Tabbladen

zaterdag 23 maart 2019

Ochtendbespiegelingen van Frederik de Grote


In 1766 verscheen een klein Franstalig boekje getiteld: “Les matinées du Roi de Prusse écrites par lui-même” (Berlin, 1766). De titelpagina vermeldde weliswaar geen officiële auteur maar de schrijver zou niemand minder zijn dan Frederik II (de Grote) van Pruisen (1712-1786).
De inhoud, waarover later meer, veroorzaakte de nodige beroering en er verschenen tot ver in de negentiende eeuw tal van herdrukken in verschillende talen, soms onder een andere titel zoals: “Soirées du roi de Prusse” en “l' Art de régner”.

Nog tijdens het leven van Frederik verschenen er minstens vijf verschillende edities die alle vrij schaars zijn. Sinds kort staat in mijn bibliotheek een exemplaar van "Les matinées du Roi de Prusse" (Berlin, MDCCLXXXIV [1784]). De uitgave (in duodecimo, 60 blz.) zit in een blauw contemporain kartonnen bandje. Op de versozijde van het titelblad bevindt zich een roodkleurig vierkant ex-libris, waaruit blijkt dat mijn nieuwe aanwinst ooit stond in de befaamde ‘Tetschner-Bibliothek’ van de graven van Thun-Hohenstein. Toen hun stamslot in 1933 werd ingericht als Tjechoslowaaks militair hoofdkwartier werd hun bibliotheek met enkele duizenden banden, in beslag genomen en verkocht. Eén van de opkopers was de later zeer bekende antiquaar H.P. Kraus (1907-1988).


Het oorspronkelijke handschrift (op papier, gemaakt in één van Frederik’s Oost-Pruisische papiermolens, met als watermerk de firmanaam ‘Neuendorf’ en de koninklijke adelaar) zou zich hebben bevonden tussen de familiepapieren van Eugen Freiherr von Massenbach (1817-1894). Was de auteur inderdaad Frederik de Grote?
Het lijkt onwaarschijnlijk en is nooit definitief vastgesteld en de werkelijke auteur is nog steeds een mysterie. In de loop der tijd zijn tal van andere kandidaten genoemd zoals graaf Ewald Friedrich von Herzberg (1725-1795), de Pruisische kapitein-ingenieur C. (Zacharie de Pazzi) De Bonneville (1710-1780) maar ook Voltaire (1694-1778).
Aangezien de laatste een ‘penvriend’ was van de Pruisische vorst mag het opmerkelijk heten dat er met geen woord over wordt gerept in hun brieven. Althans ik vond daarvan niets terug in de uitgave van hun briefwisseling (1736-1778) die in 2007 verscheen bij uitgeverij Van Gennep.

In ‘Les Matinées’ richt ‘Der Alte Fritz’ zich in vijf Machiavelliaanse bespiegelingen tot zijn neef Karel Willem Ferdinand van Brunswijk-Wolfenbüttel (1735-1806). De morgenuren handelen over:
1. De oorsprong van hun stamhuis, de gesteldheid van het rijk, de bodem en zeden van zijn land. "De levenswandel van de meerderheid der vorsten uit dit Huis is verfoeilijk slecht geweest, een genadig toeval en slechts bepaalde omstandigheden, die zeer meewerkten, hebben tot onzen groei het meeste bijgedragen. Ik kan u bovendien verzekeren, dat de eerste die zich onzen kroon opzette, één van de ijdelste en stompzinnigste Heeren geweest is, en bovendien een zeer wanstaltig en puistig lichaam bezeten heeft."
2. Over religie en godsdienst. "Bedenk het wel, mijn waarde Neef, er is niets ter wereld, wat den geest en het hart meer foltert en tiranniseert dan de godsdienst: want deze stemt noch met onze hartstochten noch met de bedoelingen der staatkunde overeen, die toch een monarch allen in 't oog te houden heeft. Zodra men God vreest, of beter gezegd, angst voor de hel heeft, wordt men tot capucijn."
3. Over gerechtigdheid. "De gerechtigheid is Gods evenbeeld. Wie kan in de uitoefening ervan de hoogste volmaaktheid bereiken? Doet men daarom niet verstandiger, als men zelfs het voornemen laat varen, om ze volkomen te bezitten?"
4. Over politiek, schone wetenschappen, de letterkunde en zijn kleding."Ik draag geen andere kleding dan mijn regimentsuniform, mijn troepen gelooven, dat ik dat doe uit bijzondere hoogachting voor hun stand, maar voornamelijk doe ik het, om met een goed exempel voor te gaan".
5. Staatkunde. In de laatste bespiegeling gaat het over zijn drie grondbeginselen in de staatspolitiek; “het eerste voor zijn veiligheid te zorgen en naar gelang van omstandigheden zich uit te breiden; het tweede geen bondgenootschappen aan te gaan dan tot zijn voordeel; en het derde, zich te doen vreezen en eerbiedigen zelfs in de hachelijkste tijden”.
De Franse editie door Spiess die in 1797 in Parijs bij Dentu verscheen bevat een zesde morgenuur over het leger.


Bijna een eeuw geleden verscheen hiervan een schaarse Nederlandse vertaling verzorgd door H.A. Petermeyer (1888-1943) getiteld: “De morgenuren eens konings aan zijns broeders zoon 1766" (Amsterdam, 1924). Petermeyer (‘Peet’) was een Nederlands journalist in Berlijn en correspondent voor tal van bladen. Zijn vader was Duitser en dus sprak en schreef hij vloeiend Duits zodat het geen verbazing wekt dat er gelijktijdig een Duitse editie van zijn hand verscheen.


Petermeyer heeft aan zijn uitgave twee andere elementen toegevoegd. Ten eerste de “Geloofsbelijdenis van Z.M. den Koning van Pruisen” waarvan artikel 1 als volgt luidt:
"Ik geloof niet, wat de Paus beveelt, ook niet in allen deele, wat Luther bevestigd en Calvijn geschreven heeft. Ik geloof echter aan den Eenigen God en stel Zijn Heilig woord tot daadwerkelijken grondslag van mijn geloof en wat daarmede niet overeenstemt, zal nooit door mij worden geloofd, ook al zou een Engel des Hemels het geschreven hebben".
Het tweede is: “De ‘morgenuren’ in Doorn”, een verslag van Petermeyer's bezoek aan de verbannen Duitse Keizer Wilhelm II in Doorn en zijn daar gehouden voordracht over de ‘morgenstonden’. De Keizer was daarin zeer geïnteresseerd en liet ‘en passant’ weten dat hij bijzonder gecharmeerd was van de vierdelige film: “Fridericus Rex” uit 1921/22.
Een historisch kostuumdrama dat de achttiende eeuwse 'frische fröhliche Krieg' toont onder commando van 'Der Alte Fritz'. Kijk en zing uit volle borst mee (let op de tekst!) met de Pruisische 'Fridericus-Rex-Grenadiersmarsch' van Ferdinand Radeck (1828-1903)!


Petermeyer was niet de eerste die een eerste Nederlandse vertaling op de markt bracht.
Die was al een halve eeuw daarvoor verschenen en wel bij de firma R.C. Meijer van Multatulikenner R.C. d’Ablaing van Giessenburg (1826-1904).
Diens vertaling van ‘Les matinées’ zit echter verborgen in de reeks “Curiositeiten van allerlei aardwaarover ik eerder schreef en wel in nummer 34: “Een paar staatsstukken” (Amsterdam, 1876).


Voor: “De ochtendbespiegelingen van den Koning van Pruissen” gebruikte d’Ablaing de uitgave van Ch. Potvin (Brussel, 1871) die de oorspronkelijke, niet vermeerderde tekst bevat (en ook nauw aansluit bij de Berlijnse editie van 1784).
Vraagt men waarom ik, even als mijn geachte vriend, aan deze lezing de voorkeur geef, mijn antwoord is gereed: De bedoelde vermeerdering is blijkbaar een onhandige, walgelijke vervalsching, om schandaal te verwekken; zo’n tekst valt niet in mijn smaak en behoort niet te huis in mijn curiositeiten” (blz. 4). Behalve de 'ochtendbespiegelingen' bevat d'Ablaing's uitgave ook nog het politiek testament van een ander verlicht despoot: "Kopij van het ontwerp van Europesche heerschappij door Peter de Groten nagelaten aan zijn opvolgers op den troon van Rusland, en berustende in de archieven van het paleis Petershoff bij Sint Petersburg".

dinsdag 19 maart 2019

Debuut in Zwart Wit


Vier dagen vrij!
Meteen de eerste dag op stap in Amsterdam om bij het stadsarchief een nieuwe archiefpas te laten maken en bij de firma Vlieger mijn bestelde etiketjes af te halen. De stapel zuurvrije dozen met brochures en ephemera groeit (inmiddels achttien dozen) en op elke doos plak ik zo'n etiketje met wat kernwoorden die de inhoud aangeven.
Ik heb zo mijn vaste plekjes als ik in het centrum ben. Ditmaal even langs de boekenkraam van Jos Albers die inmiddels met pensioen is maar het nog steeds leuk vindt om een paar dagen op de Waterloopleinmarkt te staan, even langs antiquariaat Kok, even bijkletsen bij Scheltema (antiquariaat, vierde verdieping) en even binnenwippen bij Bijzondere Collecties (UvA), sinds 1 januari 2019 'Allard Pierson'.

Boven waar de kaarten, atlassen en dergelijke staan kwam ik conservator Reinder Storm tegen (mijn persoonlijke blogredacteur). Altijd gezellig en ditmaal ging ons gesprek over zijn aankomende boek samen met Marieke van Delft: "De geschiedenis van Nederland in 100 oude kaarten" dat dit jaar moet verschijnen bij uitgeverij Lannoo NV.
Toen we afscheid namen en ik meldde dat ik nog even op zoek ging naar zijn collega's Gwendolyn Verbraak (mederedacteur van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen) en Paul Dijstelberge zei Reinder dat hij een cadeautje voor me had.


Het bleek te gaan om een ietwat beduimeld nummer 2 (2de jaargang) van het tijdschrift voor literatuur "Zwart Wit" (juli/augustus 1983). Wat blijkt? Hierin staan twee vermakelijke stukjes van Paul Dijstelberge (die tevens redacteur was): "Mijn weerzin tegen dit alles" en "Theater".
'Een jeugdzonde', zei Reinder, terwijl hij mij glimlachend het boekje overhandigde. 'Kun je hem even onder zijn neus wrijven. Je mag het ook weggooien hoor'. Glimlachend las ik een stukje uit het eerste artikel.
"Grote geesten haten wat groot is. Mijn geest is zo klein dat slechts de beste electronenmicroscopen hem kunnen waarnemen. Noodzakelijkerwijs hebben de objecten van mijn haat het formaat van een staartloze spermatozo, een ziekelijk trillende bacterie. Boudewijn Büch. Ik haat je. Voor al het onbenul dat je verspreidt verdien je het aan je haren door de stad te worden gesleept en met kroontjespennen door je oorlellen aan een rots te worden genageld; een persiflage op Prometheus, want tenslotte heb jij nergens licht gebracht. I(e)der woord dat jij neerschrijft is een klap in het gezicht van de muzen.
De wezenloze hiëroglyphen die jij neerschrijft betitelen als gedachten of ideeën (is) een belediging voor de grammatica. Je schrijft, nee, je kwaakt wat over Hein Boeken en vergeet dat jij zelf slechts één boek bent. Een Hein Boeken met slechts één slijmerige teelbal wiens braaksel impotenter is dan dat van een eunuch. Wat verbeeld je je wel niet? Besef voor een keer wie en wat je bent en zwijg, of maak jezelf spectaculair van kant, zodat je zelfs de grootste proleten, die altijd nog groter zijn dan jij, tenminste vermaakt, miserabele clown in het verkeerde circus.".

'Ik vraag wel even of hij het voor me wil signeren', zei ik tegen Reinder, terwijl ik grinnikend de trap afliep. Paul Dijstelberge zat niet op zijn plek, maar ik trof hem elders verzonken tussen de boeken aan. Vragend keek hij op. Ik las een paar regels voor: "Ja lezer! Ik verafschuw U en de Uwen. Ik spuug op Uw voetstappen en met Uw gedachten veeg ik mijn reet af".
Met verbazing keek hij mij aan, 'Wat is dat nu weer?'. Ik overhandigde hem het boekje en zei: 'Je eigen woorden. Een jeugdzonde die ik kreeg van Reinder. Misschien wil je het even voor mij signeren?'.
Nieuwsgierig bladerde hij door de uitgave. 'mmm... was ik alweer bijna vergeten...'. Hij ging zitten zocht naar een pen en schreef voorin...


'Ik heb geloof ik nog een exemplaartje bewaard' zei hij terwijl hij mij het boekje teruggaf.
Ik keek hem vragend aan. 'Het bevat namelijk het echte debuut van Joost Zwagerman'.
Joost Zwagerman (1963-2015) debuteerde toch in 1986? Maar op bladzijde 36 en 37 staat het bewijs, twee gedichten van 'J. Wagnermaz'.
Zou Maria Vlaar, die aan zijn biografie werkt, dat weten? En Nick ter Wal de directeur van Artistiek Bureau die beroepshalve de boekenkasten en ezelsoren van Joost Zwagerman bepotelde?