maandag 27 juni 2011

De neuzenbibliotheek (deel 1)


Eigenlijk begon het allemaal met de aankoop van deze 19de eeuwse centsprent.
Die verzamel ik niet (!), maar de kleine ingekleurde houtgravures met karikaturale neuzen vond ik zeer curieus. Het is, zoals u kunt zien, een tweetalige centsprent (nr. 52) door Franciscus Antonius Beersmans (1840-1897) in Turnhout uitgegeven tussen 1866 en 1897. Bovenaan staat: “Maar zie toch wat vieze kwasten, kon men hen van den neus ontlasten”.

Wie op de website ‘Het geheugen van Nederland’ het zoekwoord ‘neuzen’ intypt komt behalve deze centsprent nog twee andere tegen uit de collectie (Aernout) Borms waaronder een iets vroeger exemplaar: “Panorama van Fraaije neuzen” (uitgegeven door Lutkie en Cranenburg tussen 1848 en 1881). Bovendien levert het zoeken op dit trefwoord daar een tekst op van een ‘Neuzen-revue’, van rond 1910 en een ‘Neuzenlied’ uit dezelfde periode. De tekst van de laatste komt overigens in het geheel niet overeen met het meer recente ‘Neuzenlied’ van Bert & Ernie uit Sesamstraat!

Even neuzen op internet leverde zo veel interessante gegevens op dat ik, voor ik het wist, serieus zocht naar allerlei uitgaven die ons reukorgaan tot onderwerp hebben. Ik legde mij voorlopig wel een aantal beperkingen op.
1. Het medische aspect mag wel aan bod komen maar het moet geen handleiding zijn voor de keel-, neus en oorarts. Puur medische uitgaven vallen dus af.
2. Geen sprookjes- of verhaalboeken die specifiek voor kinderen zijn geschreven.

Verleidelijk maar misleidend zijn publicaties als:
De Neus van Stalin” (Baarn, 1994), “De neus van Mussolini” (Utrecht, 2011), “De neus van Cleopatra”(Amsterdam, 1975) en de “De neus van Pinokkio” (Amsterdam, 1990). Ze hebben de neus allerminst tot onderwerp en behoren dus niet in een echte neuzenbibliotheek te staan.
Wel aanwezig en wellicht uniek in zijn soort is: “De neus van Frederik van Eeden, Een beschouwing over de betekenis van reuk en geur in zijn werk” (Amsterdam, 1996), geschreven door Prof.dr. R.Th.R. Wentges.
Dan is er nog een grote groep boeken die nauw verwant is aan het onderwerp waaronder: “Het Parfum” (Amsterdam, 1985) van Patrick Süskind en “Pestdamp en bloesemgeur” (Nijmegen, 1986) van Alain Corbin. Deze twee - meer iets voor geurspecialisten - staan wel in mijn boekenkast maar behoren feitelijk niet tot het verzamelgebied.
Er blijft al met al een select groepje over.
Mijn neuzenbibliotheek, tevens bibliotheek om in te neuzen, bevat momenteel niet meer dan een tiental uitgaven. Zuiver getalsmatig is ‘bibliotheek’ daarom een wat wijds begrip (de term ‘collectie’ zou hier beter op zijn plaats zijn) maar heel veel meer dan wat ik nu heb verzameld zal er (denk ik) niet zijn en ik heb niet de illusie dat het onderwerp ooit een hele boekenkast zal vullen. Een plankje om te neuzen is al mooi genoeg. Het zijn stuk voor stuk leuke, soms weinig voorkomende, publicaties die grofweg uiteenvallen in drie categorieën; Humor, Literatuur of (pseudo) Wetenschap.

Humor lijkt erg voor de hand te liggen, maar ik bezit slechts twee uitgaven die echt in deze categorie thuishoren.
Het gaat om het “Neuzenboek” (Hazerswoude-dorp, 1983) met karikaturen van Bert Witte en het uiterst grappige boekje van R. Flicket: “Haal meer uit uw neus: de kunst van het peuteren” (Amsterdam, 1996). De laatste (uit het Engels vertaald) behandeld “de geschiedenis en techniek van een onuitputtelijke liefhebberij, met een unieke raad en daad-sectie voor zelfhulp en doortastend advies bij peuterproblemen”. Aanhangsel 6 achterin is een verzamelblad met vakjes waar ‘pulken’, nadat ze zijn gedroogd, kunnen worden ingeplakt.
Alleen ‘afkomstig van’ en ‘datum’ invullen en klaar. Handig, want je kunt zo gauw zien welke pulken, van wie nog ontbreken en welke je dubbel hebt om te ruilen teneinde je verzameling zo compleet mogelijk te maken…

Met humor geschreven en dus nauw verwant aan deze categorie is het sprookje van Nikolaj Vasiljewitsj Gogol (1809-1852):
De neus”, waarvan een bibliofiele uitgave verscheen bij Stichting De Roos (Utrecht, 1980) in een oplage van 175 exemplaren (mijn exemplaar draagt nr. 102). Feitelijk behoort zijn sprookje tot de Literatuur.
Hierop gebaseerd is een opera getiteld:
De Neus (opus 15)”, geschreven door Dmitri Dmitrijevitsj Sjostakovitsj (1906-1975), die op 18 januari 1930 in première ging in het Maly theater in Leningrad.

Eveneens Literatuur is het boek van Laurence Sterne (1713-1768) “The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman” (London, 1759-1767) dat in 1852 in een Nederlandse vertaling verscheen bij de Haarlemse uitgever Kruseman. Weliswaar niet geheel aan de neus gewijd bevat het vierde deel een verhandeling van ene Hafen Slawkenbergius over neuzen. Het wordt op internet in diverse uitgaven veelvuldig aangeboden en ik moet nog een keuze maken welke daarvan te zijner tijd in mijn neuzenbibliotheek mag plaatsnemen.
Mocht u willen meeneuzen... alle tips zijn welkom.

maandag 20 juni 2011

Papier (en de wereldorde)


Slenteren door weer en wind over de boekenmarkt aan de Amstel, wat verzonken in gepeins.

Hoeveel soorten papier zullen er wel niet zijn?
Deze vraag werd ingegeven door de aanschaf van: “Het papier. Een bijdrage tot de kennis van de vervaardiging gebruik en de onderzoekingsmethoden van papier
(Amsterdam, 1937) samengesteld door ‘Dr.phil.Dr.ing. J. Bekk, leider en F. Mees, eerste assistent van het laboratorium van G.H. Bührmann’s papiergroothandel N.V. te Amsterdam’. Een boek met cassette waarin maarliefst 80 papiermonsters zitten, zoals u hierboven zelf kunt zien.

In mijn collectie ‘boeken over boeken’ zitten nog twee van dergelijke uitgaven. De eerste die ik - alweer enige jaren geleden - kocht op de befaamde Deventer boekenmarkt, is: “De papier wereld” (Naarden, 1939) door Jan Poortenaar, Dr. Dard Hunter en C. Pels.
In dit boek zitten zo’n 40 papiermonsters, waaronder het fraaie met de handgeschept papier ‘angel’s feathers’.


De ander is “Das Druckwerk. Gestaltung und Herstellung von Büchern und Werbedrucksachen” (Stuttgart, 1963) uitgegeven door Professor Dr. Gustav Barthel en Ulrich C.A. Krebs. Deze tweedelige uitgave zit in een cassette. Deel twee bevat 63 voorbeelden, waarvan de laatste tien bedrukte linnen- en kunststofmonsters zijn.

Wat opvalt zijn de doctor titels. Papier maken is een wetenschap, al zal het wetenschappelijk element meer zitten in de (chemische) samenstelling dan in de fabricage ervan. Drie boeken; ruim 180 monsters, maar er zullen er wel (veel) meer zijn.
Een van de columns in “Kapittelstokjes” (Amsterdam, 1898) van Jhr.mr. H. Smissaert gaat over de duurzaamheid van papier. Een opmerkelijk stuk over het nog steeds actuele probleem van papierverzuring. Ik geeft het hier onverkort in zijn oorspronkelijke spelling weer.


Het papier en de wereldorde.

"Ik wik, maar de stof – de doode stof – beschikt.
Ziedaar de conclusie, waartoe mij geleid heeft de lezing van een verhandeling over de duurzaamheid van het papier. Ja werkelijk, niets is leerzamer en curieuser en niets stemt soms tot meer bescheiden bespiegelingen dan het lezen van zoo’n quasi-heel-droge, technische verhandeling (Het was de brochure ‘Over de deugdelijkheid en het onderzoek van papier’, door dr. Mr. Greshoff, Leiden, J.M.N. Kapteijn 1897).


Ik heb dan geleerd dat zoo het papier, waarop gij schrijft of laat drukken, niet is ‘normaal papier, geheel vervaardigd uit lompen, met een gemiddelde breeklengte van 5000 meters en een gemiddelde rekbaarheid van 4 procent’… er weinig kans bestaat dat uw zoon, laat staan uw kleinzoon, ooit in uw paperassen snuffelt, nademaal deze paperassen alsdan tot pulver verteerd zullen zijn.
O, dit is geen gekheid. Sommige heel belangrijke documenten over geen minder feit dan de Fransch- Duitsche oorlog zijn nu reeds tot stof vervallen, omdat zij op zulk slecht papier stonden. En het papier waarop onze Koninklijke Academie van Wetenschappen (afdeeling Letterkunde) haar voor den naneef bestemde ‘Verslagen en Mededeelingen’ drukt is ‘geenszins geheel vrij van hout’ en mitsdien bestemd om reddeloos verloren te gaan.
Misschien zelfs – zegt de schrijver – misschien zelfs, dat er in de wereldgeschiedenis een groot hiaat zal komen, en het nageslacht niets te lezen krijgt van de daden en denkbeelden onzer eeuw, die wij toch nog al van betekenis vinden.

Een hiaat in de wereldgeschiedenis! Zeg nu eens, of dat niet iets is om zich vroolijk over te maken. De schooljongens van komende tijden zullen bij de geschiedenislessen overspringen van de 18e eeuw naar de 20ste (en daar heel niet rouwig om zijn) en onze groote, 19e eeuw zullen zij negeeren omdat uit dien tijd niemendal is overgebleven. Alleen, daar de brochure van dr. Greshoff op het ‘normaalpapier’ van de noodige breeklengte en rekbaarheid gedrukt is, zal dit geschrift alle andere overleven en zal men ten minste daaruit kunnen leeren, waarom de rest zoo spoorloos verdwenen is. Het was, zoo zal men zeggen ‘de papieren eeuw’ en daar het papier van een heel gemeen soortje was, is de eeuw zelf daarmee ook tot stof en asch vervlogen en uitgewischt uit de rij der eeuwen! Is het niet voor ons, scribenten, om nederig onder te blijven?

En merk op, hoe het kwaad zichzelve straft. Reeds in 1770 was het middel bekend om papier te maken uit hout, uit stroo, uit maïs, uit turf, mos, netels, distels (goed voor satiren en spotdichten!), uit aardappelloof, boombladeren, koolstronken…
Maar de eenvoudige zielen zagen daar niets in. Papier moest papier zijn, d.i. uit lompen, vervaardigd, uit linnen- of katoenvezels. En ze hadden niet noodig daar andere stoffen voor te gebruiken, want de vraag overtrof het aanbod niet. Men schreef niet meer romans, brochures en minnegedichten, dan de linnekast aan afval van oude borstrokken en versleten vaatdoeken opleverde.
Maar wij, die allemaal schrijven, die allemaal van alles verstand hebben en over alles ons oordeel moeten zeggen, wij met ingezonden stukken, met verweerschriften en critische beschouwingen over hemel en aarde, wij produceeren oneindig meer kopy dan we zakdoeken verslijten. Gevolg: voor het lompenpapier moesten surrogaten gevonden worden. En zoo zijn wij heele bosschen gaan neervellen, om op het daaruit vervaardigd papier de urgentie van boschaanleg (liefst van Staatswege!) te gaan betoogen!

Gij schrijft voor de eeuwigheid? Maak u geen illusies: uw schrijven zal nooit aan zijn adres belanden; over tien jaar verstrooit de wind uw verheven gedachten. Gij doet een beroep op het nageslacht en – vaststaande in uw overtuiging, dat gij alleen de waarheid gevonden hebt – zegt gij met de volle verzekerdheid van een machtig zelfvertrouwen dat de toekomst u zal rechtvaardigen… Och arm, wat baat ruimte van denkbeelden tegenover te geringe rekbaarheid van het papier; wat stevigheid van bewijsvoering tegenover te weinig breeklengte van de bladeren uwer schrifturen!
Laten wij ons geen illusies maken. Wat wij schrijven is voor de tijdgenooten en reikt niet verder. Zo er ook hout is in het papier van dezen bundel, zullen welhaast mijn diverse praatjes naar alle de vier windhoeken flaneeren, om als een onzichtbare stofregen op den schoorsteenmantel van mijn kleinkinderen neer te dalen.
Hoe weinig zullen die beseffen dat wat zij als waardeloos vuil opvegen, de pennevruchten van wijlen hun grootvader zijn!


Of dit eigenlijk nu wel zoo heel erg is?
Wel, ik ben, als ik er zoo eens over doordenk haast geneigd dit voor een ‘wijs bestel’ van de natuur te gaan verslijten. Daarnet sprak ik van het kwaad, dat zich zelve straft en werkelijk is er hier zoo iets als men meer vindt in dat keurig systeem, dat wij ‘den natuurlijken gang van zaken’ plegen te noemen.
Wij, menschenkinderen, zijn ‘heeren der schepping’… voor zoover de schepping onze heerschappij wel wil gedoogen. Er zijn grenzen, waar wij nooit over heen komen, en dat is aldus besteld, omdat door onze overdrijving in ééne richting het evenwicht, dat de wereld in stand houdt, zou verloren gaan.
Zoo is het met alles in de natuur: alles balanceert elkaar, zoo, dat niets door eigen overwicht kwaad kan. Ziet hoe die wet ook hier geldt: er is een grens gesteld aan wat een gegeven menschengeslacht schrijven mag; die grens is bepaald door den dan aanwezigen voorraad katoen- en linnenvezels, voor zoover, die zonder nadeel voor onze onderkleeren, tot papier kunnen worden bereid. Maar van oudsher is de waanwijze mensch het oneens geweest met Moeder Natuur: hij wist het altijd beter en wou zich niet laten ringelooren door zoo iets vervelends als een natuurwet.



Als heer der schepping ging hij dus de stof beheerschen… Morgen brengen!
Achteraf bleek dat de stof hem beheerschte en dat hij toch niet kon buiten die perken, die de onverbiddelijke wereldorde nu eenmaal gesteld had. Wat? riep de dwaze mensch ten jaren 1860 – wat, er zou geen papier meer te krijgen zijn, omdat er te weinig katoen- en linnenvezels zijn? Wij zouden niet mogen schrijven en drukken, omdat de Natuur er ’n stokje voor wil steken? Geef hier hout, stroo, maïs, turf, mos, vezels, distels, aardappelloof, boombladeren, koolstronken, dat ik er papier van maak en schrijf en druk naar hartelust, de wereld vol.

Maar moeder Natuur liet de menschen heel kalm begaan. En terwijl zij hun plechtigste verzekeringen schreven op gewezen koolstronken en hun aandoenlijkste zieleklachten op netels, merkten zij dat het al ijdelheid was, want dat na eenige jaren de bibliotheken leeg stonden vanwege het vergane papier, dat geen papier was.Schrijft maar toe, grinnikt de natuur, schrijft maar meer dan ik u toesta, maar weet wel dat er geen sikkepitje van overblijft!
Ja, waarlijk, dit zal wel een wijs bestel der wereldorde wezen. Het is blijkbaar te doen om de gemoedsrust van den naneef. Waar wou die blijven, moest hij al ons geschrijf terugvinden en verwerken? Zoo belast met een onmetelijke nalatenschap van paperassen zonder eind kon er geen nageslacht met daden in de vuisten meer opstaan. En daarom is het een treffelijk iets, dat de vermaarde ‘tand des tijds’ hier een geduchte razzia houdt, een monster-opruiming van al het door ons bemorste papier. Van al ons gewurm, getob en gemier zal hij, de gelukkige die na ons komt, geen weet hebben, omdat onze boeken er niet meer zijn zullen.
De ‘onsterfelijke’ werken van den grooten A. en den machtigen B. zijn stof en asch. En er zal over het menschdom, dat na die opruiming leeft, neerdalen als een weldadige rust gelijk na het vertrek van heel-druk babbelende gasten.
Oef! Zal de naneef zeggen, als hij nog één exemplaar (toevallig op normaal papier gedrukt) terugvindt. Oef! En: ‘den hemel dank dat mij de rest bespaard is!’. Het is dan maar beter, zooals de natuur het wil. Ga dan, vluchtige kopij, en laat u drukken op houtpapier, om overmorgen niemand meer te ergeren!


(Belanghebbenden, wien de schrik voor de duurzaamheid hunner papieren kinderen om
het hart slaat, deel ik mee dat zij de qualiteit
van papier kunnen onderzoeken, door na te
gaan of het niet rood-gekleurd wordt bij aanraking met een bevochtigde vel
‘dimethylparaphenyleendiamine-papier!’)”.


Vraag me af wat Smissaert zouden hebben gedacht van onze digitale maatschappij. Vermoedelijk zou hij met een glimlach hebben geconstateerd dat ook hier op termijn informatieverlies onvermijdelijk is. Nee, dan liever de veelzijdigheid van papier.
Papier om te lezen, te behangen, in te verpakken, te schrijven, te verzamelen en je … mee af te vegen. Daar kan geen 'EReader' tegen op!

dinsdag 14 juni 2011

Prijzen van toen

Zijn oude boeken kostbaar? Worden ze veel geld waard? Waren ze vroeger goedkoper of is de waarde vergelijkbaar? Regelmatig lees ik wat over deze heikele vraagstukken bij mijn blogcollega’s. Het is een waarheid als een koe dat je eigenlijk gewoon moet verzamelen wat je leuk vindt en daarbij altijd moet proberen de beste kwaliteit te kopen voor het geld dat je op dat moment beschikbaar hebt. Wat je ‘leuk’ vindt staat geheel los van wat op dit moment als verzamelwaardig wordt gezien want net als de prijzen fluctueren smaak en aandacht.

Oude veilingcatalogi die ik bezit vermelden vrijwel nooit prijzen (en als er iets staat zijn het richtprijzen). Een vaste boekenprijs voor antiquarische boeken bestaat en bestond niet. Bij elk antiquariaat kun je pingelen en vroeger was dat al niet anders, ook niet bij het gerenommeerde antiquariaat Martinus Nijhoff in Den Haag dat in 1932 een catalogus uitgaf: “History of the Netherlands. A catalogue of old and modern books offered for sale at the affixed prices”.

Daarin bladeren geeft mij het gevoel dat ik tegenwoordig veel te veel betaal voor mijn ‘perkamenten bandjes’, dat er toen veel meer aanbod was en dat je toen nog boeken kon kopen die tegenwoordig geheel onbereikbaar zijn, zelfs al zou je beschikken over voldoende financiën. Negentig procent van mijn 17de en 18de eeuwse uitgaven viel bij Nijhoff in 1932 in de prijsklasse tot 35,- gulden.
Het duurste vergelijkbare boek is de uitgave van Maaskamp: “Afbeeldingen van kleeding, zeden en gewoonten in de Bataafsche Republiek met den aanvang der negentiende eeuw”, waarvan ik de Engelse editie (uit 1808) bezit.

Nijhoff bood in 1932 een exemplaar aan van de eerste editie (1803-1807) “qui est beaucoup plus belle que les éditions postérieures” voor 140,- gulden. Voor mijn Engelse editie zal hij dus minder hebben gevraagd. Anno 2011 wordt mijn Engelse ‘rare edition’ bij antiquariaat Forum aangeboden voor 4000,- euro (exclusief 6 % btw), iets meer dan de 750,- euro die ik ervoor betaalde bij een particulier. Nou is Forum niet de goedkoopste in Nederland, maar dat was Nijhoff destijds ook niet. Desondanks blijft het allemaal appels met peren vergelijken.

Een paar weken geleden kocht ik op de boekenmarkt: “‎Chronicon Egmundanum seu Annales regialum abbatum Egmundensium” (F. Haaring, Leiden 1692).‎ Een uitgave van A. Matthaeus van de Egmondse kroniek van Johannes a Leydis. Een goed, in perkament gebonden, exemplaar voor 100,- euro. Binnen op de kaft stond met potlood geschreven “29 maart 1921, 50 c.”. Bij Nijhoff werd deze uitgave in 1932 aangeboden voor 5,- gulden. Vijftig cent elf jaar eerder lijkt mij spotgoedkoop, maar is dat ook zo?

Op de website voor het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) staat een handige omrekentool, de “The IISH List of Datafiles of Historical Prices and Wages”.
Vijftig cent in 1921 is in koopkracht anno 2011 omgerekend gelijk aan 6,33 euro. In 1932 had diezelfde vijftig cent nog maar een koopkracht van vierendertig cent. Maar zelfs op hetzelfde niveau is vijftig cent in 1932, omgerekend naar nu, nog maar 9,22 euro en dat is beduidend minder dan wat ik voor dit boekje betaalde. Toch is het bedrag dat ik uitgaf reëel als je bedenkt dat op veilingen de richtprijs gemiddeld tussen de 75,- en 125,- euro ligt (exclusief veilingkosten).

Laatste voorbeeldje. In "Stroppen van straks" van Artistiek Bureauredacteur Nick ter Wal lees ik (laatste alinea) “In dezelfde brief maakt Henkels melding van een set Nederlandsche Historiën (1642-1647) van P.C. Hooft, waarvoor in de zomer van 1943 al eens 500 gulden werd betaald. 'Ik gaf voor een onberispelijk ex. destijds f 45.-. Ze zijn gek geworden; in zulke prijzen zitten al de stroppen van straks.'
De jaartallen in dit citaat zijn mij niet duidelijk, de eerste druk is van 1642 (Amsterdam, L. Elzevier), maar de eerste set, twee delen waaronder het vervolg, is van 1654 (Amsterdam, J. Blaeu).
Voor een vergelijk met Nijhoff maakt het echter niet uit. Hij had in 1932 zowel de eerste Amsterdamse druk uit 1642 (met het zeldzame portret van Hooft) ‘edition originale, rare’ voor 75,- gulden (in koopkracht thans 627,40 euro) als dezelfde uitgave met het vervolg van Blaeu voor 60,- gulden (in koopkracht thans 501,92 euro en momenteel te koop bij Forum voor 950,- euro), als de 3de Amsterdamse geïllustreerde druk (1677) en de eveneens geïllustreerde 4de Leidse druk (1703) voor respectievelijk 25,- gulden (209,13 euro) en 30,- gulden (250,96 euro).
De 45,- gulden die August Henkels betaalde lijkt mij (zonder verdere details te weten) dus een correcte prijs te zijn. Maar zit de gek die in de zomer van 1943 maarliefst 500,- gulden betaalde inderdaad met ‘een strop van straks’? Omgerekend is dat in koopkracht van nu 2905,34 euro.

Het zaligmakende antwoord op deze en de in het begin gestelde vragen heb ik natuurlijk ook niet maar het laatste voorbeeld illustreert m.i. precies waar het om ging en nog steeds gaat. Het was en is 'wat de gek er voor geeft'. En gekken heb je altijd, vroeger in 1943 en nu. Ik ben er slechts één van...

woensdag 8 juni 2011

Al wat rest

‘Antiquarius met een voorliefde voor het bibliofiele, zeldzame en in perkament gebonden boek’, maar ik heb er natuurlijk geen bezwaar tegen als oud perkament niet als kaftmateriaal werd gebruikt maar als schrijfmateriaal.

Deze oude handgeschreven koopakte op perkament van de hofstede Brantwijk uit 1778 met uithangende complete waszegels van de Nieuwer-Amstelse schepenen Jan de Bruijn en Pieter van der Honte behoort alweer twintig jaar tot mijn bescheiden collectie lokale archivalia. Het stuk werd destijds eerst aangeboden aan het toen nog bestaande Amstelveense gemeentearchief maar de archivaris beschikte niet over de financiële middelen voor aankoop en maakte mij erop attent. Inmiddels zijn beiden, archivaris en oud archief, wegbezuinigd en moet de lokale geschiedenis worden opgezocht in het Amsterdamse stadsarchief.

Brantwijk was een van de talloze buitenplaatsen langs de rivier de Amstel. Terwijl de meesten aan de drukke westzijde lagen, bevond Brantwijk zich aan de stille oostzijde van de rivier, pal tegenover het voormalige raadhuis van Nieuwer-Amstel (waarin tussen 1914 en 2007 het Amsterdamse Gemeentearchief zat). Dergelijke buitenplaatsen, door tijdgenoten ook wel aangeduid als ‘lusthof’, ‘maison de campagne’ en ‘maison de plaisance’ werden vooral vanaf de tweede helft van de 17de ‘Gouden’ eeuw gebouwd.
De eigenaren waren Amsterdamse patriciërs die door de bloeiende handel rijk waren geworden. In de winter verbleven ze in de stad en in de zomer trok de hele familie naar de buitenplaats waar het, mede dankzij de aanwezigheid van prachtige siertuinen, voor menig rijke Amsterdammer aangenaam vertoeven was.

Op kunstzinnige tijdgenoten heeft de rijkdom en grandeur langs de Amsteloever(s) grote indruk gemaakt. Vele landhuizen zijn in schilderijen, tekeningen en prenten afgebeeld of beschreven en bezongen.
Een bekend ‘onroerend goed’ boek uit die tijd is: “Hollands Arcadia of de vermaarde Rivier Den Amstel…” (Amsterdam, 1730) waarvan ik een luxe facsimile uitgave bezit, die door Kruseman’s uitgeversmaatschappij N.V. in Den Haag in 1968 werd uitgegeven in een gelimiteerde oplage (mijn exemplaar is nr. 553). Het boek begint met een lofzang van
G. Tysens op de buitenplaatsen die men toen, al varende over de rivier van Amsterdam naar Ouderkerk aan den Amstel, passeerde.
Over Brantwijk, rond 1730 bewoond door de heer Daniel Marsenier, lezen we:

“‘k Zie Brantwyk reeds van verre, en nader ’t schoon gestigt;
Het voerd zyn brede kruin vol luister in het ligt,
En steekt drie spitsen op, die ons naauwkeurig tonen,
Waar heen Eölus vliegt met zyn gezwinde zonen…

En even verder:

De Zomerhuisjes zyn aan myn gezigt meêr waardig,
Die langs den ryweg, op den hoek des hofs, zo aardig,
Vierkant zyn opgebouwd, zig spieg’lende in de vliet,
Waar door heer Marssenier vaak zynen lust geniet.
Vaar wel! Ô Brandwyk! ‘k ga, om meer vermaak te aanschouwen”.

Bijna een halve eeuw later, op 6 april 1778, werd mijn koopakte opgemaakt.
De tekst bleef ook bewaard bij de notaris wiens protocollen thans berustten in het Noord-Hollands Archief in Haarlem. De originele oorkonde was voor de huiseigenaar en behoorde tot het huisarchief.

De erfgenamen van Ester Senior Coronel, weduwe van Jacob Saportas dragen dan de buitenplaats over aan Sara Eastwood, huisvrouw van Anthony Fothergill voor 11.000 gulden. Uitvoerig werd beschreven wat voor moois zij daarvoor kreeg: “Een Buijtenplaats genaamt Brandwijk, met zijn huijzinge, Koetshuijs, Stallingen, Coepels, en verdere getimmertens, mitsgaders Kassen, Broeikassen met derzelver Lessenaars, Krebben, glasen, matten, thuijnbanken, een marmere tafel met eenige Stoelen, Staande in de Agterkoepel, een Schuijt met zijn Toebehooren en de tuijnmansgereedschappen”.

Eind achttiende eeuw stonden er nog tientallen kleine en grote buitenplaatsen tussen Amsterdam en het dorp Ouderkerk aan den Amstel maar vooral begin 19de eeuw raakten ze door de toenemende economische recessie steeds meer in verval. Bij bosjes vielen ze in handen van slopers die de huizen afbraken en het bruikbare bouwmateriaal doorverkochten. Op de vrijgekomen plekken keerde vaak het boerenbedrijf terug. Uiteindelijk zijn slechts drie buitenplaatsen langs de Amstel bewaard gebleven; Amstelrust (gemeente Amsterdam), Wester-Amstel en Oostermeer (gemeente Amstelveen).

Brantwijk werd tussen 14 juli en 27 oktober 1796 gesloopt en is uit het geheugen verdwenen. Een dikke vijftig jaar geleden, op 29 april 1957, nam de toenmalige gemeente Nieuwer-Amstel (thans Amstelveen) een raadsbesluit om ‘Brantwijk’ op te nemen in de straatnaamgeving.
Wat archiefstukken, mijn perkamenten koopakte en een straatnaambordje.
Dat is al wat rest.