Tabbladen

maandag 27 februari 2012

Kringloop

In de Haagse kringloopwinkel die ik vroeger in de lunchpauze passeerde stonden, voor zover ik mij kan herinneren, helemaal geen boeken. Wel afgeschreven apparaten, oude kleren, meubels en massa’s prularia die ik niet zou willen meenemen, zelfs al kreeg ik geld toe. Voor boeken, laat staan goede boeken, moet je niet bij de kringloop wezen, dacht ik, maar twee weken geleden ontdekte ik een verrassende uitzondering (?) op deze regel; het kringloopfiliaal in mijn woonplaats.

In de verwachting daar een verloren plankje pockets aan te treffen belandde ik in een aparte hoek met een stuk of vijftien boekenkasten, drie vitrines en een leestafel. Vooral de hoeveelheid, menige dorpsbibliotheek zou er jaloers op zijn, verraste me.

Toegegeven, het merendeel van de planken was/is gevuld met weinig zachtzinnig behandelde scheefgelezen pockets en populaire drukwerk al la ‘Lecturama’,
Bouquetreeks’ en ‘Readers Digest’.
Daartussen echter stonden, als krenten in de boekenpap, diverse gebonden uitgaven (met stofomslag) voor onwaarschijnlijk lage prijzen.
Ze werden zonder enige aarzeling door mij in beslag genomen. Bij de kassa pinde ik tweeëntwintig euro en in ruil daarvoor verliet ik het pand met de volgende vijf uitgaven:

-        Roots. Wij zwarten” (Bussum, 1979), het bekende boek van Alex Haley (1921-1992) voor één euro. Een vergelijkbaar exemplaar op boekwinkeltjes kost twaalf euro vijftig. Het boek heb ik nooit gelezen maar ik herinner me nog goed hoe ik, alweer vijfendertig jaar geleden, aan de buis gekluisterd de avonturen volgde van Kunta Kinte en ‘Chicken George’ in de gelijknamige TV-serie.

-        De blikken trommel” (Amsterdam, 1988), behoort tot de belangrijkste boeken uit de wereldliteratuur en is het magnum opus van Nobelprijswinnaar Günter Grass. In 1979 al even magistraal verfilmd en goed voor een Gouden Palm en Oscar voor beste buitenlandse film. Prijs: één euro vijftig.
Een vergelijkbaar exemplaar zag ik elders voor vijftien euro.


-        De slinger van Foucault” (Amsterdam, 2001) van Umberto Eco voor één euro vijftig. Kost je in een antiquariaat al gauw twaalf euro. Daarnaast stond:

-        Het labyrint van de wereld. Leven en werk van Umberto Eco” (Amsterdam, 1999) geschreven door Daniel Salvatore Schiffer. De eerste biografie over Eco en de enige niet gebonden uitgave in het stapeltje aanwinsten, voor twee euro. Het goedkoopste exemplaar dat ik op boekwinkeltjes vond kost zes euro. Tot slot nog een ‘duur’ boek uit een van de vitrinekasten:

-        Kleipijpen. Drie eeuwen Nederlandse kleipijpen in foto’s” (Amstelveen, 1986), voor zestien euro. Bij antiquariaat Kok in Amsterdam te koop voor dertig euro.
Als jochie van tien bezat ik een ruime collectie kleipijpjes die ik vond tijdens mijn archeologische zwerftochten over de verlaten dijklichamen waarover thans, veertig jaar later, de snelweg A10 zuid en de Amsterdamse Zuidas zich uitstrekt. Zoals u op de foto kunt zien heb ik twee bijzondere 18de eeuwse exemplaren al die jaren bewaard.

Heeft u even meegeteld? Totale besparing ruim vijftig euro!

Grappig waren de merkwaardige prijsverschillen die ik meerdere malen constateerde. Soms bleek dezelfde titel, mooi ingebonden met stofomslag, goedkoper te zijn dan het boek als beduimelde pocketuitgave een plank verder. Volgens mij ondergaan de boeken bij binnenkomst een grove selectie in ‘gewoon’ (het merendeel) en ‘bijzonder’ (naar inzicht van de desbetreffende medewerker).
De laatste categorie, waartoe het bovengenoemde boek over kleipijpen behoort, zal vervolgens wel even aan de hand van internet worden gecheckt.


Boeken van voor 1900 ben ik er (nog) niet tegengekomen maar daarentegen is de kans op een ‘modern first’ met stofomslag voor veel te weinig geld erg groot. Voorlopig ligt mijn nachtkastje weer vol en mochten ze tegenvallen dan verkoop ik ze met winst weer aan De Slegte. Kijk; dat noem ik nou kringloop!

maandag 20 februari 2012

Livres rares et curieux


Het vroor en was snijdend koud op het Waterlooplein toen ik de boekenstal van Jos Albers binnenliep. Een oude man, dik ingepakt, enigszins sjofel gekleed passeerde mij. Geen twijfel mogelijk; Louis Putman! Putman leerde ik bijna dertig jaar geleden kennen. Onafscheidelijk van zijn strooien hoed, vlinderdasje en colbert zag ik hem vaak fietsen door Amsterdam.
Inmiddels is hij uitgefietst maar snuffelen bij boekenkramen doet hij kennelijk nog wel.
U weet wel ‘old antiquarians never die, they just fade away’.

Binnen onder de toonbank stonden vier vuilniszakken. Niet door Putman gebracht maar wel afkomstig uit zijn antiquariaat (Rusland 29), waar bezoekers nooit verder kwamen dan het propperige winkelgedeelte en waar ik enorme voorraden zeldzaamheden vermoedde verborgen in oneindige opslagruimten erachter. Dat Putman opruimt was mij wel bekend. Geruime tijd geleden had Jos aangekondigd dat hij het een en ander verwachtte en toen ik niet lang daarna twee boekjes afhaalde bij antiquariaat Boek en Glas sprak ik er over met Conchita. Zij is alweer zes jaar bezig om orde te scheppen in Putman’s boekenwereld.

Samen met een paar andere aasgieren wierp ik me op de vuilniszakken. Dure of bijzondere boeken waren niet te verwachten. Putman stond staat vooral bekend om zijn gekke pamfletjes, bijzondere foldertjes en meer van dat soort efemere rariora. Uit de derde zak viste ik een oude catalogus (nr. 396): “Livres rares et curieux. Catalogue de livres anciens en vente aux prix marqués chez Martinus Nijhoff, la Haye – Lange Voorhout 9.


Acht losse deeltjes, compleet met supplement, 377 pagina’s. Jos vroeg en kreeg er tweeënhalve euro voor. Het eerste deeltje was tweemaal met potlood geprijsd. Eerst aan de binnenzijde voor ƒ 75,- en later op de voorkant; ‘acht dln. compleet, ƒ 50,-‘.


Wat kost zo iets nu? Op internet vond ik na enig gezoek dezelfde catalogus bij een Duits antiquariaat. Helaas niet compleet (het laatste, 8ste deeltje met supplement ontbrak) voor dertig euro.

Het is de tweede, en oudste, catalogus in mijn collectie van dit befaamde antiquariaat.
Er staat geen jaar van uitgave op maar dat zal rond 1915 zijn geweest.
Op de achterzijde van alle acht deeltjes staat het fraaie pand aan het Lange Voorhout in Den Haag, dat speciaal voor de firma werd gebouwd en in oktober 1910 werd betrokken.
Op de voorzijde staat nog niet het bekende uitgeversmerk met de spreuk: “Alles komt teregt” dat vanaf ongeveer 1920 op alle Nijhoff uitgaven is te vinden (zoals op mijn andere Nijhoffcatalogus uit 1932).
Over dat merk schreef Bert van Selm (1945-1991) overigens een leuk boekje: “Alles komt teregt”, dat in 1991 als Koppermaandag uitgave verscheen bij De Ammoniet in een oplage van 450 exemplaren.
Afgelopen week heb ik de acht deeltjes, inclusief de omslagen, laten inbinden. Dat maakt het bladeren en doorlezen een stuk gemakkelijker.
Heerlijk en tegelijkertijd frustrerend om te zien welke zeldzaamheden er toen nog te koop waren en voor welke (met hedendaagse ogen) belachelijk lage prijzen. Kleine troost; zelfs al zou je over ruime financiële middelen beschikken dan nog is het merendeel van de aangeboden 'livres rares et curieux' nu niet meer te koop.

Eén van de ‘highlights’ is ongetwijfeld nummer 224. “Bartholomaeus Engelsman: Boeck van den Proprieteyten der Dinghen” (Haarlem, 1485), “Très bel ex. bien complet, grand de marges, dans une ancienne reliure monastique”, te koop voor vijftienhonderd gulden. Overigens ook één van de hoogtepunt in het net verschenen boek van Mathieu Lommen: “Het boek van het gedrukte boek: een visuele geschiedenis” (Amsterdam, 2011) en afgebeeld in het NRC van 10 februari jl. (boekbespreking van Maartje Somers). Nee..., dat nietje zit niet in het boek!


Met twee catalogi van dezelfde firma, waartussen ongeveer twintig jaar zit is het ook interessant om eens te kijken naar de prijsstijging vóór de Tweede Wereldoorlog.
Zo wordt in de oudste catalogus een exemplaar aangeboden van de Latijnse uitgave van de Apologie van Prins Willem van Oranje uit 1581 (Knuttel 563) voor tien gulden. Datzelfde boekje kostte zo’n twintig jaar later bij Nijhoff vijfenzeventig gulden.
Een Nederlandse editie (Knuttel 558) kostte respectievelijk zeven gulden vijftig cent, later vijftien gulden en een Franse editie (Knuttel 555) had je rond 1915 al voor twaalf gulden en in 1932 voor honderd gulden.
Als we de ‘prijzen van toen’ even omrekenen naar hedendaagse bedragen dan ziet het plaatje er voor de Nederlandse editie als volgt uit:
7,50 gulden (1915) is nu € 60,43
15,00 gulden (1932) is nu € 124,86
Tussen (ca.) 1915 en 1932, verdubbelde de vraagprijs.

Sindsdien zijn tachtig jaar verstreken en is de prijs vertienvoudigd. Wie interesse heeft kan anno 2012 voor € 1250,- euro een exemplaar aanschaffen bij antiquariaat Matthys de Jongh in Zutphen. Voor dat bedrag, in 1915 gelijk aan honderd vijfenveertig ouderwetse guldentjes, had ik graag even willen shoppen bij Martinus Nijhoff!

maandag 13 februari 2012

Regels zijn regels


Onlangs kwam ik in het bezit van het “Reglement rakende de bestieringe en bewooninge van het gebouw, gestigt door ordre en uyt de erffenisse van den Ed. Heere Jan Corver, en Vrouwe Sara Maria Trip, Onder het Opzigt der Diaconen van de Waare Gereformeerde Nederduytsche Gemeente dezer Stad” (Amsterdam, 1729).
Het is een veertien bladzijden tellend pamfletje, zonder omslag, waarvan volgens de STCN drie varianten, alle drie uit 1729, bestaan. Mijn exemplaar is identiek aan deze.

De op het titelblad vermelde drukker en boekverkoper, Sebastianus van Almeloveen, was ook ‘suppoost der Diaconen’ bij de Nederduits Gereformeerde Kerk (later Nederlands Hervormde kerk).
Er zijn slecht twee andere uitgaven van hem bekend. Beiden zijn reglementen en ordonnantiën voor instellingen van de diaconie waarvan er één in 1721 en de ander (samen met mijn reglement) in 1729 werd uitgegeven en die alle drie verschillende herdrukken beleefden.
Drukwerk dus uitsluitend voor de diaconie en bedoeld voor leden van de kerkenraad, diakenen en functionarissen van deze instellingen.
Merkwaardig is dat hij slechts in twee jaren produceerde, temeer omdat al op 20 juli 1723 het besluit was genomen om het reglement van het Corvershof, totaal dertien artikelen, in druk te doen uitgeven. Waarom dat uiteindelijk pas zes jaar later gebeurde blijft een raadsel.

Het Corvershof in Amsterdam was een tehuis voor arme bejaarde lidmaten van de Nederduits Gereformeerde Kerk, gebouwd tussen 1721 en 1723 en gefinancierd met een legaat van het jonggestorven echtpaar Joan Corver (1688-1719) gehuwd met Sara Maria Trip (1693-1721).
Het monumentale gebouw doet in het geheel niet denken aan een hofje, zoals het toeristisch drukbezochte Amsterdamse Begijnhof, en is één van de vele hofjes die Amsterdam rijk is.

Sinds 1976 wonen er geen bejaarden meer in dit Rijksmonument dat ligt aan de Nieuwe Herengracht 6-18.
Er naast, om de hoek aan de Amstel, ligt een andere voormalige diaconale instelling van de Nederduits Gereformeerde Kerk; het ‘Besjeshuis’ (gebouwd in 1683) voor ouden van dagen en zieken (thans museum Hermitage Amsterdam).
Op de statige voorgevel van Corvershof vlak boven de ingang staat het volgende gedicht:
Zo weldoen dank verdiend en arme zorg belooning
Druipt Corvers naam en Trips op ijeders tong als honing
Door wiens geschenk en wil dit Godshuis is gebouwt
Dat met haar wapens pronkt hun naam onsterflijk houdt

Oorspronkelijk luidde de tweede regel: “Druipt Trip en Corvers naam op ijeders tong als honing”, maar in de achttiende eeuw was de man nou eenmaal hoofd van het gezin. Corver’s naam, zo vonden de diakenen, moest dus als eerste worden genoemd en daarom werd het gedicht verbeterd aangepast.

Over Corvershof werd voor het eerst uitvoerig geschreven door de Amsterdamse stadshistoricus Jan Wagenaar (1709-1793) in zijn bekende geschiedschrijving over Amsterdam.
Het unieke element van Corvershof wordt bij hem al in de eerste twee regels duidelijk: “De Diaconie hadt nu een Weeshuis en een Oude- Vrouwen- en Mannen-Huis. Doch alzo, in dit laatste, alleenlyk, ongehuwden van de eene en de andere kunne, afzonderlyk van elkanderen, konden gehuisvest worden, werdt de Godsvrugt en Liefdaadigheid van een treffelyk paar gehuwden hier ter Stede bewoogen, om eene aanzienlyke somme te schikken, tot het stigten van een Godshuis, waarin ook oude en behoeftige Egtgenooten zouden konnen geplaatst worden” (deel twee, blz. 330-331).

Samen oud worden, thans heel gewoon, werd dus voor het eerst mogelijk in Corvershof. Deze achttiende eeuwse idylle had echter ook een keerzijde in de vorm van artikel zeven van het reglement: “Als Man of Vrouw komt te Sterven, zoo zal de Langst-levende aanstonds in het Diaconie Oude Mannen of Oude Vrouwen-huys geplaast worden, en der zelver Wooning vacant verklaart”.

Dat het hier geen loos dreigement betrof kunnen we lezen bij de bekende Amsterdamse dagboekschrijver Jacob Bicker Raye (1703-1777). Op 15 januari 1766 noteerde hij: “De oude Marike, de huisvrouw van Dominicus, de gewezen schoonmaakster van mevrouw Raye, was, toen ze te oud en stram was om te werken, met haar man in het Corvershofje geplaatst.
Ze hadden het daar uitstekend, maar toen Marike overleden was, mocht haar echtgenoot er niet blijven en werd naar ’t Besjeshuis gezonden, om daar zijn dagen te eindigen
”. Regels zijn regels!

maandag 6 februari 2012

Vaag boekje

Toen ik een tijdje geleden in Amsterdam langs de tweedehands boekenmarkt wandelde viel mijn oog op een oud-ogend boekje. Het leek op mij te wachten, dus kocht ik het”.
Dat overkwam mij drie weken geleden ook en het ging nota bene om hetzelfde boekje: “Paracelsus. De doolhof der geneesleer (labyrinthus medicorum)”, uitgegeven in 1913 te Amsterdam door de N.V. Theosofische Uitgevers-Maatschappij, als eerste deel in de serie
Klassieken van het occultisme”.

Normaal gesproken zou ik het hebben laten liggen (‘Theosofie = Vaag’) maar dit exemplaar (“kost je vijf euro”) was gebonden in een luxe perkamenten bandje met goud bewerkt, gemarmerde schutbladen en rondom goud op snee. Nogal ongewoon dus en ik vroeg mij af wat de reden voor deze luxe kon zijn geweest. Op het titelblad staat met potlood ‘A. v.d. Vijsel, Den Dolder’.
Dezelfde persoon heeft het boekje ook gesigneerd, als bij een brief, direct onder het op 21 juli 1912 te Amsterdam geschreven voorwoord. Waarom daar?

Wat zoeken op internet leverde in Den Dolder (provincie Utrecht) ene Adriaan van de Vijsel op die in 1917 een kruidentuin vestigde tussen de spoorlijn, Dolderseweg, Baarnseweg en Paltzerweg. Adriaan werd in 1877 in Amsterdam geboren en overleed in 1976 in Den Dolder.
In het jaar dat hij met zijn kruidentuin begon trouwde hij in Zeist met de uit Baarn afkomstige Edith Apeldoorn. Adriaan had veel verstand van geneeskrachtige kruiden en was destijds redelijk bekend al haalde hij nooit de aandacht die later kruidenvrouw ‘Klazien uut Zalk’ ten deel zou vallen. Hij hield diverse lezingen over kruiden en bezat ook een redelijk grote bibliotheek over dit onderwerp. Veel meer is er over hem niet te vinden en die informatieschaarste geldt ook voor dit curieuze boekje.


Het is de eerste vertaling in modern Nederlands van “Labyrinthus Medicorum Errantium” (geschreven in 1538) door Philippus Aureolus Theophrastus Bombastus von Hohenheim, een controversieel arts, theoloog en alchemist, beter bekend als Paracelsus (1493 of 1494-1541). De verschijning ervan in 1913 ging niet geheel onopgemerkt voorbij. Een jaar later schreef Henri Wilhelm Philippus Elize van den Bergh van Eysinga (1868-1920) een recensie waarin hij ook schreef waarom deze uitgave werd opgenomen in de serie “Klassieken van het occultisme”. Wie echter andere delen uit deze serie zoekt komt tot de verrassende ontdekking dat die niet bestaan. Het bleef kennelijk bij dit ene deel. Waarom? 

De oplage was vermoedelijk zeer beperkt. Er bevind zich geen enkel exemplaar in de Koninklijke Bibliotheek en ook antiquarisch wordt het niet aangeboden.
Uiteraard beschikt de Theosofische Vereniging in Nederland over drie exemplaren. Die zullen er al vanaf 1913 staan want hun bibliotheek in Amsterdam, een van de oudste en grootste esoterische bibliotheken van Nederland, dateert van 1899.


Sinds 2003 bestaat er ook een nieuwe tweetalige uitgave van Elke Bussler getiteld: “Artsen op dwaalwegen” (in een oplage van 777 genummerde exemplaren). Deze werd inhoudelijk besproken door professor dr. Jan Godderis, psychiater en hoogleraar aan de Universiteit van Leuven.

"Het Labyrinthus medicorum errantium ('Artsen op dwaalwegen'), dat Paracelsus een paar jaar voor zijn dood uit zijn ganzenveer heeft laten vloeien, schetst in enkele grote lijnen zijn visie op al hetgeen met geneeskunst ('erznei') te maken heeft. Hij trekt er niet alleen van leer tegen de aanhangers van het 'humoralisme', zoals hij de volgelingen van Galênós noemt, en diegenen die met Avicenna, Mesue en Rhazes dwepen, die 'niet via de juiste deur in de geneeskunst zijn binnengegaan', maar zet er ook de bouwstenen neer voor een radicaal nieuwe vorm van geneeskunst, die neerkomt op een 'ingang via het licht van de natuur', waartoe de alchemie ('alchimei') dient te worden gerekend, 'zonder welk de arts geen arts kan zijn', naast de 'signatura', de therapeutische aanwijzing op grond van een overeenkomst in uiterlijke vorm waardoor 'aan elk orgaan kan gegeven worden wat het volgens zijn anatomie (de vorm) toekomt', en de 'magie' ('magica'), die de geheimen van de natuur openbaart. Verder wordt ook 'de inwendige genezer' in iedere mens besproken, naast de rol van God en de taak van de mens ten overstaan van de schepping, de taal van de sterren en elementen en niet in het minst ook het verschil tussen een empirisch gevonden verband en werkelijke ervaring ('experienz')".

Paracelsus stond aan de wieg van de homeopathie en daarin was Adriaan van de Vijsel als beroeps kruidenkweker natuurlijk bijzonder geïnteresseerd. Wellicht was hij van de uitgave uit 1913 de auteur van het voorwoord, de financier of zelfs de vertaler en was dit zijn eigen luxe exemplaar. Het blijft gissen, maar in ieder geval was het boekje hem dierbaar.
Een curieus boekje dat wel; vrijwel nergens te vinden noch te koop. Zo’n boekje dat je alleen bij toeval tegenkomt op een boekenmarkt als je oog er op valt.