woensdag 27 oktober 2010

In een opwelling

Bij Nijhof & Lee in de Staalstraat kocht ik gisteren in een opwelling voor € 55,- euro: “Het huis Enschede 1703-1953” (Haarlem, 1953) door Jan van Krimpen (e.a.). Het is een fraai bewaard gebleven eerste druk, de boekplatten met goudbespikkeld rood papier bekleed. Het boekje bevat drie hoofdstukken: “Zeven Geslachten van Drukkers en Lettergieters” (met zeven portretten en een genealogische tabel), “Een korte Geschiedenis van het Bedrijf “, (door Jan van Krimpen) en “Een Keuze uit de Letters van Zes Eeuwen”.

Thuisgekomen zag ik op internet dat een mooi exemplaar rond de € 25,- euro kost. Tja, opwellingen zijn gevaarlijk en ik geef er helaas maar al te vaak aan toe. Hoewel...
Zodra je het boekje openslaat zie je in sierlijk handschrift: “Aan Ir. Eugène Strens. S. Hartz”. Kennelijk een presentexemplaar van de bekende Samuel Louis (Sem) Hartz (1912-1995) aan Ir. (elektrotechniek) Eugène Louis Charles Marie Strens (1899-1980). De eerste was een internationaal bekend graficus en grafisch ontwerper die praktisch zijn hele leven bij de Haarlemse drukkerij van Joh. Enschedé zou werken en de tweede was een legendarisch verzamelaar van ex-libris wiens collectie van 120.000 bladen zich in het Museum Meermanno, huis van het boek, bevindt.

De hamvraag is natuurlijk of een fraai exemplaar met deze inscriptie dubbel zo duur moet zijn als een even fraai exemplaar zonder. Het antwoord daarop is moeilijk. Het is in het antiquariaat immers ook vaak een kwestie van ‘wat de gek ervoor geeft’.
Het eindoordeel laat ik daarom graag aan u, het boekje hou ik voor mezelf!

zondag 24 oktober 2010

Nieuwe aanwinsten

Een bijzonder boekje uit 1821, waarover later meer, niet meegerekend kocht ik de afgelopen week gemiddeld één boek per dag. De boekenvloed zorgde voor een ingrijpende reorganisatie in een van mijn boekenkasten waarbij het telkens weer een uitdaging is om alle verworven schatten op de planken te krijgen. Alleen mijn deelcollectie boeken over boeken beslaat nu al zo'n zeven strekkende meter. Op de bekende Amsterdamse Spui boekenmarkt kocht ik afgelopen vrijdag het rijk geïllustreerde en vijf kilo zware “Memorboek. Platenatlas van het leven der Joden in Nederland van de Middeleeuwen tot 1940” (Baarn, 1974).
Weer zo’n prachtig boek dat destijds dik over de honderd gulden kostte en nu voor minder, soms heel veel minder kan worden gekocht. Een blik op de bekende internetsites laat zien waarom. Er zijn er veel te veel gedrukt en er worden er nog meer aangeboden (laagste prijs € 14,- euro!). Heel veel boek voor weinig geld dus, maar pas op! Twee zaken ontbreken regelmatig bij de aangeboden exemplaren.
Ten eerste de stofomslag en ten tweede de losse bijlage (de “aanvullende opgave van voor het boek gebruikte boeken en artikelen”).
Een compleet exemplaar voor € 25,- euro, wat ik betaalde, is dan niet veel geld. Twee stalletjes verder kocht ik het, bij elke boekhistoricus bekende, standaardwerk van Philip Gaskell: “A new introduction to Bibliography” (Oxford, 1979).
Het stond al een tijdje op mijn verlanglijstje en voor het belachelijke bedrag van € 7,50 euro kon ik het niet laten liggen.

Op weg naar huis passeerde ik in de Staalstraat Nijhof & Lee waar ik mijn bestelling van twee maanden geleden ophaalde: “ABC for book collectors” van J. Carter & N. Barker (New Castle/London, 2010). Welbekend onder boekengekken. Vers uit Amerika, want ik wilde absoluut de laatst verschenen editie hebben en dat bleek de achtste te zijn (voor € 25,- euro).
Vervolgens toch ook nog even langs de boekenstal van Jos Albers op het Waterlooplein. Voor een spotprijs van slechts € 10,- euro kocht ik er twee vrijwel spiksplinternieuwe boeken uit de stal van de Amsterdamse kwaliteitsuitgeverij ‘De Buitenkant’. Het zijn: “Van pen tot laser. 31 opstellen over boek en schrift aangeboden aan Ernst Braches” (Amsterdam, 1996) en van Stanley Morison het boekje: “Grondbeginselen der typografie” (Amsterdam, 1990). Gewoon lekkere 'hebbedingetjes' voor twee keer niks!

Ondertussen had ook tante post het druk met mij.
Via internet aangekocht arriveerden hier inmiddels twee boeken. Ten eerste: Th.A.A.M. van Amstel “De heren van Amstel 1105-1378” (Hilversum, 1999) voor € 17,- euro. Ook al heel lang op mijn verlanglijstje.
Ten tweede, voor slechts € 5,- euro, het curieuze essay geschreven in 1793 door Arend Fokke Simonszoon (1755-1812): “De boeknegotie in het toekomend jaar drie duizend. Eene mijmering” (Amsterdam, 1999).
Een gelegenheidsuitgave, van slechts 55 bladzijden, door Van Veen Uitgeversgroep opnieuw gedrukt in een beperkte oplage van 2000 stuks en niet in de handel verkrijgbaar.
Ik ken het niet, maar de titel maakte mij nieuwsgierig. Misschien iets voor een artikeltje over ‘de boekverzamelaar in het jaar drieduizend’.
Het derde boek tenslotte - en nog onderweg - is van
B. Gascoigne: “Prentkunst en drukwerk, een complete handleiding voor het herkennen van manuele en mechanische drukprocedés van houtsnede tot ink jet printing” (Amsterdam, 1988). Een vertaling van het bekende ‘How to identify prints’, voor maar € 32,- euro. Op de studiezaal bij Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam kwam ik het tegen en het is met zijn afbeeldingen, tips en instructies, bijzonder informatief en handig bij het identificeren van diverse illustratietechnieken in (oude) boeken. Overigens wordt het ook aanbevolen in het eerdergenoemde ‘ABC for book collectors‘.

Heeft u even meegeteld? Totaal acht boeken voor € 121,50 euro (inclusief de verzendkosten). En dat alles luttele dagen voor de start van de ‘31st Amsterdam Antiquarian Book, Map & Print Fair 2010’. Ik hou mijn hart (maar vooral ook mijn portemonnee!) vast….

maandag 18 oktober 2010

Fantasie met iets te veel testosteron

Wij kennen het ware gelaat van de Hollandse graven en gravinnen niet. Tot de oudste afbeeldingen behoort de omstreeks 1490 geschilderde serie gravenportretten in het Haarlemse stadhuis. De meesten van hen waren toen al zo’n twee eeuwen dood en hoewel de geschilderde figuren allen individuele kenmerken hebben, zowel in gelaat als (fantasierijke) kleding, zijn het geen van allen portretten naar het leven getekend. Wie daarover meer wil lezen kan ik het interessante boekje van W. van Anrooij (red.) aanraden: “De Haarlemse gravenportretten” (Hilversum, 1997).

Kern van mijn oude boekencollectie ‘perkamentjes’ vormen de in de 17de en 18de eeuw uitgegeven middeleeuwse kronieken waarin deze graven en gravinnen van Holland (Zeeland en Friesland) een belangrijke rol spelen.
De boeken werden vaak geïllustreerd met hun afbeeldingen (soms van top tot teen, soms alleen hoofd en schouders c.q. portretbustes). Iconografisch zijn de afbeeldingen allemaal terug te voeren naar de Haarlemse serie gravenportretten.
Dat de afbeeldingen vaak op elkaar lijken is dus geen verrassing. Daarover wordt in het eerdergenoemde boekje (door Jan de Jong) uitvoerig geschreven en ook ik publiceerde geruime tijd geleden op dit weblog hierover een stukje getiteld ‘Baardgroei’.
Daaruit bleek dat het portret van Albrecht van Beieren (1336-1404) zoals Petrus Scriverius ons geeft in zijn: “Hollandsche, Zeelandsche ende Vriesche Chronyck, ofte een gedenckwaerdige beschryvingh van den Oorsprong, Opkomst en Voortgang, der selver Landen. Soo onder de Regeeringe en Successie der Graven, wegens hare geslachte en verrichtinge, van Diederick den I. tot Philips den III” (’s Gravenhage, J. Veely and J. Doll, 1678) erg veel lijkt op het 33 jaar daarvoor gepubliceerde portret van Albrecht in het boek van Caspar Wachtendorp: “Oude Hollandsche Geschiedenissen ofte, Corte rym-kronyck: verdeelt in XIIII Boecken, beginnende van de Suntvloet, tot den Iare 1560” (Amsterdam, Johannes Pauli, 1645).


Opmerkelijker echter is dat een aantal portretten in het boek van Scriverius om voor mij duistere redenen totaal afwijken van eerdere afbeeldingen met als klap op de vuurpijl het portret van gravin Ada van Holland (1188-1223). Nou is de levensgeschiedenis van deze Ada op zich al geen rozengeur en maneschijn. Nadat haar vader Graaf Dirk VII in 1203 was overleden werd zij als vijftienjarige door haar moeder Aleid van Kleef uitgehuwelijkt aan Lodewijk II van Loon. Het huwelijk werd snel voltrokken nog voordat haar vader begraven was en zorgde voor een schandaal met politieke gevolgen, de zogenaamde Loonse oorlog (1203-1206). Haar oom Willem I (1165-1222) betwistte de opvolging en eiste het Graafschap Holland voor zichzelf op. Ada werd belegerd in Leiden, verbannen naar Texel en later zelfs naar Engeland. Uiteindelijk stierf zij kinderloos op jonge leeftijd en werd zij in de abdij van Herkenrode (Hasselt/België) begraven. Ook geschiedschrijvers hadden het moeilijk met haar. Sommigen rekende haar wel, andere weer niet tot de graven c.q. gravinnen van Holland.

De onbekende etser die de portretten in het boek van Scriverius voor zijn rekening nam was, zo merkte Jan de Jong al op, een middelmatig vakman die vooral niet bedreven was in het weergeven van de ogen. Zijn afbeeldingen geven daardoor nogal eens de indruk dat eenieder die graaf van Holland werd onmiddellijk door een vreselijke oogafwijking werd getroffen. Helaas trof onze gravin Ada een veel ernstiger lot. Van het lieflijke en vrouwelijke gelaat in het eerder verschenen boekje van Wachtendorp is niets meer over. 


Zijn verbeelding van de gravin doet mij eerder denken aan een 17de eeuwse travestiet verkleed als Ada inclusief het karakteristieke hoofddeksel.
Welke van de twee afbeelding haar het meest recht doet is onbekend maar het volgende pleit niet in haar voordeel.

In juni 1950 onderzocht dr. B.K.S. Dijkstra een aantal menselijke skeletten opgegraven op het terrein van de voormalige abdijkerk van Rijnsburg.
Zijn taak bestond erin om deze stoffelijke resten die zeer waarschijnlijk toebehoorden aan een aantal graven en gravinnen uit het Hollands Huis, familie dus van onze Ada, te identificeren. In 1979 verscheen hierover zijn publicatie: “Graven en gravinnen van het Hollands Huis. Onderzoek van de stoffelijke resten, opgegraven op het terrein van de voormalige abdijkerk te Rijnsburg” (Zutphen, 1979).

Een van de gevonden skeletten was dat van een dochter van eerdergenoemde Willem I, een volle nicht dus van onze Ada. Ook zij droeg de naam Ada van Holland (1208-1258) en was vanaf 1239 abdis van de Abdij in Rijnsburg. Aan haar schedel te zien was het bepaald geen schoonheid. Een slecht gebit met een flinke overbeet. Haar botten waren soms ‘eerder mannelijk dan vrouwelijk’. Dijkstra’s eindconclusie onder het kopje ‘geslachtsbepaling’ (blz. 57) is dan ook: “Vrouw, die waarschijnlijk nooit kinderen heeft gebaard, met lichamelijk mannelijke trekken”.


Die etser kon met zijn fantasieportret, met iets te veel testosteron, nog wel eens dichter bij de waarheid hebben gezeten dan wij denken!



dinsdag 12 oktober 2010

Cross of iron

Toen ik een oud rommelkistje doorzocht op zoek naar iets anders kwam ik weer eens ‘mijn’ Duitse IJzeren Kruis tegen.
Nee, niet op een of ander Oost-Europees slagveld verworven maar gewoon gekocht als zeventienjarige puber op het Amsterdamse Waterlooplein. Het is een IJzeren Kruis, 2de klasse, uitgereikt tijdens de Tweede Wereldoorlog, met gevlekt origineel lint (bebloed of is dat mijn fantasie?). Voor de aan Duitse kant strijdende soldaten het ultieme symbool voor moed, eer, trouw, patriottisme en militair succes.
Ik denk dat er maar weinig onderscheidingen zo bekend en beladen zijn als het IJzeren Kruis.
Elke keer als ik het zie moet ik terugdenken aan de film "Cross of Iron" (Sam Peckinpah, 1977), die destijds grote indruk op mij maakte.
Ik vind het nog steeds één van de betere (anti)oorlogsfilms met een knap gemaakte intro op het onschuldig klinkende kinderliedje “Hänschen klein”. De beelden en de muziek blijven lang in je kop doorzeuren.

woensdag 6 oktober 2010

Heeren en moeders

Zomaar een boekje.
Handzaam duodecimo (12˚) formaatje met een eenvoudig perkamenten omslagje. Het gaat om een: “Naamwyzer, waar in vertoond worden de naamen en woonplaatsen van haar ed. gr. achtb. De Heeren Regeerders der stad Amstelredam, dezes jaars 1788. Als mede van eenige Bedienden der zelve. Tot dienst aller Liefhebbers in goede orde gestelt” (Amsterdam, 1788). De inhoud bestaat uit meerdere losse onderdelen.

Na de eerdergenoemde ‘naamwyzer’ volgt een “Naam-register van al de Predikanten die t' sedert de Reformatie in de jare 1578 tot heden geweest, of noch zyn...”, vervolgens een “Lyste van de capiteinen, luitenants en officieren over de 60 Vaandelen Burgers binnen de stad Amsterdam...”, dan een “Verbetert specie-boek der verminderde Schellingen, tot 5 stuivers 8 penningen uitgerekent van vyf en vier Schellingen in een Worp als mede een Specie-Tafeltje van Agt-en-twintigen…” en tot slot de: “d’Erve der Wed Stichters Almanach op ’t Schrikkel-Jaar onses Heeren Jesu Christi, 1788…”. Er bestaan overigens ook exemplaren met een onderdeel waarin gegevens van Batavia en de vestigingen van de VOC zijn opgenomen.

Dergelijke boekjes staan bekend als ‘herenboekjes’, wat niet wil zeggen dat er helemaal geen dames in staan.
Die vinden we vaak terug als ‘buyten-moeders’ van hofjes, gods-, gast-, spin- en weeshuizen en vrijwel altijd met de vermelding ‘huisvrouw van ...’ zoals bijvoorbeeld één van de buitenmoeders van de Nieuwe Walenkerk “Laurentia Clara Elisabeth van Haesten, Huisvr. Van den Wel Ed. Heer Mr. P.C. Hasselaer, Regeerend Burgemeester, op de Keisersgraft, z.z. tussen de Reguliersgraft en Utrechtsestraat”.
Alleen de ‘Schatsters in de boel- en erfhuyzen’; Anna Adriana Elzevier, Dorothea Wilhelmina Bennet, Beatrix Hoorn en Sara Johanna van der Straten, werden zonder verdere omschrijving met voor- en achternaam vermeld. Zeer waarschijnlijk waren ook zij wel huisvrouw maar niet in de hogere kringen en verschil – ook op papier - moest er wezen. Het boekje is een soort ‘Who is who’ van het jaar 1788; zeg maar een voorloper van de latere adresgidsjes en telefoonboeken.

De adressering is voor onze begrippen kort en vaag. Burgemeester Jan van de Poll woonde “op de Heeregraft bij het Koningsplyn”.
Geen huisnummers (waren er nog niet), soms een nadere precisering zoals bij de secretaris van de zeezaken Hieronimus van der Dussen: “op de Keizersgraft over ’t Huis met de Hoofden” en boekhouder Jan Hamaker “op de Rapenburgergraft, boven de Stal van Orsoy”.
De bibliofiel, tevens eerste stadsklerk ter secretarie Jeronimo de Bosch woonde “op de Keisersgraft, over de Groenlandse Pakhuizen”.
Soms tref je wat sluikreclame aan, bijvoorbeeld bij David Franco Mendes in de Rapenburgerstraat, één van de beëdigde ‘Translateurs’. Hij vertaalde “uit en in ’t Hebreeuwsch, Chaldeeuws, Spaansch, Portugeesch, Fransch, enz.”.
Vooral dat ‘enz.’ intrigeert me dan…en Jacobus Bakker, één van ‘Practiserende Boekhouders’ in de Pieter Jacobstraat, bij de Fluwelen Burgwal “instrueert in het Italiaansch en Scheeps Boekhouden”.

Deze boekjes kom je in antiquariaten en het veilingcircuit weinig tegen. Ze waren destijds bedoeld voor een beperkte doelgroep waaronder de functionarissen van de opgenomen (overheids)instellingen zelf. De oplage was daar op afgestemd en bovendien verscheen er elk jaar een nieuwe editie met als gevolg dat de oude vaak in de prullenbak verdween.
Eén blik in de STCN (Short Title Catalogue Netherlands) leert ons dat de Koninklijke Bibliotheek beschikt over een vrijwel complete serie van 1750 tot 1794 maar dat uitgerekend het jaar 1788 en 1789 ontbreken.
De conclusie dat het dus om een zeldzaam boekje gaat moet echter niet al te gauw getrokken worden. Dit soort efemeer drukwerk van overheidswege is vooral in archiefcollecties bewaard gebleven die vrijwel in het geheel niet zijn opgenomen in de STCN. Zo blijkt het Stadsarchief Amsterdam over een veel grotere serie te beschikken, vrijwel compleet van 1700 tot 1800 waaronder zelfs twee exemplaren van het jaar 1788!