Tabbladen

dinsdag 22 mei 2012

Boek en bom

De vijanden van het boek zijn talrijk. Vuur, water, gas en hitte, stof en verwaarlozing, onwetendheid en schijnheiligheid, de boekenwurm en ander ongedierte, boekbinders, verzamelaars (!), bedienden en kinderen. Zij allen worden door Blades al in de negentiende eeuw genoemd in “The enemies of books”.

Maar de grootste ramp (voor mens en boek), zo lezen we in Büch's honderd jaar later verschenen “Boekenpest”, is oorlog. Het boek als oorlogsslachtoffer.
De bibliofiel die hierin het hoofdstuk leest “gebombardeerde boeken” moet welhaast ernstig getraumatiseerd raken als hij/zij zich het onvoorstelbaar aantal boeken probeert voor te stellen dat tijdens de Tweede Wereldoorlog voor altijd verloren ging. Dan heb ik het niet alleen over talloze grote Duitse bibliotheken zoals de Staatsbibliotheek van Hamburg waar 625.000 boekbanden verloren gingen, waaronder talloze zeldzame en kostbare werken. Het verlies van privébibliotheken, groot en klein, moet even enorm zijn geweest. Bekend Nederlands voorbeeld is de ondergang van de privébibliotheek (9.000 banden) van de priester en kenner van het oude boek Bonaventura Kruitwagen (1874-1954) bij het bombardement op Rotterdam in mei 1940.

Onlangs vond ik tot mijn verrassing bij een Duits antiquariaat een exemplaar van het boekje van Professor Franz Weisse (1878-1952) getiteld “Die Kunst des Marmorierens oder die Herstellung von Buchbinder- Buntpapieren mit Wasserfarben auf schleimhaltigen Grund” (Stuttgart, 1940). Weisse was in het vooroorlogse Duitsland een bekend kunstboekbinder en marmeraar. Tot 1907 was hij leraar in Elberfeld en van 1907 tot 1942 professor aan de ‘Hansischen Hochschule für bildende Künste' van Hamburg.


Ik ben wel een fan van marmerpapier.
Het zit vaak in verschillende fraaie kleuren en patronen verwerkt als schutblad in mijn oude en bibliofiele uitgaven of als omslag van pamfletten.
Iedereen met interesse hierin kan ik het goed verkrijgbare en betaalbare boekje aanraden van J.F. Heijbroek en T.C. Greven: “Sierpapier, Marmer-, brocaat en sitspapier in Nederland
(Amsterdam, 1994). Informatief en smaakvol uitgegeven (in oblong formaat) met een drietal unieke monsters bakmarmer (blz. 85).

Het boekje van Weisse is – zoals u hieronder ziet -  bijna vierkant (20 x 21 cm.), bevat 45 bladzijden en is een uitvoerig fotografisch beeldverslag van het marmerproces in negentig foto’s. Alle exemplaren van de oplage werden voorzien van een telkens andere smaakvolle gemarmerde omslag.
In 1980 verscheen hiervan een Engelse vertaling “The art of marbling”, in een oplage van driehonderd exemplaren, met veertien unieke gemarmerde voorbeelden van Richard J. Wolfe. Wie op zoek gaat naar een exemplaar zal al gauw ontdekken dat het boekje van Wolfe nog steeds makkelijk verkrijgbaar is maar twee tot vierhonderd euro kost.


In plaats daarvan heb ik, met liefde, nog geen negentig euro (inclusief verzendkosten) uitgegeven voor het boekje van Weisse. Het origineel is namelijk vele malen zeldzamer en wie op internet de omschrijving bij het boekje van Wolfe leest komt bij de diverse aanbieders steevast het volgende zinnetje tegen: “Most copies of the original Die Kunst des Marmorierens were destroyed in a World War II bombing raid”. En zo is het.


Ook het boekje zelf getuigt van de zware bombardementen op verschillende Duitse steden.
In mijn exemplaar trof ik het originele inlegvel aan dat werd toegevoegd door de ‘Buchbinder-Innung Lübeck’: "Dieses Fachbuch wurde zum Aufbau unserer, durch einen Angriff englischer Flieger in der Palmsonntagnacht vom 28. zum 29. März 1942 auf unser altes und ehrwürdiges Lübeck, vernichteten Fachschule vom Verleger Max Hettler gestiftet.” Nadat 1.8 ton aan landmijnen de daken had vernietigd maakten 25.000 brandbommen een vuurzee van die prachtige middeleeuwse Hanzestad Lübeck.

Hoeveel exemplaren van Weisse's boekje bombardement en vuurstorm overleefde is mij onbekend. Eén daarvan mag Perkamentus koesteren. Geen brandvlekje te bekennen en in uitstekende staat…

maandag 7 mei 2012

Bataafse haarmandjes


Deze lijvige foliant behoort tot de grootste boeken in mijn bibliotheek. Het gaat om een uitgave van Gerard van Loon (1683-1758) getiteld: “Aloude Hollandsche histori der Keyzeren, Koningen, Hertogen en Graaven welken, sedert de komst der Batavieren in het thans genaamde Holland tot de herstelling van ’s Graaven Florents den Eerstens Zoon aldaar het Hooggebied gehad hebben. Beweezen en bevestigd door de woordlyke getuygenissen van zoodaanige Schryvers, welke in en naast die tyden geleefd hebben, als de beschreeven zaken zyn voorgevallen en voorts nog versierd en opgehelderd met de noodige Landkaarten, Geslachtlysten, Keyzer- en Koninglyke Penningen en veelvuldig andere Gedenkstukken, in die overoude tyden gemaakt” (’s Gravenhage, 1734). Tja, een hele mond vol en typisch voor titels uit die tijd.

Het eerste dat opvalt, is de perkamenten band die op het voor- en achterplat is voorzien van een fors supralibros. Dankzij mijn – op goed geluk – bladeren door het onvolprezen standaardwerk van J.E. Elias (1875-1959): “De vroedschap van Amsterdam 1578-1795” (Haarlem, 1903-1905) kwam ik er achter dat het gaat om het wapen van de 18de eeuwse Amsterdamse patriciersfamilie Sautijn.

Zoals de uitvoerige titel al aangeeft gaat het boek over de oudste geschiedenis van deze contreien. De tijd dus van de Romeinen, Bataven en Franken, grofweg de periode tussen de geboorte van Christus en het jaar duizend. Bijzondere aandacht krijgen de dappere Bataven, die volgens de toenmalige geschiedkundige opvattingen, onze directe voorouders waren. Een misvatting die overigens eeuwenlang stand hield en de kern vormt van de zogenaamde ‘Bataafse Mythe’. Van Loon gaat uitgebreid op hen in en laat ons met een fraaie dubbele paginagrote illustratie kennis maken met de “Aloude Kleedij en wapenrusting der Batavische mannen”.
Daar zitten ze dan onze Bataafse helden, onder het groene loof, terwijl op de achtergrond een Bataafs leger zich klaarmaakt voor de volgende dappere strijd tegen de Romeinen.


Wat bij nadere bestudering van deze afbeelding opvalt zijn niet zozeer de kleding en wapenuitrusting maar die koddige hoofddeksels. Het opgebonden Bataafs haar gaat schuil onder een soort omgekeerde gevlochten mandjes en bij de centrale leidersfiguur een soort metalen bol. Een tweede illustratie in het boek (op blz. 192) toont een aantal Bataafse mannenkopjes “in verscheydene tyden by ’t roeren des gronds” ontdekt met curieuze hoofddeksels in detail. Van Loon baseerde zich op informatie uit de geschiedkundige werken van Johannes van Someren (1622-1676), Hendrik Cannegieter (1691-1770) en Johannes Smetius (1590-1651) en zijn gelijknamige zoon (1636-1704). Een aantal van de afgebeelde kopjes bevond zich in de verzameling oudheden van Smetius senior.

Oorspronkelijk waren deze kopjes, sieronderdelen van bronzen gebruiksvoorwerpen als kofferhengsels en schenkkannen. De bolvormige verbinding tussen de eigenlijke kop en de steel werd geïnterpreteerd als hoofddeksel. Daarnaast hebben bekende afbeeldingen op gebouwen uit de oudheid, zoals de fezachtige mutsen die Sarmatanen en Daciërs dragen op de Zuil van Trajanus in Rome, vermoedelijk het beeld versterkt dat onze dappere Bataven hier met een soort van wilgentenen gevlochten haarmandjes rondliepen.

Dat beeld hield lang stand zo bleek toen ik enkele jaren terug op de Haagse boekenmarkt voor een paar euro de vierdelige uitgave kocht van Nicolaas de Roever (1850-1893) en Gualtherus Jacob Dozy (1841-1911): “Het leven van onze voorouders” (Amsterdam, 1913). In het eerste deel vond ik een fraaie afbeelding met (blz. 76) de volgende tekst: “Het is bekend, dat de Bataven hun vaderland waren ontweken, dat zij van den stam waren der Chatten of Hessen, die tot de familie der Sueven behoorden en zich van andere Germaansche stammen onderscheidden door de eigenaardigheid van het lange haar, een kenmerk van den vrijen Germaan, te dragen in een wrong boven op het hoofd, waar het dan met een beenen naald of bij de meer gegoeden met een metalen band werd bijeengehouden. Andere schijnen daartoe bolvormige ringen ja zelfs gevlochten teenen in den vorm van mandjes gebezigd te hebben”.