Tabbladen

vrijdag 1 augustus 2014

Verstopte oren


Soms kun je lang nadenken over een schijnbaar onbenullig detail.
Bekijk eens bovenstaande gravure van Daniel Veelwaard (1766-1851) gemaakt naar een tekening uit 1815 van Jacobus van Meurs (1758-1824) met het onderschrift;

Hier toont het woelig Y, welks vryheid is herboren,
Ons weër, in ’t vrolyk beeld, hoe ryk het was te voren
”.

Het is de enige illustratie bij het ‘dichtmatig tafereel’: “Wandelingen langs den Ykant te Amsteldam” geschreven in 1814 door A.L. Barbaz (1770-1833).
De gehate Franse bezetter was vertrokken, het IJ liep weer vol met schepen en de Amsterdamse wereldhandel bloeide op. Een drukte van belang weer op die IJkade en niet ongevaarlijk bovendien!

Wy wandelen verder voort. Maar, draag hier zorg, myn vrind!
Dat ge u niet in ’t gedrang van kar en slee bevindt;
Want lomperts zouden u, na ’t ryden op uw teenen,
Noch schelden, als gy u veröngelykt dorst meenen.
Het is, zowel by ons als in elk ander land,
De onmisbare eigenschap van ’s volks geringen stand,
Dat hem de voorspoed maakt brooddronken en baldadig,
En voor beschaafde liën byzonderst ongenadig
” (blz. 14).

Twee jaar later liet Barbaz zijn jubelend wandelgedicht publiceren bij C. Covens in Amsterdam. Ik bezit er een exemplaar van zoals u ziet. Laat u niet misleiden door het ‘tweede druk’! Niks tweede druk, gewoon de eerste druk uit 1816 met een nieuw gedrukt titelblad. Een titeluitgave uit 1828 dus door J.C. van Kesteren (1793-1860) en wie anders dan hijzelf zou daar met zwierige pen “Gedrukt ter Boekdrukkerije van Den Uitgever” op hebben durven schrijven?


De illustratie toont ons het gezicht vanaf de Nieuwe Brug (brug 303) op het schiprijk IJ anno 1815. Zouden wij anno nu een foto op dezelfde plek nemen dan zouden wij midden op de drukke Prins Hendrikkade moeten gaan staan met achter ons het Damrak en voor ons de hoofdingang van het Station Amsterdam Centraal. Op een zwart-wit foto van rond 1910, genomen vanaf het dak van het Station, is onze brug (links van het midden met twee doorgangen) goed te zien.


Wat zien we bij Veelwaard vanaf die brug tweehonderd jaar geleden?
Geheel links is nog net een stukje zichtbaar van de drie verdiepingen tellende Nieuwe Stadsherberg in het IJ, die via een houten loopbrug bereikbaar was (de Oude Stadsherberg bestond ook nog maar lag verder naar links). Rechts daarvan een aantal schepen afgemeerd aan de dubbele rij houten palen die Amsterdam moest beschermen voor aanvallen vanaf het water. Voor de scheepvaart zaten daarin drieëntwintig doorgangen die afgesloten konden worden met een drijvende (met ijzer beslagen) houten balk, de zogenaamde ‘bomen’. Die ‘bomen’ hadden allemaal hun eigen naam en de doorgangen die we hier zien zijn de twee nieuwe brugsbomen. Het huisje op palen in het in het midden daarvan is het Bothuisje. Hier werd door vissers de bot, schol, tong en spiering aangebracht en door de botwegers gewogen en afgeslagen. Rechts ervan vaart een schip door de ‘bomen’. Links ervan, aan de overkant van het IJ, zien we de contouren van het tolhuis, tevens herberg, bij de Buikslotervaart (de trekvaart naar het dorpje Buiksloot).

Dankzij enkele miniatuurgravures van Anna Folkema (1695-1768) uit: “Gebouwen, Gezichten en Oudheden der Stad Amsterdam” (Haarlem, 1741) kan ik u een nog beter beeld geven van enkele objecten zoals: 1. De Oude Stadsherberg (niet zichtbaar),
2. De Nieuwe Stadsherberg, 4. Het tolhuis bij de Buikslotervaart en 5. De Nieuwe Brug.
Op die laatste staan wij dus naar het IJ te kijken samen met een matroos (blootsvoets), twee kletsende heren, waarvan er één door een jongen zijn schoenen laat poetsen en een straathondje. Voilà!


Er is één onbenullig maar prominent aanwezig detail waar ik lang over heb zitten puzzelen. Die hekjes…
Er zit een plank voor... en liggen er nou ook planken op de grond?
Wat is dat voor een constructie?
Eerst dacht ik aan een afgesloten trappetje naar het waterniveau om gemakkelijk in en uit een bootje te stappen. Geen gekke gedachte voor de walkant maar midden op een brug? Wat kon dat toch zijn?
Ik bestudeerde andere contemporaine afbeeldingen van de Nieuwe Brug en toen zag ik pas goed wat ook wel zichtbaar is op plaatje 5 van Anna Folkema.

De Nieuwe Brug werd in 1681 een stenen boogbrug zonder houten ophaalgedeelte. Voor grote schepen waarvan de masten niet konden worden gestreken werd het Damrak onbereikbaar, tenzij...
Tenzij men de sluitstenen in de twee gemetselde bogen wegliet. De smalle, met houten luiken, bedekte gleuf (een kleine meter breed) die daardoor in het wegdek van de brug zat noemde men een ‘oorgat’.
Bij een oorgatbrug konden schepen met een hoge mast als het ware door de brug varen. Het was een uitvinding uit 1596 van de stadstimmerman Hendrick Jacobsz. Staets (en niet zoals Wikipedia schrijft van Hendrick de Keijser!). De constructie is hieronder goed te zien op een zeventiende eeuwse tekening van de Nieuwe Brug (gezien vanaf het Damrak) uit de collectie van het Stadsarchief Amsterdam. In 1750 werden ze beiden dichtgemetseld.
Wat we zo prominent bij Veelwaard zien is gewoon een verstopt oorgat.
Mirabile dictu, een brug met verstopte oren…


5 opmerkingen:

  1. Wat leuk dat u aandacht besteed aan een boekje van Barbaz.
    Ik werk al vele jaren aan een uitgebreide bio- & bibliografie van de man en ben nu bijna aan het eind. Het zullen waarschijnlijk meerdere delen worden en in een daarvan worden de wandelingen beschreven, die Barbaz heeft gemaakt.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Geachte heer Van der Veen, waarde Hans,

      Kijk, kijk.... Wist niet dat iemand zich interesseerde voor Barbaz. Ben benieuwd naar uw bibliografie. Tja, in dit geval gaat het dus meer om de curieuze afbeelding bij het gedicht (worden die ook opgenomen in uw publicatie?). Dank voor uw reactie.

      Verwijderen
    2. Ik heb een afzonderlijk hoofdstuk over de wandelingen van Barbaz en daarin wordt natuurlijk dit gedicht vrij uitgebreid besproken. Ik heb daarbij een aantal illustraties van de plekken waar hij bij stil staat.
      Het is overigens ook heel aardig om de wandeling te lopen, te beginnen en te eindigen op de Prinsengracht. Na nummer 629 komt tegenwoordig meteen nummer 647. Dat komt omdat op die plaats vroeger een hofje heeft gezeten en in dat hofje moet Barbaz hebben gewoond toen hij het gedicht schreef.

      Verwijderen
  2. O ja, die tweede of eerste druk. Covens gaf het in 1816 uit, Van Kesteren moet zijn voorraad hebben opgekocht, want hij verkocht het als tweede druk, gedateerd 1828. Ook in het exemplaar van de KB Den Haag is goed te zien dat het een zg titeluitgave betreft. In mijn eigen exemplaar is dat niet te zien, dus vermoedelijk heeft Van Kesteren een aantal exemplaren bijgedrukt. Hij is daarbij zeer precies te werk gegaan, heeft ook het zetsel van Covens kunnen overnemen, of heeft van hem én een aantal gebonden én een aantal ongebonden exemplaren overgenomen.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Waarde Hans,

      Dank voor de aanvullingen. Interessante drukgeschiedenis! Het plaatst die zwierige aantekening in pen op het titelblad van mijn exemplaar in een breder perspectief.

      Verwijderen