maandag 21 juni 2010

Pokke(n)tijd

Op een antiekveiling in mijn woonplaats, alweer zo’n twintig jaar geleden, kocht ik een klein keurig in leer gebonden boekje:
De bijbel uit het Grieksch door IJ. Van Hamelsveld. Het Nieuwe Testament”, met bijgebonden: “Het boek der psalmen nevens de gezangen bij de Hervormde Kerk van Nederland in gebruik. Door last van de Hoog Mogende Heeren Staaten Generaal der Vereenigde Nederlanden, uit drie berymingen, in den jare 1773, gekooren, met de noodige daar in gemaakte veranderingen
(Amsterdam, 1806).
Behalve een obligaat eenvoudig zilver slotje zit op de voorkant ook een fraai zilveren appliqué met het wapen van Amsterdam. De zilvermerken laten zien dat ze er pas later zijn opgezet, de appliqué in 1843 en het slotje in 1852. Toen ik het boekje doorbladerde zag ik dat in een keurig handschrift op de voorste en achterste schutbladen aantekeningen waren gemaakt met betrekking tot een familie Brouwer.

De aantekeningen gaan, zoals meestal in Bijbels, over huwelijk, geboorte en overlijden van familieleden, in dit geval van Harmen Brouwer (geboren 2 mei 1797) en Hendrina Anna Bosch (geboren 27 juli 1805) die op 29 mei 1824 in Nieuwer-Amstel trouwden.
Het echtpaar woonde aan de Overtoom, destijds nog een buurtschap in de gemeente Nieuwer-Amstel, maar in 1896 door de almaar groeiende gemeente Amsterdam geannexeerd. Op 22 juni 1826 werd daar hun eerste kind geboren, Gerrit Brouwer jr.
De kindervreugde was van korte duur. Op 15 oktober werd de zuigeling al begraven in de Nieuwe Kerk, “bezijden het koor, na de Gravenstraat N. 118 te Amsterdam”.

Kindersterfte…, een typisch negentiende eeuws thema, speelt in de aantekeningen een hoofdrol. Van de negen kinderen die Harmen en Hendrina zouden krijgen (zeven jongens en twee meisjes) stierven er vier in hun eerste levensjaar, allemaal jongens. Blijkens één van de aantekeningen werd hun laatste kind, Willem Walland Brouwer, op 11 maart 1843 geboren en door Harmen zelf ten doop gehouden in de Amsterdamse Noorderkerk. De bevalling moet voor Hendrina zwaar zijn geweest. Zozeer dat Harmen al drie maanden later zijn volgende trieste aantekening kon maken: “den 4 Junij 1843 mijne Waarde Vrouw Hendrina Anna Bosch in den ouderdom van 37 Jaren 10/2 d: overleden, na eene gelukkige Echt van 19 Jaren 5/d. mij nalatende zes Kinderen. Den 8 junij begraven in de Nieuwe Kerk”. Begraven in de kerk was weliswaar sinds 1829 verboden maar zou in Amsterdam nog tot 1866 plaatsvinden. Pas in 1869 zou de Wet op de Lijkbezorging hieraan een definitief einde maken.

Wat eveneens werd bijgehouden, zij het niet bij alle kinderen, was de vaccinatie.
Zo ontving zoon Jan Dirk Brouwer (geboren op 20 december 1835) vaccinatie tegen de mazelen (1837), kinkhoest (1838), waterpokken (1840) en roodvonk (1843). Bij zijn broer Herman Matthijs (geboren op 13 maart 1841) werd dit waslijstje vervangen door de opmerking “Gefaccineerd den 24 junij 1841 door W. Beumer. 2 Pokjes opgekomen welke door onvoorzigtigheit mijner Kindermeid zijn gebroken”.

Vaccinatie was in Nederland in de eerste helft van de 19de eeuw een betrekkelijk nieuw fenomeen.
Pas rond 1800 werd het voor het eerst hier uitgevoerd, een paar jaar nadat de Engelse plattelandsarts Edward Jenner (1749-1823) zijn bevindingen over zijn experimenten met ‘cow pox’ (koepokken) had gepubliceerd. De vaccinatiegraad bleef echter erg laag, ook na wat vroege wet- en regelgeving op dat gebied. Pas vanaf 1823 moesten kinderen die naar school gingen bewijzen dat ze ingeënt waren tegen pokken, voordat ze werden toegelaten. De dokter schreef daartoe het zogenaamde ‘pokkenbriefje’ uit, voorloper van het inentingsbewijs.
Dat werd in 1857 weer ingetrokken onder druk vanuit protestants-christelijke hoek.
De vaccinatiegraad daalde en de pokken eiste weer veel slachtoffers. Tijdens de epidemie van 1871-1873 stierven maar liefst 23.000 mensen aan deze ziekte. Direct gevolg hiervan was dat in 1872 de Wet op de Besmettelijke Ziekten werd ingevoerd met opnieuw het ‘pokkenbriefje’.

Het resultaat bleef desondanks gering, omdat onderwijs niet verplicht was.
Pas na de invoering van de Leerplichtwet in 1900 was er sprake van indirecte vaccinatiedwang.

Terug naar weduwnaar Harmen Brouwer en zijn kinderen. Zijn aantekeningen stoppen in 1843. Niet na 4 juni toen zijn vrouw overleed maar tien dagen later toen hij wederom aan de rand van het graf stond. “Den 11 Junij 1843. Mijn Zoon Willem heden avond ten 10 uren in den ouderdom van 13 weeken overleden. Den 14 junij 1843 begraven op het Karthuizer Kerkhof”.
Niks ‘goeie ouwe tijd’…….

Pokke(n)tijd!

zondag 13 juni 2010

Bibliomanie of boekenliefde

Vandaag op de boekenmarkt aan de Amstel gekocht: "Bibliomanie of boekenliefde", van Boudewijn Büch. Een gedicht geschreven tussen 1978 en 1985. In een oplage van 40 genummerde en gesigneerde exemplaren gezet uit de Romanée en gedrukt op de Duindoornpers door Piet C. Cossee (Scheveningen, 3 februari 1985) ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van de Utrechtse antiquaar Niek Waterbolk.
Een 'H.C.' exemplaar ('hors commerce', oftewel niet in de handel) dus ongenummerd, niet gesigneerd maar wel zeldzaam, voor slechts € 25,- euro.

Boekenvreugde


"Iö Vivat!
Iö Vivat!
Nu hebben wij ’t Banket!
Ik riep zoo vaak: ‘Och, dat ik ’t had!’
Nu hebben wij ‘t: - Iö Vivat!
Iö Vivat!
Iö Vivat!
Ik spring van louter pret!

Iö Vivat!
Iö Vivat!
Daar mag een glas op staan!
De Naarders roepen: ‘word jij mal?’
De Vesting dreunt van jouw geschal!’
Iö Vivat!
Iö Vivat
Dit gaat geen Naarders aan
”.

Dit vreugdeversje schreef Jan ter Gouw (1814-1894) voor de in Naarden wonende mr. Jacob van Lennep (1802-1868) “omdat wij eindelijk ’t langgezochte ‘Luifelen-Banket’ van V.d. Berg gevonden hadden,- een boek, toen onbekend in ’t land, zelfs Fred. Muller kende ’t niet”.
Jan ter Gouw is vooral bekend geworden door zijn publicaties over de geschiedenis van Amsterdam. Ter gelegenheid van zijn honderdste geboortedag - in 1914 - gaf zijn zoon J.E. ter Gouw een boekje uit getiteld: “J. ter Gouw, verzen en rijmen” (Hilversum, 1914), waarin ook het bovenstaande vreugdeversje staat (blz. 15). De oplage was beperkt, “Niet in den handel” en werd cadeau gedaan aan vrienden ‘tot eene herinnering aan den Schrijver’. Mijn exemplaar, nummer 12, werd destijds aangeboden aan de heer J. van Veen in Soest.

Veel versjes en rijmen werden opgedragen aan eerdergenoemde Jacob van Lennep die samen met Ter Gouw schrijver was van de bekende boeken: “De uithangteekens, in verband met geschiedenis en volksleven beschouwd” (Amsterdam, 1868) en “Het boek der opschriften. Een bijdrage tot de geschiedenis van het Nederlandsche volksleven” (Amsterdam, 1869). In hun zoektocht naar materiaal voor deze publicatie schreef Ter Gouw op 19 februari 1867 het bovenstaande ‘Iö Vivat!’.

Om welk zeldzaam boek was de vreugde zo groot?
De volledige titel luidt: “Het gestoffeerde winkel en luyfen banquet, dienstig voor alle winkeliers die eenige rymen voor luyfens, deure, of in pakpapieren willen zette, wat waren yder te verhandelen heeft, koddig gerymt, voor de winkeliers en liefhebbers te grabbel gegooyt door…
(Amsterdam, 1693), door mr. Isaac van den Berg. In deel 1 van ´De uithangteekens´
(blz. 9) schreef Ter Gouw dat het exemplaar dat zij vonden berustte in de Koninklijke Bibliotheek en tot gebruik werd verstrekt “door de heuschheid Van den heer Adj. Bibliothekaris Campbell”.
Het exemplaar dat ik fotografeerde ligt bij Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. Let ook op de notitie op het schutblad links.

dinsdag 8 juni 2010

U bent bibliofiel

Stel u bent bibliofiel.
U houdt van mooie kleine verzorgde boekjes. Liefst een boekje dat door een bekende persoon uit de boekenwereld is gemaakt en een geïllustreerd overzicht geeft van zijn of haar oeuvre. Een boekje dat genummerd is en door hem of haar gesigneerd. Een boekje dat in een prachtig ontworpen doosje zit. Een boekje dat voor een belachelijke prijs wordt aangeboden, zo laag dat u er spontaan meer koopt want over een paar jaar zijn ze goud waard. Een boekje waarbij u gratis de bijbehorende tentoonstelling mag bezoeken. Kwijlen…….

En denkt u nou niet, ach die overzichtstentoonstelling van Irma Boom (u weet wel van het beroemde SHV boek) bij Bijzondere Collecties in de Universiteit van Amsterdam, die bezoek ik nog wel een keertje want die duurt toch tot 3 oktober 2010. Ik ben vandaag, nadat ik was wakker geschud door een collega blogger, onmiddellijk op pad gegaan voor twee exemplaren (a € 19,50 per stuk). In de twee uur dat ik daar rondliep zijn er zeker vijftig stuks verkocht en niemand kocht er maar één. Mijn twee exemplaren laten zien dat er al 250 stuks weg zijn…
"Ze gaan heel erg hard", zei de baliemedewerker. Als ze elke dag zo hard gaan als vandaag dan zijn alle 500 genummerde en gesigneerde exemplaren nog voor het eind van deze week op. Natuurlijk kunt u dan altijd nog de ongesigneerde en niet genummerde versie kopen, maar ja….
U bent bibliofiel. U houdt van etc. etc.

zaterdag 5 juni 2010

Zoet en zuur

Aan mijn laatste strooptocht op de vrijdagse boekenmarkt op het Spui in Amsterdam heb ik gemengde gevoelens overgehouden.

Prachtig zomerweer dat wel.
Culi-goeroe Johannes van Dam tufte gemoedelijk in zijn karretje langs de stalletjes en drommen toeristen waren weer op weg naar het naastgelegen Begijnhof. Wat ik al eerder had gekocht op deze markt was het prachtige fotoboek van Evert van Kuijk: “Spui, Amsterdam” met 91 sfeervolle foto’s van de boekenmarkt.

Bij antiquariaat Klikspaan uit Leiden had ik geluk. Een exemplaar van: “Printing in Oxford & Leiden. Drukwerk in Leiden & Oxford. A joint project between members of the Oxford Guild of Printers in England, and Stichting Drukwerk in de Marge in Holland”.‎ (‎Leiden/ Oxford, 1989). Zeventien boekjes plus een vouwblad in een staande, met marmerpapier overtrokken, kartonnen schuifdoos met titeletiket (ontwerp van Chris Hicks). Vervaardigd in een oplage van 150 exemplaren door zeventien margedrukkers, waarvan tien Nederlandse en zeven Engelse.
De teksten, die de geschiedenis van de boekdrukkunst in Leiden en Oxford betreffen, zijn op handgemaakt papier gedrukt soms geïllustreerd en soms genummerd. Weer zo’n fraai bibliofiel samenwerkingsproduct van margedrukkers in mijn collectie.
Op de website van antiquariaat Fokas Holthuis in Den Haag had ik al eens een exemplaar zien staan maar dan wel voor het dubbele van de prijs die ik betaalde. Een zoete overwinning.

Vaak maak ik een praatje met de standhouders zoals met Paul van Antiquariaat de Boekerij uit Baarn. Meestal gaat dat over de ramp die internet heet, de daling van de antiquarische boekenprijs en de afgelopen gouden jaren van het vak.
In Paul’s stalletje lag een “Gargantua en Pantagruel”, een uitgave van ICOB/De arbeiderspers (Amsterdam, 1980), met stofomslag, in nieuwstaat. Tussen de voorste schutbladen vond ik een vergeeld krantenknipsel waarin deze publicatie “grafisch voorbeeldig verzorgd” met veel tamtam werd aangekondigd.
De vertaling door J.A. Sandfort “valt niet te overtreffen”, de illustraties van niemand minder dan Gustave Doré “zijn schitterend gereproduceerd op origineel formaat, waardoor de rijkdom aan details voor uren en uren kijkgenot zorgt” en in vette letters: “Een boek dat, als het uitverkocht is, antiquarisch hoge prijzen zal gaan doen!“. Al dat fraais voor een intekenprijs van maarliefst 110 gulden en na publicatie 125 gulden.

Voor slechts twintig euro werd ik de nieuwe eigenaar. Twintig euro, omgerekend zo’n vierenveertig ouderwetse guldens…
Zuur; en nog zuurder toen ik thuisgekomen op internet boekwinkeltjes.nl bekeek en daar een twintigtal exemplaren zag staan met prijzen die varieerden van € 8,90 tot € 40,- euro!

donderdag 3 juni 2010

Restaureren

Ik heb momenteel twee restauratie-
projecten lopen. Eén in Groningen (waarover ik binnenkort meer zal schrijven) en een tweede in Amsterdam. Omdat ik al vaker, met name boeken, heb laten restaureren weet ik dat de kosten hoog zijn (handwerk!) en dus ben ik altijd op jacht naar de mooiste objecten in de beste conditie voor de laagste prijs. Maar soms zijn zaken gewoon toe aan een professionele restauratie om verder verval te voorkomen en omdat ze het waard zijn. Restaureren is per definitie invasief c.q. belastend voor het object. Belangrijk is dat de ingreep met eerbied voor het voorwerp wordt uitgevoerd door een specialist die zich beperkt tot het aller-noodzakelijkste en gebruik maakt van passende, duurzame en reversibele materialen/middelen.

In de jaren dat de Amsterdamse Stopera werd gebouwd (1982-1986) was de Waterlooplein markt gesitueerd op de plaats waar thans o.a. de Nederlandse Film
en Televisie Academie is gevestigd, tussen de Rapenburgerstraat en de Valkenburgerstraat.
Er stond daar toen ook een handelaar in oude boeken, eerst met een kar onder de centrale luifel en later in één van de metalen cabines. Het was bij hem dat ik voor een paar tientjes (guldens!) een exemplaar kocht van “Panorama’s en Stadsgezichten van Amsterdam. Opname en uitgave van G.H. Heinen, schilder en photograaf”. (Amsterdam, Kleinmann & Co.). Een grote bordeaux rode kunstleren map (50 cm. x 60 cm.) met daarin een omslag (titelblad) en op glad karton zesentwintig grote zwart-wit panoramafoto’s van Amsterdam. De kunstleren map was langs de halfvergane leren rug bijna losgescheurd en in de witte kaderrand van enkele foto’s zaten wat minimale bruine (vocht)vlekjes maar voor de rest verkeerde alles in prima conditie.
Gerrit Hendrik Heinen (1851-1930) was een ‘huis- en decoratieschilder’ wiens naam vooral verbonden blijft met het fraaie schilderwerk in de wachtkamers, inclusief de Koninklijke, van het Amsterdamse Centraal Station. Fotograferen uit liefhebberij deed hij vanaf 1892 ook. De meeste foto’s in de map zijn in of rond 1894 gemaakt en te dateren aan de hand van details.
Het fotograferen van deze prachtige weidse stadsgezichten moet gezien het standpunt vanaf torens en hoge gebouwen destijds een hele onderneming zijn geweest. De foto’s zijn namelijk van een uitzonderlijk formaat (27 cm. x 48 cm.).
Aangezien er in die tijd nog nauwelijks werd vergroot moeten de glasnegatieven van dezelfde afmeting zijn geweest als de afdrukken, mogelijk zelfs groter (40 cm. x 50 cm.)!
Kortom; trappen lopen met op je nek een reusachtige en zware camera op statief…
Wie kennis wil nemen van alle spectaculaire panoramafoto’s van Heinen kan ze terugvinden in de beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam.

Lang lag deze grote enigszins onhandelbare map met zijn fraaie inhoud vergeten tussen mijn andere boeken tot ik enige tijd terug op een boekenmarkt een boekje kocht geschreven door H. Rooseboom en E. Wouthuysen: “G.H. Heinen. Panorama’s en stadsgezichten – Amsterdam in 1894” (Amsterdam, 2002).

Tot mijn verbazing las ik daarin (blz. 28) dat er slechts drie complete exemplaren, met zesentwintig opnamen, bekend zijn van Heinen’s panoramamap. Eén in de collectie van het Gemeentearchief, thans Stadsarchief, Amsterdam. Eén in het prentenkabinet van de Universiteit van Leiden en één in privé bezit. De originele bordeaux rode imitatieleren map waarin de omslag met afbeeldingen werd opgeborgen is “voor zover bekend, alleen bewaard in het Gemeentearchief van Amsterdam” (blz. 30, noot 49).

Professionele restauratie van mijn map (een nieuw leren ruggetje), de tweede originele map voor zover bekend van het tweede volledige exemplaar van Heinen’s uitgave in privé bezit, leek mij daarom zinvol en verantwoord.