donderdag 28 maart 2013

Ping-Pong

Toen ik gisteren weer eens bij de boekenkraam van Jos Albers belandde, op een guur Waterlooplein, trof ik daar tot mijn vreugde verschillende nieuwe dozen aan afkomstig van de fameuze antiquaar Louis Putman.
Ruim een jaar geleden schreef ik al eens over het uitsorteren en opruimen van diens boekenberg en de vondst die ik toen deed. Ook ditmaal kocht ik voor enkele euro’s wat efemeer drukwerk dat je niet gauw elders zult vinden.

Het leukste (voor één euro) was een grauw omslagje met daarop een fors etiket ‘gesepareerd door Louis Putman – Amsterdam’.
Het bevat maar drie bladen tekst met foto’s afkomstig uit ‘Boon’s geïllustreerd magazijn’ (Amsterdam, 1902) getiteld: “Ping-Pong”.
Nou ben ik geen sportman, zoals u wel weet, maar dit vermakelijke stukje geschiedenis uit de oertijd van het tafeltennis – dat zijn oorsprong heeft onder Chinese immigranten in Engeland aan het eind van de negentiende eeuw - kon ik toch niet laten liggen.
Bovendien vermoedde ik dat dit wel eens één van de eerste, zo niet eerste publicatie, in Nederland zou kunnen zijn over het spel en de sport.

Wie in de database met oude kranten van de Koninklijke Bibliotheek zoekt op ‘Ping-Pong’ (of ‘Tafeltennis’) komt er al gauw achter dat de term voor het eerst opduikt in Nederlandse advertenties uit het laatste kwart van 1901. Het jaar daarop, in 1902, volgt dan een explosie en wordt ‘Ping-Pong’ nieuwe Nederlandse rage. De geschiedenis leert ons dat het dan nog ruim dertig jaar duurt voordat de Nederlandse Tafeltennisbond (NTTB) wordt opgericht.


De onbekende auteur van het artikel “Ping-Pong” is zelf een speler want: “Ik maak altijd gebruik van het ‘ideale’ raket, dat gemaakt is van hout overtrokken met perkament”.
Je zou bijna denken dat het stuk niet in 1902 werd geschreven maar in de middeleeuwen, zeker als je dat vergelijkt met het huidige spelmateriaal.
Opmerkelijk zijn ook de actiefoto’s die ons de nog jonge overgrootmoeder van Bettine Vriesekoop laten zien. Is het dan een typische vrouwensport? Welnee, maar: “Bij het spelen van ping-pong staan jonge dames meer dan bij elk ander spel gelijk met jonge mannen en kunnen ze gerust met hen wedijveren”.
Behalve wat uitleg over hoe te spelen (“Men moet vooral niet toegeven aan de neiging om gedurig heen en weer te springen naar dat gedeelte van de tafel waar de bal komt”), ‘halve salvo’, ‘screw’ slag en de manieren waarop je het ‘raket’ de bat kan vasthouden wordt er ook een nuttig dameskledingadvies gegeven.
Maar wanneer men speelt bij gelegenheid van een voorstelling, moet een jonge dame mijns inziens bij voorkeur donkere kleuren dragen – zelfs liefst zwart. Niets is onaangenamer voor een speler dan te moeten spelen met een tegenpartij, die in opvallende kleuren is gedost, terwijl een lichte of witte japon een achtergrond vormt, waartegen de bal onzichtbaar wordt”.

zondag 10 maart 2013

Voorbeeldfunctie

De eerste reactie op dit weblog is van de boekensneuper op “Behalve die ene”, het vierde van de (met deze meegerekend) 197 stukjes die ik inmiddels schreef. De meeste reacties, waaronder één van Gerrit Komrij (1944-2012), kwamen op “Een bijzonder vorstelijke vondst”. Totaal tel ik inmiddels 225 reacties, inclusief die van mij, maar zonder de reacties die ik af en toe via mijn e-mailadres ontvang.
De reacties op mijn gastoptreden elders zoals hier en hier laat ik even buiten beschouwing. Blogreacties (met uitzondering van spam) zijn per definitie welkom. Bloggen is toch een vorm van exhibitionisme. Ik ben trots op mijn culturele en bibliofiele passie en deel graag mijn kennis op dat gebied. Reacties zijn een vorm van erkenning; ‘Ha! (zie je wel), ik word gelezen…!’.

Inhoudelijk zijn de reacties te verdelen in: complimentjes, vragen, aanvullingen en verbeteringen. De meeste komen natuurlijk van Nederlandstalige lezers, voornamelijk uit Nederland en België. Het zijn behalve doodgewone lezers, collega-bloggers, antiquaren, schrijvers, drukkers en uitgevers. Alle reacties zijn per e-mail, dat wil zeggen sinds afgelopen zaterdag, 9 maart.

De deurbel ging en tante Post leverde een pakje af… Vanuit de huiskamer klonk het “wat heb je nu weer besteld?”. Het zweet brak me uit en mijn hersens werkten op volle toeren maar ik kon me niets herinneren en was me van geen bestelling kwaad bewust. Er zat een briefje in met een album. Ach, leest u zelf maar…




Aardig, nietwaar? Uit de bibliografie van De Althaea Pers komen de volgende gegevens:

173

[Jos Swiers]

Ex libris. 32 universele ex librissen

[’s-Gravenhage], De Althaea Pers, [24 september 2012], 24,5 x 25,5 cm, [50 p.].

[3]: titel, [5-14]: tekst, [17-47]: ex librissen, [49]: colofon.

Specificatie. Uitvoering: gebonden fotoalbum met witte bladen, met tussenbladen van wit pergamijn, met band van metallic blauw linnen, met pailletten op voorzijde, met rugschild met titel. De witte bladen zijn voorzien van daarop bevestigde tekstbladen, foto’s en op dragers bevestigde ex librissen. Papier: tekstbladen 120 grams Neutraal zachtgroen; dragers 160 grams Fastprint zwart. Letterfont: Candara. Drukprocedé: laserprint en blinddruk. Oplage: 20 genummerde en op naam gestelde exemplaren.

Bijzonderheden. 32 universele ex librissen uit de eerste helft van de 20ste eeuw van vermoedelijk de N.V. Lochemsche Handels- en Courantendrukkerij te Lochem zijn voorzien van een toelichtende tekst en 4 foto’s uit voordrukcatalogi van genoemde drukkerij. De foto’s zijn afgedrukt door Profotonet te Capelle aan den IJssel. Het fotoalbum is een jaren 50 retroversie Henzo pajetta blauw. Op het schutblad van elk exemplaar is een universeel ex libris aangebracht waarin de naam van de ontvanger is geschreven met een medium Platignum kalligrafeerpen. Het preegstempel ‘ex libris’ op het rugschild is vervaardigd met The Boswell Eziboss, patent nos. 37756 & 412025 uit de collectie van De Althaea Pers.


Mijn exemplaar is 19/20.
Wellicht dat sommigen nu denken dat ik hier schaamteloos reclame maak voor Jos Swiers, maar dat is natuurlijk volstrekte onzin. Van De Althaea Pers is (bijna) nooit wat te koop, dus een commercieel belang is er niet. Waarom dan wel?
Welnu, het is niet alleen een mooi vervolg op mijn laatste stukje "Ex-Libris" maar bovendien de eerste keer dat ik op een dergelijke wijze een reactie op een blogpublicatie ontvang. Maar van het allergrootste belang, voor mij als bibliofiel verzamelaar, is de belangrijke voorbeeldfunctie van zijn loffelijke gebaar voor toekomstige reageerders.
Natuurlijk; elke reactie via de e-mail wordt op prijs gesteld, maar deze persoonlijke vorm van waardering wil ik iedere antiquaar, margedrukker of uitgever van fraai drukwerk die mijn blog leest en een warm hart toedraagt nadrukkelijk en van harte aanbevelen.

Zo! En nu maar wachten tot de deurbel gaat…

woensdag 6 maart 2013

Ex-libris

Ik heb al eens iets geschreven over de verschillende bibliotheekstempels die ik in mijn boeken tegenkom. Dat stukje eindigde toen met de opmerking dat ik de volgende keer een fotocollage zou maken van de ex-librissen die schuil gaan in mijn boekencollectie.

Over wat een ex-libris is lezen we in Wikipedia: “Ex-libris (Latijn: uit de boeken; meervoud 'ex librissen' maar ook 'ex libris') is een papieren eigendomsplaatje dat in een boek wordt geplakt ter preventie van diefstal. Zo'n eigendomsmerk kan ook direct in het boek worden gestempeld of gestanst. Een ex libris toont vaak de woorden ex libris (dat wil zeggen 'uit de boekencollectie van ...'), de naam van de eigenaar van het boek en een figuratieve, emblematische afbeelding. Dat kan een familiewapen zijn, een monogram of een vrije voorstelling. De afbeelding is vaak sterk verbonden met de eigenaar. Soms vermeldt het ex libris een persoonlijke spreuk of motto. Het ex libris wordt voorin het boek geplakt (vaak in wat duurdere exemplaren, zoals bibliofiele uitgaven), meestal op het schutblad”.


In de collage zitten verschillende exemplaren van bekende verzamelaars; bijvoorbeeld van de boek- en pamflettenverzamelaar Isaac Meulman (1807-1868), de ex-libris verzamelaar Ir. E.L.C.M. (Eugene) Strens wiens collectie in Museum Meermanno berust, de neerlandicus en hoofdbibliothecaris van de Vrije Universiteit H.A. Höweler (1899-1976), de Portugees-Joodse verzamelaar en amateur historicus Daniel Henriques de Castro (1806-1863), de Utrechtse numismaat W. Kreeft, het ‘stickertje’ van de Belgische boeken-
verzamelaar en professor in de Letterkunde A. Keersmaekers, van de papiermagnaat en bibliofiel verzamelaar Ulco Proost (1885-1966), van de jurist en bibliofiel mr. F.C. Koch (1873-1945) enz, enz.

Ook al ben ik geen verzamelaar van ex-librissen, als bijvangst in een boek – oud of nieuw – stel ik ze op prijs. Soms betreur ik het dat bibliofielen als Isaac le Long (1683-1762) of Boudewijn Büch (1948-2002) geen ex-libris hadden. Het kan namelijk een hulpmiddel zijn bij het reconstrueren van privébibliotheken, al bezitten we van beide laatstgenoemden ook de veilingcatalogus.


In mijn collectie bevindt zich één boek met meerdere ex-librissen. Het gaat om de uitgave van Wouter van Gouthoeven (1577-1623): “D'oude Chronijcke ende Historien van Holland (met West-Vriesland) van Zeeland ende van Utrecht…” (’s-Gravenhage, 1636).
Op de achterzijde van het titelblad zitten vier heraldische ex-librissen. Twee daarvan zijn uit de achttiende eeuw, en daarmee tevens mijn oudste exemplaren.
De bovenste heb ik kunnen identificeren als dat van David ten Hove, heer van Sleeburg, den Bosch, den Breur en Nieuwwaal (1724-1787): “In zwart een gouden schuinkruis, vergezeld van een dubbele adelaar van ’t zelfde in ’t schildhoofd en van drie gouden droogscheerdersscharen met de punten omlaag, twee aan weerszijden van het schuinkruis en een in den schildvoet” (J.E. Elias: “De Vroedschap van Amsterdam 1578-1795”, blz. 1087).

En ik?
Ik heb nog geen ex-libris maar mocht dat er ooit komen dan ga ik een dagje plakken.