donderdag 16 november 2017

Kiekjes van Joods Amsterdam

Afgelopen zomer trok ik de stad in met het voornemen om bij de Athenaeumboekhandel op het Spui het geheel vernieuwde standaardwerk: "Geschiedenis van de Joden in Nederland" (Amsterdam, 2017) te bekijken en te kopen. Het boek ontving over het algemeen goede recensies en ik was erg nieuwsgierig naar de inhoud.

Voorafgaande aan mijn bezoek bezocht ik de naastgelegen vrijdagse boekenmarkt met een opmerkelijk resultaat maar ook desastreuse financiële gevolgen!
Ik vond daar namelijk - hoe toepasselijk! - een mooi exemplaar in halfleer van de allereerste "Geschiedenis der Joden in Nederland" (Utrecht, 1843), geschreven door mr. H.J. Koenen (1809-1874) die er in 1842 de gouden ereprijs van het Provinciaal Utrechts Genootschap mee verdiende. Een destijds duur maar baanbrekend boek waarvan zelfs een verkorte Duitse versie verscheen!
Net als u, kan ik mijn geld maar één keer uitgeven en de keuze tussen Alfa en Omega viel al gauw op de eerste.


Nieuwe boeken hebben over het algemeen de gewoonte snel goedkoper te worden en ik twijfelde er daarom geen moment aan dat ik mijn Omega binnen afzienbare tijd tegen het lijf zou lopen en vermoedelijk voor een (meer) aangename prijs. Mijn begeerte werd daarmee weliswaar op de proef gesteld maar in de tussentijd kon ik mooi mijn nieuwe aanwinst van A tot Z lezen. Daarmee was ik al geruime tijd klaar toen ik op Marktplaats een exemplaar van de jongste uitgave aantrof dat voor een luttele vijfentwintig euro naar mijn bibliotheek verhuisde. Kijk! Zo doe je dat...

De geschiedenis van de Joden in Nederland met name in Amsterdam heeft altijd mijn speciale belangstelling gehad. Ik ben vooral gespitst op boeken en brochures gepubliceerd vóór de Tweede Wereldoorlog.

Een uitgever die op dat gebied het een en ander heeft laten verschijnen is Menno Hertzberger (1897-1982). Elke antiquaar en bibliofiel kent hem natuurlijk wel en nog maar enkele jaren geleden verschenen zijn schetsmatige herinneringen onder de titel: "Boeken, veel boeken - en mensen" (Amsterdam, 2009).

Ik vond van hem wat oude uitgeversreclame die ik aantrof achterin een brochure getiteld: "Bibliographie en Historie. Bijdrage tot de geschiedenis der eerste Sephardim in Amsterdam" (Amsterdam, 1927), geschreven door S. Seeligmann en verschenen bij Hertzberger.


In het reclamelijstje met "eenige onzer uitgaven op Joodsch gebied" staan verschillende boekjes die ik bezit, zoals dat van J.S. da Silva Rosa: "Geschiedenis der Portugeesche Joden te Amsterdam 1593-1925" (Amsterdam, 1925), met het ex-libris van A.A.L. Vié en blijkens een inscriptie in 1932 geschonken aan mr. J.A. van Sonsbeeck.

Een bijzonder boekje dat in deze lijst voorkomt verdient wat extra aandacht.
Het werd geschreven door de volksrebbe van het Amsterdamse Joden-getto, dr. Meijer de Hond (1882-1943).
Zijn “Kiekjes” (I. Jodenbreestraat Waterlooplein. Amsterdam 1926), gebonden in een beige linnen band met titelopdruk en uitgeversvignet bevat geen foto’s, al zou je dat wellicht wel verwachten met zo’n titel.
Een vervolg (“Kiekjes” deel II) staat verderop op hetzelfde lijstje en zou blijkbaar in 1927 verschijnen, maar om onduidelijke heeft een tweede deel nimmer het licht gezien.


In de Telegraaf van 26 oktober 1926 verscheen een korte recensie van 'mr. I.P.' over de juist verschenen "Kiekjes" die in een nutshell de kern raakt van de lof en kritiek die het boekje kreeg.
"Met groote liefde heeft ook Dr. de Hond zijn volksgenooten lief. Hij, de bekende Amsterdamsche arme lui's-rabbi en behoeder van De Joodsche Invalide.
Zijn kiektoestel heeft De Hond op het welige en woelige Amsterdamsche Ghetto gericht, en een rijke verzameling kiekjes heeft hij daar aangelegd. Met Perets (I.L. Peretz, 1852-1915) heeft hij gemeen de toegewijde liefde, de vereering voor den arme van goed en geest voor den Chassiedisch-geloovige. Maar De Hond is waarlijk verliefd in zijn Ghetto. Daar alleen kan en wil hij ademen, werken, juichend leven. Daar stond zijn wieg, staat zijn huis, zijn werk, zijn doodsbed, en moet die van zijn kinderen en kindskinderen blijven staan. Dat is De Hond's ideologie en in zijn hart veracht en verwenscht hij elk Jodendom buiten dit Ghetto.
Perets is critisch, De Hond critiekloos. Hij gaat geheel in zijn aangebeden sujetten op. De Hond's liefde is rijk en uitbundig. Dat maakt z'n boek zoo'n groot genot te lezen - maar menig lezer zal ten leste toch in opstand komen tegen die overdreven verheerlijking van zooveel onbenullige menschen. Intusschen: het Amsterdamsche Ghetto heeft een genre-schilder in De Hond gevonden, zooals het toch tot nog toe niet bezeten heeft".

Geen foto’s dus maar 45 korte verhaaltjes (17 spelen zich af in en om de Jodenbreestraat en 28 op en rond het Waterlooplein). Stuk voor stuk momentopnamen; kiekjes van het dagelijks leven toen.
Of al mijn opnamen uit de werkelijkheid zijn? Ja! Uit de bestaande werkelijkheid? Neen! Uit wat eens bestond. Het zijn typen waarvan de meesten nu in het rijk der gedachtenis zijn”, schreef De Hond.

Achterin zit een ‘verklarende woordenlijst’, want Meijer doorspekte zijn petites-histoires met tal van Jiddische woorden die toen behoorden tot het normale repertoire in het Amsterdamse getto maar ook nog ver daarbuiten door menig Mokummer werden begrepen.
Het Amsterdamsche Ghetto is de moederschoot van het Nederlandsche Jodendom”, schreef Meijer, “Wie in West-Europa het oer-licht van de Joodsche ziel wil opvangen, moet het Amsterdamsche ghetto binnengaan”.
Vele tienduizenden Joden leefden, woonden en werkten er.
De dagelijkse werkelijkheid daar was een stuk minder romantisch dan De Hond beschreef. Talrijke gezinnen, jong en oud, woonden in kelder- of krotwoningen, vaak in donkere vochtige stegen, waar het grauwe wasgoed van gevel tot gevel hing, en het verschrikkelijk kon stinken. Men leefde in of op de rand van diepe armoede. In de talrijke vuilnishopen speelden kinderen. Loslopende honden, katten en ratten zochten er naar etensrestanten. Overdag vulden de straten zich met een druk gekrioel. Handelend, schreeuwend en bedelend volk, op weg naar huis, de sjoel of werk.

Uitzoeke maar!
Zoo je maar biedt!!
Als ik maar cente zie!!
Zoo krom ken je niet bieje!!
Kijk uit je oogen, dan raak je niet bedroge!!
Rommele maar, rommele maar, rommele maar!!
Je mot ze maar proeve!!
’t Binne de laatste!!
Weg d’r mee!!


Men wist niet beter of het zou altijd zo blijven…


Het Waterlooplein anno 2017.
Het plat-Amsterdamse straatgeroep heeft plaatsgemaakt voor het Engels van toeristen op zoek naar het Rembrandthuis. De sfeer wordt bepaald door winkelketens, in de Jodenbreestraat, de rommelmarkt op het Waterlooplein en de megalomane bebouwing van het Amsterdamse stadhuis, de Stopera.
Het Amsterdamse getto is weg, haar voormalige inwoners opgeslokt door de Duitse concentratiekampen en de oude bebouwing geheel (Vlooienburg) of grotendeels gesloopt.
Slechts enkele gebouwen zoals de Portugese Synagoge met zijn beroemde bibliotheek Ets Haim getuigen nog van een roemrijk Joods verleden alsmede vergeelde afbeeldingen en stemmen van ver weg op papier.


Stemmen zoals die van Meijer de Hond die in september 1942 zestig werd en het jaar daarop in juli met zijn vrouw en kinderen vanuit kamp Westerbork op transport ging naar de Duitse vernietigingskampen. Na drie dagen bereikte hij zijn dodelijke eindbestemming, Sobibór (Polen), ver van zijn geliefde Mokumse getto.

Zijn ‘Kiekjes’ ligt hier open voor me.
Of ze bekeken zullen worden? Door hen, die het ghetto niet vergeten willen met liefde. Door hen, die het willen leeren kennen, met nieuwsgierigheid. En als de laatsten meer zullen zijn dan de eerste, dan zullen zij, die zich voor hun ghetto schamen, ze ook weer gaan bekijken, met spijt over zichzelf en naar ik hoop met… bekeering!”.

Ik lees en herlees.
Vaak uit nieuwsgierigheid, soms met schaamte, soms met spijt maar altijd met… liefde.

vrijdag 27 oktober 2017

Dreyfus

Ik bewaar nog altijd ergens mijn oude bewijskaartjes van afgelegde tentamens van mijn studie. Zo weet ik dat ik begin januari 1987 een mondeling tentamen Nieuwste Geschiedenis deed bij docent Bauke Marinus over twee historische persoonlijkheden. Adolf Hitler en Alfred Dreyfus (1859-1935).
De eerst kwam - zover ik mij kan herinneren - nauwelijks ter sprake maar over de tweede heb ik een klein uurtje met Bauke zitten bomen met als resultaat een acht.

De Dreyfus-affaire aan het einde van de negentiende eeuw, over het vermeende verraad van een Joods militair officier, legde een diepgeworteld antisemisme bloot in Frankrijk en verscheurde de natie destijds tot op het bot. Ook internationaal zorgde het verhaal trouwens voor de nodige beroering en ontroering.

Dat alles schoot even door mij heen toen ik een aantal weken geleden op het Waterlooplein bij Jos Albers (wie anders?) voor één euro een pamflet kocht van Émile Zola (1840-1902): “Lettre a la Jeunesse“ (Paris, 1897).
Wie Dreyfus zegt, zegt Zola. Hij was immers de grote pleitbezorger van Dreyfus’ onschuld en tevens auteur van de beroemdste publicatie van de hele affaire: “J’accuse” (op de eerste twee pagina’s van l’Aurore van 13 januari 1898).
Mijn pamfletje, Zola’s eerste publicatie met betrekking tot Dreyfus, verscheen nog vóór die beroemde open brief aan de Franse president Félix Faure (1841-1899) en dat interesseerde (en verwonderde) mij.
Originele exemplaren van dit pamflet worden af en toe aangeboden maar er bestaan ook makkelijk verkrijgbare moderne herdrukken van.
En nu we het toch over pamfletten hebben… Lees ook vooral het artikel van Boudewijn Büch in Maatstaf (jrg. 31, 1983): “Dreyfus in pamfletten uitgevochten?

Alfred Dreyfus; patriot, man van eer, op en top Frans legerofficier (maar Jood) werd ongewild de martelaar van de negentiende eeuw en - na het proces van de eeuw - veroordeeld tot verbanning naar het Duivelseiland (Île du Diable/Frans Guyana).
Vijf jaar later, na zijn gratie (1899) en nog vóór zijn officiële rehabilitatie (1906) zette hij zijn herinneringen op papier in: “Cinq années de ma vie” (Paris, 1901).
Het verscheen hier nog in hetzelfde jaar in achttien aflevering van tien cent per stuk, bij de firma Cohen & Zonen onder de titel: “Vijf jaren van mijn leven (Cinq années de ma vie) 1894-1899” (Amsterdam, 1901). Compleet en gebonden in een fraaie stempelband (van Giltay & Zoon in Dordrecht) kostte het boekje destijds twee gulden en vijfentwintig cent.

De Nederlandstalige uitgave was niet de enige vertaling die in 1901 verscheen.
Het boekje verscheen ook in het Italiaans (“Cinque anni della mia vita“), Spaans (“Cinco años de mi vida“), Hongaars (“Öt év életemből : szenvedéseim az Ördögszigeten töltött rabságom alatt : Dreyfus sajátkezű rajz- és kézírásaival”), Engels (“Five years of my life”), Duits (“Fünf Jahre meines Lebens”), Noors (“Fem Aar af mit Liv“), Pools (“Pięć lat mojego życia“) en zelfs Ladino (“סינקו אנייוס די מי ב׳ידה / Sinḳo anyos de mi vidah”)!
Dat zegt wel iets over de aandacht die de Dreyfus-affaire destijds wereldwijd trok.

Het boekje van Dreyfus is trouwens een wat onevenwichtige samenstelling van diverse onderdelen bestaande uit zijn verhaal opgedragen aan zijn kinderen, dagboekfragmenten, brieffragmenten van - en aan zijn vrouw (saai, want zwaar gecensureerd!) en andere brieven en stukken (waaronder de tekst van het belangrijkste bewijsstuk van zijn schuld; het beruchte zogenaamde ‘borderau’). Daarnaast bevat het een aantal stukken geschreven door Émile Zola (“Artikel van Emile Zola in de ‘Figaro’ van 1 december 1897. Het syndicaat”, “Verklaring aan de jury” (1898), “Het vijfde bedrijf” (1899), en een “Brief aan mevrouw Dreyfus” (1899).
Overigens is de Nederlandse uitgave van Dreyfus: “Cinq années de ma vie” vrij schaars. Momenteel biedt geen enkel antiquariaat het boekje aan, dat ik ooit voor minder dan tien euro kocht.

Uiteraard verschenen er ook fantasievolle, zwaar geromantiseerde verhalen. De meest bekende titel kwam ik alweer enige tijd geleden tegen in mijn kringloop. Het gaat om: “Dreyfus. De Banneling op het Duivelseiland” (Amsterdam, 1931), een colportageroman bestaande uit honderddertig delen (tien cent per stuk)!
Het is een vertaling uit het Duits van: “Dreyfus. Unschuldig getrennt” (Dresden, 1931), geschreven door Eugen von Tegen, een pseudoniem van Marie Blank Eismann (1890-), wiens Keizerin Sissi-romans de grondslag vormden voor de later zo succesvolle Sissi films met Romy Schneider (1938-1982) in de hoofdrol.


Een ander recent verkregen Dreyfus-item in mijn bibliotheek is voor zover ik kon nagaan alleen nog ter inzage in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Het gaat om het speciale “Dreyfus-Nummer van de Wereldkroniek, bevattende: De geschiedenis van de Dreyfus-zaak van den aanvang af, met talrijke Portretten en Illustratiën” (Rotterdam, 1899).
De Wereldkroniek (1894-1970) was een familieblad, door de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag omschreven als een, “een kruising avant la lettre tussen Panorama, Privé en Vorsten”.
Wat deze vroege zwart-wit 'glossy' op groot formaat (41.5 cm. x 30 cm.) bijzonder aantrekkelijk maakt zijn de overvloedige illustraties (portretten, plattegronden tekeningen, facsimile’s etc.).
Op de voorzijde staat de bekende portretfoto van Dreyfus die model stond voor het getekende portret op de eerder aangehaalde Nederlandse uitgave van Cohen & Zonen.


Het blad bevat vijf hoofdstukken; I. Dreyfus, II. Esterhazy (spion en de werkelijke dader in deze affaire!) en Henry, III. Zola, IV. Luitenant-Kolonel Picquart, V. Herstel van recht?, en een chronologische lijst van gebeurtenissen (20-25 september 1894) t/m 7 augustus 1899, met hier en daar niet altijd even zorgvuldige of juiste informatie).

Omdat het verscheen nog voor het revisieproces in Rennes, waar Dreyfus opnieuw schuldig werd bevonden (maar het pardon aanvaarde van de Franse president Emile Loubet), kwam de Wereldkroniek in oktober 1899 met een aanvullend Dreyfus-nummer “dat het revisieproces te Rennes, de hernieuwde veroordeling van kapitein Dreyfus en aanverwante gebeurtenissen met talrijke portretten en afbeeldingen geeft”.
En! Ik lees het goed:
Voor hen, die het 1ste nummer bezitten, is het zeker een begeerde aanvulling”.
Dat wordt nog even verder snuffelen dus...!

vrijdag 13 oktober 2017

Een oude gewoonte


Op de laatste antiquarenbeurs in het Marriott Hotel heb ik vooral veel gekeken en gepraat.
Gekocht heb ik niets... hoewel...
Ik sprak even met Arine van antiquariaat Van der Steur en sprak af dat ik haar zou mailen met wat vragen.
Eén daarvan was de vraag of zij beschikten over het portret van Willem Bilderdijk (1756-1831) door Jan Hulstkamp (1759-1786) uit 1786, met gedicht van Jan Willem Kumpel (1757-1826) wiens lot zo dramatisch verbonden was met Bilderdijk! Het antwoord was positief, er waren zelfs meerdere exemplaren, en één daarvan kwam mijn kant op.
Inmiddels heb ik het portret ontvangen en toegevoegd aan mijn bijzondere exemplaar van "Mijn Verlustiging" (Leiden/Amsterdam, 1781), waarover ik hier schreef. Trouwe lezers van mijn blog weten dat ik dat wel vaker doe met portretgravures en daarom leek het me aardig daarover iets meer te vertellen.

Anders dan vrijwel alle moderne industrieel vervaardigde uitgaven van tegenwoordig was het oude (met de hand vervaardigde) boek nooit standaard.
Tekst, illustraties en band waren aparte onderdelen met hun eigen vaklieden (drukker, graveur, binder). Illustraties werden bovendien door uitgevers vaak gebruikt voor verschillende titels. Daarom vinden we bijvoorbeeld portretten uit Jakobus Kok: “Vaderlandsch Woordenboek (Amsterdam, 1785-1799) ook terug in de "Vaderlandsche Historie..." van Jan Wagenaar (1709-1793).
Een goed voorbeeld van een uitgave die in tal van variaties door de uitgever werd aangeboden (en dan nog door de koper zelf kon worden aangevuld en verrijkt zoals u verderop kunt lezen) is de achttiende eeuwse Amsterdamse stadsgeschiedenis van Jan Wagenaar.

Uitgever en koper bepaalden dus uiteindelijk hoe een boek er kwam uit te zien. Het verrijken van boeken door het toevoegen van (extra) portretten, kaarten of afbeeldingen is in de boekenwereld en bibliofilie een oude gewoonte (NB. lees ook mijn: "Een boek naar eigen smaak").
Engelse boekenvrienden praten dan over een ‘grangerized copy’ naar James Granger (1723-1776) en sommige van zijn navolgers als de Britse Alexander Meyrick Broadley (1847-1916), wiens rijke bibliotheek tal van boeken kende voorzien van honderden extra illustraties, waren daar bepaald handig in!

Voorbeelden van oude uitgaven die door een vorige (vaak de eerste) eigenaar werden verrijkt bevinden zich ook in mijn collectie.

Een zeventiende eeuws voorbeeld is het ingekleurde portret van Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1647) door Reinier van Persijn (ca. 1614-1668), naar een schilderij van Joachim von Sandrart, en met een latijns gedicht van Casparus Barlaeus). Het werd door een vorige bezitter toegevoegd aan de eerste druk van: "Neederlandsche Histoorien, Sedert de ooverdraght der Heerschappye van Kaizar Karel den Vyfden, op Kooning Philips zynen zoon" (Amsterdam, 1642). Bijzonder is dat het contemporain door een goede 'afsetter' werd ingekleurd (let op de glanseffecten in de zwarte mantel en de roze wangetjes!) en dat is iets dat je eerder en vaker tegenkomt bij oude topografische kaarten en historieprenten.

Een ander achttiende eeuws voorbeeld in mijn boekenkast is een los vierde deel (groot folio) van de eerdergenoemde stadsbeschrijving van Jan Wagenaar. Behalve de gebruikelijke platen heeft de koper vier grote portretgravures en acht historieprenten vooral met betrekking op gebeurtenissen in 1787 extra laten inbinden. Verschillende daarvan heb ik eerder besproken zoals het portret van de dappere burger-kapitein Abraham Valentijn uit 1787, het portret van de Amsterdamse burgervader mr. Egbert de Vrij Temminck (1700-1785) en vier afbeeldingen (proefdrukken) van de beruchte begrafenis van de Oranjegezinde Doelist Daniel Raap in 1754.


Maar zoals ik in de inleiding al schreef voeg ik dus ook zelf regelmatig portretten toe aan mijn oude boeken. Dat kan op verschillende manieren.
Bijvoorbeeld; het portret van Jan Fredrik Helmers (1767-1813) door Philippus Velijn (1787-1836), dat ik kocht voor mijn bijzondere uitgave van de "Hollandsche natie in zes zangen" (Den Haag, 1812), is als apart blad tussen de blanco bladen van het voorwerk gezet (met behulp van wat boekbindersstijfsel).
Datzelfde lukte mij met het portret van Adriaan Kluit (1735-1807) niet!
Het formaat van zijn: "Historia Critica Comitatus Hollandiae et Zeelandiae ab Antiquissimis Inde Deducta Temporibus” (Middelburg 1777-1782)", waaraan ik het toevoegde, is immers veel groter dan de portretgravure van Ludwig Gottlieb Portman (1772-1828). Daarom zit zijn portret geplakt op de binnenzijde van het voorplat.


Dat laatste deed ik ook met het portret van Robert Hennebo (1685-1737) door Christian Friedrich Fritzsch (1719-voor 1774) dat ik toevoegde aan de "Verzamelde dicht-werken van Robert Hennebo” (Diverse plaatsen, 1767), waarover u hier kunt lezen. Dit portret werd destijds los verkocht voor zes stuivers, “Om door de liefhebbers by de GEDICHTEN en SCHIM van HENNEBO te kunnen gevoegd worden” (Leydse courant van 6 mei 1767). Een oude gewoonte dus, dat toevoegen van portretten!


Een portret dat nadrukkelijk wél voor een specifieke uitgave werd vervaardigd is de afbeelding van Johannes Florentius Martinet (1729-1795) door Reinier Vinkeles (1741-1816) uit 1778. Op de gravure is rechtsboven 'IV.D. Pl.7' te zien. Het is een verwijzing naar het vierde deel (plaat 7) van zijn “Katechismus der natuur" (Amsterdam 1778-1779). Ik plaatste mijn exemplaar in zijn "Huisboek voor vaderlandsche huisgezinnen” (Amsterdam, 1793), zoals u hier kunt lezen.


Twee publicaties in mijn bibliotheek waarover ik nog niet schreef maar waaraan ik ook auteursportretten toevoegde zijn:
A. De afbeelding van Mr. Jacobus Scheltema (1767-1835) in 1818 gegraveerd door Jacob Ernst Marcus (1774-1826) aan zijn: "Geschied- en Letterkundig Mengelwerk" (Amsterdam, 1818-1836) en:
B.  De afbeelding van Simon Styl (1731-1804), door eerdergenoemde Reinier Vinkeles, aan: "De opkomst en bloei der vereenigde Nederlanden" (Amsterdam/Harlingen, 1778). 


En nu dus, als voorlopige laatste, Bilderdijk.
Wederom Bilderdijk moet ik zeggen, want het is mijn tweede portret van deze 'gefnuikte arend' dat ik aan een oude uitgave toevoeg. Zoals ik in: "Collectievorming" beschreef heb ik een ander Bilderdijk-portretje, gegraveerd in 1819 door Hendrik Willem Caspari (1770-1829), geplakt in zijn vroeg negentiende eeuwse bewerking van: “Joannes Antonides v.d. Goes, Gedichten, met ophelderende aanteekeningen” (Leiden, 1827-1836).


Dat portretje zou trouwens, evenals vele andere portretten van Bilderdijk, bepaald misstaan hebben in zijn erotische debuut "Mijn Verlustiging". Wat mij betreft kwam alleen het portret van Jan Hulstkamp daarvoor in aanmerking al was het maar omdat Bilderdijk dit portret typeerde als; "een Wildeman, het dolhuis uitgevlogen".
Bilderdijks weinig vleiende opmerking werkte voor mij natuurlijk als een aanbeveling! Immers; alleen die Bilderdijk schreef erotische poëzie en niet de man die we op talrijke andere portretten zien als geleerde advocaat, gezaghebbend taalkundige of eerzaam schrijver.


Hieruit blijkt wel dat ik niet elk portret zo maar aan een uitgave toevoeg. Het moet zoveel mogelijk contemporain zijn en gevoelsmatig ‘passen’. Zo heb ik nog geen auteursportret kunnen plaatsen in mijn exemplaar van: "Gedichten, van J. Antonides vander Goes” (Amsterdam, 1685).
Niet omdat de afbeelding van Antonides van der Goes niet verkrijgbaar is, vooral de prent gegraveerd door Pieter van Gunst (ca. 1659-1731) is antiquarisch ruim voorradig, maar omdat ik uitsluitend de afbeelding gegraveerd door Jacobus Gole (1665-1724) vind passen. Alleen dat portret komt nog wel eens voor in eerste druk uit 1685 terwijl het portret door Van Gunst pas verschijnt in de derde druk van al zijn gedichten (1714)

Het toevoegen van extra illustraties aan oude boeken, waaronder portretten, mag dan een oude gewoonte zijn; ik ken (nog) geen andere bibliofiele medeverzamelaars die doen wat ik doe. U wel?