Pierre Prévost (1746-1823) vanaf deze toren was geschilderd. Een winters, besneeuwd Amsterdam: “waarvan niets natuurlijk gelijkend was dan de sneeuw… De gelijkenis van alle voorwerpen die hier afgebeeld zijn en Amsterdam kenschetsen, kan men niet beter vergelijken als bij een Franschman die het Hollandsch naspreekt, en hetzelve in Parijs voor zuivere Hollandsche taal uitkraamt”.


Zo heel beroerd kan het panorama van Prévost toch niet zijn geweest want de Amsterdamse tekenaar Christiaan Andriessen (1775-1846), die het op 18 juli 1806 samen met zijn oom Anthony bezocht, schreef bij de tekening in zijn dagboek: “t zelve was uitmuntend fraai”!
Aan het eind van Maaskamp’s brochure wordt iets meer verteld over de “Stoffering: levendige en beweegbare voorwerpen in het panorama van Amsterdam…” om aan te geven dat de afgebeelde objecten niet anoniem of willekeurig waren gekozen. Zo blijkt het bij de op het IJ afgebeelde tweedeks fregatschepen te gaan om: ‘De nieuwe zeelust’, van kapitein Carel Frederiks (met als bestemming Batavia), de ‘Elisabeth Cornelia’ onder bevel van kapitein P.H. Bos, de ‘Zorgvuldigheid’, onder gezag van kapitein Johannes Hulsen (beiden met als bestemming Suriname) en tot slot, links voor gebouw 1 op de illustratie, voor de ‘Oude Stads-Herbergs-boom’, het fraai opgetuigde fregatschip met witte achterspiegel ‘de Semarang’ van kapitein Jan Scholtys (gereed voor afvaart naar Batavia, Semarang en Surabaya).


Zoals gebruikelijk bij dit soort 
efemeer drukwerk was de papierkwaliteit niet hoog. Ik heb mijn exemplaar onlangs laten restaureren en voorzien van een passende boeksimulant. Restauratie was nodig want de papieren omslag lag los. Juist die originele omslag geeft (zoals de bovenste foto's laten zien) onder de naam van de uitgever informatie prijs die niet in het boekje staat vermeld. Zo weten we dat de brochure los elf stuivers kostte en dat er twee plattegronden (één van het panorama en één van de stad) los verkrijgbaar waren voor vijf stuivers per stuk.
Vermoedelijk was de stadsplattegrond vooral bedoeld voor de buitenlandse toerist want: “Het doel van den ondernemer van dit Panorama is, om hetzelve zoo veel mogelijk als een topografisch plan der stad, met hare ligging aan den IJstroom te doen kennen. Hoeveel schoons, aangenaams en nuttigs levert deze beschouwing niet op voor den vreemdeling, die, met het plan en den platten grond dezer stad in de hand Amsterdam van punt tot punt kan nazien”.


In mijn brochure zit uitsluitend de panoramaprent en ook in het exemplaar dat ik zag bij Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam trof ik alleen de panoramaprent aan. Helaas werd van dat exemplaar de originele omslag beplakt met bruin gespikkeld papier!

maandag 5 april 2010

Stilleven



"Nullus est liber tam malus ut non aliqua parte prosit"
(Er is geen boek zo slecht dat het in geen enkel deel profijtelijk is).

donderdag 1 april 2010

Een 'allernoodzaaklykst werk'

Ik wist dat ze kwamen, maar het was toch spannend, toen de deurbel ging en UPS voor de deur stond met twee dozen uit Brussel (totaal zestien kilo), van veilinghuis ‘The Romantic Agony’.

Eindelijk heb ik dan kunnen bemachtigen waarnaar ik al zolang op zoek ben; een complete serie (tweede druk) van Jakobus Kok: “Vaderlandsch Woordenboek
(Amsterdam, 1785-1799). Een achttiende eeuwse monsterproductie die feitelijk geen woordenboek is maar een encyclopedie.
De rij boeken is bijna twee meter lang, bestaat uit 38 delen in 8˚ (inclusief drie supplementdelen), werd stevig ingebonden in fraaie halfleren banden met vergulde titelschilden en telt bijna 13.000 pagina’s informatie, gedrukt op dik papier. Uit het collationeren bleek mij dat de boeken nauwelijks zijn gelezen, voor sommige prenten zaten nog blanco schutblaadjes en ik kwam zelfs nog een achttiende eeuws briefje tegen met aantekeningen.
Tekenaar Jacobus Buys (1724-1801) en graveur Reinier Vinkeles (1741-1816) zorgden - naast een frontispice - voor alle 58 paginagrote portretgravures en 80 paginagrote historieplaten. Daarnaast zitten er verspreid in de eerste 15 delen 48 meest uitvouwbare tabellen (voornamelijk 'tafels' van adellijke geslachten). 'Last but not least' zitten in mijn exemplaar ook de zeven grote uitvouwbare contemporain gekleurde kaarten van de Republiek der Verenigde Nederlanden (bestaande uit de provincies: Friesland, Gelderland, Groningen, Holland, Zeeland, Utrecht en Overijssel). De laatste twee in het supplement (deel 1) dat verder geheel zonder illustraties is.

Een complete set van de tweede druk bleek antiquarisch niet eenvoudig te vinden. Vooral de provinciekaarten ontbreken vaak geheel of gedeeltelijk (en zijn niet altijd ingekleurd).
Ze waren destijds optioneel en prijzig. Ook de drie supplementdelen ontbreken nogal eens.

De eerste druk van dit “voor ieder Vaderlandminnende Nederlander allernoodzaaklykst Werk” startte in 1780 bij uitgever Johannes Allart onder de titel: “Vaderlandsch, geschied-, en aardrijks-, geslacht- en staatkundig woordenboek; in zig vervattende, de oude en hedendaagse kerkelijke en waereldlijke geschiedenissen der Verenigde Nederlanden, en onderhoorende landschappen; beschrijvingen van steeden, dorpen, aanwas, lotgevallen en voorregten, enz. enz. als mede levensverhaalen, van alle vermaarde mannen en vrouwen”. Nadat er twaalf delen waren verschenen veranderde de boektitel in: “Vaderlandsch Woordenboek”.
Volgens Frederik Muller’s ‘Nederlandse Historieplaten’ verschenen de eerste delen zonder platen bij de schrijver, boekverkoper in de Bantammerstraat te Amsterdam.
Na de publicatie van deel twaalf startte er echter een tweede druk, die wel helemaal was geïllustreerd. In het voorbericht schreef Kok hierover:
Uit de afgifte van dit eerste Deel, zal ieder kundig Leezer zien, dat door mij kosten noch moeite gespaard zijn, om een werk van die waardij zo wel uitgevoerd ten voorschijn te doen komen als mooglijk is, en, door de bijgevoegde Plaaten en Pourtraiten, wel is waar, kostbaarder, maar ook tevens luisterrijker en interessanter te maken”. Een flink aantal platen en portretten werd overigens ook als illustratie gebruikt in uitgaven van de historicus Jan Wagenaar.

De auteur, Jacobus Kok (1734-1788), was een Amsterdamse boekhandelaar, “een minder sierlijk Schrijver, dan vlijtig naspoorer van ’s Lands Geschiedenissen, met naame ook van zijne Geboortestad, waar in hij, met onvermoeiden vlijt, veele jaaren werkzaam was” zo lezen we in zijn eigen ‘woordenboek’ (supplement deel 3)! Kok heeft zijn arbeid niet kunnen afmaken. In deel 19 deelt de uitgever mee dat hij overleed “onder het afdrukken van dit Deel, en naa dat hij het, op de vier laatste bladzijden na, geheel ter Drukperse hadt vervaardigd”. De serie werd echter voortgezet door etser, tekenaar, schrijver en dichter Jan Fokke (1742-1812).

Fokke lag voor de hand. Samen met Kok was hij al auteur van diverse publicaties waaronder het vervolg op Jan Wagenaar's driedelige stadsbeschrijving van Amsterdam (in folio), dat in 1788 verscheen. Naast een nieuwe auteur kon de uitgever ook beschikken over de nalatenschap van Kok. Daaruit blijkt dat Kok een voorbeeld voor ogen had toen hij met zijn reuzenwerk begon en wel de bekende tweedelige uitgave van François Halma (1653-1722): “Tooneel der Vereenigde Nederlanden, en onderhorige landschappen geopent in een Algemeen, Historisch, Genealogisch, en Staatkundig Woordenboek…
(Leeuwarden, 1725). In het ‘berigt van den uitgeever’ (deel 20) lezen we: “Hij (Kok) was bezitter, behalven andere echte Stukken, tot zijne onderneeminge dienstig, van Halma’s Toneel der Vereenigde Nederlanden. Met zeer veele moeite en nauwkeurigheid hadt hij dit verrijkt met een groot aantal nieuwe Artikelen en bijvoegzels. Van dit alles en andere papieren en aantekeningen uit ’s Mans voortreffelijke Boekverzamelinge, heb ik mij meester gemaakt, en dien ruimen voorraad mijnen Vrienden ter hand gesteld. Zij arbeiden dus met de bouwstoffen, door den voorgaanden Schrijver bij een verzameld”.

Opmerkelijk genoeg overleed ook Francois Halma voordat hij zijn boekwerk kon afmaken. Mattheus Brouërius van Nidek (1677-1742) bewerkte de letters W, Y en Z en bracht het geheel ter perse. Daarmee houdt elke vergelijking op want Kok’s: “Vaderlandsch Woordenboek” overtrof zijn voorganger(s) in omvang en diepgang verre en is nog steeds een belangrijk naslagwerk.