donderdag 25 november 2010

Watermanagement


Wie een blik werpt op 18de eeuwse kaarten zal onmiddellijk zien dat het landschap rondom Amsterdam waterig polderland was. Daarvan is tegenwoordig nog maar weinig zichtbaar, want landschappelijke herinrichting en bebouwing heeft veel karakteristieke waterplassen en polderelementen weggepoetst. Het enige wat soms nog merkbaar of zichtbaar is zijn de hoogteverschillen tussen de oorspronkelijke polder en de omringende dijken of de overgang tussen uitgeveende en niet uitgeveende gedeelten. Alleen wie verder kijkt en kennis heeft van de oorspronkelijke polderstructuren ziet ook overeenkomsten met het huidige stratenplan en de loop van waterwegen nu.
Een oorspronkelijk bewaard gebleven polder of ‘droogmakerij’ (leeg en vlak) is zeldzaam geworden en het is dan ook niet voor niets dat de in 1612 drooggevallen Beemster, ten noorden van Amsterdam, sinds 1999 op de wereld erfgoedlijst van UNESCO staat.


Zo’n dertig jaar geleden begon ik uit historische interesse met het verzamelen van verordeningen en reglementen (‘keuren en ordonnantiën’) die betrekking hebben op het polderbeheer van diverse polders ten zuiden van Amsterdam.
Inmiddels bezit ik documentatie met betrekking tot het ‘watermanagement’ in de Buitenvelder(t)se polder, de Watergraafs- of Diemermeer, de Bijlmermeer, de ‘Ronden-hoeps-polder’, de Legmeer en het hoogheemraadschap Amstelland (thans alle vallende onder het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht). De meesten publicaties zijn uit de 18de en 19de eeuw en zijn in waterschapsarchieven nog wel aanwezig.
In het antiquarisch circuit echter kom je materiaal met betrekking tot genoemde poldergebieden maar zeer zelden tegen. Dat komt natuurlijk door het feit dat de oplage van dergelijke uitgaven destijds beperkt was. De doelgroep, m.n. de ingelanden (landeigenaren) en de bestuurders van de desbetreffende polder, was maar klein en de regels en verordeningen verouderden snel.

Ik ken op dit gebied niet veel medeverzamelaars. Wellicht omdat deze uitgaven wat inhoud betreft niet spectaculair zijn en vrijwel nooit geïllustreerd. Ook wat het uiterlijk betreft valt er weinig te beleven. Geen luxe ingebonden prachtuitgaven maar vaak niet meer dan een paar bladzijden met een gemarmerd papieren omslagje. Desondanks zijn de prijzen stevig en stabiel. Voor de pamfletjes heb ik nooit meer hoeven betalen dan honderd vijfentwintig gulden (en na 2001 hetzelfde bedrag in euro’s).

Mijn laatste aanwinst kocht ik deze week van F.O., een collega verzamelaar en handelaar, die ik al jaren met enige regelmaat tegenkom in het antiquarisch circuit. Het is een eenvoudig in papieren omslag gestoken pamfletje van zestien bladzijden, gedateerd 3 juni 1826. De aanhef is meteen de titel: “Dijkgraaf en heemraden van het Bijlmermeer, brengen bij deze ter kennisse van allen en een iegelijk, die het zoude mogen aangaan, het navolgende door Z.M. den Koning geapprobeerde Reglement, op de Administratie en het beheer van den Polder van het Bijlmermeer”.


De geschiedenis van deze polder en de gelijknamige stadswijk ('de Bijlmer') die hier in de jaren zestig van de vorige eeuw werd gebouwd is een verhaal op zich en is zelfs één van de onderwerpen in ‘de canon van Amsterdam’ (venster 46).
Laat mij volstaan met enkele feiten. Al in de 12de eeuw stond deze waterplas bekend onder de naam ‘Biddelmerbroke’. In de 17de eeuw werd ze tweemaal drooggemalen (1627 en 1678) maar in 1702 stond ze, na een zware storm, alweer onder water. Tussen 1818 en 1826 werd ze voor de derde keer - en ditmaal definitief - drooggemalen en dat was natuurlijk de reden voor het verschijnen van het bovenstaande reglement van administratie en beheer.
De landelijkheid van het gebied blijkt uit vrijwel alle artikelen. Ter illustratie daarvan de tekst onder artikel negentien. “Dijkgraaf en Heemraden van het Bijlmermeer zullen, geadsisteerd met wien zij noodig zullen oordeelen, twee maal des jaars; te weten: in Junij en in October, de Schouw drijven op het banwerk van de Buiten- en Binnenringsloot, Molentogten, Togtberm-, Kavel- en Heinslooten en over de bij vorige Schouwing ter verschieting opgekeurde Slooten; zullende de voorgeschrevene Ringslooten, Molentogten en Slooten op den Schouwdag moeten zijn gezuiverd, van alle ruigte, uit gesneden en gekroost, de rijs en willige stooven uit de kanten gestoken, het kwal en de vlabben schoon uitgebaggerd, uitgevischt en op de kanten nedergelegd, en zulks op eene boete van Zestig Cents voor ieder vak der Ringsloot of Togtslooten tot eenen kavel behoorende, mistgaders voor iedere Sloot die alsdan bevonden zal worden niet behoorlijk gebanwerkt te zijn”.


De dreigende boete heeft gewerkt. Een foto op locatie (F-buurt), bijna twee eeuwen later, laat zien dat deze thans geheel zonder ‘kwal en vlabben’ is.
Voor de zuivering van ‘ruigte’, maar dan van een heel andere soort, zorgt de politie!

maandag 15 november 2010

Graag dubbel!

Alweer enige tijd geleden kocht ik op een boekenmarkt: “Vande Druckerije” (Leiden, 1983). Het is een heruitgave van de oudst bekende Nederlandse tekst over het drukkersambacht, ingeleid en van een verklarende woordenlijst voorzien door de helaas vroeg overleden boekhistoricus Bert van Selm (1945-1991).

De vier euro die voor het kleine boekje, bijna vijftig bladzijden, werd gevraagd leek me niet veel geld, temeer omdat op de voorflap aan de binnenzijde in keurig handschrift stond: “Leiden, 7 februari 2000. Voor dhr. Tollenaere als aandenken aan de werkplaats van De Ammoniet. G. Post van der Molen”.
Geen idee wie de heer Tollenaere is, maar Gerard Post van der Molen is mij welbekend als margedrukker van De Ammoniet. Het was bij hem dat het boekje in 1983 werd gedrukt om 500 jaar boekdrukken in Leiden te herdenken en als eerbetoon aan Christoffel Plantijn (ca. 1520-1589) die zich 400 jaar daarvoor (1583) in Leiden vestigde.

Het colofon achterin vermeldt: “Vande Druckerije werd gedurende 1982 en begin 1983 door de Ammoniet met de hand gezet uit de Hollandse Mediaeval, gedrukt met een Victoria degelpers op Hahnemühle Ingres Büttenpapier en gebonden in Blackburn Record linnen. De oplage bedraagt 245 genummerde exemplaren. Dit is nummer: H.C.”. Leuk, dacht ik. Een ‘hors commerce’ exemplaartje van een beperkt gedrukt boekje. Maar toen ik de tekst op de achterflap las bleek dat een vergissing.

Inderdaad werd de oorspronkelijke uitgave met de hand gezet, gedrukt en gebonden in een beperkte oplage van 245 genummerde exemplaren. Deze was echter spoedig uitverkocht. Vervolgens werd door Drukkerij Corn. Paap BV een fotomechanische herdruk gemaakt in een oplage van 1250 exemplaren, waarvan 500 voor contribuanten van de Stichting Drukwerk in de Marge. Toen ook deze oplage was verdwenen volgde wederom een (gecorrigeerde) herdruk van 500 exemplaren. Kortom totaal 1750 fotomechanisch gedrukte (en niet gebonden) exemplaren en dit was er één van. Een blik op internet leerde me dat vermoedelijk al deze 1750 exemplaren ‘H.C.’ vermelden (gewoon meegefotografeerd en gedrukt), goed verkrijgbaar zijn en rond de vijf euro kosten. Niet bepaald uniek dus, mijn boekje, behalve dan de handgeschreven tekst.

Onlangs kwam ik in een boekhandel echter een origineel gebonden en genummerd (189) exemplaar tegen. Deze blijken met hun 11 cm. bij 17 cm. iets groter te zijn dan de fotomechanische herdruk (10,5 cm. x 16,3 cm.). De letters zijn wat lichter zowel letterlijk als figuurlijk en het papier is van een betere kwaliteit. Nieuwsgierig zocht ik naar de prijs. Vijftien euro? Volgens mij een vergissing en voor die prijs heb ik het graag dubbel!

zondag 7 november 2010

Coffee table book


Op de afgelopen (31ste) antiquarenbeurs in de PTA werd ik verliefd op dit schilderijtje van een romantisch Hollands wintertafereeltje dat een boek bleek te zijn.
Ik heb het over de uitgave van Friedrich von Hellwald en Richard Oberländer: “Nordland-Fahrten. Vierte abteilung. Malerische Wanderungen durch Holland und Dänemark. Land und Leute, mit besonderer Berücksichtigung von Sage und Geschichte, Literatur and Kunst” (Leipzig, ca. 1882).
Het is een excellent exemplaar, groot quarto (26 cm. x 33 cm.), gebonden in linnen stempelband, goud op snee, fraaie schutbladen, en prachtige houtgravures.


Kortom een ‘hebbedingetje’, dit ‘coffee table book’ (“An oversize book of elaborate design that may be used for display, as on a coffee table”). Deze uitgave verscheen als vierde en laatste deel tussen 1880 en 1883 in de serie ‘Nordland-Fahrten’, waaraan verschillende auteurs en kunstenaars meewerkten. Het (grootste) deel, over Holland, werd geschreven door de Oostenrijkse cultuurhistoricus Friedrich Anton Heller von Hellwald (1842-1892).
Hij beschreef: Amsterdam, Broek, Monnickendam, Marken, Schokland, Urk, Edam, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik, Nieuwediep, Texel, Anna Paulownapolder, Wieringerwaard, Alkmaar, Zaandam, Haarlem, Leiden, Katwijk, Den Haag, Scheveningen, Delft, Vlaardingen, Rotterdam, Dordrecht, Zierikzee, Vlissingen, Middelburg, Veere, Zuid-Beveland, Zeeuws-Vlaanderen, Gouda, Utrecht, Arnhem, Zwolle, Drenthe, Friesland, Leeuwarden, Franeker, Hindelopen, Groningen.


Bij het doorbladeren viel mij op dat veel illustraties een paar jaar later ook werden gebruikt in het vergelijkbare Engelstalige boek van Richard Lovett: “Pictures from Holland, drawn with pen and pencil” (London, 1887). Een exemplaar daarvan kocht ik alweer drie jaar geleden in Den Haag en net als mijn nieuwe aanwinst maakt ook dat boek deel uit van een serie, waarin een aantal landen werd beschreven. Beide boeken geven een sfeervolle beschrijving van ons land in het laatste kwart van de negentiende eeuw toen het buitenlandse toerisme toenam.
Von Hellwald’s Duitse prachtuitgave gaat wat meer in op de zeden, volksgebruiken en gewoonten, naast de beschrijving van land, streek en gebouwen. De prachtige paginagrote houtgravures zijn een lust voor het oog. Sommige, zoals “am haven von Amsterdam” zijn duidelijk samengesteld als een ‘tableau vivant’. De schuchtere pose van een jong “mädchen aus Krommenie (Nord-Holland)” blijkt tijdloos en je zou bijna denken dat dezelfde vrouw heeft geposeerd voor de ruim honderd jaar later genomen foto van Ans Houben.


Stadsgezichten zoals “ansicht aus dem Amsterdamer Judenviertel” werden zeer nauwkeurig door de graveur weergegeven zoals een kabinetfoto van Andries Jager (1825-1905), uit dezelfde tijd, laat zien. Ik vraag me soms wel af of alle informatie klopt, want de omschrijving onder dit stadsgezicht is aantoonbaar fout. Zoals correct onder de foto staat gaat het hier om een afbeelding van de Oudezijds Kolk. Weliswaar een oeroude Amsterdamse volksbuurt maar niet behorend tot de Amsterdamse Jodenbuurt.


Enkele bijzonderheden doen mij verbazen. Bijvoorbeeld over de Utrechtse Domtoren (blz. 136): “Er besitzt ein schönes Glockenspiel und gewährt eine umfassende Ausicht über Stadt und Land, birgt aber auch ein Kuriosum einziger Art, eine richtige Bierstube in gewaltiger Höhe, wo der Höllandische Student echt germanische Trinckstudien betreibt”.
Mogelijk dus ‘Neerlands’ hoogste studentencafé ooit en niet genoemd bij de trivia onder ‘Dom van Utrecht’ in Wikipedia. Daar staat overigens wel een ander verhaal over het Utrechtse studenten corps en hun merkwaardige verhouding met deze toren dat goed is terug te voeren op een overmatig drankgebruik op grote hoogte!

maandag 1 november 2010

'Fac-similes' uit de IJzeren kapel

Op 7 april 1848 benoemde de Amsterdamse gemeenteraad dr. Pieter Scheltema (1812-1885) tot haar eerste stadsarchivaris. Scheltema, die in 1836 in Amsterdam promoveerde, was korte tijd leraar in Middelburg maar keerde in 1844 terug naar de hoofdstad om zich aan wetenschappelijk historisch onderzoek te wijden. Zodoende kwam hij al in juni van dat jaar in aanraking met het nog ongeordende stadsarchief en begon hij met het opstellen van een voorlopige inventarisatie die uiteindelijk resulteerde in zijn, voor die tijd uitstekende, driedelige: “Inventaris van het Amsterdamse archief” (Amsterdam, 1866-1874).

De kersverse archivaris had toen al over diverse historische onderwerpen Amsterdam rakende geschreven en dus was de driedelige inventaris niet zijn eerste publicatie. Het was zelfs niet zijn eerste gepubliceerde archiefinventarisatie. Die was al in 1850 verschenen onder de titel: “Het archief van de IJzeren kapel in de Oude of Sint Nikolaas kerk te Amsterdam, beschreven door P. Scheltema, archivaris der stad Amsterdam”.
Hierin beschreef hij de vaak op perkament vastgelegde overeenkomsten c.q. privilegiën, handvesten, (gift)brieven en oorkonden (charters) die door keizers, koningen en andere landsheren tussen 1275 en 1650 waren geschonken aan Amsterdam.
Het was aan deze activiteit en daaruit volgende publicatie te danken dat hij voortaan bekend stond onder de bijnaam ‘Piet Perkament’ (geen familie!).


Met de IJzeren kapel in de Oude- of Sint Nikolaaskerk te Amsterdam werd het ‘secreet vertrek’ bedoeld. Deze enigszins verborgen ruimte is toegankelijk via de Sint-Sebastiaanskapel.
Daar, op bijna vijf meter boven de grond en dus alleen met een trap bereikbaar, bevindt zich in de wand een witgekalkte zware ijzeren deur met een slot. Erachter zit een tweede versterkte eikenhouten deur, eveneens met een slot. De deuren geven toegang tot een klein, nagenoeg vierkant, kamertje met getralied venstertje dat uitziet op de zuidzijde van het Ouderkerksplein. In één van de wanden zitten twee nissen. In de grootste nis bevond zich een met metaal beslagen en drie sloten beveiligde houten charterkast met vijfenveertig laden waarin 290 door Piet Perkament beschreven archiefstukken waren opgeborgen. De unieke vijftiende eeuwse kast inclusief haar ‘perkamenten’ inhoud bevindt zich sinds 1892 in het Amsterdamse stadsarchief.

Scheltema behoorde tot de zeer, zeer weinigen die (onder toezicht) tot het archief van de IJzeren kapel werden toegelaten. Voor hem waren er slechts enkele bezoekers geweest, waaronder op 13 oktober 1761 de stadshistoricus Jan Wagenaar (1709-1773).
Zijn nauwkeurige inventarisatie (met korte inhoudsweergave van de stukken) was echter niet de eerste publicatie over deze merkwaardige en geheime bewaarplaats.

Al dertig jaar daarvoor was een boekje verschenen, dat ik onlangs heb gekocht, getiteld: “De merkwaardigste stukken uit de oudste archieven van Amsterdam aangaande de vroegere privilegiën van deszelfs poorters en inwoners. Met platen en fac-similes der oorspronkelijk handschriften” (Amsterdam, 1821).
Het bestaat uit drie hoofdstukken:
1. Verslag van de Kommissie der Tweede Klasse van het Kon. Nerl. Instituut, omtrent de ijzeren Kapel in de Oude Kerk te Amsterdam. 
2. Iets over de Keur van Gui van Henegouwen, aan den stad Amsterdam door den Heer H. van Wyn.
3. Eenige bedenkingen over de Poorterijen en de vergunning dier regten aan Amsterdam, door den Heer Mr. D.J. Meijer
”.

Dit is de eerste min of meer wetenschappelijke publicatie over de IJzeren kapel (Het eerste hoofdstuk was een half jaar daarvoor gepubliceerd in de verhandelingen van de eerdergenoemde 'Kommissie').
Ook is het - voor zover mij bekend - het eerste Nederlandse boekje met ‘Fac-similes’ (etsen) van archiefstukken. In 1824 verscheen een tweede druk.
Als boekillustratie waren facsimile's sowieso vrij zeldzaam, pas vanaf het tweede kwart van de negentiende eeuw komen ze vaker voor, eerst lithografisch en aan het eind van de 19de eeuw fotografisch. De schriftelijke inhoud van de gereproduceerde archiefstukken was weliswaar al langer bekend maar als autograaf (inclusief de nog aanwezige zegels) waren ze nog nooit eerder afgebeeld. Ze konden nu niet alleen in hun oorspronkelijke middeleeuwse spelling en schrijfwijze worden bestudeerd maar bovendien toonden ze aan dat in de vele publicaties waarin ze waren aangehaald fouten stonden omdat de auteurs (waaronder ook Wagenaar) gebruik hadden gemaakt van latere onnauwkeurige afschriften.

Naast dit alles was er echter een andere dwingende reden die mij ertoe verleidde het boekje aan te schaffen.
Ruim een half jaar terug kwam ik namelijk al een beduimeld exemplaar tegen in een grote boekencollectie. Ik bladerde er wat doorheen en bestudeerde de twee platen, waaronder één met het interieur van de IJzeren kapel (waarin zich kennelijk ook een eenzame stoel bevond) en de acht fraaie uitslaande facsimile’s.


Voor zover ze van een signatuur waren voorzien bleken de handgeschreven teksten te zijn nagetekend door ene J. Koning (‘del.’). De twee platen zijn gegraveerd door D. Veelwaard (‘sculp.’). In de kwaliteit van de afgebeelde zegels zit een duidelijk verschil.
De minder goed gegraveerde zegels (facsimile’s B, D, E en G) zijn niet gesigneerd.
De best gegraveerde zegels (facsimile’s H, I en K) zijn gesigneerd zowel door de graveur, D. Veelwaard, als de tekenaar naar wiens  voorbeeld de gedetailleerde afbeelding tot stand kwam. Die tekenaar bleek mijn verre voorvader, de kunstgraveur J.W. Caspari, te zijn!


Uiteraard moest en zou ik een exemplaar van dit boekje kopen maar dan wel het mooiste dat er te krijgen is tegen de beste prijs. Dat exemplaar, gekocht voor slechts € 70,- euro bij antiquariaat Gemilang in Bredevoort en gebonden in halfleer met kartonnen platten (door J.J. Lalau, boekbinder in 'Leijden'), bevindt zich thans in mijn collectie!