vrijdag 21 april 2017

De boekhandelaar op de planken


De boekhandelaar duikt regelmatig op in moderne fictie.
Wie op Boekwinkeltjes zoekt op ‘boekhandelaar’ ziet de beroepsgroep in diverse titels voorbij schieten zoals in “De boekhandelaar” van Chris Ceustermans, Roald Dahl (1916-1990) en Matt Cohen, “De boekhandelaar van Amsterdam” (Amineh Pakravan) en natuurlijk die van Kaboel (Asne Seierstad), “De dochter van de boekhandelaar” (Sylvia Schenk), “De boekhandelaar en de detective” (Ramiro Pinilla), “Blok, de boekhandelaar van mijn vader” (Jan Brokken) en ‘last but not least’ het befaamde “Een ochtend bij de boekhandelaar” van Carl. J. Burckhardt (1891-1974).
Die laatste staat trouwens ook hier in de kast en was iconisch genoeg om in 1970 in een drietalige uitgave (Duits, Frans en Engels) te worden uitgedeeld aan de deelnemers van de Frankfurter Buchmesse 1970 (oplage 700 stuks).

Het debuut van 'de boekhandelaar' als fictieve figuur begint in Nederland op de planken van de toneelliteratuur.
Zo rond 1720 verscheen bij Gijsbert Tijsens (1693-1732) het blijspel: “De weergadeloze bedrieger ontmaskerd, of de valsche boekhandelaar in zyn aard en weezen ontdekt” (z.p.z.j). Een kennelijk succesvol optreden want het kreeg in 1727 een vervolg.
Nadat het laatste applaus had geklonken werd het ruim een eeuw stil maar in 1835 ging het doek weer op, speciaal voor mij…!

Ergens halverwege maart op een wat grijze koele vrijdag was ik in Amsterdam. Na het aanschouwen van een voorgoed gesloten en dichtgeplakt antiquariaat De Friedesche Molen in de Rosmarijnsteeg (Amsterdam) kreeg ik sterk de behoefte aan een opbeurend bezoekje aan het nabijgelegen antiquariaat Brinkman.
Ik verwachte Frank aan te treffen maar die bleek verkouden thuis te zitten en dus raakte ik weer eens in gesprek met zijn charmante winkelassistente Joanna Rozendaal.
Joanna was druk bezig met haar werk en terwijl we wat nieuwtjes uitwisselden en er zo nu en dan een bezoeker binnenkwam, om rond te snuffelen of om af te rekenen, viel mijn oog op een klein (octavo formaat) boekje dat opengeslagen in de pronkkast tegen de achterwand stond.

Het waren de eerste twee titelwoorden in kapitaal die mijn onmiddellijke aandacht trokken.
De Boekhandelaar, of het welbetaald handschrift; blijspel in vijf bedrijven door M.H. Binger” (Amsterdam, 1835). De titel(illustratie) en een door de secretaris van de commissarissen van de Stadsschouwburg ondertekende verklaring dat het om een geautoriseerde uitgave gaat tonen het genre aan.
Voor zestig euro werd ik eigenaar van dit mij onbekende stukje toneelliteratuur.

Thuisgekomen besloot ik om allereerst die saaie bruinkartonnen omslag te beplakken met wat origineel negentiende eeuws marmer (zie onderste foto). Dat maakte het boekje qua uiterlijk meteen een stuk aantrekkelijker vindt u ook niet?
Vervolgens bestudeerde ik de provenance kenmerken. Een plakkertje op de Franse titelpagina met nummer 10.693 en een oud bibliotheekstempel op de titelpagina (en nogmaals op de slotpagina) toonde de herkomst uit een (theater)collectie aan.
De stempel behoorde toe aan ‘A. van Lier, theater directeur, Amsterdam’.


Abraham Israël van Lier (1812-1887) bleek na een carrière als muzikant, dansmeester en acteur tussen 1852 en 1887 inderdaad directeur te zijn geweest en wel van het Grand Théâtre (des Variétés), voorheen de Hoogduitsche Schouwburg, in de Amstelstraat.
Daarmee is de herkomst van het boekje mij duidelijk. Of dit blijspel ook in zijn theater is opgevoerd?
De ‘Nederlandsche Staatscourant’ van 2 juni 1835 maakt melding van de première op 2 juni 1835 in de ‘Koninklijke Nederduitsche Schouwburg’ (Den Haag) en laat weten dat de boekuitgave verkrijgbaar was bij H.S.J. de Groot. Datzelfde jaar volgen nog uitvoeringen in de Amsterdamse Stads Schouwburg, de Rotterdamsche Schouwburg en de Leydsche Schouwburg.
Vijfentwintig jaar later, in 1860, keert het blijspel terug op de Amsterdamse planken en wordt het enkele keren uitgevoerd in de Salon des Variétés in de Nes. Van deze laatste uitvoeringen bestaat een aardige toneelbespreking in het ‘Nieuw Amsterdamsch handels- en effectenblad’ van 8 oktober 1860.


De Boekhandelaar, of het welbetaald handschrift” is geen oorspronkelijk Nederlands product. De vertaler en bewerker is Marcus Hijman Binger (1797-1872) grondlegger van de boek- en steendrukkerij firma M.H. Binger & Zonen. In 1858 werd hij erelid van de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels (VBBB).

Binger geeft in zijn voorwoord aan dat hij – bij gebrek aan Nederlandse blijspelen – de vertaling en bewerking ter hand nam van “Das Manuscript“ dat in 1832 werd geschreven door de Duitse actrice Joanna (Franul) von Weissenthurn (1773-1847).
Das Manuscript“ verscheen destijds niet als zelfstandige uitgave maar in een bundel “Neue Schauspiele”, band 13 (Wien, 1832). Wat dat betreft, maar ook als eerste vertaling en bewerking heeft onze Nederlandse uitgave de primeur. De oplage zal niet groot zijn geweest en was met name bedoeld voor de toneelwereld . Dat blijkt bijvoorbeeld uit de opmerkingen over de setting voor het eerste bedrijf (blz. 9) en enkele voetnoten onderaan de bladzijden zoals:
De benaming van (haar)kleur kan zich regelen naar die, welke de actrice werkelijk bezit.” (blz. 20) en “NB. Dit gansche gesprek moet met veel levendigheid gehouden worden.” (blz. 125).

Centraal in het verhaal staat de jonge Reinhart, die zijn naam eer aandoet, en door zijn rijke oom, boekhandelaar Daniel Geerman, wordt gekoppeld aan de ongeletterde en onontwikkelde Agnieta Kruidnagel. De reden is simpel. Zij bezit net als oom lief kapitaal en daar gaat het om. Reinhart echter ziet dat niet zitten en trouwt uiteindelijk met de arme en blinde Louisa Wolbing wiens briljante manuscript met gedichten door haar moeder Amalia bij Daniel Geerman en Reinhart ter beoordeling was beland.

Welke denkbeelden! Welke taal! Welke schilderingen van karakters! Hoe juist! Hoe fijn! Het geheel is zoo eenvoudig, en toch zoo krachtig! Ja, als de vrouwen zoo schrijven, dan zal het hen niemand betwisten dat zij mogen schrijven.” (blz. 74). Dergelijke passages geven ons een interessant en informatief tijdsbeeld over hoe men aankeek tegen de gestadige opkomst van schrijvende vrouwen!
Het land wordt met laf geschrijf als overstroomd, en ook de vrouwelijke huishoudelijkheid, weleer het geluk van den man, verliest zich thans in een wedloop om den bijval van het publiek” (blz. 48).
En:
Ik geef den man de pen en aan de vrouw de naald in de hand. Ik moet geene nicht hebben, die mij het ontbijt in zuivere versmaat opdischt. 
Arm! – Ik houd veel van geld – maar arm had zij nog wel mogen zijn, doch geleerd niet. Eene vrouw, die meer inkt gebruikt, dan de man wijn drinkt, komt niet in mijn huis” (blz. 132).


Tot slot. Ook de groeiende negentiende eeuwse bibliomanie wordt in dit blijspel aangeroerd. Zo is in het tweede bedrijf, eerste toneel (blz. 50-52) sprake van een klant met meer geld dan geleerdheid die een enorme bibliotheek wil aanschaffen tegen contante betaling. Het doet er niet toe met wat, alleen de maat is bepalend.
De maat?
Ja, zijne kasten zijn drie ellen hoog en twee ellen breed. Hij kan de boeken dus niet anders dan bij de el gebruiken”…

zondag 9 april 2017

De Amsterdamse wereldtentoonstelling en de Friese ramp (1883)


Dit verhaal begint zo'n drie jaar geleden.
Toen kocht ik voor slechts tien euro op een boekenmarkt een oblong boekje (13 x 19 cm.) met zestien lithografische afbeeldingen van Amsterdam. Op de voorzijde van de kartonnen omslag staat "Oud Amsterdam" met een afbeelding van het Rijksmuseum, het portret van de architect P.J.H. Cuypers (1827-1921) en een heraldische versiering met de letters 'W.E.' (Willem & Emma).
Achter de raadselachtige letters 'JV.A' linksonder gaat vermoedelijk uitgever 'JV' te Amsterdam schuil. Het bevat verder geen titelblad maar alleen de volgende zestien afbeeldingen:
1. De Heerengracht
2. De beurs (van Zocher (Gesloopt in 1903, thans de plek van warenhuis De Bijenkorf)
3. Paleis des Konings (Paleis op de Dam)
4. Prinsengracht
5. Natura Artis Magistra (Hoofdingang aan de Plantage Kerklaan)
6. Groenburgwal
7. Paleis voor Volksvlijt (Afgebrand in 1929)
8. Het Amstel Hotel (Gebouwd in 1863 naar een ontwerp van Cornelis Outshoorn)
9. De Schouwburg (aan het Leidseplein. Hier liep tot 1909 de Lijnbaansgracht, thans ligt hier het Kleine Gartmanplantsoen)
10. Oude Doelenstraat
11. De Pijpenmarkt (Nieuwezijds Voorburgwal, gedempt in 1884)
12. De Houtgracht (Waterlooplein. De gracht werd gedempt in 1882)
13. Oude Schans (met Montelbaanstoren)
14. Het Nieuwe Museum (Rijksmuseum, geopend in 1885)
15. Ooster Dok
16. Panorama (Gebouwd tussen 1879 en 1880 naar een ontwerp van Isaac Gosschalk. Het stond aan de Plantage Middenlaan 50 en werd in 1935 gesloopt)


Toen ik in de beeldbank van het stadsarchief Amsterdam zocht vond ik negen van de zestien illustraties terug. Uitgever was J.F. Haeseker en Co, uit Haarlem die de afbeeldingen in 1883 vervaardigde waarbij (soms?) gebruik gemaakt werd van fotovoorbeelden zoals blijkt uit deze illustratie van het Panorama (foto: stadsarchief Amsterdam).


In dat jaar vond in Amsterdam een Wereldtentoonstelling plaats, officieel de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling. Ruim een miljoen mensen uit vele landen bezochten toen het expositieterrein op het huidige Museumplein naast het (in aanbouw zijnde) toekomstige Rijksmuseum. De internationale toeloop verklaart meteen waarom de titels onder de afbeeldingen viertalig zijn, in het Nederlands, Frans, Engels en Duits.

Ongeveer een maand geleden zag ik op Marktplaats een Engelstalige brochure die tot mijn verbazing dezelfde zestien afbeeldingen bevat. Op de kleurige voor- en achterzijde (identiek aan elkaar) staat: “Remembrance Amsterdam. 16 views of the town with description 1883”, de al eerdergenoemde uitgever, de prijs; ‘50 cents’ en de drukker: Tresling & Co. Lith(ografie), Amst(erdam). Voor tien euro werd ik eigenaar en toen ik het thuis ontving zag ik dat het een tekstgedeelte bevat met een beschrijving bij de afbeeldingen door Martin Kalff (1848-1897), redacteur van ’t Handelsblad’. Interessant is de mededeling op het titelblad: “For the benefit of the poor relations, left by the shipwrecked fishermen in the sea-disasters of the last month” (met nadere uitleg op de versozijde).


Uit krantenadvertenties blijkt dat deze brochure (in het Nederlands, Frans, Engels en Duits) goed verkocht want er verscheen zelfs een tweede oplage van 10.000 exemplaren!


De vissersramp van Paesens-Moddergat (Friesland) is thans geheel vergeten. Destijds werden er in heel Nederland inzamelingsacties gehouden ten behoeve van de achtergebleven nabestaanden van de slachtoffers.


Wie deze dorpen nu bezoekt treft bij de dijk een monument aan dat herinnert aan deze stormramp, die van 5 op 6 maart 1883 vele slachtoffers maakte, maar vooral in Paesens-Moddergat. Het werd op 6 maart 1958 onthuld door de Commissaris der Koningin in de provincie Friesland, Mr. H.P. Linthorst Homan (1905-1989). Op de zuil zit een stenen plaat met de onderstaande Friese tekst:

"A.D. 1883 stieken fan dit plak

109 fiskers mei 22 skippen yn sé.

Yn in swiere stoarm binne
83 man en 17 skippen bleaun.

As de dea it skip berint

Dan is der gjin ûntkommen.

O wetter, o wif elemint!

De sé hat jown, hat nommen.

1883 - 6 maert - 1958."

In het Nederlands:



A.D. 1883 kozen van deze plek

109 vissers met 22 schepen zee.

In een zware storm zijn
83 
Man en 17 schepen gebleven.

Als de dood het schip bedreigt

Dan is er geen ontkomen.

O water, o onzeker element!

De zee heeft gegeven, heeft genomen.


1883 - 6 maart - 1958.

Terug naar die wereldtentoonstelling in 1883 want in mijn verzameling zit nog een klein zeldzaam leporelloboekje (10 cm. x 7 cm.) dat ik u hier wil tonen.
Op de voorzijde staat: “Herinnering aan de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling te Amsterdam 1883”.


De achterzijde vermeldt de prijs; 25 cent en tevens dat de graveur, drukker en uitgever Frans Schemm was uit Neurenberg, ‘Bayern’ (Franz Schemm Kunstanstalt Nürnberg).
Mijn exemplaar bevat tien gegraveerde afbeeldingen van de inzending van: Japan/Indië, China, Australië, Rusland, Beieren (toen nog een apart Koninkrijk!), Duitsland, Engeland, Frankrijk, België en Nederland. Van deze leporello bestaat een variant met dertien afbeeldingen van de diverse paviljoens en gebouwen alsmede het Rijksmuseum.






















Maar hoe zit het met mijn album “Oud Amsterdam”, met alleen die zestien afbeeldingen? 
Vermoedelijk verscheen dat niet in 1883 maar twaalf jaar later in 1895 en werd het samengesteld uit het restant van de oplage uit 1883. Waarom 1895? 
Welnu, in dat jaar was er niet alleen een tweede Wereld Expositie in Amsterdam met een compleet nagebouwd miniatuur dorp “Oud-Holland” (waarvan ik een foto leporello bezit) maar bovendien een tentoonstelling in het Panoramagebouw getiteld “Oud Amsterdam”.


Het zou mij niks verbazen als het boekje destijds bij de gelijknamige tentoonstelling verkrijgbaar was. De oorspronkelijk bijbehorende informatieve tekst kon vervallen.
De vissersramp van Paesens-Moddergat was inmiddels een vage herinnering geworden en de beschrijvingen van Martin Kalff waren gedateerd en hier en daar ingehaald door de werkelijkheid.
Zowel de oorspronkelijk viertalige uitgave uit 1883 als het vermoedelijk twaalf jaar later samengestelde album "Oud Amsterdam" kom je nog wel eens antiquarische tegen voor bedragen tussen de vijfentwintig en vijftig euro.

Mocht u - tot slot - ook nog even een kijkje willen nemen op de Amsterdamse wereldtentoonstelling van 1895, kijk dan even hier!