Tabbladen

zaterdag 6 maart 2010

Kleren maken de...


De kleederen der Nederlanden verschillen veel in iedren stand,
Maar evenwel is elk bewoner gehecht aan ’t dierbaar vaderland
”.

Onlangs schreef ik, naar aanleiding van het recent verschenen boek van Eveline Koolhaas-Grosfeld: “De ontdekking van de Nederlander in boeken en prenten rond 1800” (Zutphen, 2010), al iets over het befaamde kostuumboek: “Afbeeldingen van kleeding, zeden en gewoonten in de Bataafsche Republiek met den aanvang der negentiende eeuw” dat de bekende Amsterdamse boek- en prenthandelaar Evert Maaskamp (1769-1834) tussen 1803 en 1807, los of per cahier van vier prenten á vier gulden zestig, uitgaf.

Inmiddels ben ik eigenaar van een eerste Engelse editie getiteld: “Representations of dresses, morals and customs in the Kingdom of Holland, at the beginning of the nineteenth century” (Amsterdam, 1808).
Het is een fraai exemplaar (groot 4º) gebonden in een smaakvolle driekwart rood leren band met ribben, en roodgemarmerde platten. Naast de twintig kostuumplaten bevat het boek een bijzonder (en als boekillustratie zeldzaam) allegorisch frontispice in Franse-empirestijl.


Veel kostuumplaten zijn naar voorstudies en tekeningen van J. Kuyper en de beroemde schilder J.W. Pieneman gemaakt. Een aantal originelen bevindt zich nog in de Atlas van Stolk in Rotterdam.
Andere tekenaars waren G.T.S. van Os (nr. 9), C.F. Bounach (nr. 7 en 10), C.J. van Slangenburgh (nr. 11), D. van Oosterhoudt (nr. 12), D. de Keyser (nr. 13), A. Prince (nr. 14), D. de Koning (nr. 15), Q. van Amelsvoort (nr. 16), C. Overman (nrs. 17-18 en 20) en mijn verre voorvader J.W. Caspari (nr. 19). De kunstenaar L. Portman vervaardigde de gravures en het hele project stond onder directie van J. Kuyper.


De onderschriften zijn in het Nederlands en Frans en eronder staan twee adressen: Maaskamp te Amsterdam en Colnaghi & Co. te Londen. Er werd dus meteen al rekening gehouden met een internationale verspreiding (het boek verscheen ook in een Franse editie) en het zou Maaskamps meest lucratieve en belangrijkste uitgave worden. Nergens anders ter wereld vond je zulke verschillen in kleding zeden en gewoonten als hier in Holland (Nederland!). Juist deze verschillen waren volgens Maaskamp zo kenmerkend voor onze nationale identiteit.

Alle prenten zijn gedateerd 1811, met uitzondering van de frontispice ´De teken-kunst / La muse du dessin´ waaronder 1805 staat. Het boek kan in ieder geval niet in 1808 verschenen zijn!
Per afbeelding werden telkens twee personen afgebeeld wat de levendigheid ten goede komt. Ze stellen de volgende figuren voor:
1. Een burgervrouw en dochter op weg naar de kerk,
2. Amsterdamse visvrouw en ambachtsman,
3. Aanspreker en waardin,
4. Dienstmeisje en melkmeisje,


5. Een moeder en ongehuwde dochter van de Broedergemeenschap in Zeist,
6. Hernhutter en Alkmaars meisje,
7. Friese visser en vissersvrouw,
8. Schokker visser en vissersvrouw,
9. Scheveningse visvrouw en Haags meisje,
10. Een vrouw en een meisje uit West-Friesland,


11. Boerenmeid en dame uit het midden van Friesland,
12. Gelderse boer en boerin,
13. Man en vrouw van het eiland Walcheren,
14. Boer en boerin uit Schouwen op weg naar de markt,
15. Boer en boerin van Zuid-Beveland,
16, Boer en boerin uit Noord-Brabant,
17. Twee Noord-Hollandse meisjes,
18. Twee Noord-Hollandse meisjes in een tuin,
19. Twee vrouwen van het eiland Marken,
20. Een Katwijkse en een Volendamse vrouw.


In 1811 verschenen van afbeelding 17 en 18 twee nieuwe platen. Kennelijk was de Noord-Hollandse damesmode veranderd, zowel wat de kleding als de hoofdkappen betrof. De platen in mijn boek zijn weliswaar gedateerd 1811 maar tonen beide dames nog in hun ‘ouderwetse’ kleding.

De grootste verrassing was voor mij het enorme verschil tussen de originele prenten en de afbeeldingen in het recent verschenen boek.
Je zou verwachten dat moderne druktechnieken het origineel feilloos reproduceren maar de originele prenten zijn veel feller van kleur. Wat dat betreft merkt Eveline Koolhaas-Grosfeld op dat de prenten in de editie van 1811 mogelijk in kleur werden gedrukt en dus beter dekkend en krachtiger zijn dan bij de eerste editie. Zo is de grond waarop de figuren staan tot aan de kaderranden ingekleurd en staan de figuren niet meer, zoals bij de eerste editie, op een soort wolk. Bij de afdrukken uit 1811 is waarneembaar dat de platen gaan slijten, zoals bij afbeelding 8 (Schokker visser en vissersvrouw) waar de fijne netstructuur van het visnet vrijwel geheel is verdwenen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten