vrijdag 27 december 2013

Holy Ground

Ever been in Amsterdam?
As in every European city there is much to see. Beautiful old buildings, the historic canals (Amsterdam is one of the cities called ‘Venice of the North’!) lots of museums, history and art. For booklovers there are some great old book shops and flee-markets. People are friendly, and - guess what? - with few exceptions everybody speaks English too!

Especially in the summertime it can be very busy and crowded. For some attractions like the Van Gogh museum or Anne Frank House it really doesn’t make any difference. Summer- or wintertime, there’s always a long queue of waiting visitors.
If you are stuck in one of those and you are tired of waiting, tired of crowded places, tired of seeing too much in a time too short. If you need some time to rest, a place where your mind can get some peace, let me take you to a more silent and forgotten part of the town.


Let’s go to the Oudezijds Achterburgwal and take a look at this old gate, the ‘Oudemanhuispoort’ (‘Old-Man-House-Gate’ or in short ‘The Gate’). The complex behind dates from 1602 was rebuilt several times and originally housed poor old men and women but in 1880 the University of Amsterdam moved in. A century before the corridor along the south façade of the building was turned into a covered passageway (just behind this gate) with eighteen little shops for rent. They were called ‘winkelkasten’ (‘winkel’ = shop and ‘kasten’ = cabinet) because the niches were too little for a shop and too big for a cabinet.

Luxury items were sold here, like jewelry and precious metals. These articles gave the passage for a short time the allure of a grand shopping street. In 1879 the nearby ‘Botermarkt’ (Butter market), now Rembrandt Square (with his bronze statue) was shut down and the book merchants, called ‘book Jews’ because most of them being of Jewish religion, had to move to another place. Many restarted their book business in one of the ‘winkelkasten’ in The Gate.


Undoubtedly the most famous 'book Jew' was Barend Boekman (1869-1942). January 21st. 1939 he celebrated together with his colleagues his seventieth birthday in The Gate, along with his fiftieth anniversary as a book trader there. But happy times in Mokum, the Jewish nickname for Amsterdam, were not to last.
By the end of that year World War II started and in May 1940 Germany occupied the Netherlands. Jews were excluded from Dutch society and it became impossible for Jewish merchants to continue their business. Prosecutions started, daily roundups followed and bounty hunters roamed the city. More than 100.000 Dutch Jews were deported to the German concentration camps and never returned. Among them Barend Boekman and his wife. Both died in the gas chambers of Auschwitz on September 14th. 1942.

A Dutch Jewish bookseller who survived the Second World War was Menno Hertzberger (1897-1982) one of the founding fathers of the International League of Antiquarian Booksellers (ILAB) and the Dutch Association of Antiquarian Booksellers (NVvA).
Ten years after the War ended Hertzberger published a small book, by F.J. Dubiez; “Barend Boekman van de Oudemanhuispoort” (Amsterdam, 1955), to commemorate this colorful person. It is a limited edition of only 100 copies and some years ago I was lucky to find number 73.
It’s by far not the most expensive book in my library, it has no luxury binding and no color illustrations. It’s not fancy at all but still it’s one of my favorites, a wonderful and vivid memory of the 'book Jew' Barend Boekman and his time.


As Dubiez aptly wrote: “With the passing of Boekman and his colleagues from The Gate , something was lost. A specific atmosphere. An atmosphere indispensible for the true book-lover and -collector. It’s something he can’t live without and doesn’t want to miss because he needs it”.

Times changed, peoples changed, almost everything changed.

In my teenage years, the seventies, there were still booksellers in The Gate. Sometimes no less than six or seven of those little shop cabinets were open, and then there was of course the famous shop of Pfann; “In 't Oude Boeckhuys” ('In the Old Bookstore’).


Pfanns’ little shop started in 1924, just outside the passage, in the open part of The Gate near the Oudezijds Achterburgwal (take a look at the illustrations). Founding father of this family of book- and print sellers was Hendrik Daniel Pfann I (1889-1957).

Everybody knew Pfann.
Like Boekman he was a very colorful person, with wild black hair and big mustache, always wearing his long velvet coat, jaunty flambard or black bowler hat. He was a teetotaler, didn’t smoke and wasn’t Jewish either (a novelty in The Gate!) but instead an active member of the Salvation Army. In 1949 Pfann celebrated his silver jubilee in The Gate.
According to Dubiez he was “not only a bookseller but also a passionate collector and an equally large book connoisseur as the old Barend Boekman”. Pfann was the last of his time, the last old book trader in The Gate. “When this last great figure is gone”, Dubiez wrote, “when this last significant bookseller has disappeared from The Gate, a sympathetic and romantic past has come to an end”. That moment finally came in 1981.


Times changed, peoples changed, almost everything changed.

What is left are my memories and black and white postcards from the fifties, sixties and seventies next to some artist impressions by Anton Pieck (1895-1987), one being a ‘Dickens’ fantasy, the other more realistic.

Nowadays The Gate is a somewhat dim and windy passageway. If your lucky there are two or three book niches open (one of them specialized in cookery books). But most of the time it’s just an empty passage for University Law student and some peace seeking tourists like you.

For me it’s a very special place. Here, more than forty years ago, I was infected with Bibliophilia, a ‘Gentle Madness’. It’s also a place full of memories and important in a cultural- and (book) historical sense.

Be silent for a little moment take a deep breath and relax, this is Holy Ground.

vrijdag 20 december 2013

Stoute schoenen



Vlak nadat ik in december 2010 schreef over mijn nieuwe aanwinst; de Chinese (zwarte) editie van het beroemde SHV-jubileumboek van Irma Boom en er wat doorheen bladerde dacht ik bij mijzelf; ‘waarom niet?’.
Waarom niet de stoute schoenen aangetrokken en een e-mail sturen aan Irma Boom’s kantoor in Amsterdam, met de simpele vraag of zij misschien vijf minuten tijd heeft om mijn ‘Black Pearl’ te signeren? Mijn e-mail werd destijds weliswaar positief ontvangen maar het zou er door haar drukke agenda nooit van komen.

Maar gisteren, donderdag 19 december, deed zich een nieuwe kans voor.

Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam organiseerde een namiddag met Irma Boom en Victoria Zaborov. Eerst zou Boom een lezing houden getiteld “The Book as Architecture or Art”. Daarna was er een vraaggesprek met mijn twitter-kennis Victoria Zaborov, die onlangs in Leiden op Irma Boom is gepromoveerd, en vervolgens een signeersessie voor kopers van Boom’s geactualiseerde mini oeuvre catalogus.
Die laatste (genummerd en gesigneerd) had ik al enige tijd terug via Victoria kunnen kopen want die was in Parijs bij de opening van Boom’s overzichtstentoonstelling “L'architecture du livre” (Institut Néerlandais) en had een exemplaartje voor me meegenomen.

Aldus meldde Perkamentus zijn komst, trok zijn stoute schoenen aan, en nam zijn eigen ‘boekie’ mee…

Tijdens de boeiende lezingen bleek al heel gauw dat Irma Boom anders dan Victoria Zaborov haar boeken zeker niet ziet (of wil zien) als ‘Art’. Dat zette een streep door mijn plan om haar te vragen mijn boek te voorzien van de quote “This is a piece of Architecture and Art”. De laatste twee woorden vervielen.


En zo, geachte collega bibliofielen, beschik ik nu over een exemplaar van een bijzonder boek met een door Irma Boom geschreven tekst en handtekening. Ziet u wel?
U hoeft mij niet te e-mailen om toe te geven dat u (natuurlijk 'een klein beetje') jaloers bent want dat weet ik 200% zeker!

vrijdag 6 december 2013

Boekenland


Wie gek is op prachtige gedetailleerde fantasiekaarten moet even kijken op de website van Atelier Martijn Kessler. Als ik nog eens veel geld heb laat ik er een maken van het Nederlandse (oude) boek-landschap. Wordt geen grote kaart, is maar een klein wereldje (en wordt steeds kleiner)”.

Dit was mijn reactie een paar weken geleden bij het Artistiek Bureau van Nick ter Wal op het stukje ‘Keuterland’ waarin hij sprak over zijn voorliefde voor imaginaire kaarten of fictieve cartografie.
Of het toeval is laat ik gaarne over aan het oordeel van mijn lezers maar toen ik afgelopen week Marktplaats afstruinde trof ik een ongekleurde imaginaire kaart aan met een voor boekenliefhebbers wel heel aansprekende titel: “Kaart van Boekenland”.
Door bestudering van de diverse detailfoto’s die bij de advertentie stonden rees bij mij het vermoeden dat het ging om een stukje handwerk. De hoofdletters leken mij gekalligrafeerd en de overige tekst (topografische namen e.d.) ingetypt. Helaas was de korte tekst rechtsonder, waar ik de kunstenaarsnaam en een jaartal vermoedde, niet goed leesbaar. Ik bood tien euro exclusief verzending.

Ondertussen begon ik mijn onderzoek naar de toekomstige aanwinst en typte op Google het trefwoord ‘Boekenland’ in. Tot mijn verbazing vond ik al vrij snel een gekleurde versie van dezelfde kaart in de webshop van Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam “uitgegeven te ’s-Gravenhage tijdens de bezettingsjaren ‘Aangeboden door Boekhandel A. Koens’; naar een Duits voorbeeld uit 1938 door Alfons Woelfle”.


Een reproductie van de kaart kost daar op origineel formaat € 28,95 (zonder lijst) dus teveel had ik voor mijn ingelijste exemplaar zeker niet betaald. Desondanks bekroop mij een gevoel van lichte teleurstelling dat ik kennelijk niet een uniek exemplaar had gekocht.
Dat zou echter iets anders uitpakken.

Door de beschrijving bij de reproductie kwam ik op het spoor van de illustrator en boekkunstenaar Alfons Wölfle (1884-1951) die in 1938 deze “Karte des Bücherlandes” tekende. Over de ontstaansgeschiedenis vond ik het volgende:

"Der 1884 in Freising geborene Alfons Woelfle, bekannt als Buchillustrator, Maler und Mitarbeiter bei der ‘Jugend’ und beim ‘Simplicissimus’, kam im Jahre 1938 ins Haus des Münchener Verlegers Dr. Ernst Heimeran mit einer nachgezeichneten Barockkarte über das Thema ‘Land der Liebe’.

Dr. Heimeran hatte grosse Freude an der Art des Werkes, konnte sich aber nicht entschliessen, die Nachzeichnung einer schon vorhandenen Karte zu veröffentlichen. Im Gespräch mit Woelfle kam er aber auf ein neues, noch nie aufgegriffenes Thema: das Land der Bücher.
Es begann nun, im Wetteifer mit Woelfle, im Verlag ein lustiges Überlegen, und jeder steuerte etwas bei - es ging zu wie bei einer richtigen grossen Familienbastelei.


Zum Schluss war die unterhaltsame, unter Sammlern sehr beliebte Gattung der Phantasiekarten ein neues Gebilde vermehrt, das vollendet in den allen beschwingten Einfällen offenen, humorvollsten und kauzigsten aller deutschen Verlage passte. Im Kernpunkt der 25 x 35 cm messenden handkolorierten Karte liegen die Vereinigten Buchhandelsstaaten mit der Provinz Antiquaria, vor deren Grenzen bedenklich nahe die Schleuderer und Ramscher siedeln. 


Die Hauptstadt heisst Officina, zu deren von Lektoren bemannten Wällen ein sehr schmaler Autorenpfad hinaufführt. Im angegliederten Land Makulaturia ragen die Pyramiden der Ladenhüter hoch in die Luft. Um das Kernland des Buchhandels lagern nacheinander drei Staaten: im Süden das Reich der hohen Poesie, das sinnigerweise den Umriss einer meerumrauschten Leier hat, und vor dem die Flachländer der Massenschreiber und der Rezensenten sich ausdehnen, zum Teil bis in die Republik der Leser mit ihren noch unerforschten Absatzgebieten hinein. Nach Norden folgen die Zonen der materialliefernden Tintenseen und Zellulosewälder, während im Osten die bibliophilen Erlesenheiten als Inseln aus dem Meer der Neuerscheinungen ragen.

Eine kleine Reise durch die assoziationsreichen Landschaften dieser Karte, die spielerisch ‘Geographie’ und Literatur durcheinandermischt, bietet dem Bücherfreund allerlei ergötzliche Überraschungen. Für den Liebhaber der Musik stellte Wolfgang Felten im gleichen Verlag eine ‘Karte des Notenmeeres’ zusammen, während Alfons Woelfle für Heimeran noch eine ‘Karte von Goethes Lebensreise’ zeichnete” (Librarium, Zeitschrift der Schweizerischen Bibliophilen-Gesellschaft, Jrg. 1 (1958), Nr. 2, S. 40 f.).

Toen ik de afbeelding van een origineel Duitse exemplaar nog eens vergeleek met de Nederlandse heruitgave bij Bijzondere Collecties viel het mij plotseling op dat de titelletters in de cartouche anders waren dan bij het exemplaar dat ik via Marktplaats had gekocht.
Dat gold ook voor de topografische namen maar bovendien waren die vaak geheel anders en als het ware geactualiseerd.

Nogmaals raadpleegde ik alle verwijzingen van Google en nu deed ik een opmerkelijke vondst. In Boekblad 1987 (vol. 154, nr. 20, blz. 7) trof ik een boekverkopers column aan “Doe-het-zelf” geschreven door Paul Hogervorst, oud-directeur van boekhandel Broese (Oudegracht 167) te Utrecht, thans Polare. Een e-mail naar Boekblad was voldoende om hiervan een afbeelding te krijgen. Enfin, leest u zelf maar.


En zo ontving Perkamentus toch nog een bijzonder exemplaar (rechtsonder gesigneerd met PPH fec. 1978). Paul moet alleen nog even hier reageren en vertellen aan wie hij de kaart - van Boekenland in 1978 - destijds heeft geschonken.

vrijdag 15 november 2013

A square inch of art


Surprise, surprise!
Though I have written some ‘guest editorials’ in the past (look here!) this will be my first piece in English on my bookish blog Perkamentus. Let me first I apologise to my (few) Dutch readers who can’t read English! I promise to keep it short with almost no text and lots of illustrations.

As some of you have probably noticed I started sometime ago with English tweets. Soon I gained some foreign followers who, I’ am afraid, don’t read or speak Dutch. One of them is Lynn Roberts from the ‘The Frame Blog’ who was kind enough to pre-read my piece (thanks again Lynn!).
Now most of them are interested in art and history (but not necessarily in old books).
I‘m an art lover too but first and foremost a bibliophile so the idea of writing a piece that combines ‘the best of both worlds’ was soon born.

This blog post is illustrated with some examples of engraved head- and tail-pieces I have encountered in my old books (all titles present in the Short-Title Catalogue, Netherlands). Although they have never been a special subject on my blog yet I will refer to two previous illustrated posts to make as much room as possible for new illustrations here. By the way, about my photo fingers, they are just there to give you an impression of their size (I mean the head- and tail-pieces, not my fingers!).


Head- and tail-pieces are book decorations and most of them not bigger than a square inch. In most modern books they have been dispensed with, or sometimes reduced to a simple line, dot or star but in handmade private press books you can still find them.
In the 17th and 18th centuries they were quite common and my impression is that you will find them more often in books about art or poetry than in pure science books.
Many of the original tools used for book printing and book illustrating from those centuries have not survived. Probably one of the world’s most interesting and biggest collections of old type-ornaments like head- and tail-pieces (almost 9,000 items) can be found in the Museum Enschedé in Haarlem. A few examples from this collection are reproduced in: “Type foundries in the Netherlands from the fifteenth to the nineteenth century” (Haarlem, reprint 1978, page 357-362) by Charles Enschedé (1855-1919).


What exactly are head- and tail-pieces? Well, headpieces in books are type-ornaments at the head of a chapter or division and tailpieces are - guess what? - type ornaments at the end of a chapter or division (note: exactly the same sort of motif is often used as so-called ‘vignette’ on typographical title pages).

Originally these kinds of illustrations were woodcuts but by the end of the 17th century most of them are engravings on copper. Is there some way of classifying them? Yes! “Head-pieces (like tail-pieces and initials), may be divided into two classes—first, those enclosed within a parallelogram or other regular figure; and secondly, those which are free or irregular in outline. The first class is again subdivided into those with solid or stippled background, and those in which the background is white. In some specimen-books the same device may be found in three forms—enclosed in a boundary-line with solid background; in boundary line without ground; and free—the boundary line removed” (in “Typo: A Monthly Newspaper and Literary Review“ (Volume 2, Issue 20, 25 August 1888).

They come in all kind of different forms and variations. Some have reference to the text, but most are entirely fanciful. Some simple tailpiece examples are shown below (click on the images to enlarge!):


Others are tiny framed scenes, like these seven from a book (a laudatory poem on the river Amstel) by Nicolaas Simon van Winter (1718-1795); “De Amstelstroom, in zes zangen” (Amsterdam, 1755).


If the headpiece is as wide as the text block below we speak of a ‘headband’, rather than a headpiece, like the one on top of this blog post! A good example of a beautiful headband is the one I found (look here!) in: “Noodsakelyck wereld-haten op de woorden Christi.” (Amsterdam, 1634), by the Dutch Catholic playwright Jan Hermansz. Krul (1602-1646). This one together with the tailpiece used in the same book is especially interesting because we find both pieces together eight years later as a single tailpiece in Pieter Corneliszoon Hooft’s (1581-1647) famous history book: “Neederlandse Histoorien“ (Amsterdam, 1642). Since they are printed by two different presses it shows us that printingtools, borrowed, purchased, inherited or otherwise acquired often wandered around.


Most head- and tail-pieces are elaborately braided ornamental forms, others are more or less pastoral scenes, flower arrangements or portraits. For some very delicate examples, take a look at the illustrations (here!) in a previous blog post I wrote on the rare erotic poetry debut of Willem Bilderdijk (1756-1831). This first edition is normally illustrated with 28 little head- and tail-pieces all engraved by the author himself (which is quite extraordinary). Only three copies I know of have an extra 29th tailpiece with his motto “Semper Idem”, two of them in a public library, one in my collection.

The biggest and most sumptuous head- and tail-pieces in my library are found in two books. The first is by Jan Baptista Wellekens (1658-1726) and Pieter Vlaming (1686-1733): “Dichtlievende Uitspanningen” (Amsterdam, 1735). In this octavo edition the pieces are proportionally very big (sometimes 3.5 x 4.5 inches). Many head- and tail-pieces for these laudatory poems of some long-gone estates near Amsterdam show us monumental garden pieces and thus have a direct relation with their subject. In this case several pieces are not only signed by the engraver (and poet) Jan Goeree (1670-1731), but also dated!


The second book is a folio edition of an art historical work (about antique tokens) by the painter and historian Frans van Mieris II (1689-1763): “Historie der Nederlandsche Vorsten” (‘s-Gravenhage, 1732-1735). His headpieces are everything but small (7.06 x 5.15 inch) and there is one in every volume for every first chapter. All three show us scenes packed with symbolic figures and attributes and are very beautifully framed.


Like the headpieces the tail-pieces (below) in these volumes are signed too, by Jan Wandelaar (1690-1759) or Bernard Picart (1673-1733) both famous engravers in their time.


What’s very interesting in these books is the endnotes in volume two and three with a calculation (“Uitreekening”) of the different costs made for paper and illustrations.
The big headpieces (“Het Vignet aan het hoofd…”) cost ten cents and the tailpieces (“Vijf Vignetten…”) two cents each and were probably specially made for this work.
This reminds us that books in those days were something different than the ready-made stuff you find in your local bookstore nowadays! Text and illustrations were separately printed (and paid for) and then there remained the question of an (often expensive) bookbinding!


I hope you’ve enjoyed this little illustrated post about head- and tail-pieces. If so please let me know and add a comment - everybody receives an answer. Is there a better way to end this post than with a tailpiece?


vrijdag 1 november 2013

Schatkaart

De wereld van het antiquariaat is divers. Wie wel eens een winkel binnenloopt (hoe lang nog!), op een beurs komt, naar een veiling gaat, een boekenmarkt bezoekt of jaagt in de wereld van het boek op internet kan dat met mij beamen.
De handel varieert van zwaar beduimelde pockets, stapels ephemera, losse prenten en kaarten tot strips en oude in leer of perkament gebonden uitgaven.

Als er één onderwerp is dat zich wat meer onderscheid in deze diversiteit dan is het wel de handel in oude kaarten en prenten. Met oude kaarten bedoel ik dan geen ansicht- of prentbriefkaarten (ook dat is een wereld op zich!) maar topografische kaarten van landen, streken en steden.
Bij de prenten gaat het vaak om los illustratiemateriaal afkomstig uit boeken soms om afbeeldingen die nimmer in boeken hebben gezeten, zoals bijvoorbeeld de meeste etsen van oude meesters (‘master-prints’) als Rembrandt. Een bekende kaart- en prentenhandelaar die ik heb gekend was Simon Emmering (1914-1999) en er zijn nog steeds antiquariaten die zich hierin specialiseren, zoals ‘Dat Narrenschip’ en E.H. Ariëns Kappers. Ze kennen zelfs een aparte organisatie, de “International Fine Print Dealers Association” (IFPDA) en zijn daarvan vaak lid naast de NVvA.

Vooral in mijn eerste verzameljaren bezat ik dergelijk materiaal. Losse kaarten en prenten uit de historische werken van mijn favoriete Jan Wagenaar waren (en zijn) nou eenmaal goedkoper dan zijn complete originele uitgaven. Daarvan kon ik als tiener met een bescheiden zakgeld alleen maar dromen en pas toen die dromen veel later werkelijkheid werden heb ik, enkele uitzonderingen daargelaten, al het losse en dubbele illustratiemateriaal afgestoten. Overigens kon de ethische kant van het verhaal mij toen maar matig boeien. Ik was nog jong en naïef en dacht dat al die prenten en kaarten uitsluitend afkomstig waren uit incomplete boeken of beschadigde exemplaren. Pas later drong het tot mij door dat het vaak een puur financieel plaatje was. Zo brengen de bekende kaartjes uit de Gemeente-Atlas van Nederland (Leeuwarden, 1871) van Jacob Kuyper (1821-1908) per stuk verkocht uiteindelijk meer op dan een compleet provinciedeeltje, met als gevolg dat losse deeltjes, laat staan de complete elfdelige atlas, zeer zeldzaam geworden zijn.


Tegenwoordig interesseren die oude losse kaarten en prenten mij nog maar weinig. Wat ik daarentegen nog wel regelmatig koop zijn naslagwerken op dit gebied, zoals laatst het tweedelige “Kaarten van Amsterdam” (Amsterdam, 2013). Ook facsimile uitgaven vind ik leuk. Zo kon ik op de afgelopen Antiquarian Book Map & Print Fair in Amsterdam: “De stadsplattegronden van Jacob van Deventer. Map 3 Noord-Holland” (Weesp, 1993), voor slechts enkele tientjes, niet laten liggen. Het is een grote groenlinnen map met prachtige door cartograaf Jacob Roelofs van Deventer (ca. 1500/1505-1575) getekende minuut- en netkaarten van Noord-Hollandse steden, waaronder mijn geliefde Amsterdam. De nog spiksplinternieuwe map lag op een tafel met nog meer uitgaven van de helaas failliet verklaarde uitgeverij Canaletto. De laatste facsimile uitgave die ik zo’n vijf jaar geleden direct van Canaletto kocht was de: “Kaart van Noord-Holland door Joost Jansz. Beeldsnijder 1575/1608” (Alphen aan de Rijn, 2002).

Joost Jansz. Beeldsnijder of Bilhamer (1541-1590) was een veelzijdige figuur die behalve van cartografie ook verstand had van bouwkunst. Zijn standbeeld hierboven kunt u bewonder aan de gevel van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Van zijn kaart van Noord-Holland, één der oudste en belangrijkste monumenten uit de Noord-Nederlandse cartografie, is helaas géén origineel exemplaar uit 1575 bewaard gebleven.
Wij beschikken ‘slechts’ over herdrukken uit 1608 (uitgegeven in Amsterdam door Harmen Allertsz. van Warmenhuysen) en 1778 (door de Amsterdamse uitgevers Yntema en Tieboel).
Ik heb vele jaren geleden op één van de beursen van de NVvA in Amsterdam een exemplaar uit 1778 te koop gezien bij de roemruchte kaart- en prenthandelaar S.C. (Steef) Lemmers uit Lisse. Ik herinner me niet meer de prijs maar dat maakt niet uit. Het geld daarvoor had ik sowieso niet. Ik kreeg toen wel een ingeving en vroeg aan Lemmers of hij mij een exemplaar kon leveren van een gedeelte van die kaart waarop Amsterdam en omgeving staat. Een kopergravure met dit kaartgedeelte werd namelijk, enigszins aangepast en voor het eerst, opgenomen in de “Hantvesten, Privilegiën ende Willekeuren der Stadt Aemstelredam” (Amsterdam, 1613) maar ook, wederom wat aangepast, in de later uitgegeven: “Handvesten; ofte privilegiën ende octroyen; mitsgaders willekeuren, costuimen, ordonnantien en handelingen der stad Amstelredam” (Amsterdam, 1748). Lemmers beloofde dat hij zou kijken en al na enkele weken werd ik gebeld dat hij de kaart had. We spraken af bij hem thuis in Lisse.
Ik weet niet meer wat ik moest betalen maar desondanks herinner ik me dat bezoek nog heel goed. Ik was enigszins verbaasd over de hoeveelheid boeken die hij boven had staan, waaronder een op grond gestapelde Atlas Maior van Blaeu. Wat toen de meeste indruk op mij heeft gemaakt was wel de zelfverzekerde behendigheid waarmee hij uit een van die folianten een landkaart sneed waarin een andere aanwezige klant was geïnteresseerd.


De kaart die ik van Lemmers kocht geeft uitstekend weer waar het toen rond Amsterdam om draaide. Een drassig, bij wijlen moerasachtig, veengebied met heel veel water in de vorm van meren, rivieren en sloten. Daartussen dikke slingerende hoofdwegen die bovendien vaak dijken waren. Slechts hier en daar een dorpje weergegeven door een eenvoudig kerkje. Als amateurpsycholoog van de koude grond kan ik wel verklaren waarom juist deze kaart mij altijd heeft geboeid. Vergeleken met latere 17de en 18de eeuwse kaarten is de kaart van Beeldsnijder vrij grof getekend en weinig gedetailleerd.
Hij heeft daarom wel wat van de primitieve schatkaarten die ik als kind tekende maar dan zonder kompasroos, doodskoppen en X (‘hier ligt de schat’).

vrijdag 18 oktober 2013

De steen van Veleda


Mijn oude in perkament gebonden 17de en 18de eeuwse boeken bevatten voornamelijk Nederlandse geschiedenis, met de nadruk op Holland. Enkele zijn geïllustreerd en het is opvallend hoe vaak dezelfde illustraties voorkomen in de diverse uitgaven.

Tot de meest gekopieerde illustraties behoren ongetwijfeld die van de ruïnes van de Romeinse (?) vesting Lugdunum Batavorum, beter bekend als de Brittenburg, en de diverse vondsten die men aan deze plek toeschreef. De ruïnes, in zee voor de kust bij Katwijk, die in de zestiende eeuw een aantal malen zichtbaar waren moeten destijds sterk tot de verbeelding hebben gesproken. De bekende cartograaf Abraham Ortelius (1527-1598) maakte er afbeeldingen van waarvan de kaart in Lodovico Guicciardini’sBeschryvinghe van alle de Nederlanden” een van de meest bekende is.

Van archeologie in moderne zin was destijds nog geen sprake. Het was feitelijk schatgraven en het draaide meer om de objecten dan om de vondstomstandigheden.
Het ontbrak in die tijden aan wetenschappelijke methoden, kennis en techniek en dat werkte vergissingen, vervalsingen en fantasie in de hand. Een mooi voorbeeld trof ik aan in de folio-uitgave van het boek van Gerard van Loon (1683-1758) met de lange titel: “Aloude Hollandsche histori der Keyzeren, Koningen, Hertogen en Graaven welken, sedert de komst der Batavieren in het thans genaamde Holland tot de herstelling van ’s Graaven Florents den Eerstens Zoon aldaar het Hooggebied gehad hebben. Beweezen en bevestigd door de woordlyke getuygenissen van zoodaanige Schryvers, welke in en naast die tyden geleefd hebben, als de beschreeven zaken zyn voorgevallen en voorts nog versierd en opgehelderd met de noodige Landkaarten, Geslachtlysten, Keyzer- en Koninglyke Penningen en veelvuldig andere Gedenkstukken, in die overoude tyden gemaakt” (’s Gravenhage, 1734). Over deze uitgave heb ik al eens eerder geschreven en toen een andere historische vergissing aangestipt.


Het boek zit vol kaarten waarop ook regelmatig het ‘Huys te Britte’ figureert en de cartouches met kaarttitel en maten zijn overdadig gestoffeerd met de diverse vondsten (zoals sleutels, beelden, munten, dakpannen en keramiek) die daar zouden zijn gedaan. Een fraaie paginagrote afbeeldingen zit tussen folio 154 en 155. De eigenlijke vondst, een “Roode Gebakke Tegel”, is daar met een zwierige strik aan een forse nagel opgehangen tegen een antieke afgebrokkelde muur met een druk bevaren Noordzee op de achtergrond. Een niet te missen verwijzing naar zijn herkomst!


Toen ik deze afbeelding voor het eerst zag wekte die muurachtergrond bij mij de illusie dat het hier ging om een flinke terra sigillata plaquette van zo’n twee bij één meter. Niets is minder waar. Zoals te lezen valt in de tekst eronder ging het om een roodgebakken tegeltje met een lengte van vijf en halve duim (ca. 14 cm.) en hoogte van vier duim (ca. 10 cm.). Niet alleen vele malen kleiner dan de zandsteenblokken waarmee men in de Klassieke Oudheid muren bouwde maar zelfs kleiner dan de meeste moderne bakstenen. Volgens van Loon was het bijzondere object in het bezit van Leidse hoogleraar Sigbert, ook wel Siwart, Haverkamp (1684-1742). De tegel zou de gevangenneming van Veleda door de Romeinen afbeelden. Zij was een zieneres van een Germaanse stam (de Bructeren) en voorspelde volgens de Romeinse historicus Tacitus de overwinning van de Bataven op de Romeinen in 69 na Christus.

Vruchteloos zocht ik destijds het internet af naar meer informatie, in de verwachting en hoop dat deze bijzondere plaquette tegenwoordig ergens in een museum zou liggen. Ik vond niets en mijn belangstelling werd pas weer hernieuwd met de aanschaf van de uitgave van Hendrik van Wijn (1740-1831): “Huiszittend leeven. Bevattende eenige mengelstoffen over afzonderlijke en, voorheen, weinig of niet bewerkte onderwerpen, betreklijk tot de letter-, historie- en oudheid-kunde” (Amsterdam, 1801-1812).
Het eerste deel van Van Wijn’s publicatie bevat namelijk een kleine studie naar deze zogenaamde ‘steen van Vel(l)eda’ (blz. 517 t/m 533) inclusief een fraaie afbeelding van een soortgelijke vondst, een “Roode mopsteen. Gevonden op een zandplaat in de Rivier de Waal, beneden Nymegen”.
De frappante gelijkenis tussen de voorstelling op deze steen en die op de steen afgebeeld bij Van Loon zal u onmiddellijk opvallen.


Dat deze objecten Oud-Romeins waren werd door Van Wijn sterk betwijfeld op verschillende gronden. De afgebeelde figuren deden hem 'onromeins’ aan betreffende hun kleding, hoofddeksels en haardracht. Bijval ontving hij van de Leidse hoogleraar Jona Willem te Water (1740-1822) en de dichter en kenner van de Klassieke Oudheid Jacob Hendrik Hoeufft (1756-1843).
De eerste verhaalde van de vondst van dergelijke stenen in een zeer oude schoorsteen bij Wijk bij Duurstede, de ander had een aantal overeenkomstige stenen met Bijbelse voorstellingen gezien in de collectie van de jezuïetenpater Jozef Ghesquière (1743-1827) in Antwerpen. Daaronder zat er één met een afbeelding identiek aan de afgebeelde steen bij Van Loon.
Niet de heidense Veleda zou op de steen staan maar de kuise Susanna die valselijk beschuldigd van ontucht door de profeet Daniël werd vrijgesproken (Daniël, apocrief hoofdstuk 13). Haar belagers werden vervolgens gestenigd en we zien dan ook een klein ventje afgebeeld dat gedienstig klaarstaat met een mandje stenen. Van Wijn kwam tot de conclusie dat de stenen een Christelijke voorstelling hadden, van na 1500 moesten zijn en dat; “met hoedanige soort van steenen de Voorouders de Muuren en bijzonder de Schoorstenen (welker binnen randen men nog wel, in ouderwetsche Huizen, met gebeelde tegelen van allerleie soort gedekt ziet) zullen opgepronkt hebben”.


Van Wijn had natuurlijk gelijk. De Romeinse steen bij Van Loon is een zestiende eeuwse haardsteen (Antwerps type) die nimmer kan hebben behoord tot de strandvondsten gedaan bij de restanten van de Brittenburg. Bij archeologische opgravingen - met name in steden - worden wel vaker haardstenen gevonden. De foto hierboven toont een exemplaar identiek aan de steen afgebeeld bij Van Loon uit de ruime collectie haardstenen van het Museum Rotterdam. Een ander, eveneens identiek exemplaar, bevindt zich in de collectie van de Historische Vereniging Heemstede-Bennebroek waarover u kunt lezen op Librariana, het weblog van Hans Krol. Pikant detail; ook die werd in 1939 in eerste instantie voor Oud-Romeins aangezien.

vrijdag 4 oktober 2013

Een Chinees

Ik bezit een fraai exemplaar van J.T. Bodel Nijenhuis: “Topographische lijst der plaatsbeschrijvingen van het Koningrijk der Nederlanden”, (Amsterdam, 1862) samengebonden met: “Bibliographie der plaatsbeschrijvingen van het Koningrijk der Nederlanden. Toevoegsel”, (Amsterdam, 1868). Een redelijk schaarse uitgave, zeker met het vervolg, dat ook tegenwoordig nog onder antiquaren en bibliofielen bijzonder wordt gewaardeerd.

Het is heerlijk om in dergelijke naslagwerken te bladeren en ik doe dat dan ook regelmatig. Je wordt bevangen door de illusie dat al die bijzondere, interessante en obscure titels binnen handbereik zijn terwijl de meeste behoren tot de categorie onvindbaar, onbereikbaar of onbetaalbaar. Zo viel mijn oog al bladerend op een wel heel curieus boekje: “Amsterdam door een Chinees beschreven. Amst. 1863 8˚” (deel 2, blz. 58 (139-No. 1513c).


Zoeken op internet naar ‘Chinezen en Nederland’ leert ons dat de Chinese gemeenschap hier (met name in Amsterdam en Rotterdam) pas eind 19de eeuw, begin 20ste eeuw ontstond. Vooral na 1911 was de groei explosief omdat er in dat jaar een grote zeemansstaking uitbrak en er heimelijk vele Chinese zeelieden werden ingehuurd om de staking te breken. Vandaar dat niet lang geleden gevierd werd dat de Chinese gemeenschap in Nederland honderd jaar bestond. Er is in die tijd veel veranderd.
‘Even naar de Chinees’ behoort nu in talloze Nederlandse huishoudens tot een vast terugkerend ritueel en menigeen zal met mij kunnen beamen dat de meest Hollandse hap die er bestaat Chinees is. Daarvan was anderhalve eeuw geleden natuurlijk nog geen sprake. Een Chinees was toen, ook voor de doorsnee Amsterdammer, een exotische bezienswaardigheid uit een geheimzinnig land met een onbekende cultuur. U begrijpt nu wellicht iets van mijn nieuwsgierigheid en begeerte naar deze uitgave. Hoe keek die oosterling destijds naar Amsterdam?

Toen ik maanden later op een vrijdagavond weer eens 'at random' trefwoorden intypte bij Antiqbook en Boekwinkeltjes (ik doe dat vaker!) had ik opeens beet. ‘Chinees’ in combinatie met ‘Amsterdam’ leverde bij antiquariaat Kok in Amsterdam de volgende titel op: “Amsterdam. Impressions de voyage” (Amsterdam, 1863). Auteur: ‘Een Chinees’, 205 blz. halfleder, € 25,- euro. Alles wees er op dat dit het object van mijn begeerte was.
Na een weekend dat me niet snel genoeg voorbij kon gaan stapte ik de daaropvolgende maandagmiddag de winkel binnen met een vrolijk; ‘Goedemiddag, ik kom de Chinees afhalen’. Enige tellen later had ik de zeldzame uitgave in handen en thuisgekomen begon het uitpluizen.


Uit het ‘Nieuwsblad voor den Boekhandel’ (30ste jrg., nr. 31) van 30 juli 1863 blijkt dat het boekje destijds ƒ1,25 kostte. De uitgave begint met een korte introductie van de auteur die zich ‘Jani’ noemt: “Ik geloof dat eenig Nederlandsch recensent, na het anatomiséren van deze mijne Impressions de Voyage, het oordeel over ons, Chinezen, van Macartney, Barrow en de Guignes zal onderschrijven. Het luidt: de Chinezen zijn een zeldzaam mengsel van trots en onderdanigheid, van gekunstelden ernst en kinderlijke ligtzinnigheid, van verfijnde hoffelijkheid en eene opvallende gemakkelijkheid in den omgang, van schijnbare beschaving en de grofste onwetendheid”. Vervolgens verklaart hij de betekenis van zijn naam, “Hij beteekent zout maar tevens tabak. Ik stel mij voor: dat men mij, Jani, zouteloos en rookerig zal noemen; mijn naam geeft er de geleerden recensenten aanleiding toe”.
De onderwerpen (hoofdstukjes) waarover deze Chinees, die na een lange reis in 1843 in Amsterdam aankwam, schreef zijn: ‘Amsterdam, Vriendschap, Vrijheid, De Kunst,
Het Regt, Nieuwsgierigheid, Boeken, Kleeding, Kleeren maken den man, Vorstelijke belooning, Ik ben een Amsterdammer, Geldtrots, De Standen, De Stads-Schouwburg,
Het Klimaat, Het Onderwijs, Begrafenissen, De Vrouwen, Het Meisje, Oude Jongejufvrouwen, De Echt, De Vrouwen (nogmaals!), Geleerde Vrouwen, De oude Vrouw, Lof der Vrouwen, De Handel, Het Huwelijk, De Godsdienst, Drinken, Eten’ en tot slot, ‘Losse, laatste gedachten’.

Een enkel onderwerp daargelaten niet echt een inhoudsopgave die je in een stadsbeschrijving verwacht. Zo is er opmerkelijk veel aandacht voor het vrouwelijke geslacht! Over boeken schreef  'Jani' ondermeer: “Er wordt hier niet veel gelezen, maar nog minder goed gelezen, daar slechts de Letterzetter naauwkeurig leest, en juist hij begrijpt er niets van. Goede en slechte boeken hebben dit met de menschen gemeen, dat de laatsten doorgaans het best fortuin maken. Het meeste nieuws heb ik alhier gevonden in het adresboek en de bruikbaarste bladen waren die, welke de binder achter en voor ingebonden had. Er zijn alhier vele boekverkoopers, vele schrijvers, nog meer vertalers en boekenkoopers het minst; de grootste boekverzamelaar is des Uitgevers zolder. (blz. 30). De ellendigste uitvinding die me telkens uit mijn humeur bragt, is de leesbibliotheek. Deze is de vuilnisbak der literatuur; het volk eet het vuil tegen betaling van 5 centen per deel en de leesbibliotheekhouder moedigt het vuil maken aan” (blz. 32).

Voor zover mij bekend is slechts één keer eerder aandacht geschonken aan deze uitgave. Bijna vijftig jaar geleden verscheen: “Foei Amsterdam! De geheimen van de Hoofdstad voor de tweede maal ontsluijerd” (Amsterdam, 1964), geschreven door de Nederlandse journalist Eduard Messer (1917-2001).

Het meest pikante – dat Messer al gauw verklapt - heb ik hier even tot het laatst bewaard.
‘Jani’, beste boekenvrienden, was één van de pseudoniemen van Herman(nus) Anton(ius) Benit (1823-1864). Zijn “Amsterdam. Impressions de voyage” is geen echte stadsbeschrijving maar een 'physiologie'; een humoristische schets van het Amsterdamse volksleven in het midden van de 19de eeuw.

Ik ben zeker dat vele Amsterdammers mij als een domme Chinees zullen uitjouwen, als zij zoovele domheden van henzelven in mijn geschrift bijeen zien. Ik twijfel er geen oogenblik aan, of ze mij het regt op eenigen naam als wijsgeer zullen betwisten; want – zij weten het niet, dat het verhaal van de zeden en dwaasheden eens volks het beter kenschetsen dan de geschiedenis zijner openbare verdragen, hoven, ministers, onderhandelingen en gezanten” (blz. 201).
Ware woorden van 'Jani', die beslist geen domme Chinees was maar een Luthers predikant. Sambalbij?

vrijdag 20 september 2013

Prospectus

Ephemera now enliven book-fairs; even the most serious book-collector can hardly refuse a publisher’s prospectus for a book or books in which he or she is interested” (“ABC for book collectors”, New Castle, Delaware, 2010, blz. 92).

Het is in de boekenwereld gebruikelijk om het verschijnen van nieuwe uitgaven enige tijd tevoren aan te kondigen.
Bij het gewone leesvoer steeds meer en uitsluitend via de website van de desbetreffende uitgever maar vooral bij luxe - en ‘private press’ uitgaven – waarvoor men meestal moet intekenen - middels een gedrukte prospectus.
Ik ben er gek op en bewaar ze vaak in het desbetreffende boek. Een enkele keer vind ik ze verzamelwaardig en bewaar ik ze ook zonder de aangeprezen uitgave aan te schaffen. Die van de Belgische Carbolineum Pers bijvoorbeeld, gedrukt op mooi papier in fraaie typografie en soms met een illustratie.

Volgens A.J. Brongers “Boekwoorden Woordenboek” (Amersfoort, 2011) is de oudst bekende prospectus gedrukt te Straatsburg in 1469 door de Duitse boekdrukker Johannes Mentelin (ca. 1410-1478). De oudst bekende prospectus voor een Nederlandstalig boek is van de Goudse drukker Gheraert Leeu (ca.1445/1450-1492) voor zijn uitgave van “Melusine” (Antwerpen, 1491). Een reproductie daarvan met toelichting ('Men salse vinden te coope') kreeg ik onlangs cadeau van een medebibliofiel. Deze werd uitgegeven door margedrukkerij De Ammoniet in een oplage van ca. 150 exemplaren ter gelegenheid van de tentoonstelling “Gerard Leeu meesterprenter ter Goude” (december 1992 – februari 1993).


In mijn collectie bevindt zich al enige tijd een achttiende eeuwse prospectus uitgegeven door de boekverkopers Johannes Allart (1773-1811) en Willem Holtrop (1776-1805).
De aankondiging luidt als volgt: “Allart en Holtrop, boekverkoopers te Amsterdam, zyn voorneemens om by inschryving uittegeeven, het aanzienlyk werk, getyteld: Godsdienstige, burgerlyke en krygskundige gebruiken der Grieken, Romeinen, Israëliten en Hebreeuwen, Egyptenaaren, Persen, Scythen, Amazoonen, Parthers, Daciërs, Sarmaaten, en anderen, zoo oostersche als westersche volken, e.z.v.

Dergelijke boek-ephemera bleef gewoonlijk niet bewaard maar van deze aankondiging vond ik nog één ander exemplaar in de collectie prospectussen, bijeengebracht door de Leeuwardense boekhandelaar G.M. Cahais (1780-1786, nr.169). Deze unieke collectie in diverse banden bijeengebonden bevindt zich in de Bibliotheek van de Koninklijke Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels (Universiteitsbibliotheek Amsterdam).

De niet geïllustreerde prospectus, 4 bladzijden (quarto), lijkt inhoudelijk erg op wat thans nog steeds gebruikelijk is. Eerst een ruime aankondiging om de aspirant koper lekker te maken dan iets over de opbouw en inhoud van de uitgave en tot slot de prijs, uitvoering en voorwaarden. De intekenprijs voor de vier delen, groot quarto ‘op best fransch papier, royaal formaat’ bedroeg vijf en twintig gulden. “De uitgeevers verbinden zich op het allerplechtigst, om, na de aflevering deezes Werks, en buiten inteekening, geen Exemplaar van het zelve minder te verkoopen dan ƒ 36,-. Den inteekenaren, die verzeekerd kunnen zyn van de beste afdrukken der Plaaten, wordt verzocht om de opgave hunner naamen en kwaliteiten, ten einde dezelve in eene behoorlyke orde voor het Werk te kunnen plaatsen”.


De aantekening rechtsonder op mijn exemplaar: “Van de Wed. Terveen & Zoon”, verwijst naar de Utrechtse boekverkoper Jan Terveen. Zijn weduwe (en zoon) zat tussen 1781 en 1787 aan de Lijnmarkt in Utrecht. Zij waren ondermeer uitgever van het bekende boekje van Hiëronymus van Alphen (1746-1803): “Proeve van kleyne gedigten voor kinderen” (Utrecht, 1778). Linksonder staat in handschrift: “Omme (?) de Heer Secr. Hendriksen”. Zoeken naar een secretaris Hendriksen in de 18de eeuw leverde een mogelijke kandidaat op en wel mr. Jan Both Hendriksen (1744-1817), advocaat en procureur, tevens stadssecretaris van Amersfoort en schout van Eemnes Buitendijks. Heeft hij geïnformeerd naar de uitgave bij de boekhandel van Terveen en daar een prospectus gekregen?


Bij Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam raadpleegde ik de lijst van intekenaren. Deze zit voorin het eerste deel van deze vierdelige uitgave die te Amsterdam in 1786 onder een enigszins gewijzigde titel en met wat minder afbeeldingen verscheen (“Gewoonten der aloude volken; behelzende de ...”). Helaas, noch ene Hendriksen noch de boekhandel van Terveen zijn daarin opgenomen.
De uitgave ging dus aan hun neus voorbij en de prospectus?… die belandde 228 jaar later bij mij.

woensdag 4 september 2013

'Putmannen'

Eén van de nestoren van het (Amsterdamse) antiquariaat overleed twee weken geleden.
Maar Louis Putman (1923-2013) mag dan in de boekhemel zijn en zijn rommelwinkeltje aan het Rusland opgedoekt, dood is hij voor vele boekenliefhebbers allerminst.
Integendeel, nog dagelijks zijn de bibliofiele horden op pad om te ‘putmannen’. Wat dat is?
Het is een eponiem en een werkwoord; “Ik heb geputmand, jij hebt geputmand, wij hebben geputmand…
En dat zou dan moeten staan voor met niets ontziende ijver en vasthoudendheid datgene boven de rooilijn brengen, wat anderen er zo graag onderstoppen. Want daar hebben we toch (nog) geen woord voor!
“ (Citaat van Joop van den Berg).

‘putmannen’ gaat dus verder, is intensiever, dan ‘sneupen’ dat destijds door Ayolt Brongers (de ‘boekensneuper’) werd geïntroduceerd en in de boekenwereld de betekenis heeft van het met nieuwsgierigheid iets zoeken.
Dat ‘putmannen’ gaat nu wel heel letterlijk sinds grote gedeelten van zijn handelswaar bij Jos Albers op het Waterlooplein zijn terechtgekomen. Regelmatig ‘putman’ ik daar nu door bananendozen waarvan de inhoud gedurende tientallen jaren door Putman vaak op datzelfde Waterlooplein werd ingekocht. Een soort bibliofiele kringloop dus en inmiddels heb ik bij Jos al diverse brochures ‘geputmand’ tegen gemiddeld één euro per stuk.
Zoals ik al eens eerder schreef moest je bij Putman niet zijn voor dure in marokijn leer of perkament gebonden oude 17de en 18de eeuwse boeken. Ik ben ze althans bij hem nooit tegengekomen. Nee, bij Putman kwam je voor het ephemere drukwerk, met name gekke 19de en vroeg 20ste eeuwse brochures, overdrukjes en door hem zelf ‘gesepareerde’ artikelen.

Maar, eerlijk is eerlijk, ook die kocht ik toen hij nog leefde niet veel bij hem. Vaak stond ik voor een gesloten winkeldeur en zelfs als hij open was kwam je niet erg ver. Echt snuffelen bij Putman was er (althans voor mij) niet bij en als je wat specifieks zocht en het lag voor het grijpen dan was de prijs meestal aan de hoge kant.

Over de doden niets dan goeds, maar ik ben toch wel blij dat ik nu heerlijk frank en vrij door zijn dozen kan ‘putmannen’ en met plezier een paar euro uitgeef aan bibliofiele rariteiten om vervolgens met de schat naar mijn hol terug te sluipen. Wat is – zonder uitgebreid in te gaan op de vaak curieuze inhoud - het voorlopige resultaat van mijn ‘putmannen’ sinds zijn overlijden?
Voor twee euro een exemplaar van M. Reijnders: “Toen het oude kerkje van pastoor Wubbe nog bestond” (Amsterdam, 1925). Mijn tweede exemplaar! De eerste kocht ik nota bene jaren terug ook bij Putman voor dertig gulden! Bevat historische anekdotes (geïllustreerd) uit het alledaagse Amsterdamse volksleven rond 1900 van leden van de Willebrordusparochie. Erg schaarse uitgave gedrukt op belabberd papier.
Mr. A.J.J. van Rooy: “Kerkelijke architectuur” (Utrecht, 1953) met een interessant artikel over een Rijksmonument in mijn woonplaats; de Kruiskerk van Marius Frans Duintjer (1908-1983). Potloodprijsje van Putman; 25 gulden!
M.J. van Oosterzee: “Hollands eer verdedigd” (Utrecht, 1878). Behoort tot de antiquarische rariora. Bevat een vermakelijke reactie op een weinig vleiend artikel over ons land en zijn inwoners in de Hongaarse Pester Lloyd van 3 oktober 1873 (nr. 227). Inhoudelijk beslist blogwaardig, dus wordt nog eens vervolgd!


J. van Vloten (1818-1883): “Vondels eenvoud” (Amsterdam, 1862). Tekst van een toespraak gehouden in Deventer in 1858 waarvan de opbrengst ten goede kwam aan de oprichting van een standbeeld van Joost van den Vondel. Het beeld werd onthuld op 18 oktober 1867 en staat in het Amsterdamse Vondelpark. Schaars!
J.W. Brouwers (1831-1893) ‘curé de Bovenkerk-lez-Amsterdam’: “Le centenaire du Poëte hollandais Vondel” (Lille, 1888). Antiquarische rariora! Tekst van een toespraak voor de ‘assemblée générale des Catholiques du Nord et du Pas-de-Calais’ in Lille. Op de titelpagina staat in handschrift: “Aan Mr. Heydenrijck, lid van den Raad van Staten, enz. Uit ware hoogachting. De schr(ijver)”.
Abbé Brouwers zoals hij werd genoemd was een liefhebber van Vondel en een groot redenaar. Hij behoorde tot het invloedrijke ‘Amsterdamse ABC’ (J.A. Alberdingk Thijm en Pierre Cuypers waren respectievelijk A en C). Hij was o.m. bouwpastoor in Bovenkerk (gemeente Amstelveen). Daar verrees vanaf 1873 de door de befaamde architect Pierre Cuypers (1827-1921) ontworpen neogotische St. Urbanuskerk, thans een Rijksmonument.


Zo maar wat willekeurige voorbeelden. De lijst is beslist niet compleet en bovendien blijf ik voorlopig gewoon ‘doorputmannen’ in het 'oud papier'. Heerlijk, en vele bibliofielen zullen dat met mij eens zijn. Daarom tot slot in koor en met elkander; “Putman is dood, leve het putmannen”.

maandag 19 augustus 2013

Komrij's roomse poolster

Voor de erotomaan is de katholiek van onschatbaar nut. Hij die het pad der zonde zoekt oriënteert zich op de roomse poolster het best. (-) Nooit ben ik, in mijn eerste nieuwsgierige jaren, op het spoor van zoveel ‘interessante werken’ betreffende geest en lichaam gebracht als door de Standaard Catalogus van het R.K. Centraal bureau voor Lectuur onder leiding van A.B.H. Gielen sj.
Het was een goudmijn van modieuze, anarchistische, ontuchtige, verkeerde, hoerige, opwindende en polemische boeken, kortom van alle boeken die ik wou lezen
” (Gerrit Komrij in: “Over het nut van het katholicisme”, in “Verzonken boeken” (Amsterdam, 1986).

Welke nieuwsgierige bibliofiel hunkert na het lezen van Komrij niet naar A.B.H. Gielen (1871-1929): “Standaard Catalogus van het R.K. Centraal bureau voor Lectuur” (Amsterdam, 1925)?
De catalogus verscheen oorspronkelijk bij de Amsterdamse uitgeverij Joost van den Vondel en wordt antiquarisch voor bedragen rond de vijftien euro aangeboden. Zeer schaars zijn de daaropvolgende twee supplementen die in 1926 en 1927 (de laatste o.l.v. J. van Heugten sj) verschenen bij de uitgeverij ‘Foreholte’ in Voorhout.
Een complete set zie je daarom niet vaak maar een paar jaar geleden trof ik er een aan bij antiquariaat “De Friedesche Molen”. De vraagprijs bedroeg zestig euro. In de winkel vertelde ik Hein over wat de catalogus van jezuïetenpater Gielen voor Komrij had betekend (‘zijn roomse poolster’). De waarschuwingen van pater Gielen voor bepaalde boeken zijn - anno nu - vervat in termen die vooral op de lachspieren werken; ‘ontredderde lectuur’, ‘een heel smerig ding; voor niemand’, ‘een lasterroman, die te vuil is om aan te pakken’, 'Pornografie. Afgekeurd' of ‘een wanhopig meedogenloos bijna ziekmakend boek, met socialistische strekking. Niets voor ons’.
Menig boek belandde bij Gielen zo op de symbolische brandstapel. Voor Komrij echter waren zijn woorden hartelijke aanmoedigingen en Koninklijke aanbevelingen om de desbetreffende uitgave onmiddellijk na te jagen, te kopen en te lezen. Kennelijk had ik er wat al te enthousiasmerend over gesproken want Hein besloot de boeken toch maar zelf te houden. Geduld, geduld….


Uiteindelijk vond ik een paar weken geleden weer een complete set (uit een voormalige kloosterbibliotheek) bij antiquariaat “Boek en Glas” en nu voor maar vijf en twintig euro! Meteen gekocht natuurlijk.

De catalogus begint met een uitvoerige inleiding waarin staat met welke drie factoren Katholieken te maken hebben als het gaat om de zorgvuldige keuze van hun lectuur.
A. De natuurwet. “Wat ik voel of weet dat mij schade brengt, ook al zou het anderen niet deren, late ik ongelezen, anders breng ik mijn geestelijk leven in gevaar en pleeg vergrijp tegen mijne ziel”. Voor iedere Katholiek lag dit natuurlijk anders, afhankelijk van zijn opleiding, gevoeligheid, ontwikkeling etc. Bij twijfel; raadpleeg uw biechtvader.
B. De kerkelijke boekenwet. Welke boeken verboden zijn om hun antikatholieke opvattingen, onzedelijkheid, goddeloosheid etc.
C. De Index. De officiële lijst van verboden boeken opgesteld door het Vaticaan.

Wat wilde pater Gielen (tussen 1912 en 1929 hoofdredacteur van de ‘Boekenschouw’) bereiken met deze standaarduitgave? “Een practische gids zijn om schadelijke boeken van onschuldige, en gevaarlijke van twijfelachtige te helpen onderscheiden. Of een boek kunstwaarde heeft of niet, lijkt ons naast de ethische waarde van zoo'n ondergeschikt belang, dat wij er niet veel woorden aan zullen besteden. Wij hebben een hartgrondigen hekel aan de tegenwoordige opfokking tot aestheten in plaats van tot oprechte en beginselvaste Christenen, die plichts- boven schoonheidsgevoel stellen. Door kunst is waarschijnlijk nog nooit iemand in den hemel gekomen, tenzij hij er God mee diende. Hetgeen dan weer den ethischen kant van het vraagstuk naar ons toekeert. Het is er ons derhalve allerminst om te doen ‘letterkundigheid’ te gaan bewonderen, die overigens niet langer pleegt te duren dan een vrouwenmode”.


Het was natuurlijk onmogelijk om alle verschenen en te verschijnen boeken te beoordelen. Volgens Gielen bleek uit ervaring en onderzoek dat vooral de nieuwste “kersversche” boeken werden gelezen. Om nader te bepalen welke titels dat waren werden de catalogi van diverse grote leesbibliotheken bestudeerd. “Die zijn als graadmeters van de waardeering van het publiek en van de veelgelezenheid van een boek. Daaruit maakten wij onze keuze van titels in dezer voege, dat wij ter bespreking allereerst noteerden wat gelijkelijk in alle of de meeste catalogi voorkwam”.
Het ging natuurlijk vooral om Nederlandse en vertaalde romans (waaronder vele thans min of meer vergeten auteurs en spoorloos verdwenen uitgaven); “omdat deze in hoofdzaak de verspreiders zijn van goed en kwaad; zij richten zich tot de groote massa, zij speculeeren op de sensatielust van het publiek, zij behoeven niet te voldoen aan voorwaarden van waarheid, wetenschap of logica, maar brengen het gedachtentuig van elk willekeurig individu onder het bereik van allen”.


Een enkele keer komen we Nederlandse klassiekers tegen zoals Couperus (1863-1923): “Een dandy met de taal en een dandy met het leven. Een verfijnd artist, als men wil, ofschoon wij het zelf niet gelooven, maar een heilloos schrijver om zijn bar sensualisme, zijn amoraliteit en immoraliteit en zijn theosofische gevoelens. Een criticus in ‘Onze Eeuw’- zegt, dat men Couperus-werken later precies zoo zal lezen en vinden, als men tegenwoordig leest en vindt ‘Julia' van Rhynvis Feith” en over diezelfde Rhynvis Feith (1753-1824): “Zijn beide romans Julia (1792) en Ferdinand en Constantia, zijn huilerig sentimenteel en om hun boekentaal ongenietbaar”. Een mild oordeel naar Gieliaanse maatstaven en duidelijk voor elke Katholiek, Couperus- en/of Rhynvis Feith-fan.

maandag 5 augustus 2013

Boekjes voor 'Lautje'

Boeken vertellen verhalen maar achter talloze uitgaven schuilt vaak nog een ander verhaal. Soms complete persoonlijke drama’s en soms nationaal klein zeer waar we liever niet aan worden herinnerd.

Dat laatste is het geval bij een uitgave die ik toevallig tegenkwam op internet bij een Haags antiquariaat.
Voor slechts vijf euro hapte ik toe.
Het boekje (VI + 82 blz.) is getiteld: “Uitvinding der boekdrukkunst
(Haarlem, 1854). Alweer 160 jaar geleden gedrukt, voorzien van een eenvoudig papieren omslagje en in prima conditie. Het is geïllustreerd met diverse houtgravures getekend door A.H. Bakker Korff (1824-1882) en in hout gegraveerd door W. Bal (1808-1897). De tekst werd voorzien van fraaie sierkapitalen en gedrukt door Joh. Enschedé & Zonen te Haarlem.

De inleiding voert ons terug naar het midden van de negentiende eeuw toen er felle discussies in woord en geschrift plaatsvonden, nationaal en internationaal, over de uitvinding van de boekdrukkunst. Tot de vurige pleitbezorgers van de Haarlemmer Laurens Janszoon Coster als uitvinder behoorde J.J.F. Noordziek (1811-1886), onderbibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Jarenlang ijverde hij voor een standbeeld “uit edeler stof, dan het bestaande (in steen), uit gelden, door de natie bijeengebragt, bekostigd, dat zich onderscheidde door waardigheid van uitdrukking, losheid en gepastheid van houding, sprekende gelaatstrekken en grootschheid van gedachten”. Volgens het “Gedenkboek der Coster-feesten van 15, 16 en 17 julij 1856” (Haarlem, 1858, blz. 81/82) was één van de middelen om aan geld te komen “de uitgave van een, voor dit onderwerp toepasselijk geschreeven en met houtsneegravuren opgeluisterd, werk waarvan de exemplaren moesten dienen ter uitreiking aan hen, die voor de onderneming eene bepaalde som (f 2,50) of daarboven bijdroegen, als eene herinnering voor de verleende ondersteuning”.


Die promotie-uitgave werd dus de “Uitvinding der boekdrukkunst” en mijn exemplaar is één van de ruim 2500 die zijn gedrukt en uitgereikt aan de deelnemers van dit ‘Coster’s-fonds’.
Je vraagt je af waar ze gebleven zijn. Weliswaar beschikken diverse grote bibliotheken over een exemplaar maar antiquarisch worden ze zelden aangeboden. De onthulling in Haarlem, op 16 juli 1856, van het bronzen beeld vervaardigd door de Vlaamse beeldhouwer Louis Royer (1793-1868) en gegoten bij L.J. Enthoven en Co. in Den Haag was het hoogtepunt van de uitbundige Costerfeesten.
Dat niet onze Hollandse Coster maar de Duitser Johannes Gensfleisch zur Laden zum Gutenberg (ca. 1397-1468) uitvinder is van de boekdrukkunst werd zo’n vijftien jaar later definitief bewezen door 'Coster-moordenaar' Antonius van der Linde (1833-1897) en zullen de meeste boekenliefhebbers inmiddels wel aanvaarden weten (hoop ik).


‘Lautje’ staat al weer ruim honderd vijftig jaar in Haarlem. Enigszins verloren aan de oostzijde van de Grote Markt in de schaduw van de middeleeuwse Grote – of Sint Bavokerk. Hoog op zijn hardstenen sokkel toornt het rijksmonument uit boven de talloze passanten en evenementen. In zijn linkerhand een boek en in zijn opgeheven rechterhand een letterblokje.
Soms is er een boekenmarkt. Mocht u daar ooit geluk hebben en een exemplaartje tegenkomen van de “Uitvinding der boekdrukkunst”, aarzel dan niet, koop het meteen en steun ‘Lautje’.