Tabbladen

dinsdag 28 mei 2013

Zelf dokteren


Ik heb in 2010 de boekenschat (zo’n honderd vijftig verhuisdozen) van Hans Oldenbroek, oud gemeentebode van Amstelveen, helpen inventariseren en waarderen.
Hij verzamelde vooral boeken over boeken, de geschiedenis van Amsterdam, Amstelland, kunst, transport en openbaar vervoer. Hans had weliswaar erg veel, ook bijzondere oude uitgaven en soms twee- driedubbel, maar de kwaliteit viel over het algemeen tegen en hij was bepaald geen bibliofiel.

Dat laatste heeft mij bij het uitsorteren en beschrijven regelmatig doen vloeken en zuchten. Menigmaal waren zijn boeken bestempeld met ‘Bibliotheek Amstellandia H.R. Oldenbroek, letter…, no….’ (de ontbrekende gegevens met ballpoint ingevuld!), of beplakt met - soms meerdere - felkleurige vierkante stickertjes (met letters en nummers).
Van beduimelde of wat verbruinde papierranden in oude boeken moest hij niks hebben.
Ze werden met een schaartje – elk blad ongelijk - afgeknipt.
Oude 17de en 18de eeuwse halfleren en perkamenten boekbanden, waaronder kostbare Amsterdamse stadsbeschrijvingen van Pontanus en Van Domselaer, waren verstevigd en beplakt met plakplastic (motief: rode ruitjes) bedoeld voor keukenkastjes! Dat kreeg ik er, onder wat binnensmonds gevloek, goddank vaak goed af al bleef de originele band wat kleverig. Een gedeelte van de collectie, vooral moderne uitgaven over Amstelveen en omstreken, bleef op het gemeentehuis. Een tweede klein gedeelte bestond uit bijzondere oude boeken die ik beter op zijn plaats vond bij Bijzondere Collectie's van de Universiteit van Amsterdam of het Amsterdamse Stadsarchief. Het overgrote deel van de collectie werd verkocht aan antiquaar Max van Til en de opbrengst (€ 15.000,-) werd door de Amstelveense burgemeester Jan van Zanen op 30 november 2011 uitgereikt in/aan het Ronald MacDonaldhuis, naast het Amsterdamse VU-ziekenhuis.

Een aantal van de mooiste boeken en pamfletten uit zijn collectie bevindt zich nu in die van mij. U begrijpt wel, ik moest desondanks her en der zelf 'dokteren'. Professioneel iets laten restaureren is duur en dus koop ik mijn oude drukwerk liefst in goede tot zeer goede staat maar je hebt het niet altijd voor het kiezen.


Mijn restauratiematerialen reparatiematerialen bestaan uit een potje boekbinderslijm
(-stijfsel), een rol Aslantape, een flesje medicinale alcohol en een voorraadje origineel (handgeschept) oud papier. Verder een schaar, gummetje, stanleymesje, ijzeren liniaal en wat lijmkwastjes.
Scheurtjes in bladen, stofomslag of (sier)papieren omslagen komen het meest voor. Die repareer ik met Aslantape want “cellotape is een uitvinding van de duivel” (citaat van boekengoeroe Piet Buijnsters). Dit wordt ook in restauratieateliers gebruikt. Het is ragfijn transparant, mat, zelfklevend en zuurvrij. Het is makkelijk met water te verwijderen en onzichtbaar bij het kopiëren. U ziet hieronder het resultaat (en verschil) op de rand van een blad 18de eeuws handgeschept papier. Plakband glimt, zal uiteindelijk verharden en vergelen en het papier eronder aantasten.


Grote reparaties in oude boeken, zoals het 'helen' van afgescheurde bladzijden, gaten in het papier, vastzetten van de ‘paste-down’ (het blad geplakt tegen de binnenzijde van de band) of het repareren dan wel inzetten van een 'free endpaper', doe ik altijd met origineel oud handgeschept papier (waarbij ik erop let dat de 'kettinglijnen' in het papier verticaal lopen!) en wat boekbinderslijm.
Medicinale alcohol lost lijmresten op en is effectief bij het verwijderen van oude 'plakkers', zoals die kermisstickertjes van Hans. De meeste papiervlekken verwijder ik met een gummetje en soms voorzichtig met een heel licht schuurpapiertje.
Pamfletjes zonder omslag krijgen van mij een op maat gesneden zuurvrij handmarmeren omslagje, vastgezet met boekbinderslijm.
Wat ik nodig heb haal ik bij Vlieger in Amsterdam, zo’n beetje de enige winkel in mijn omgeving waar alles op dit gebied nog verkrijgbaar is. Zoals laatst zuurvrij fel oranje papier om de, door plakband en bibliotheekstickers ontsierde, papieren rug te restaureren van een brochure getiteld: "Heerlen als mijn- en industriestad. Het centrum der Limburgsche industrie", uitgegeven door het VVV rond 1930.
Hiermee heeft u zo'n beetje een overzicht van alles wat ik zelf kan (en wil!) dokteren. Mocht u zelf handige tips hebben dan zijn reacties bijzonder welkom!
Mijn motto is; wees vooral voorzichtig en werk met zuurvrij reversibel materiaal. Grote en ingrijpende restauraties zijn toch echt een vak apart en het is raadzaam daarover eens wat boeken te lezen. Die benadrukken vaak 'don't try this at home!'.


Ouderdomskenmerken als het min of meer gelijkmatig verbruinen van papier of een enkele vlek door waterschade vind ik overigens niet zo’n probleem. Conditie is belangrijk maar je kunt van een boek dat honderd of meer jaar oud is niet verwachten dat het er als nieuw uitziet. Persoonlijk meer moeite heb ik met ‘foxing’, bruine roestkleurige vlekjes en vlekken waarvan de oorzaak niet precies bekend is en waaraan eigenlijk niet veel valt te doen, behalve het wassen of bleken van het papier (en dat is een discutabele 'restauratie'!). Soms is er 'foxing' door het hele boek, soms op enkele willekeurige pagina’s.

Ik heb ooit voor vijftien euro een originele uitgave gekocht van de bekende “Camera Obscura” (Haarlem, 1884) van Nicolaas Beets (1814-1903), geïllustreerd door Ferdinand Carl Sierig (1839-1905). Een fraaie rood met goud bestempelde reliëfband, goud op snee met talloze illustraties.
Een prachtuitgave dus maar het boek zit zo vol met deze visuele irritatie, dat ik voor hetzelfde bedrag (!) ook de facsimile uitgave heb aangeschaft van uitgeverij Amsterdam Boek B.V. uit 1976. Daarvan is de band weliswaar niet in reliëf bestempeld maar de inhoud vlekkeloos. Puur om de verhalen lees ik in mijn facsimile maar om van het boek als esthetisch object te genieten bewonder en betast ik liever de band van het origineel...

maandag 13 mei 2013

Bilderdijks zeldzame vignet

Wat kon was Willem Bilderdijk (1756-1831) eigenlijk niet?
Die vraag kun je stellen als je 's mans leven bestudeert en daar, her en der in je bibliotheek en op internet, iets over leest. Voor alles had dit 'gefnuikt genie' talent. Hij was verdediger van Kaat Mossel (1723-1798), leraar van Koning Lodewijk Napoleon (1778-1846) maar ook een groot criticus van Jan Wagenaar (1709-1773) en dat laatste maakt hem in mijn ogen niet sympathiek. Voor velen is hij thans niet meer dan een straat net zoals Vondel een park is. Hoe je ook over hem denkt, het valt niet te ontkennen dat hij behoort tot de categorie ‘erflaters van onze beschaving’, iemand aan wie zelfs een klein maar interessant museum is gewijd.

In bibliofiel opzicht kunnen twee dingen mij bekoren aan veelschrijver Willem Bilderdijk.
Eén; dat hij vooral zijn vroege werk voorzag van kleine zelfgemaakte prentjes (die ik persoonlijk mooier vind dan zijn poëzie).
Een vaardigheid die hij te danken had aan het onderwijs van Johannes van Dreght (1737-1807), die gedurende 10 jaar zijn leraar was.
Twee; zijn antiquarisch zeldzame en gezochte erotische debuut: “Mijn verlustiging”, dat in 1779 - anoniem - voor het eerst losbladig verscheen, in een oplage van ongeveer vijftien exemplaren, in wisselende omvang en met een wisselend aantal zelfgemaakte vignetten.
Een bibliofiel curiosum volgens Lesley T. Monfils, die het kan weten want hij vervaardigde een zeer uitputtende “Willem Bilderdijk Bibliografie” (Amstelveen, 2006). Opmerkelijk is dat vrijwel de volledige oplage bewaard bleef en vermoedelijk maar twee exemplaren verloren gingen.
Een verklaring daarvoor is dat Bilderdijk één van de meest verzamelde auteurs in de eerste helft van de negentiende eeuw was. Al tijdens zijn leven had hij een flinke schare goed bemiddelde bewonderaars en volgelingen, die alles wat de man op papier zette en wat met hem te maken had verzamelden.


Twee jaar na het losbladige curiosum verscheen de uitgebreide handelseditie van “Mijn verlustiging (Leiden/Amsterdam, 1781), nog steeds anoniem, in groot octavo en volgens de advertentie in de Diemer- of Watergraafsmeersche Courant (d.d. 14-09-1781); “op fijn Schrijfmediaan Papier gedrukt, en met achtentwintig, door den Dichter zelven geëtste Vignetten versierd".
Opmerkelijk genoeg bestaan er ook bijzondere exemplaren met negenentwintig vignetten! Daarvan zijn mij slechts twee voorbeelden bekend, beide in openbare bibliotheekcollecties. Deze hebben een extra slotvignet met Bilderdijks motto ‘Semper Idem’ ('altijd hetzelfde'), achter het drempeldichtAan Regnilde” (π4v).


Toen ik op een mooie zomerdag in april antiquariaat Brinkman aan het Amsterdamse Singel bezocht, trof ik alleen Edwin Bloemsaat aan. Frank Rutten was op vakantie.
Edwin had ik net een paar dagen tevoren nog gezien op de jaarvergadering van ons Genootschap en we raakte aan de praat over – het zal u niet verbazen – boeken, bibliofielen en verzamelen.
De tijd verstreek en nadat ik mijn tweede kopje koffie had geleegd kwamen we op de welhaast onuitputtelijke voorraad oude boeken bij Brinkman. Wie wel eens in het winkeltjes is geweest begrijpt dat daar slechts een deel van de collectie staat. Op een gegeven moment spraken we over specifieke titels en zei Edwin; “Loop maar even mee”. Hij klom de trap op, naast het verscholen minikeukentje, en wat aarzelend volgde ik. In al die jaren was ik nog nooit bij Brinkman boven geweest en in mijn fantasie was daar een soort rommelzolder met veel oud papier, bergen stof en kilometers spinrag.
Dat bleek een grote misvatting. Eenmaal boven stond ik in een keurig achterkamertje, met drie rijk gevulde boekenkasten en een tafel met wat boeken en paperassen in het midden. Het voorkamertje, met uitzicht op het Singel, bleek een bescheiden (ik ken grotere!) handbibliotheek te bevatten.


Likkebaardend volgde ik de titels op de planken en las er enkele hardop voor. “Er staat veel Bilderdijk”, mompelde ik. “Klopt”, zei Edwin, “We werken aan een Bilderdijkcatalogus die nog dit jaar moet verschijnen”. “Hebben jullie ‘Mijn Verlustiging’?”, vroeg ik. Edwin liep naar een kast en voor ik het wist zat ik beneden te bladeren in een prachtexemplaar.
Mooi halfleren bandje, boekruggetje met ribben, verguld bestempeld, rood titelschildje, bruinbespikkelde platten en zo te zien uit de bibliotheek van het voormalige Haagse
St. Aloisiuscollege (die zo groot was dat Brinkman er nog altijd boeken uit verkoopt). Voorin stond met potlood aangetekend dat dit een exemplaar was mét het vaak ontbrekende slotvignet ‘Semper Idem’.


Dit hoogtepunt van de catalogus zal wel het duurste item zijn”, merkte ik op. Dat bleek inderdaad het geval, alleen een meerdelige set met verschillende kleine zeldzame Bilderdijk-uitgaven was duurder. We waren het er al gauw over eens dat het boekje, zeker in deze fraaie staat, snel zou worden verkocht. “Ik zal je adres opnemen voor de catalogus”, zei Edwin en na nog een half uurtje kletsen namen we afscheid.
Het was inmiddels twee uur geweest en ik at een broodje en dronk wat op het Spui. Daarna checkte ik mijn banksaldo, werd niet vrolijk, maar liep desondanks fluitend terug naar Brinkman. “Bilderdijk spookt door mijn hoofd!”, zei ik. Edwin glimlachte en knikte begripvol: "Tasje erbij?".

woensdag 1 mei 2013

Ruim 25 kilo 'Amstelveen'


Ik was op weg naar De Buitenkant voor het versturen van het Jaarboek 2012 van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen (NGB). Het was wat aan de vroege kant en tijdens de metrorit besloot ik om het laatste stuk te voet af te leggen, langs de boekenkraam van Jos Albers op het Waterlooplein.
Die was druk bezig met uitpakken, geholpen door Christiane van Straat antiquaren uit de Rosmarijnsteeg. “Hebben jullie al gehoord dat antiquariaat Egidius in de Haarlemmerstraat gaat sluiten?", vroeg ik (NB. dit bleek gelukkig niet waar, lees onderstaande commentaar!).
Christiane pauzeerde en mompelde tussen twee trekjes aan haar sigaret: “Wij gaan onze winkel binnenkort ook sluiten”. Jos schudde zijn hoofd en begon een monoloog over oplopende kosten, toenemende regelgeving, dure marktpasjes, een Kamer van Koophandel waar je niets aan hebt, hoge belastingen, kostbare verzekeringen en de slinkende marges. Antiquaar Sander Kok, die door de boeken snuffelde, keek even op en riep dat hij nog meer antiquariaten kende die binnenkort hun winkeldeuren zouden gaan sluiten. "Binnenkort zijn wij de enigen nog!". Ik zuchtte wat, en keek naar de stapels boeken. Nog even, dacht ik, en het winkelantiquariaat is voorbij, alles gaat dan via internet. Bah!


Peinzend viel mijn oog op een paar houten bakken met ingepakte objecten. Ze waren afkomstig uit het winkeltje van antiquaar Louis Putman. Het bleek te gaan om de illustraties van een boek. Koperclichés; en de meesten waren nog ingepakt in vetvrij papier met een kopie van de afbeelding op de voorkant geplakt en een aantekening op welke bladzijde ze waren gebruikt.
Enkele pakjes bevatte vier clichés voor één kleurendruk (zwart, rood, geel en blauw) maar de meesten waren enkele clichés voor een zwart/wit afdruk. Heel veel van dergelijk 'antiek' drukkerijspul is met de opkomst van digitale druktechnieken verdwenen, weggegooid of omgesmolten toen de koperprijzen stegen (thans tegen de zes euro per kilo). Toen ik een cliché van de stapel nader bekeek wist ik meteen uit welk boek ze afkomstig waren. Enkele minuten later liep ik met ruim 25 kilo aan loodzware koperclichés, verdeeld over enkele tassen, door Amsterdam te sjouwen.


Thuisgekomen pakte ik het boek waarvoor ze waren gebruikt uit de kast; “Amstelveen, acht eeuwen geschiedenis” van mr. J.W. Groesbeek (Uitg. Allart de Lange, Amsterdam 1966).
Al bladerend gingen mijn herinneringen vijfentwintig jaar terug in de tijd toen ik mij bovenmatig interesseerde voor de lokale geschiedenis van mijn woonplaats Amstelveen.
Groesbeeks boek gold onder geïnteresseerden als hét standaardwerk en werd door velen begeerd. Het was destijds al vele jaren uitverkocht. Op het Amstelveense gemeentehuis werd ‘in de kluis’ angstvallig een restantje bewaard als geschenk bij bijzondere gelegenheden.
Het boek was antiquarisch moeilijk te vinden en internetantiquariaten waren nog pure sciencefiction. Het was bovendien kostbaar.
De prijzen lagen tussen de honderd vijftig en tweehonderd vijftig gulden. Wat was ik toen blij met mijn exemplaar, waarvoor ik slechts vijfenzeventig gulden moest neerleggen.
Een koopje! Vijfentwintig jaar later zie ik het boek regelmatig bij mijn kringloop liggen voor prijzen rond de vijftien euro. Het kan verkeren


Een inventarisatie van de clichés aan de hand van de lijst van illustraties in Groesbeeks boek (blz. 307-309) leerde mij dat ik – op twee na - alle kleurenafbeeldingen had en circa vijftig procent van alle zwart/wit afbeeldingen.
Het schoot me te binnen dat Jos had gezegd dat hij er al goed van had verkocht. Daar was geen woord van gelogen. “Wat moet je ermee?”, had Sander Kok gevraagd. “Tja…uhh… bewaren?” , maar thuisgekomen kreeg ik een beter idee. Ik schenk de collectie aan de Vereniging Historisch Amstelveen (VHA) onder de voorwaarde dat ze er een geïllustreerd artikel aan wijden in hun blad ‘Amstel Mare’ getiteld: “Perkamentus schenkt ruim 25 kilo 'Amstelveen'”.
Alleen het onderstaande gemeentewapenvignetje van Ouder-Amstel (Groesbeek, blz. 59) hou ik voorlopig zelf. Als kleine herinnering, het maakt me weemoedig.