Tabbladen

woensdag 6 juli 2011

In Dordrecht

Ja, ja, beste boekenvrienden, ook Perkamentus was op de 16de Dordtse boekenmarkt, zondag 3 juli. Mijn eerste keer maar het voelde als de zoveelste keer. Deventer in het klein...
Nou kwam ik al jaren niet meer in Deventer. Ik ben dan vaak met vakantie maar er waren meer redenen, waaronder de afname van de kwaliteit van de aangeboden waar.

Dordrecht is niet zoveel anders.
Vijfenzeventig procent is strips/kinderboeken, recente boeken (restant en ramsjwerk), één euro dozenwerk (zolderopruiming) en aanverwante zaken (ansichtkaartenstands, schrijversgenootschappen, boekpromotie e.d.). Ik schat dat maar een kwart van de aangeboden waar van mijn enig niveau is en die wordt negen van de tien keer aangeboden door handelaren die ik ken; soms al jaren.
Daar komt bij dat mijn voorkeur voor het oude boek, liefst gebonden in perkament, doorgaans om een andere benadering vraagt dan het sneupen op dergelijke grootschalige jachtvelden, waar hele families – gewapend met lunchpakketjes, karretjes en lijstjes - op zoek zijn naar ontbrekende nummers uit hun Kuifje verzameling of Maigret detective reeks.

Maar eerlijk is eerlijk. Ik heb uiteindelijk wél twee boeken gekocht, één gebonden in linnen en zowaar ook één in perkament.
De eerste kostte me slechts een tientje.
Het is: “In linnen gebonden. Nederlandse uitgeversbanden van 1840 tot 1940” (Veenendaal, 1987). Een bijzonder leerzaam en goed geïllustreerd naslagwerkje, vlot geschreven met medewerking van de bekende industriële boekbandenverzamelaar Albert Struik (1926-2006). Wat mij betreft een aanrader voor de liefhebber van boeken over boeken.

Aan het eind van de dag (met overigens prima boekenmarktweer) belandde ik in de Statenplaats, niet ver van de kraam waar ik mijn eerste boekje had gekocht.
Daar zag ik bij een stalletje bewaakt door een oudere dame, half verborgen onder een pak papier in een rijtje boeken, een perkamenten ruggetje.
Het bleek te gaan om een uitgave van het “Gedenkboek ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan der Hollandsche Societeit van Levensverzekeringen 1807-1907” (Haarlem, 1907).
Volperkamenten, goudbestempelde band, roodleren titelschildje, geschept onafgesneden papier en op de kop verguld.
Een zeer luxe exemplaar dus van deze jubileumuitgave, bovendien genummerd (12) en op naam gesteld van de Amsterdammer mr. H(endrik). Westermann jr. (1868-1928).
Uiteraard was het de kostbare band die mij aantrok, maar de inhoud bleek na enig geblader en gelees toch interessanter dan de titel deed vermoeden (ondanks het feit dat ik van verzekeren geen verstand heb). Zo leerde ik dat de in Amsterdam gevestigde Societeit (een voorloper van huidige Delta Lloyd Groep) de oudste levensverzekeringenverstrekker op het vaste land van Europa is geweest. Een aantal illustraties is van de hand van de bekende heraldisch tekenaar Tiete van der Laars (1861-1939), die samen met zijn zoon Sytse Gerke (1891-1938) honderden gemeentewapens tekende, waaronder dat van Dordrecht, voor de bekende Koffie Hag Albums Nederland (Amsterdam, 1925). Ik gaf er graag vijftig euro voor.

Thuisgekomen even neuzen op internet.
Ook al ben ik geen handelaar en is het ‘wat de gek er voor geeft’, je hoopt toch een beetje marktconform te hebben betaald.
Van het eerste boekje zijn bij Boekwinkeltjes nog zo’n tien exemplaren te koop voor prijzen tussen de € 12,50 en € 30,- euro.
Het tweede boek wordt tweemaal aangeboden (van de tweede jubileumuitgave uit 1807-1957 zijn veel meer exemplaren verkrijgbaar).
Eén in originele linnen band voor € 48,- euro en zowaar één vermoedelijk vergelijkbaar exemplaar gebonden in perkament (nr. 26). Vraagprijs € 150,- euro.

En, boekenvrienden, hoe is het jullie vergaan? Kuifje compleet?

maandag 4 juli 2011

De neuzenbibliotheek (deel 2)

Vier boeken in mijn neuzenbibliotheek zijn geschreven in de 19de eeuw.
Het zijn allen verhandelingen met een pseudo wetenschappelijk achtergrond, soms gecombineerd met humor.
Het pseudo wetenschappelijk aspect ademt nog geheel de denkbeelden uit van Johann Kaspar Lavater (1741-1801) die eind achttiende eeuw een omvangrijk boekwerk schreef over de fysionomie waarin hij betoogde dat men aan het uiterlijk, het gezicht, het karakter van de mens kan aflezen.

De oudste publicatie is geschreven door de Engelsman George Jabet: “Notes on Noses” (London, 1857). Lavater’s invloed is al in het eerste hoofdstuk merkbaar:
We have a belief, founded on long-continues, personal observation, that there is more in a Nose than most owners of that appendage are generally aware. We believe that, besides being an ornament to the face, a breathing apparatus, or a convenient handle by which to grasp an impudent fellow, it is an important index to its owner’s character; and that the accurate observation and minute comparison of an extensive collection of Noses of persons whose mental characteristics are known, justifies a Nasal Classification, and a deduction of some points of mental organisation there from”.
Volgens Jabet zijn er zes type neuzen te onderscheiden: “The Roman, or Aquiline Nose, The Greek, or Straight Nose, The Cogitative, or Wide-nostrilled Nose, The Jewish, or Hawk Nose, The Snub Nose and the Turn-up, poeticè Celestial Nose”.


Van de publicatie van Pater Bernard van Meurs (1835-1915): “De Neus. Lezing gehouden te Rotterdam en ’s Gravenhage” (’s Hertogenbosch, 1873) bezit ik feitelijk twee uitgaven, want het werd later opgenomen in een bundel: “Verhandelingen over Neus, Niezen, Bliksem, Anagram en Slaapwandelen” (Kuilenburg, 1890). Zijn lezing behandelde de neus op het gebied van de Fysiologie, ‘of de leer van de verrichtingen der organismen’, Esthetica, ‘de leer van het schoone’ en Fysionomie, ‘de leer om uit iemands gelaat zijn karakter te ontdekken’ (Lavater!).
Ook de boekenneus wordt genoemd: “Oudoom Jacob beweert, dat er menschen zijn, die onze huisdieren niets toegeven in het snuffelen, het dadelijk gewaarworden van eenig verborgen voorwerp; hij noemt de zoodanigen menschen met hondenneuzen, en vindt ze op de eerste plaats onder bijna alle geleerden en boekenmannen. ‘Als het om eene geleerde noot of eene aanhaling te doen is, snuffelen zij met ongemeene vaardigheid in het een of ander boek, in den foliant, en dadelijk is het wild gevonden”. Herkenbaar!

Absoluut zeldzaam is de lezing van de Belgische toneelschrijver Frans van Boghout (1830-1897): “Gevels! Luimige, Wetenschappelijke Verhandeling” (Antwerpen, 1889). Over hem is nauwelijks informatie op het web te vinden en van dit boekje vond ik slechts één ander exemplaar in de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience in Antwerpen. Het is op slecht 19de eeuws papier gedrukt en bevat naast een pseudo wetenschappelijke verhandeling (Lavater!) en historische voorbeelden, talloze bijnamen voor ons reukorgaan.
’t Is eender met welk soort van Adempijp, Afdak, Bef, Blaasbalg, Blaker, Blazoen, Bloedbeuling, Boeg Brilhouder, Dobber, Dromedaris, Druiper, Filter, Framboos, Gaffel, Heuvel, Hoefijzer, Houdvast, Kandeleer, Kapmes, Kapstok, Keersdomper, Kegelaar, Klakkebuis, Klokhuis, Knikker, Knods, Knol, Koker, Kom-eens-veur, Komkommer, Kram, Kreukel, Luchtschouw, Mastentop, Neb, Notendop, Offerblok, Okkernoot, Opsnuiver, Paddestoel, Reukkamer, Schacht, Schoenleest, Snaffel, Snoeffel, Snotbuis, Snuit, Stekelbezie, Trompet, Tronk, Tuimelaar, Uitkijk, Uitroepteeken, Vleeschmonster, Voorgevel, Voorsteven, Wisje-Wasje, Zetel, Zonnewijzer of Zuil men op zijn tronie prijkt, toch dient ieder zijnen Neus in eere te houden, er over fier te wezen en Gode te danken, wien men zijnen Gevel en, door denzelven, het leven verschuldigd is!”.


Een hele rits – denkt u? - maar nog niets vergeleken bij zijn opsomming van zeventig ‘Politieke Neuzen’ (zoals de ‘Democratische- of Volksdommelijke-’) en de lijst met meer dan 400 bijnamen (waaronder Akolietneus, Dwarsneus, Geusneus, Japneus, Kawetterneus, Moggelneus, Pataatneus, Zwetsneus enz. enz.).
Zo, meer over neuzen in het derde en voorlopig laatste deel volgende keer, voor nu genoeg geneuzeld…