donderdag 27 augustus 2015

Perfectie, compleetheid en gedroogde abrikoosjes

Ik moet u wat bekennen.
Ik ben naast bibliofiel ook een perfectionist die streeft naar compleetheid.

Daar moest ik aan denken toen ik ’s avonds met een kop koffie voor de computer zat.
Het was een mooie vrije vrijdag geweest, zonovergoten bovendien, die ’s ochtends was gestart met het wekelijkse ritueel van boodschappen doen met mijn moeder (82 jaar).
Mijn moeder weet van mijn buitenechtelijke relatie met boeken.
Ik vertelde haar dat ik na de boodschappen nog even de stad in zou gaan om een boekje op te halen en over de boekenmarkt op het Spui te lopen.
Ze reageerde heel begripvol en besloot om de gezamenlijke lunch (die ik als boodschappenhulp altijd krijg) over te slaan en mij tien euro te geven zodat ik in de stad zelf een broodje kon kopen. Ik kan u vast verklappen dat die tien euro nooit in broodjes zijn omgezet.

In mijn tas had ik nog een half zakje gedroogde abrikozen die over waren van de couscous die ik de avond tevoren had gemaakt.
‘Het gezonde tussendoortje’, daar heb ik op overleefd.
Dat gaat prima zolang je maar wordt afgeleid door het denken aan boeken, praten over boeken en kopen van boeken. Nadrukkelijk last van luidruchtige ‘flatulentie’ aan het eind van de middag moet je dan wel voor lief nemen.

Hoofddoel was een bezoekje aan antiquariaat ‘Verglheden’ in de Koningsstraat in Amsterdam. Dat schijnt daar al decennia te zitten maar ik kende noch de winkel noch de eigenaar. Er lag een boekje voor mij klaar dat ik via internet had gekocht voor vijftien euro. Het ging om het boek van Theo Meder: “Vertelcultuur in Waterland. De volksverhalen uit de collectie Bakker” (Amsterdam, 2001).
Een uitgave onlosmakelijk verbonden met een ander boek dat ik een maand eerder had gekocht (€ 12,50 euro) bij Steven Sterk: “Vertelcultuur in Nederland. Volksverhalen uit de Collectie Boekenoogen (ca. 1900)” (Amsterdam, 2005).


De taalkundige en volkskundige Gerrit Jacob Boekenogen (1868-1930) verzamelde eind negentiende eeuw vanuit heel Nederland volksverhalen en volksrijmpjes (en wordt wel eens vergeleken met de Duitse gebroeders Grimm). De verzameling Boekenoogen is ondergebracht in het (P.J.) Meertens Instituut in Amsterdam.
Boekenoogens’ beste informant was een arts, Cornelis Bakker (1863-1933) uit Broek in Waterland. Die stuurde hem zoveel materiaal op (ruim 500 verhalen) dat het in de verzameling Boekenoogen een aparte deelcollectie vormt.
Kortom; pas als je beiden boeken hebt ben je compleet en bezit je zeg maar alle ‘Kinder- und Hausmärchen’ van de Lage Landen.
Maar ‘Verglheden’ was pas aan het eind van die warme zomerse dag.

Eerst was er die klamme rit in een overvolle tram zweterige toeristen. Terwijl de haltes voorbij kropen knabbelde ik gestaag mijn abrikoosjes weg. Eindelijk... het Spui.
De zak gedroogde abrikoosjes verdween in mijn tas om plaats te maken voor een sigaartje. Sigaren passen veel beter bij boeken dan abrikozen. Bovendien verdrijven ze de drommen toeristen die zich doelloos als dikke wolken muskieten voor de boekenstalletjes bewegen.

Zoals wel vaker op boekevenementen ben ik meer tijd kwijt aan praatjes dan aan snuffelen en sneupen. Wat ik overigens niet zo erg vind, want je hoort en leert altijd wat. Ditmaal had ik een wat uitgebreide conversatie met Arnoud Bosch (antiquariaat De Salamander uit Almere) waar ik Simon Blok (antiquariaat Israel uit Bergen N.H.) tegen kwam.


Bij Axe van Maanen (antiquariaat Klikspaan uit Leiden) maak ik altijd wel een praatje. Dat leverde (ook) ditmaal weer wat op. Ik kocht er van mijn lunchgeld (dankjewel, ma!) een exemplaar van Marco Gouds’: “Een ondraaglijke drukfout” (Woubrugge, 2005). Een uitgave van de Avalon Pers (oplage: 300 exemplaren) “uitgereikt aan de aanwezigen bij de overdracht van het Naenia-exemplaar van Karel Nijkerk aan de directeur van het Museum Meermanno en (-) toegezonden aan de patroons en begunstigers van het Museum”.

P.C. Boutens (1870-1943) schreef en publiceerde in 1903 het (lijk)gedicht: “Naenia” in een oplage van circa veertien exemplaren waarvan er elf te traceren zijn (zes in particulier bezit). Illustrator was Jan Toorop (1858-1928). “Naenia” wordt wel gezien als het zeldzaamste boek van de twintigste-eeuwse Nederlandse literatuur. Boutens moet ook een perfectionist zijn geweest want er stond, naar zijn mening, 'een ondragelijke drukfout’ in. In de laatste regel van de derde strofe staat het woord ‘U’!
De ingevoegde U moet een kleine u zijn en geen hoofdletter. Als U de letters nog gezet hebt staan, zag ik dit nog graag veranderd”, schreef Boutens destijds aan drukker Enschede. Die moest de schrijver teleurstellen. Het zetsel was al uit elkaar genomen en het benodigde papier was op vanwege de vele drukproeven die Boutens had verlangd.
Ik kan me Boutens ergernis goed voorstellen.
Ik kom nog regelmatig ‘ondragelijke’ foutjes tegen als ik weer eens een oud stukje op mijn blog nalees. Kennelijk is het maken van foutjes onlosmakelijk verbonden met het proces van schrijven, lezen, herschikken, veranderen en schaven van (je eigen) teksten.
Ik verbeter ze natuurlijk altijd...


Ik besloot op weg naar ‘Verglheden’ nog even langs te wippen bij Bijzondere Collecties van de UvA.
De afgelopen maand had ik al twee keer per e-mail verzocht om een reproductie van de
‘Historische Kaart van Amsterdam’ (1878) van Jan ter Gouw (1814-1894), maar geen antwoord ontvangen. Vakantietijd?
Die kaart was destijds verkrijgbaar als bijlage bij Ter Gouws’ achtdelige stadsbeschrijving: “Geschiedenis van Amsterdam” (Amsterdam, 1879-1893). De serie kocht ik onlangs bij antiquariaat Brinkman, maar zoals gewoonlijk zonder de historische kaart.
Bijzondere Collecties bezoek ik wel vaker als ik in de stad ben op boekenstrooptocht. Je kunt er prima naar een schoon toilet, het is er lekker koel en boekjes kijken bij Nijhof & Lee is gratis en altijd leuk.
Met dat laatste begon ik natuurlijk het eerst terwijl ik af en toe een abrikoosje wegwerkte.
Verhip! Er lagen zowaar nog enkele gesigneerde exemplaren van Irma Boom: “The Architecture of the Book” (Amsterdam, 2013). Een tweede druk, ‘revised and updated’ van haar “Biography in Books” (Amsterdam, 2010). Ik kocht gelijk nr. 45/50 door ‘la Boom’ gesigneerd ter gelegenheid van de ‘museumweek ‘15’.


Ik heb er nu vier in drie variaties!
Twee maal een gesigneerde eerste druk waar tegenwoordig minstens driehonderd euro voor wordt gevraagd. En twee exemplaren van de gesigneerde tweede druk, waarvan één verscheen bij de opening van haar tentoonstelling in Parijs (2013). Die laatste zit in een afwijkende omslagdoos met een extra blauw boekje in het Frans.
Wat me nu eigenlijk pas opvalt, is dat de eerste druk (4 x 5 cm.) een paar millimeter (3 x 5 mm.) kleiner is. Bovendien telt die minder bladzijden (704, tweede druk 800) en foto’s (450, tweede druk 515). Ben ik nou compleet? Uuhh, nou nee… Er is nog de XXL-editie maar die is onbetaalbaar.

Ach... dat was slechts 'bijvangst'. Ter Gouw moest compleet!
Op zoek naar een losse euro voor de garderobelocker vond ik de laatste twee abrikoosjes. Met malende kaken en licht borrelende darmen besteeg ik de trappen naar de Kaartenzaal.


vrijdag 14 augustus 2015

Auteursexemplaar


Alweer ruim vier jaar geleden, in mei 2011, kocht ik op een zondagse boekenmarkt een boekje getiteld: “Verspreide bijdragen van F.W. Conrad” (’s-Gravenhage/Amsterdam, 1849). Ik kocht die dag meer boekjes en schreef er een stukje over op dit weblog dat u hier kunt lezen.

Het heeft sindsdien wat verloren gestaan tussen mijn andere boeken in de kast met ‘old & rare’. Pas toen ik het onlangs weer eens bekeek vroeg ik mij af wat er bekend was van de schrijver Frederik Willem Conrad (1800-1870) en of die curieuze vermelding voorin - ‘Conrad’ - werkelijk zijn handtekening was en ik dus het auteursexemplaar van deze zeldzame uitgave in handen had.


Frederik Willem Conrad was een waterstaatkundig ingenieur. Zijn gelijknamige vader (1769-1808) was dat ook al. Op waterstaatkundig gebied genoot senior grote faam evenals de man die hij destijds was opgevolgd en slechts kort overleefde; Christaan Brunings (1736-1805). Conrad werd bij Brunings begraven in één graf in de Grote of Sint Bavokerk in Haarlem dat in 2014 werd gerestaureerd.


Frederik Willem Conrad junior, de auteur van mijn boekje, wordt tegenwoordig meer geëerd als spoorwegpionier dan als waterstaatkundige. Zo werd er in 2014 naar aanleiding van het 175 jarig bestaan van de spoorwegen in Nederland nog een tentoonstelling aan hem gewijd als wegbereider van de eerste spoorlijn in Nederland, ontwerper van talloze spoorbruggen en bouwer van stations.
In Amsterdam leeft zijn naam voort in de Conradstraat (Oostelijke Eilanden) lees ik bij Wikipedia. Dat kan, want die werd rond 1880 gebouwd (uitbreidingsplan Kalff).
Het is echter in tegenspraak met wat ik lees in mijn "Gids voor schoolwandelingen door Amsterdam en omstreken" (Amsterdam, 1898). Daarin staat dat de vader de naamgever is. Hoe dan ook, het nieuwe Conradhuis onderdeel van de Amstelcampus van de Hogeschool van Amsterdam is vernoemd naar junior. Het staat op de plek waar in het verleden het Amsterdamse Weesperpoortstation stond.

Van vrijwel geen ander waterstaatkundig ingenieur werden in zijn tijd zoveel brochures en verhandelingen gedrukt als van Conrad junior. Daarmee toonde hij zich primus inter pares onder zijn soortgenoten. Zijn 'verspreide bijdragen' bevat uitsluitend stukjes over waterstaatkundige aangelegenheden. In het voorbericht lezen we:
In vorige jaren heb ik eenige Aanteekeningen gemaakt, meestal betrekking hebbende tot de Geschiedenis van den Waterstaat dezer Landen, die nu en dan in eenige onze tijdschriften werden opgenomen.
Het is de verzameling dezer Aanteekeningen, die hier met enkele veranderingen en bijvoegingen onder den naam van ‘verspreide Bijdragen’ worden uitgegeven.
Zij maken op niets meer aanspraak dan op den wensch, dat daarin een of ander moge gevonden worden, dat te eeniger tijd, tot de zamenstelling van een volledig werk over de geschiedenis van den Waterstaat der Nederlanden, dienstig zou kunnen zijn”.


Conrads waterstaatkundige aspiraties en bemoeienissen beperkten zich niet uitsluitend tot Nederland. Eén van de bijdragen – geschreven in de dertiger jaren van de negentiende eeuw - is getiteld: “Nota over de doorgraving van de landengte van Panama” waarin hij tot de conclusie komt dat een verbinding tussen de Atlantische Oceaan en de Stille Oceaan het best kan plaatsvinden bij het meer van Nicaragua.
De aanleg van het Panamakanaal vond uiteindelijk pas ruim na zijn dood plaats en op een andere plek.
Daaruit mogen we echter niet de conclusie trekken dat Conrad internationaal niet meetelde op waterstaatkundig gebied.
Integendeel, want van 1858 tot 1865 vertegenwoordigde hij de onderkoning van Egypte bij die andere waterstaatkundige wereldklus van formaat; de aanleg van het Suezkanaal.
De plechtige opening daarvan in december 1869 maakte hij nog mee. Op de terugreis naar Nederland overleed hij onverwachts in zijn hotel in München.


Terug naar mijn boekje. Het heeft een roodleren rug met in goud de titel. De platten zijn met oranjerood linnen (in ‘patterned-sand’ structuur) bekleed. Aan de binnenzijde zijn de platten voor en achter afgewerkt met een vel blauw bakmarmer. Op de achterzijde van het voorplat in de linkeronderhoek is het boekhandeletiket geplakt van ‘De Gebroeders van Cleef’ (Spui 28, ’s-Gravenhage). Zij zijn tevens de uitgever van deze publicatie.
Ongetwijfeld hebben zij dit exemplaar aangeboden aan de auteur, die op de titelpagina trots ‘Conrad’ schreef. Maar hoe weet ik zo zeker dat het inderdaad de handtekening is van deze beroemde waterstaatkundig ingenieur?


In eerste instantie dacht ik aan een archiefbezoek om de handtekening op originele stukken te vergelijken met de signatuur in mijn boekje. Zo heb ik al eens eerder een positieve identificatie verkregen, zoals u hier kunt lezen. Uiteindelijk bleek dat niet nodig.

Bij het schrijven van mijn stukjes maak ik vaak dankbaar gebruik van diverse internetsites. Een aantal (door mij vaak geraadpleegde) is opgenomen onder ‘bibliofiele links’ rechts. Talloze anderen zijn in de lopende tekst verwerkt als hyperlink.
Het lithografisch portret van Conrad (door J.P. Berghaus) vond ik op de website van de RKD-Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis. Wie het portret daar bekijkt ziet niet meteen alles!
In de beschrijving (rechts) lezen we namelijk: “origineel handschrift van de voorgestelde op een uitgeknipt stuk papier op de prent geplakt”. Pas als je op de afbeelding klikt zie je ook dat. Onderaan staan twee handtekeningen van Conrad!


Een officiële ‘F.W. Conrad’, meegedrukt met de lithografie en links op een stuk papier de originele dagelijkse signatuur van 'de Hoofdinspecteur v.d.W(aterstaat) Conrad’.
Geen twijfel meer mogelijk…

zaterdag 1 augustus 2015

Curiositeiten van allerlei aard (deel 3)


In het eerste deel van “Curiositeiten van allerlei aard” heb ik wat informatie gegeven over de uitgever van deze serie boekjes, de Amsterdamse firma R.C. Meijer, c.q. R.C. d‘Ablaing van Giessenburg (1826-1904).
Deel twee ging over de verschijningsvorm van de serie en de opbouw van de verzamelbundels, die vaak aanleiding geeft tot verwarring. In dit derde en laatste deel wil ik proberen een indruk te geven van de inhoud van de boekjes (ook al heb ik de serie niet compleet).

Bewijzen kan ik het niet, maar volgens mij moet d’Ablaing geïnspireerd zijn geweest door een Frans voorbeeld dat nog geen dertig jaar tevoren was verschenen onder de titel: “Bibliothèque de Poche. Variétés curieuses et amusantes des sciences, des lettres et des arts” (Paris, 1845-1855).
De opzet daarvan is vrijwel identiek aan “Curiositeiten van allerlei aard” en het zou me dan ook niet verbazen als er ook inhoudelijke overeenkomsten zijn


Dankzij Van Nuys weten we dat d’Ablaing zelf al vroeg was begonnen met verzamelen van anekdotes. Daarnaast ontving d’Ablaing bijdragen van derden zoals Van Nuys evenals van de ‘avontuurlijke’ – en spoorloos verdwenen - journalist C.N.A. Strik van Ratingen (1849-1899?). Ook waren er ingezonden bijdragen van lezers die gehoor gaven aan d’Ablaings oproep daartoe.
Het gros van de bijdragen echter werd overgenomen uit allerlei kranten, periodieken en boeken. Een enkele bijdrage is in een andere taal.
d’Ablaings uitgave is feitelijk een hele grote verzameling anekdoten of ‘petites histoires’ uit de Europese geschiedenis met de nadruk op Frankrijk en Engeland. Dat blijkt vooral uit de boekjes waarin historische personen worden belicht zoals in:

Geheimzinnige Personen” (“Curiositeiten van allerlei aard”, nr. 8/9) met :

- De Graaf van Moret (Anthonie de Bourbon-Bueil Graaf van Moret, 1607-1632),
- De geheimzinnige bewoners van het kasteel van Eishausen (over de ‘Dunkelgraf‘ en ‘Dunkelgräfin‘),
- Brisacier (beweerde een buitenechtelijk zoon te zijn van de Poolse Koning Jan III Sobieski, 1629-1696),
- Kaspar Hauser (1812-1833),
- Ridder d’Eon (Charles-Geneviève-Louis-Auguste-André-Timothée d'Eon de Beaumont, 1728-1810).

En: “Rare Snaken” (“Curiositeiten van allerlei aard”, nr. 32/33) met:

- De markies De Brunoy (Jean Pâris de Monmartel, 1690-1766),
- Mr. Stukeley (William Stukeley, 1687-1765),
- Mr. Tallis (John Tallis, ca. 1676-na 1753),
- Mylord Arsouille (Lord Henry Seymour, 1805-1859),
- Rosambeau (Louis Antoine Minet de Rosambeau, 1779-1843).

Kennelijk vond d’Ablaing geen geheimzinnige personen of rare snaken van Nederlandse makelij!
Dwergen daarentegen wel. Zowel Simon Jane Paap (1789-1828) als Jan Hannema
(1839-1878) alias admiraal Tom Pouce komen we tegen in: “Dwergen” (“Curiositeiten van allerlei aard”, nr. 35/36). Daarnaast vertelt hij over ‘Klein Jannetje’ uit Waddinxveen gehuwd met ‘Lange Jacob’ uit Sneek (J. Kok: “Vaderlandsch Woordenboek”deel 29, blz. 204), Wybrand Lolkes (1733-1801), Kasper Ludwig en Wilhelmus Hozemans uit Oisterwijk (over de laatste twee vond ik geen nadere informatie).


In “Hofnarren” (“Curiositeiten van allerlei aard”, nr. 41/42) gaat het vooral over de narren aan het Franse, Engelse en Russische hof. Slechts een halve bladzijde (85) is gereserveerd voor de nar van Prins Maurits (1567-1625) met een bronverwijzing naar de boeken van Friedrich Nick: “Die Hof- und Volks-Narren, sammt den närrischen Lustbarkeiten der verschiedenen Stände aller Völker und Zeiten. Aus Flögels Schriften und andern Quellen”. Stuttgart, 1861, 2 delen, deel 1, blz. 488).

d’Ablaings’ negentiende eeuw is in de serie ruim vertegenwoordigd. Aardig is het deeltje “Oud Nieuws” (“Curiositeiten van allerlei aard”, nr. 43/44). Daarin komen verschillende ‘moderne’ uitvindingen aan de orde die soms al eeuwen oud zijn.
Zo lezen we verhaaltjes over: Luchtdruk als bewegingskracht, Stoomkracht, Rader- en schroefboten, Stoomboten, Het Kompas, Spoorwegen, Gemacadamiseerde wegen, Bruggen, Wagens door werktuigen in beweging te brengen, Stoomwagens, Wegmeters (Odometers), Luchtballons, De Parachute, Duikerklokken en –kleeding, De Scaphander, Gas tot luchtverversching, Tunnels onder water, De electriciteit, De Bliksemafleider, De Electrische Telegraaf, De Electrische Verlichting, De Gasverlichting, Petroleumverlichting, Asphalt als bouwmateriaal, Vergrootglazen, Verrekijkers, De Stereoskoop, Spreekbuizen, Mijnwezen.


Het gaat te ver om alle boekjes tot in detail te fileren dus tot slot nog wat losse curieuze waarnemingen.
Geen van boekjes is geïllustreerd. Enigszins figuratief is de bijdrage “Letterkundige kunststukjes – Poezie” (“Curiositeiten van allerlei aard”, nr. 18/19) met versjes in het Frans en Nederlands in de vorm van wijnflessen, wijnglazen en een palmboom!
In nummer 3: “Curieuse documenten” staat een bijdrage (“Een vreemdsoortig huwelijkskontrakt”) per abuis twee keer (blz. 16 en 42).
In nummer 10: “Flaters in en over boeken” (blz. 4-6) gaat d’Ablaing in op de identiteit van ‘Fancy’ in de door hem zelf uitgegeven: “Minnebrieven” (Amsterdam, 1866) van Multatuli.


In “Zonderlinge testamenten” (nr. 11) ontbreekt een verwijzing naar het zonderlinge testament van Franse dorpspastoor Jean Meslier (1664-1729). De beste en antiquarisch meest gezochte uitgave daarvan - in drie delen - werd door d’Ablaing zelf uitgegeven onder de titel: “Le Testament de Jean Meslier” (Amsterdam, 1860-1864).
Met deze uitgave wordt op de achterkant van boekje nummer 14 geadverteerd.
Nummer 27: “Grote gevolgen van kleine oorzaken” is het enige deeltje (van de exemplaren die ik bezit) met een inhoudsopgave.

Hoe is de stand van zaken in mijn bibliotheek?
Welnu, momenteel heb ik 24 van de 32 genummerde boekjes (themanummers) en 21 van de 26 verzamelbundels. Ter vergelijking; bij medebibliofiel Ed Schilders staan 27 boekjes en 4 verzamelbundels.

De jacht is nog niet ten einde…