vrijdag 29 april 2011

Typisch Nederland(s)

The character of the Dutch is identical with that of the English and Americans.
The Dutchman loves sport, commerce a fair fight, and a glass of something good.
He is a homely, domestic creature, devoted to his wife and children. Abroad the idea is prevalent that the Dutch are ‘queer people’; this is not the case; the Dutch are people to be respected and honoured for a glorious past, a glorious present, and a glorious future
”.

Deze woorden zijn van de Amerikaan S.S. Abrahamson, correspondent van de “New York Herald”, van wie honderd jaar geleden een boekje verscheen: “Holland and our friends the Dutch by one living amongst them” (Amsterdam, 1910).

Abrahamson die van 1905 tot 1910 in Nederland verbleef was niet de eerste en niet de enige buitenlander die over Holland, waarmee in het buitenland vaak Nederland wordt bedoeld, schreef.
Al eeuwen geleden verschenen er beschrijvingen.
Een van de eerste en bekendste is die van Lodovico Guicciardini (1521-1589): "Descrittione di tutti i Paesi Bassi, altrimenti detti Germania inferiore" (Antwerpen, 1567).
Het fraai geïllustreerde boek werd diverse malen herdrukt en verscheen in diverse talen. Een ander voorbeeld is de uitgave van Jean Nicolas de Parival (1605-1669). Deze geboren Fransman leefde vanaf 1624 in Leiden en schreef: “Les Délices de la Hollande, contenant une Description Exacte du Païs, des Mœurs & des Coutumes des Habitans“ (Leiden, 1651). Wat deze en de meeste andere beschrijvingen van voor 1800 gemeen hebben is dat ze nog voornamelijk gaan over regeringswijze, topografie, vorsten en steden.

In de 19de eeuw veranderde dit.
De welvaart nam toe evenals, dankzij treinen en stoomschepen, de mobiliteit. De eerste editie van de toeristische gids over ‘Holland’ door de bekende Karl Baedeker (1801-1859) verscheen in 1839. Ze zijn een verzamelobject op zich. Naast deze handzame reisgidsjes, vol met gedetailleerde informatie over hotels en restaurants, vervoer en vertrektijden, topografische kaartjes, tips en bezienswaardigheden verschenen er vanaf de tweede helft van de 19de eeuw ook beschrijvingen die meer bedoeld waren voor de ‘thuisblijvers’ en als voorbereiding voor een reis naar Nederland dan als handzame reisgids voor in de koffer.
Eén van de meest bekende is de uitgave van Edmondo de Amicis (1846-1908); “Ollanda” (Firenze, 1876), dat in vele talen en oplagen verscheen.
Er werd nu ook ruim aandacht besteed aan de Nederlander zelf, zijn gewoonte, zeden en (voor buitenlanders soms typische) gebruiken. Dat zien we ook terug in de illustraties van grotere plaatwerken op A4 formaat zoals de boeken van Friedrich von Hellwald en Richard Oberländer: “Nordland-Fahrten. Vierte Abteilung. Malerische Wanderungen durch Holland und Dänemark. Land und Leute, mit besonderer Berücksichtigung von Sage und Geschichte, Literatur und Kunst” (Leipzig, ca. 1882) en Richard Lovett: “Pictures from Holland, drawn with pen and pencil” (Londen, 1887).

Behalve fraaie houtgravures van gebouwen tonen ze vooral dorps- en straattaferelen en afbeeldingen van het ‘gewone’ volk in verschillende klederdrachten. Naast kanalen, dijken en polders werd er overvloedig aandacht geschonken aan typisch Nederlandse onderwerpen zoals schaatsen, molens, klompen, Hollandse kaasmarkten en bloembollenvelden
(De Keukenhof is tegenwoordig één van de populairste toeristische bestemmingen). Maar er was ook aandacht voor minder toeristische onderwerpen zoals “pile driving” (heien) en de Nederlandse properheid; “dutch cleanliness”.
Allemaal typisch dingen die nog steeds deel uitmaken van de Nederlandse identiteit, dachten we...


In 2007 presenteerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) het rapport “Identificatie met Nederland”. Het deed verslag van een onderzoek naar de Nederlandse identiteit.
Tijdens de presentatie hield onze Prinses Máxima een korte toespraak waarin ze ondermeer zei: “Maar dé Nederlandse identiteit? Nee, die heb ik niet gevonden. Nederland is: grote ramen zonder gordijnen, zodat iedereen goed naar binnen kan kijken. Maar ook: hechten aan privacy en gezelligheid. Nederland is: één koekje bij de thee. Maar ook: enorme gastvrijheid en warmte. Nederland is: nuchterheid en beheersing. Pragmatisme. Maar ook: samen intense emoties beleven”.













Heftige emoties en discussies waren het gevolg maar al gauw bedaarde de gemoederen en dat is niet verwonderlijk want de innige band die de Nederlanders hebben met Oranje en het Koningshuis is ook al zo typisch Nederlands!

donderdag 28 april 2011

Guest editorial 3

Primeur voor The Private Library (en mijn derde bijdrage); ‘Going Dutch at the Private Library’ is vanaf vandaag online.
Vanaf morgen ook hier te lezen; ‘Typisch Nederland(s)’.

zaterdag 23 april 2011

De zes ontbrekende pagina's

Zoals iedereen wel weet is de Bijbel het meest gedrukte boek ter wereld.
Er zijn talloze edities en vele uitvoeringen en antiquarisch zijn ze over het algemeen goed verkrijgbaar.
In Buijnsters “Bibliografie van het Nederlandse school- en kinderboeken 1700-1800” (Zwolle, 1997) lezen we op bladzijde 127 dat er in die periode, voor ouders die het konden betalen, ook al fraai geïllustreerde kinderbijbels verkrijgbaar waren. “Maar”, zo schreef hij, “het leukste op dit gebied was zonder twijfel De kleine Print-bybel (1720), een naar Duits voorbeeld bewerkt rebusboekje, dat tussen 1720 en 1793 minstens negen drukken beleefde”.

Onlangs kon ik daarvan een exemplaar, gebonden in perkament, bemachtigen.
Het is de vierde editie uit 1736 en de derde en laatste die door Gerrit Bouman in Amsterdam werd uitgegeven. De volledige titel luidt: “De kleine print-bybel, Waar in door verscheide afbeeldingen een meenigte van Bybelsche spreuken verklaart werden. Tot vermaak van de Jeugd, en om te leeren elken zaak naaukeurig af te schetzen, en by haar regte naam te noemen, ook de spreuken der H. Schrift by na zonder moeite in de geheugenis te brengen”.
Interessant is dat er van deze uitgave in 1736 twee verschillende edities bij Gerrit Bouman verschenen. Eén met op het titelblad een afbeelding van een schaal vruchten geflankeerd door twee vogels (Buijnsters 955) en één, zoals mijn exemplaar, met op het titelblad een ploegtrekkende os (Buijnsters 956).

Anders dan de titel doet vermoeden is het feitelijk geen kinderbijbel maar een verzameling van honderd vijftig Bijbelse spreuken in rebusvorm. Bovenaan de bladzijde met afbeeldingen staat steeds een verwijzing naar de vindplaats in de bijbel, onderaan een tweeregelig rijmpje dat de Bijbeltekst kort samenvat.
Achterin meegebonden zit een ‘sleutel’ die van elke rebus de juiste tekst geeft.
We kunnen veilig vaststellen dat deze uitgave voor de jeugd mateloos populair moet zijn geweest. Dat valt af te leiden uit de talloze herdrukken die alleen al in de 18de eeuw verschenen maar ook uit het aantal daarvan bewaard gebleven exemplaren dat in de Short Title Catalogue Netherlands (STCN) wordt vermeld. Opvallend is echter dat ze vaak incompleet zijn. Ook de 18de eeuwse exemplaren die momenteel via (internet)antiquariaten worden aangeboden vertonen uiteenlopende gebreken.
Opmerkelijk is ook dat wie denkt op de website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) een mooi ‘inkijk’ exemplaar te vinden, bedrogen uitkomt. De PDF-scans van het ‘gebruikt exemplaar’ uit de stadsbibliotheek Haarlem tonen een beduimeld kartonnen bandje en ruim de helft van het boekje ontbreekt. Stukgelezen? Een goed compleet exemplaar is kennelijk schaars.

Het idee achter deze rebus-Bijbel, dat kinderen makkelijker zouden leren en onthouden door middel van plaatjes, stoelt op de denkbeelden van de Tsjechische filosoof, theoloog en pedagoog Jan Amos Comenius (1592-1670). In zijn in 1658 verschenen ‘Orbis sensualium pictus’ (De zichtbare wereld in beeld), ook wel de stamvader van alle kinderboeken genoemd, komt dit duidelijk naar voren.
De daarin opgenomen afbeeldingen toonden genummerde voorwerpen.
Bij de corresponderende nummers werd de naam genoemd en een verklaring in het Latijn en de landstaal. Elk kind kon zich hiermee, zonder al te veel hulp, zelf ontwikkelen en dat was ook de bedoeling. Didactisch werkte het uitstekend. Alle elementen waren immers aanwezig: het aanschouwelijke, het zelf lezen en het zelf doen, het inductieve en het deductieve, het geheel en het detail.


Zoals gezegd was de kleine ‘Print-bybel’ zeer populair. Ook in de negentiende en twintigste eeuw verschenen heruitgaven. Een interessant voorbeeld dat al zeer lang in mijn collectie zit en wonderlijk genoeg zeldzamer is dan zijn achttiende eeuwse voorganger is: “De kleine beeldenbijbel. Woorden in beelden uit de H. Schrift en de apocriefe boeken” (Voorburg, 1895). Het boekje kostte destijds één gulden en was een heruitgave van de eerste editie van de kleine ‘Print-bybel’ uit 1720.

Meest opmerkelijk is het voorwoord door de gereformeerde predikant Johannes Cornelis Sikkel (1855-1920): “Scheen mij dit boekje bij den eersten blik minder geschikt voor onzen tijd, na nauwkeuriger beschouwing meen ik, dat het aan de jeugd en den huiselijken kring nuttige bezigheid en oefening biedt, waardoor de kennis van des Heeren Woord ongemerkt bevorderd wordt, en iets van den geestelijken inhoud van Gods getuigenis wordt geleerd. Mocht de Heere het daartoe nog zegenen! Enkele bladzijden, als minder geschikt voor de jeugd in beeld of woord, liet ik vervallen, en de rijmpjes, die al te kreupel en onverstaanbaar waren, verbeterde ik”.
Sikkel moderniseerde de spelling en enkele plaatjes werden aangepast, zoals pagina’s 36 en 122 uit Bouman, waar respectievelijk een lint met ‘De Heere’ en de figuur van Jezus, werd weggelaten. Maar u bent waarschijnlijk, net als ik, veel nieuwsgieriger naar de ‘vervallen’ pagina’s; ‘minder geschikt voor de jeugd’.
Het blijkt om pagina 54, 129, 131, 138, 140 en 143 uit de Bouman uitgave te gaan. Het spreekt voor zich dat ik juist deze zes ontbrekende pagina’s hier als illustratiemateriaal toon zodat u zelf kunt oordelen.

Voor diegene die graag een exemplaar van deze ‘all time’ kinderbijbel willen bemachtigen, maar niet bereid zijn daar meer dan tien euro voor te betalen, zijn er nog de verschillende goed verkrijgbare facsimile uitgaven.
Zo bezat ik van de Bouman editie uit 1736 al een facsimile verzorgd door John Landwehr (Leiden, 1965). Ook van de Sikkel uitgave uit 1895 bestaat een facsimile.
Speciaal aanbevolen voor hen die genoegen nemen met zes pagina’s minder!

vrijdag 15 april 2011

Een A1 locatie in de Gouden Eeuw


Eén van mijn favoriete schilderijtjes uit de zeventiende eeuw, beter bekend als ‘De Gouden Eeuw’, is deze afbeelding van het oude stadhuis van Amsterdam door Pieter Jansz. Saenredam (1597-1665). De in 1657 geschilderde afbeelding geeft het gebouw, dat op 7 juli 1652 in vlammen opging, zeer gedetailleerd weer en heeft als voorbeeld gediend voor vele prentjes zoals de afbeelding in de Amsterdamse stadsbeschrijving van Casparus Commelin (1636-1693). Het is een romantisch bouwvallig middeleeuws allegaartje van aan elkaar geplakte grote en kleine gebouwen, dat ongeveer op dezelfde plek stond als zijn beroemde opvolger; het Koninklijk Paleis op de Dam.

Toen Saenredam dit tafereeltje schilderde bloeiden handel, kunst en wetenschappen en zorgden voor een toenemende welvaart in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Daar profiteerde overigens niet de gehele bevolking van.
Het merendeel moest hard sappelen om rond te komen en velen leefden van dag tot dag in armoede. Het spreekt voor zich dat grote welvarende steden als Amsterdam als een magneet werkten op talloze ‘Bedelaers’, ‘Vaghebonden’ en ‘luye Ledich-gangers’, zowel mannen als vrouwen. In dat licht moeten we de publicatie zien die de Amsterdamse burgemeesters in 1613 lieten afkondigen en drukken getiteld:
Willekeuren ende ordonnantie by den heeren van den Gherechte der stadt Amstelredam ghemaeckt: Waer in verboden wert dat ghene Bedelaers, tsy Man ofte Vrou, Jonck oft Oudt, Burgher oft vreemdelingh, sieck, lam, creupel, blinde, melaets, oft hoe die ghestelt moghen wesen, sullen moghen gaen oft sitten bedelen binnen deser Stede oft Vrijheyt van dien. Mitsgaders waer naer hun de meesters ende Ambachts kinderen sullen hebben te reguleren”.

Deze zeer zeldzame publicatie (naast mijn exemplaar in groen gemarmerde omslag zijn er nog twee in openbare collecties bekend) moet enig belang hebben gehad want ze behoorde tot de weinige stedelijke wet- en regelgeving die in zijn geheel letterlijk werd overgenomen door Johannes Isacius Pontanus (1571-1639) in zijn in 1614 verschenen: “Historische beschrijvinghe der seer wijt beroemde coop-stadt Amsterdam” (blz. 306 t/m 309).

De inhoud bestaat uit zesentwintig artikelen waarin uitvoerig allerlei regels en verboden ten aanzien van bedelarij werden geformuleerd. Zo werd het ouders verboden om hun kinderen waar dan ook uit zetten om te bedelen, waarden en waardinnen verboden om het gebedelde geld ‘onnuttelicken’ te verteren en schuitenvoerders om "Bedelaers, Leprosen ofte andere Schaemelen, jonck ofte oudt" te vervoeren. Speciale aandacht ging uit naar de bedelarij door 'ambachts kinderen' c.q. jongens die bij een leermeester een ambacht (beroep) leerden maar in de praktijk vaak als slaven werden uitgebuit zodat de leermeesters bedelarij in de hand werkten en deze “kinderen so onordentlick ende godloos opwassen, dat zy gheen predicatien hooren, noch Godt, noch den Menschen leeren vreesen ofte eeren”.

Toen ik dit pamfletje ruim twintig jaar geleden kocht vond ik vooral het grote Amsterdamse stadswapen op de titelpagina indrukwekkend. Sinds ik, ook alweer een aantal jaren geleden, kennis maakte met het schilderij van Pieter Saenredam ben ik meer geboeid door het verkoopadres eronder. “By Jan Gerritsz, Boeck-vercooper op den Dam in de Kas onder het Stadthuys”. Volgens het “Adresboek Nederlandse drukkers en boekverkopers tot 1700” (Den Haag, 1999) heeft Jan Gerritsz tussen 1614 en 1617 op deze locatie gezeten.
Dat moet dus in ieder geval een jaar eerder zijn geweest, want het pamflet werd gepubliceerd de 29ste januari 1613.

De ‘kas’ oftewel de winkel van Jan Gerritsz bevond zich in het noordelijke gebouw, op het schilderij (en de prent) rechtsonder de toren. Volgens de 18de eeuwse stadshistoricus Jan Wagenaar (1709-1773) tevens de plek “vanwaar uit de vensters der Voorpuije, ’s Lands Plakaaten en der Stede keuren werden afgekondigd” (deel 2, blz. 5). Hier moet, vier eeuwen geleden, mijn pamfletje ergens op de plank hebben gelegen. Op een A1 locatie in de Gouden Eeuw!

woensdag 6 april 2011

Oud papier


Ik handel in oud papier” zei de marktkoopman toen ik een aantal vondsten uit de dozen afrekende.
Mooi, ik verzamel oud papier”.
De wereld zit soms simpel in elkaar.
Het ‘oud papier’ waarover we spraken zat verspreid in diverse bananendozen. Veelkleurige mappen waarop met zwarte stift de inhoud kort stond omschreven; ‘reclames’, ‘brochures’, ‘rekeningen’, ‘briefhoofden’, ‘krantenknipsels’ en meer van dergelijk efemeer drukwerk, waarover ik eerder heb geschreven. Het meeste spul was van rond 1900.


Het is heerlijk snuffelen en puur schatgraven. Voor een paar euro wordt je eigenaar van regelrechte unica. Een mooie vondst ditmaal, voor slechts acht euro, was een prachtig 125 jaar oud geïllustreerd gelegenheidsgedicht aan “W. Krabbendam en Mevrouw E.M.H. Krabbendam-Robert ter gelegenheid hunner 12 ½ jar. Echtvereeniging” op 16 december 1886. Het is een goed bewaard gebleven groot vel papier (53 cm. breed en 41.5 cm. hoog) in blauw bedrukt met een levensschets van de bruidegom als stripverhaal. Ik zou zeggen kijk en lees zelf (klik op de illustraties voor een vergroting).

Wat de hoofdpersonen betreft kon ik in mijn luie stoel via internet achterhalen dat Wouter Krabbendam (1850-1925) een Amsterdams notaris was die in 1874 huwde met Elisabeth Maria Hendrika Robert. Zijn portretje vond ik in de collectie van het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG) in Den Haag, waar in de collectie familieadvertenties tot 1970 meer genealogisch feitenmateriaal te vinden is.

zondag 3 april 2011

Vondel... park?

"De Weereld is een speeltooneel, Elck speelt sijn rol, en krijght sijn deel"

Wordt Vondel nog gelezen? Joost van den Vondel (1587-1679) ‘de prins der Nederlandse dichters’? In de Canon van de Nederlandse letterkunde staat hij hoog genoteerd maar ik vermoed dat de doorsnee Nederlandse middelbare scholier bij het noemen van zijn naam uitsluitend nog denkt aan straten en/of parken.
Ik ben zelf ook geen groot Vondelkenner of -lezer maar als je van geschiedenis houdt en Amstelland is één van je interessegebieden, dan ontkom je toch niet helemaal aan Vondel’s befaamde treurspel: “Gysbreght van Aemstel, d’Ondergangh van sijn stad en sijn ballingschap”. Weliswaar inhoudelijk weinig historisch correct, kent het een interessante en gecompliceerde drukgeschiedenis (aanvankelijk werd het zelfs verboden), en was het eeuwenlang bijzonder populair. Zo werd dit treurspel op het Amsterdamse toneel tussen 1638 en 1968 jaarlijks, meer dan drie eeuwen (!), opgevoerd. Welke andere theaterproductie kan daaraan tippen?

Ik heb lang verlangd naar een originele ‘Gysbreght’, een uitgave nog uit Vondels tijd, waarvan de eerste druk in 1637 opgedragen aan Hugo de Groot (1583-1645) verscheen bij de befaamde Willem Blaeu (1571-1638). Merkwaardig genoeg worden ze op internet niet aangeboden, terwijl alleen al tijdens Vondels leven bij verschillende uitgevers talloze exemplaren in verschillende edities zijn verschenen. Maar afgelopen week had ik opeens de keus uit drie exemplaren en nog wel uit een eersteklas collectie!

Bij toeval kwam ik terecht bij Emmie de Graaf Bierbrauwer. Voor bibliofielen en boekenliefhebbers is haar onlangs overleden echtgenoot, de antiquaar en uitgever Bob de Graaf (1927-2011) geen onbekende. Op hun website worden uit privé bezit ook uitgaven van Vondel aangeboden (Bob de Graaf was immers een groot Vondelkenner en liefhebber van diens werk).

Weliswaar stond daar geen ‘Gysbreght’ tussen maar toen ik hiernaar informeerde bleek zij er maar liefst drie in voorraad te hebben.
Het ging om twee verschillende edities van de ‘Gysbreght’ uitgegeven door de weduwe van Abraham de Wees (Amsterdam, 1659) en om een exemplaar van de uitgave door Jan Jacobsz Bouman (Amsterdam, 1655), allen in klein kwarto. Ik koos voor de laatste (ook volgens Emmie de beste keus).

De Bouman uitgave staat op zichzelf in de lange reeks van diverse uitgevers en drukkers van de ‘Gysbreght’.
Er verscheen maar één editie van die, als we afgaan op het aantal exemplaren dat STCN vermeldt, vrij schaars moet zijn.
De uitgave is een regel voor regel herdruk van de uitgave door Tymen Houthaeck (Amsterdam, 1650). Niet onbelangrijk, vind ik, is dat deze Vondeluitgave behoort tot de uitgaven die vóór 1659 verschenen.
Vondel bracht namelijk na het uitkomen van de eerste druk van zijn befaamde treurspel steeds kleine wijzigingen aan. De titelpagina van daarna verschenen uitgaven vermeldt dan ook: “Door Hem zelf verbetert en vermeert”. Inhoudelijk grote veranderingen zouden er pas volgen in de uitgaven die vanaf 1659 verschenen.

Typografisch ziet de uitgave van Bouman er verzorgd uit. Opvallend is het ontbreken van paginanummers (volgens Bob’s collatieaantekening voorin met 64 pp. compleet).
Origineel en verfrissend vind ik Bouman’s drukkersmerk met de spreuk “Ghelyck een leli onder de doornen so is myn vriendinne onder de dochteren” (uit het Hooglied 2.2).

Bij veruit de meeste Vondeluitgaven is dat namelijk de afbeelding van een waterput met de spreuk “Elck zyn beurt”. Dit beeldmerk komt zo uitputtend vaak voor, dat wel gesproken wordt van ‘putjesdrukken’.
Boumans’ drukkersmerk refereerde direct aan zijn winkel aan het Damrak; “op ’t Water inde Lelye onder de Doornen”. Het zal dan ook geen toeval zijn dat het watermerk in het papier een gestileerde (Franse) lelie vertoont.