vrijdag 2 december 2016

Plakken in het openbaar


Onder de talloze herbergen die de “Nederlandsche stad – en dorp-beschrijver” (Amsterdam, 1793-1801) noemt zijn ook “De Vijfhoek” en “’s Lands Welvaaren” in het Gein (thans een woonwijk in Amsterdam Zuidoost).
Van veelen wordt de eerstgemelde herberg, het rechthuis genoemd, schoon zij zulks in geene deele zij; alleenlijk heeft zij die naam verkregen, om dat voor de puie van dezelve gemeenlijk alle waarschouwingen en ordonnantiën van Poldermeesteren, en dergelijke openbaare aankondigingen aangeplakt worden”.

Deze situatie kwam in vroeger eeuwen vaker voor omdat de dorpsherberg niet zelden ook de vergaderplaats was voor de verschillende lokaal bestuurlijke organen.
In mijn woonplaats Amstelveen (tot 1964 gemeente Nieuwer-Amstel) was dat tot diep in de twintigste eeuw niet anders.

In het dorp Amstelveen verrees begin zeventiende eeuw ‘een steenen rechtcaemer’ gebouwd en betaald (!) door de Amstelveense schout Cornelis Dircsz. Casimiris.
U mag van mij aannemen dat ook daar, tussen alle rechtspraak door, regelmatig werd gedronken.
Een mooie achttiende eeuwse afbeelding van dit “Rechthuijs tot Amstelveen” vinden we in: “Spiegel van Amsterdams zomervreugd, op de dorpen Amstelveen, Slooten, en den Overtoom” (Amsterdam, z.j. ca. 1727-1730), een boek met tal van aardige dorpsgezichten dat ik hier eerder heb besproken.


Waar het mij nu om gaat is dat naast de deur van dit rechthuis (op de prent geheel rechts) een houten pui te zien is waar openbare bekendmakingen van het (lokale) bestuur, zogenaamde plakkaten en ordonnantiën, konden worden opgehangen.
Een praktijk die tot op de dag van vandaag heeft standgehouden! Al heet ons huidige lokaal bestuurlijk centrum geen rechthuis meer, maar gemeentehuis; nog steeds kan men nabij de ingang een vitrinekast vinden met bekendmakingen van Burgemeester en Wethouders! Daarnaast kent elke gemeente wel zijn met affiches volgeplakte openbare plakzuilen (‘peperbussen’) en mobiele ‘plakgevels’ gedurende verkiezingsperioden!


Nieuwer-Amstel was tot ver in de vijftiger jaren van de vorige eeuw boeren polderland. Om iedereen in de ‘buitengebieden’ snel te informeren waren er daarom buiten de bewoningskernen her en der ook aanplakkastjes langs doorgaande wegen opgesteld, zoals bijvoorbeeld op de Amstelveense weg hoek Kalfjeslaan (oude benaming het ‘Lange Loopveld’), thans de grens tussen Amsterdam (Buitenveldert) en Amstelveen. Wat hing daar zoal?


Trouwe lezers weten wel dat mijn ‘private library’ ook een bescheiden collectie ‘archivalia’ bevat. Enkele voorbeelden daaruit heb ik al eens besproken zoals hier, hier en hier.
In een zuurvrije omslag bewaar ik een flink pak met enkelbladige gedrukte en soms met de hand nader ingevulde of bijgewerkte openbare aanplakbiljetten uit mijn woongebied. Het grootste gedeelte is drukwerk uit de negentiende eeuw (vanaf 1820) en twintigste eeuw (tot 1939).
Antiquarisch is het schaars goed. De oplages waren beperkt en het was drukwerk dat, op een enkel archiefexemplaar na, niet werd bewaard.

Stuk voor stuk zijn het typische voorbeelden van wat men destijds kon aantreffen op de eerdergenoemde publieke aanplakborden en –kastjes.
In de negentiende eeuw gaat het vooral om een: ‘Oproeping’, ‘Publicatie’, ‘Bekendmaking’, ‘Waarschouwing’, ‘Kennisgeving’, ‘Schouw’, gedrukt of grof papier, groot formaat (plano) en met vetgedrukte kop in kapitaal. Ze zijn op een enkele uitzondering na allemaal namens de burgemeester en ‘assessoren’ (wethouders) uitgevaardigd en daarom bovenaan voorzien van het gemeentewapen.


Mijn twintigste eeuwse exemplaren zijn allemaal afkomstig van diverse polderbesturen, zonder gemeentewapen en wat de kop of het onderwerp, betreft meer ‘to the point’.
Het gaat dan om bijvoorbeeld: ‘Begrooting’, ‘Publieke verpachting’, ‘Oproeping voor…’, ‘Vaststelling van…’, en ‘Kohier van den omslag’. Soms op groot formaat maar ook vaak op een A4 formaat alleen 5 centimeter langer.


Drukker van het gemeentebestuur van Nieuwer-Amstel in de eerste helft van de negentiende eeuw was ene J.M. Schut. In de Nederlandsche Staatscourant van 31 juli 1820 vond ik een berichtje waaruit blijkt dat hij ook ‘chits- en gemarmerd papier’ maakte en dat zijn bedrijfje was gevestigd aan de Overtoom, ‘op Winterdorp’ (een huis op nr. 385), wijk 8, no. 91, gemeente Nieuwer-Amstel (vanaf de annexatie in 1896 Amsterdam).

Er waren meer drukkers die dergelijk drukwerk vervaardigden. De onderstaande ‘Beschouwing en bekeuring’ van de poldermeesters van de Binnendijkse Buitenveldertse Polder uit 1826 werd gedrukt in Amsterdam “bij Schalekamp en van de Grampel op den Nieuwenzijds Voorburgwal in de Zwarte Hen”.


Eind negentiende eeuw is dit polderbestuur overgestapt naar een groter bedrijf. Onder een ‘Oproeping’ gedateerd 30 maart 1899 staat dan: Ipenbuur & Van Seldam, Damrak 48 en 54 (en later, Singel 91). Mijn vroeg twintigste eeuwse aanplakbiljetten vermelden vaak niet meer de naam van een drukker. Een uitzondering is een ‘Keur’ van het college van het dagelijks bestuur van de Buitendijkse Buitenvelderse polder uit 1905) waaronder ik de naam aantrof van de “Typ. Snelpersdrukkerij Gebr. Gimbel, Overtoom 354, Amsterdam”.


Ik schreef al dat sommige exemplaren met de hand zijn ingevuld of bijgewerkt.
Bij jaarlijks terugkerende mededelingen liet de drukker bepaalde gedeelten blanco (bijvoorbeeld jaartallen). De desbetreffende functionaris vulde met een pen de actuele gegevens in.
Met name onder het drukwerk uitgegeven in de twintigste eeuw door polderbesturen zitten bijgewerkte exemplaren. Zeer waarschijnlijk zijn dit (dubbele) archiefexemplaren geweest die met pen werden geactualiseerd om als voorbeeld te dienen voor de drukker.
Vaak staat in de kop: ‘Proef’ (s.v.p. graag een proefdruk!) en soms, zoals bij de afgebeelde ‘Publieke verpachting’, ook de krant(en) waarin het bericht moest worden opgenomen.


Zoals u kunt lezen werd er nog steeds veel vergaderd in de kroeg. Het ene jaar in ‘Het Dorstig Hert’ (c.q. 'Mej. de Wed. C.J. Werkhoven') en het jaar daarna in ‘Het Wapen van Nieuwer-Amstel’. Sommige dingen moet je niet willen veranderen.

donderdag 17 november 2016

Vrouwenemancipatie anno 1793


Hört, Leute, folgendes sagt Susarion:
Ein Übel sind die Frauen.
Ein Übel ist aber auch ein Haus ohne Frau.
Verheiratet oder nicht verheiratet zu sein
ist also gleichermaßen von Übel”.

Mijn collectie ‘old and rare’, zeg maar alles wat vanaf de zestiende tot en met negentiende eeuw is gedrukt, bestaat vrijwel geheel uit in Nederland verschenen uitgaven.

Slechts bij uitzondering (en niet zonder goede reden) waag ik mij aan oude uitgaven gedrukt in het buitenland. Een voorbeeld daarvan is een Franse erotische verzamelbundel gedrukt in Parijs in 1775 met een bijzondere provenance, waarover ik niet lang geleden schreef.

Sinds kort is daar een Duitse publicatie uit de achttiende eeuw bijgekomen.
Het gaat om een boek van Theodor Gottlieb von Hippel (1741-1796), schrijver maar ook Stadtpräsident van Königsberg (thans Kaliningrad/Rusland).
De titel luidt: “Über die Ehe” (Berlin, 1793). Het is de vierde en laatste editie van dit werk over het huwelijk die nog tijdens zijn leven (telkens anoniem) verscheen bij de befaamde Vossische Buchhandlung in Berlijn.
Lange tijd heeft men zich afgevraagd wie de auteur was van het “vortrefflichen Schrift”.
Zelfs Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) werd even in de 'whodunit' discussie genoemd als mogelijke auteur! Pas vele jaren later, na Hippels dood, verklapte zijn vriend Johann George Scheffner (1736-1820) het geheim.
Er bestaan overigens diverse, ook moderne, herdrukken van (evenals een gratis Ebook).

Mijn exemplaar zit in een eenvoudig bruin gespikkelde kartonnen band. Op de titelgravure en een titelvignet na (van de Pools/Duitse etser Daniel Chodowiecki (1726-1801), 'inv.' en uitgevoerd door Johann Friedrich Bolt (1769-1836), 'del.') is deze uitgave (VIII, 501 blz.) niet geïllustreerd. Onder de titel heeft een vorige eigenaar de naam van de auteur geschreven, ‘von Hippel’.




















Ik moet eerlijk toegeven dat ik – net als u - nog nooit had gehoord van Theodor Gottlieb von Hippel.
Het was dan ook de titel: “Über die Ehe” die mijn nieuwsgierigheid wekte toen ik het boekje op Marktplaats tegenkwam en die mij deed denken aan de desbetreffende hoofdstukjes in de ‘huisboekjes’ van Martinet en Voigt die ik eerder beschreef.

Ik besloot er vijfentwintig euro voor te bieden en verwachtte niet dat ik het voor dat bedrag ook zou krijgen. Ondertussen had ik namelijk na drie muisklikken al geconstateerd dat vergelijkbare exemplaren in het Duitse antiquariaat tussen de honderdvijftig en tweehonderdvijftig euro moeten kosten.
Maar de verkoper (“…ik ben uiteraard geen kenner!...”) ging akkoord en zo belandde deze uitgave bij Perkamentus. Vermoedelijk ben ik in Nederland nu - samen met de bibliotheek van de Radboud Universiteit in Nijmegen - de enige die over een exemplaar van deze uitgave uit 1793 beschikt.

Terwijl de koop zich afspeelde verrichtte ik mijn gewoonlijk onderzoek naar de auteur en de titel. Zodoende kwam ik er al snel achter dat dit boek - en juist de editie van 1793! - om zijn inhoud en betekenis een bijzondere plaats inneemt in de geschiedenis van de vrouwenemancipatie.

Theodor Gottlieb von Hippel was namelijk een belangrijke vroege voorvechter van de toekenning van gelijke rechten voor vrouwen. Dat hij thans vrijwel vergeten is komt mede omdat hij langzaam maar zeker in die rol is gegroeid. Dat is vooral goed te zien lezen in de opeenvolgende edities van: “Über die Ehe”.


























In de populaire eerste uitgave uit 1774 is daar namelijk nog geen spoor van terug te vinden (“Von einem Vorkämpfer für die Rechte der Frauen ist hier nichts zu spüren”).
Integendeel, zijn blik op het huwelijk en de rol van de vrouw daarin verschilt niet significant van de wijdverbreide patriarchale chauvinistische en vrouwonvriendelijke ideeën van zijn mannelijke tijdgenoten. Een voorbeeld daarvan is zijn weinig vleiende blik op weduwen die in alle edities niet zou veranderen:

Was ist eine Wittwe mehr al eine halb verwischte Schilderei, ein umgewandtes Kleid, ein aufgewärmtes Essen, eine Perücke statt eigenes Haars, eine Tulpe, die den Schlüssel verloren hat uns sich mehr zuschliessen läßt?” (blz. 457/458).

Onder invloed van met name Franse verlichtingsidealen en filosofen als Jean Jacques Rousseau (1712-1778) en de Marquis de Condorcet (1743-1794) veranderde Von Hippels denken en ideeën over vrouwen en vrouwenrechten significant.
Dat bleek al gauw uit een andere uitgave van hem getiteld: “Über die bürgerliche Verbesserung der Weiber” (Berlin, 1792), waarin voor die tijd ongehoorde ideeën en inzichten stonden over de burger- en mensenrechten die ook voor vrouwen zouden moeten gelden!
Toen een jaar later de vierde vermeerderde oplage van “Über die Ehe” verscheen bleek andermaal hoe groot de metamorfose was die zich bij hem had voltrokken.

Neem bijvoorbeeld het vijfde hoofdstuk: “Über die Herrschaft in der Ehe”, waarin Von Hippel in de eerste uitgave nog had betoogd dat de man in het huwelijk de leidende rol toekwam omdat vrouwen daartoe van nature niet - noch in het huwelijk noch in staatszaken - in staat waren; zo schreef hij in de editie van 1793 dat vrouwen en mannen gelijke rechten zouden moeten hebben! Bovendien meende hij dat juist vrouwen over bijzondere kwaliteiten en vaardigheden beschikten die haar bekwaam zouden maken voor de leiding in staatszaken!

Es ist schwer zu begreifen, warum es an Planen zur bürgerlichen Verbesserung des schönen Geschlechtes gefehlt hat, da man jetzt allgemein von Menschenrechten und bürgerlicher Freiheit spricht, da es bei dieser Verbesserung keines Laternenpfahls bedarf, und da diese Verbesserung die öffentliche Wohlfahrt des Staates in einem hohen Grade, sowohl in Hinsicht der Kultur als der Moralität, befördern würde. Man meinet aber unter Menschenrechten nichts anders, als Männerrechte…!” (blz. 264/265).

Tegenwoordig wordt Von Hippel gezien als een zeer vroege - en in het Duitsland van de achttiende eeuw leidende - pionier op het gebied van de vrouwenemancipatie.
Zowel “Über die bürgerliche Verbesserung der Weiber” als “Über die Ehe” uit 1793 zijn inmiddels klassieke teksten geworden uit de bibliotheek van de Europese vrouwenrechtenbeweging.

vrijdag 4 november 2016

Bidden bij onweer

Bent u ook bang voor onweer?
Ik zeker niet. Gefascineerd kan ik voor het raam staan kijken naar de bliksem.
En ’s nachts in bed voelt het - met donder en bliksem buiten - extra veilig, warm en aangenaam.

Enige tijd terug arriveerde in huize Perkamentus een opmerkelijke uitgave die goed past in mijn groeiende collectie bizarre boekjes. Wellicht moet ik ooit nog eens een Nederlandse versie schrijven van: “Bizarre Books. A compendium of classic oddities” (New York, 2007)!

Het gaat om het “Handboekje over het Onweder. Bevattende Onderrigtingen, Behoedmiddelen en Gebeden” (Venlo, 1887).
Het is een kerkelijk goedgekeurde publicatie uitgegeven door J. Sauren (rector aan het St. Maria Hospitaal te Keulen) en vrij vertaald door ‘P(ater)SdM’. De oorspronkelijke uitgave verscheen in 1886 (Salzburg) onder de titel: “Gewitterbüchlein, enthaltend Belehrungen, Schutzmittel und Gebete”.

Zoals u kunt zien zit mijn exemplaar in zijn originele lichtgroene kartonnen uitgeversbandje met op de voorzijde titel- en publicatiegegevens en op de achterzijde reclame van de uitgeverij. Ook aanwezig op de voorzijde is een stempel van het department van Justitie, afdeling auteursrecht (uit wiens archief dit exemplaar kennelijk komt).
























Op de titelpagina treffen we hetzelfde stempel nogmaals aan evenals twee belasting(zegel)stempels. Dwars op de titelpagina staat in goed leesbaar handschrift de volgende aantekeningen:

De ondergetekende, wonende te Venlo verklaart dat dit werkje door haar is uitgegeven den 17 juni 1887 en op hare te Venlo gevestigde drukkerij is gedrukt.
Venlo 22 juni 1887.
Firma Wed. H.H Uyttenbroeck.
Eigenaar H.H.H. Uyttenbroeck
”.

Geheel onderaan de titelpagina staat: “Geregistreerd (zie ommezijde)”.
Op de versozijde staat vervolgens:

In duplo geregistreerd te Venlo, twee en twintig juni 1800 zeven en tachtig, deel 30 folio 10 recto, vak 7. Een blad zonder renvooi ontvangen (een gulden twintig) lees: voor recht een gulden twintig cent.
ƒ 1.20 De ontvanger J. van Blarkom
”.


De auteur schrijft in zijn voorwoord: “Wij meenen door de uitgave van dit werkje eenen nuttigen dienst te bewijzen, vooral voor die plaatsen, waar de vereering van den H. Donatus weinig of zelfs geheel niet bekend is”. En tot slot: “Moge het gebruik van dit boekje vele Christenen bij het onweer geruster maken en hun de goddelijke bescherming ruimschoots schenken”.

Het boekje bevat hoofdstukjes over het onweer beschouwd vanuit een natuurwetenschappelijk standpunt en vanuit het godsdienstig standpunt.
Vervolgens gaat het over de natuurlijke (bliksemafleider!) en godsdienstige ‘behoedmiddelen’ tegen onweer, zoals het luiden van de kerkklok en het aanroepen van je beschermengel. Daarna volgen de gebeden voor Priesters (in het Latijn en Nederlands) en de gebeden bedoeld voor alle gelovigen.
Tot slot is er een gedeelte met wat te doen na een onweer (lofzang zingen, psalm 148 lezen en een passend gebed doen).


De Rooms-katholieke beschermheilige om wie het bij onweer en bliksem allemaal draaide was de Romeinse legionair Donatus van Münstereifel (geboren rond 140 en overleden vóór 180 na Christus). De oudste bedevaartplaats van Donatus in Nederland is Reek (thans gemeente Landerd, provincie Noord-Brabant) waar vooral in de tweede helft van de negentiende eeuw een bloeiende Donatus verering bestond, zoals blijkt uit dit krantenbericht uit 1876.


Reek maakt wat mij betreft een goede kans als het gaat om de herkomst van een ander Donatus curiosum dat ik voor twee euro via Marktplaats bemachtigde en in mijn boekje bewaar.

Het strookje handgeschept papier van 13 cm. bij 6 cm. lijkt een uitgeknipte boekillustratie te zijn maar ik denk dat het gaat om een zogenaamd ‘donatus-briefje’, dat tot dezelfde categorie drukwerk behoort als devotieprentjes ('santjes') en bidprentjes.

















De ets werd een aantal keer op één papiervel afgedrukt om vervolgens per stuk te worden afgeknipt en verkocht aan pelgrims.
Die konden het papierstrookje dan langs het beeld of de relieken van de heilige Donatus strijken en het als herinnering aan hun pelgrimage, en ter bescherming tegen onweer thuis, meenemen. Van dergelijk efemeer en zeldzaam devotioneel Donatus drukwerk zijn mij slechts enkele andere (onderstaande) voorbeelden bekend uit België (“Ce billet a touché les Reliques de St. Donat, dans l’Eglise des P.P. Capucins a Arlon”!).


Het versje naast de afbeelding van de geknielde heilige op mijn ‘donatus-briefje’ heb ik overigens niet in mijn boekje teruggevonden en ook niet in ouder bewaard gebleven drukwerk, uitgegeven door de broederschappen van de Heilige Donatus (zie hier en hier).
Mogelijk gaat het om een variant op een andere ‘weerspreuk’ zoals: “Sint Donatus kijk op ons neer en bescherm ons tegen onweer”. Wat ouderdom betreft doet dit curiosum achttiende eeuws aan, maar gezien de moderne spelling vermoed ik eerder dat het om negentiende eeuws drukwerk gaat.

Ik vond op internet slechts één verwijzing naar een boek waarin exact hetzelfde versje wordt gebruikt.
Het gaat om een passage uit een thans geheel vergeten antikatholieke sensatieroman ‘uit het priesterleven’, geschreven door W.A. Paap (1856-1923): “De kapelaan van Liestermonde” (Amsterdam, z.j., blz. 14):

Hy (deken Vrancken) dronk nog eens van zyn thee en hernam
- Wel, wat wordt dat ineens donker! Zou het onweer loskomen?
- Het ziet er erg naar uit, antwoorde Heynsberg.
- Dan steek ik een kaars aan. Ik weet niet of u het doet, mynheer Heynsberg, maar bij onweer brand ik altyd een kaarsje ter eere van den heiligen Donatus.


Uit een lade van het buffet nam hij een gewyde kaars, een kaars dus van echte byenwas, waarover hy reeds vroeger, om haar te wyden, gebeden gestort, water gesprenkeld en kruisjes gemaakt had, stak haar aan en prevelde:


‘In onweer, stormen en gevaar
Bescherm ons Christi Martelaar’”.