Tabbladen

donderdag 16 december 2010

Vertel Muze, vertel...


"We certainly do not try to write medieval French history from the ‘Song of Roland’, or medieval German history from the ‘Nibelungenlied’. Why should we make an exception of Homer’s Trojan War?".

Aldus de historicus sir M.I. Finley (1912-1986), in zijn essay “Lost. The Trojan War". Finley schreef een hele reeks goed leesbare boeken over de Griekse oudheid waarvan ik er diverse heb verslonden.
Mijn belangstelling voor zijn boeken, Troje en de Griekse oudheid hield ik over aan mijn reizen door Griekenland, als geschiedenisstudent, begin jaren tachtig van de vorige eeuw.
Twee achtereenvolgende zomervakanties trok ik met vriendin, rugzak, retsina, olijven en feta langs de meest bekende archeologische plaatsen over de Peloponnesos (en Kreta). Vooral Mycene met haar cyclopische muren en beroemde leeuwenpoort maakte grote indruk. De duistere Griekse bronstijd (van ca. 2700 tot 1100 voor Christus), de tijd der helden, is mij sindsdien blijven boeien.
Op elke plek was wel een museum of toeristisch informatiepunt, waar fraaie fotogidsen werden verkocht en deze bevinden zich nog steeds in mijn collectie. Ook kocht ik destijds in Athene het lijvige boekwerk “The Greek Museums” (Athene, 1975). Natuurlijk wel de dag voor de terugreis, want een gesjouw was het wel met een rugzak die van 20 naar ruim 25 kilo groeide en waarin de souvenirs zich ophoopten boven een groeiende stapel vuil wasgoed.


Het citaat van Finley over de Trojaanse oorlog draait om zijn constatering dat er zo weinig feitelijke grond is, laat staan archeologisch bewijs, voor de gebeurtenis die Homerus beschreef. Diens Ilias en Odyssee moeten volgens Finley vooral worden beschouwd als een literair heldenepos, niet meer en niet minder. Dat mag dan zo zijn, feit blijft dat juist het geloof in een historische werkelijkheid er voor zorgde dat Heinrich Schliemann (1822-1890), de Turkse heuvel Hissarlik nabij de Bosporus in 1873 identificeerde als het legendarische Troje (Ilios).
Schliemann’s opgravingen behoren tot de beroemdste uit de geschiedenis van de archeologie.
Beroemd om wat hij vond, want de manier waarop hij te werk ging was allesbehalve archeologisch. Zo werden ‘rücksichtslos’ alle bewoningslagen (waaronder de Romeinse en laat Griekse) die volgens Schliemann niet interessant waren of niet pasten in het verhaal van Homerus verwijderd. Tevreden was hij pas toen hij de resten vond van cyclopisch muurwerk en niet veel later een grote hoeveelheid gouden en zilveren voorwerpen. Aan wie anders dan aan de legendarische Trojaanse vorst Priamus kon deze rijkdom hebben toebehoord?
Schliemann mag dan vele fouten hebben gemaakt daar staat tegenover dat hij ook opzienbarende vondsten deed. Maar weinig archeologen twijfelen er tegenwoordig nog aan of de stad die hij opgroef is het Troje uit het verhaal van Homerus. Daarentegen gelooft er geen één dat de stad door de Grieken tien jaar werd belegerd omwille van een ontvoerde prinses!


Schliemann heeft veel gepubliceerd over zijn opgravingen in en om Troje. Kostbaar en antiquarisch onvindbaar is zijn eerste grote uitgave: “Atlas trojanischer Alterthümer. Photographische Abbildungen zu dem Bericht über die Ausgrabungen in Troja von Dr. Heinrich Schliemann. 218 photographirte Tafeln mit erklärendem Text” (Leipzig, 1874).
De kwaliteit van de grote foto’s was wisselend en Schliemann was zo ontevreden dat hij voor zijn volgende uitgaven weer houtgravures liet maken naar fotovoorbeelden. Een jaar later publiceerde hij de eerste van drie boeken over zijn Trojaanse avontuur.
Deze verscheen, net als de volgende twee, in verschillende edities in Engeland, Duitsland, Frankrijk en Amerika. Toen ik een paar jaar geleden op zoek ging naar Schliemann’s boeken over Troje besloot ik te gaan voor de Engelse uitgaven.
Deze verschenen bij de bekende Londense uitgever John Murray, die ook het werk van Charles Darwin uitgaf. In volgorde van verschijningsjaar zijn het:


1875. “Troy and its Remains: A narrative of researches and discoveries made on the site of Ilium, and in the Trojan Plain”. Het boek bevat 500 afbeeldingen van opgegraven objecten naast verschillende kaarten en plattegronden.

1880. “Ilios. The city and country of the Trojans: the results of researches and discoveries on the site of Troy and throughout the Troad in years 1871-72-73-78-79. Including an autobiography of the author”. Deze prachtuitgave bevat kaarten, plattegronden en maarliefst 1800 illustraties van vooral vondsten. Veel daarvan waren al eerder gepubliceerd in zijn “Troy and its Remains”.

1884.”Troja. Results of the latest researches and discoveries on the site of Homer’s Troy and in the heroic tumuli and other sites, made in the year 1882”.
Hierin zitten ‘slechts’ 150 afbeeldingen en een paar plattegronden.


In antiquarisch Nederland worden deze uitgaven vrijwel niet aangeboden, dus ik zocht en vond mijn exemplaren in Engeland en Amerika. Over het algemeen ging de verzending zonder problemen al heeft de douane één keer een pakket opengemaakt en moest ik invoerrechten betalen. Dat laatste vond ik overigens minder erg dan de gedachte aan een onbekende die weinig respectvol aan mijn kostbare boek had gezeten.
Vervolgens heb ik enige tijd gezocht naar de uitgave van Hubert Schmidt: “Heinrich Schliemann’s sammlung trojanischer Altertümer. Beschrieben von Hubert Schmidt” (Königliche Museen zu Berlin. Herausgegeben von der General-Verwaltung, Berlin 1902). Dit was de eerste uitvoerige vondstcatalogus met een beschrijving van bijna 10.000 objecten (1176 afbeeldingen) die Schliemann had opgegraven tijdens zijn Troje campagnes en in 1881 aan de stad Berlijn schonk.


Bijna zestig jaar lang lag deze archeologische topattracties in Berlijn tentoongesteld. Door de dreigende oorlog belandde de collectie, inclusief de ‘schat van Priamus’, in 1937 in een reusachtige 'Flakturm'-bunker bij de Berlijnse Zoo. Na de oorlog was de in kratten verpakte collectie verdwenen. De Russische autoriteiten ontkenden het bezit ervan en het Westen verkeerde lange tijd in de veronderstelling dat de beroemde collectie verloren was gegaan.
Alleen foto's en de uitgebreide documentatie van Schmidt waren over. Diens catalogus werd zo een belangrijke bron voor wetenschappelijk onderzoek naar de vondsten en de geschiedenis van Troje. Tot 1991...


Toen maakten de Russische kunsthistorici Grigorii Kozlov en Konstantin Akinsha bekend dat zij de beroemde collectie, in hun originele kratten, hadden teruggevonden in de kelders van het Poesjkin museum in Moskou. Pas twee jaar later bevestigden ook de Russische autoriteiten de vondst en sinds april 1996 worden enkele honderden objecten daar weer tentoongesteld.
Misschien ga ik er nog eens kijken, maar dan zonder rugzak.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten