vrijdag 21 april 2017

De boekhandelaar op de planken


De boekhandelaar duikt regelmatig op in moderne fictie.
Wie op Boekwinkeltjes zoekt op ‘boekhandelaar’ ziet de beroepsgroep in diverse titels voorbij schieten zoals in “De boekhandelaar” van Chris Ceustermans, Roald Dahl (1916-1990) en Matt Cohen, “De boekhandelaar van Amsterdam” (Amineh Pakravan) en natuurlijk die van Kaboel (Asne Seierstad), “De dochter van de boekhandelaar” (Sylvia Schenk), “De boekhandelaar en de detective” (Ramiro Pinilla), “Blok, de boekhandelaar van mijn vader” (Jan Brokken) en ‘last but not least’ het befaamde “Een ochtend bij de boekhandelaar” van Carl. J. Burckhardt (1891-1974).
Die laatste staat trouwens ook hier in de kast en was iconisch genoeg om in 1970 in een drietalige uitgave (Duits, Frans en Engels) te worden uitgedeeld aan de deelnemers van de Frankfurter Buchmesse 1970 (oplage 700 stuks).

Het debuut van 'de boekhandelaar' als fictieve figuur begint in Nederland op de planken van de toneelliteratuur.
Zo rond 1720 verscheen bij Gijsbert Tijsens (1693-1732) het blijspel: “De weergadeloze bedrieger ontmaskerd, of de valsche boekhandelaar in zyn aard en weezen ontdekt” (z.p.z.j). Een kennelijk succesvol optreden want het kreeg in 1727 een vervolg.
Nadat het laatste applaus had geklonken werd het ruim een eeuw stil maar in 1835 ging het doek weer op, speciaal voor mij…!

Ergens halverwege maart op een wat grijze koele vrijdag was ik in Amsterdam. Na het aanschouwen van een voorgoed gesloten en dichtgeplakt antiquariaat De Friedesche Molen in de Rosmarijnsteeg (Amsterdam) kreeg ik sterk de behoefte aan een opbeurend bezoekje aan het nabijgelegen antiquariaat Brinkman.
Ik verwachte Frank aan te treffen maar die bleek verkouden thuis te zitten en dus raakte ik weer eens in gesprek met zijn charmante winkelassistente Joanna Rozendaal.
Joanna was druk bezig met haar werk en terwijl we wat nieuwtjes uitwisselden en er zo nu en dan een bezoeker binnenkwam, om rond te snuffelen of om af te rekenen, viel mijn oog op een klein (octavo formaat) boekje dat opengeslagen in de pronkkast tegen de achterwand stond.

Het waren de eerste twee titelwoorden in kapitaal die mijn onmiddellijke aandacht trokken.
De Boekhandelaar, of het welbetaald handschrift; blijspel in vijf bedrijven door M.H. Binger” (Amsterdam, 1835). De titel(illustratie) en een door de secretaris van de commissarissen van de Stadsschouwburg ondertekende verklaring dat het om een geautoriseerde uitgave gaat tonen het genre aan.
Voor zestig euro werd ik eigenaar van dit mij onbekende stukje toneelliteratuur.

Thuisgekomen besloot ik om allereerst die saaie bruinkartonnen omslag te beplakken met wat origineel negentiende eeuws marmer (zie onderste foto). Dat maakte het boekje qua uiterlijk meteen een stuk aantrekkelijker vindt u ook niet?
Vervolgens bestudeerde ik de provenance kenmerken. Een plakkertje op de Franse titelpagina met nummer 10.693 en een oud bibliotheekstempel op de titelpagina (en nogmaals op de slotpagina) toonde de herkomst uit een (theater)collectie aan.
De stempel behoorde toe aan ‘A. van Lier, theater directeur, Amsterdam’.


Abraham Israël van Lier (1812-1887) bleek na een carrière als muzikant, dansmeester en acteur tussen 1852 en 1887 inderdaad directeur te zijn geweest en wel van het Grand Théâtre (des Variétés), voorheen de Hoogduitsche Schouwburg, in de Amstelstraat.
Daarmee is de herkomst van het boekje mij duidelijk. Of dit blijspel ook in zijn theater is opgevoerd?
De ‘Nederlandsche Staatscourant’ van 2 juni 1835 maakt melding van de première op 2 juni 1835 in de ‘Koninklijke Nederduitsche Schouwburg’ (Den Haag) en laat weten dat de boekuitgave verkrijgbaar was bij H.S.J. de Groot. Datzelfde jaar volgen nog uitvoeringen in de Amsterdamse Stads Schouwburg, de Rotterdamsche Schouwburg en de Leydsche Schouwburg.
Vijfentwintig jaar later, in 1860, keert het blijspel terug op de Amsterdamse planken en wordt het enkele keren uitgevoerd in de Salon des Variétés in de Nes. Van deze laatste uitvoeringen bestaat een aardige toneelbespreking in het ‘Nieuw Amsterdamsch handels- en effectenblad’ van 8 oktober 1860.


De Boekhandelaar, of het welbetaald handschrift” is geen oorspronkelijk Nederlands product. De vertaler en bewerker is Marcus Hijman Binger (1797-1872) grondlegger van de boek- en steendrukkerij firma M.H. Binger & Zonen. In 1858 werd hij erelid van de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels (VBBB).

Binger geeft in zijn voorwoord aan dat hij – bij gebrek aan Nederlandse blijspelen – de vertaling en bewerking ter hand nam van “Das Manuscript“ dat in 1832 werd geschreven door de Duitse actrice Joanna (Franul) von Weissenthurn (1773-1847).
Das Manuscript“ verscheen destijds niet als zelfstandige uitgave maar in een bundel “Neue Schauspiele”, band 13 (Wien, 1832). Wat dat betreft, maar ook als eerste vertaling en bewerking heeft onze Nederlandse uitgave de primeur. De oplage zal niet groot zijn geweest en was met name bedoeld voor de toneelwereld . Dat blijkt bijvoorbeeld uit de opmerkingen over de setting voor het eerste bedrijf (blz. 9) en enkele voetnoten onderaan de bladzijden zoals:
De benaming van (haar)kleur kan zich regelen naar die, welke de actrice werkelijk bezit.” (blz. 20) en “NB. Dit gansche gesprek moet met veel levendigheid gehouden worden.” (blz. 125).

Centraal in het verhaal staat de jonge Reinhart, die zijn naam eer aandoet, en door zijn rijke oom, boekhandelaar Daniel Geerman, wordt gekoppeld aan de ongeletterde en onontwikkelde Agnieta Kruidnagel. De reden is simpel. Zij bezit net als oom lief kapitaal en daar gaat het om. Reinhart echter ziet dat niet zitten en trouwt uiteindelijk met de arme en blinde Louisa Wolbing wiens briljante manuscript met gedichten door haar moeder Amalia bij Daniel Geerman en Reinhart ter beoordeling was beland.

Welke denkbeelden! Welke taal! Welke schilderingen van karakters! Hoe juist! Hoe fijn! Het geheel is zoo eenvoudig, en toch zoo krachtig! Ja, als de vrouwen zoo schrijven, dan zal het hen niemand betwisten dat zij mogen schrijven.” (blz. 74). Dergelijke passages geven ons een interessant en informatief tijdsbeeld over hoe men aankeek tegen de gestadige opkomst van schrijvende vrouwen!
Het land wordt met laf geschrijf als overstroomd, en ook de vrouwelijke huishoudelijkheid, weleer het geluk van den man, verliest zich thans in een wedloop om den bijval van het publiek” (blz. 48).
En:
Ik geef den man de pen en aan de vrouw de naald in de hand. Ik moet geene nicht hebben, die mij het ontbijt in zuivere versmaat opdischt. 
Arm! – Ik houd veel van geld – maar arm had zij nog wel mogen zijn, doch geleerd niet. Eene vrouw, die meer inkt gebruikt, dan de man wijn drinkt, komt niet in mijn huis” (blz. 132).


Tot slot. Ook de groeiende negentiende eeuwse bibliomanie wordt in dit blijspel aangeroerd. Zo is in het tweede bedrijf, eerste toneel (blz. 50-52) sprake van een klant met meer geld dan geleerdheid die een enorme bibliotheek wil aanschaffen tegen contante betaling. Het doet er niet toe met wat, alleen de maat is bepalend.
De maat?
Ja, zijne kasten zijn drie ellen hoog en twee ellen breed. Hij kan de boeken dus niet anders dan bij de el gebruiken”…

zondag 9 april 2017

De Amsterdamse wereldtentoonstelling en de Friese ramp (1883)


Dit verhaal begint zo'n drie jaar geleden.
Toen kocht ik voor slechts tien euro op een boekenmarkt een oblong boekje (13 x 19 cm.) met zestien lithografische afbeeldingen van Amsterdam. Op de voorzijde van de kartonnen omslag staat "Oud Amsterdam" met een afbeelding van het Rijksmuseum, het portret van de architect P.J.H. Cuypers (1827-1921) en een heraldische versiering met de letters 'W.E.' (Willem & Emma).
Achter de raadselachtige letters 'JV.A' linksonder gaat vermoedelijk uitgever 'JV' te Amsterdam schuil. Het bevat verder geen titelblad maar alleen de volgende zestien afbeeldingen:
1. De Heerengracht
2. De beurs (van Zocher (Gesloopt in 1903, thans de plek van warenhuis De Bijenkorf)
3. Paleis des Konings (Paleis op de Dam)
4. Prinsengracht
5. Natura Artis Magistra (Hoofdingang aan de Plantage Kerklaan)
6. Groenburgwal
7. Paleis voor Volksvlijt (Afgebrand in 1929)
8. Het Amstel Hotel (Gebouwd in 1863 naar een ontwerp van Cornelis Outshoorn)
9. De Schouwburg (aan het Leidseplein. Hier liep tot 1909 de Lijnbaansgracht, thans ligt hier het Kleine Gartmanplantsoen)
10. Oude Doelenstraat
11. De Pijpenmarkt (Nieuwezijds Voorburgwal, gedempt in 1884)
12. De Houtgracht (Waterlooplein. De gracht werd gedempt in 1882)
13. Oude Schans (met Montelbaanstoren)
14. Het Nieuwe Museum (Rijksmuseum, geopend in 1885)
15. Ooster Dok
16. Panorama (Gebouwd tussen 1879 en 1880 naar een ontwerp van Isaac Gosschalk. Het stond aan de Plantage Middenlaan 50 en werd in 1935 gesloopt)


Toen ik in de beeldbank van het stadsarchief Amsterdam zocht vond ik negen van de zestien illustraties terug. Uitgever was J.F. Haeseker en Co, uit Haarlem die de afbeeldingen in 1883 vervaardigde waarbij (soms?) gebruik gemaakt werd van fotovoorbeelden zoals blijkt uit deze illustratie van het Panorama (foto: stadsarchief Amsterdam).


In dat jaar vond in Amsterdam een Wereldtentoonstelling plaats, officieel de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling. Ruim een miljoen mensen uit vele landen bezochten toen het expositieterrein op het huidige Museumplein naast het (in aanbouw zijnde) toekomstige Rijksmuseum. De internationale toeloop verklaart meteen waarom de titels onder de afbeeldingen viertalig zijn, in het Nederlands, Frans, Engels en Duits.

Ongeveer een maand geleden zag ik op Marktplaats een Engelstalige brochure die tot mijn verbazing dezelfde zestien afbeeldingen bevat. Op de kleurige voor- en achterzijde (identiek aan elkaar) staat: “Remembrance Amsterdam. 16 views of the town with description 1883”, de al eerdergenoemde uitgever, de prijs; ‘50 cents’ en de drukker: Tresling & Co. Lith(ografie), Amst(erdam). Voor tien euro werd ik eigenaar en toen ik het thuis ontving zag ik dat het een tekstgedeelte bevat met een beschrijving bij de afbeeldingen door Martin Kalff (1848-1897), redacteur van ’t Handelsblad’. Interessant is de mededeling op het titelblad: “For the benefit of the poor relations, left by the shipwrecked fishermen in the sea-disasters of the last month” (met nadere uitleg op de versozijde).


Uit krantenadvertenties blijkt dat deze brochure (in het Nederlands, Frans, Engels en Duits) goed verkocht want er verscheen zelfs een tweede oplage van 10.000 exemplaren!


De vissersramp van Paesens-Moddergat (Friesland) is thans geheel vergeten. Destijds werden er in heel Nederland inzamelingsacties gehouden ten behoeve van de achtergebleven nabestaanden van de slachtoffers.


Wie deze dorpen nu bezoekt treft bij de dijk een monument aan dat herinnert aan deze stormramp, die van 5 op 6 maart 1883 vele slachtoffers maakte, maar vooral in Paesens-Moddergat. Het werd op 6 maart 1958 onthuld door de Commissaris der Koningin in de provincie Friesland, Mr. H.P. Linthorst Homan (1905-1989). Op de zuil zit een stenen plaat met de onderstaande Friese tekst:

"A.D. 1883 stieken fan dit plak

109 fiskers mei 22 skippen yn sé.

Yn in swiere stoarm binne
83 man en 17 skippen bleaun.

As de dea it skip berint

Dan is der gjin ûntkommen.

O wetter, o wif elemint!

De sé hat jown, hat nommen.

1883 - 6 maert - 1958."

In het Nederlands:



A.D. 1883 kozen van deze plek

109 vissers met 22 schepen zee.

In een zware storm zijn
83 
Man en 17 schepen gebleven.

Als de dood het schip bedreigt

Dan is er geen ontkomen.

O water, o onzeker element!

De zee heeft gegeven, heeft genomen.


1883 - 6 maart - 1958.

Terug naar die wereldtentoonstelling in 1883 want in mijn verzameling zit nog een klein zeldzaam leporelloboekje (10 cm. x 7 cm.) dat ik u hier wil tonen.
Op de voorzijde staat: “Herinnering aan de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling te Amsterdam 1883”.


De achterzijde vermeldt de prijs; 25 cent en tevens dat de graveur, drukker en uitgever Frans Schemm was uit Neurenberg, ‘Bayern’ (Franz Schemm Kunstanstalt Nürnberg).
Mijn exemplaar bevat tien gegraveerde afbeeldingen van de inzending van: Japan/Indië, China, Australië, Rusland, Beieren (toen nog een apart Koninkrijk!), Duitsland, Engeland, Frankrijk, België en Nederland. Van deze leporello bestaat een variant met dertien afbeeldingen van de diverse paviljoens en gebouwen alsmede het Rijksmuseum.






















Maar hoe zit het met mijn album “Oud Amsterdam”, met alleen die zestien afbeeldingen? 
Vermoedelijk verscheen dat niet in 1883 maar twaalf jaar later in 1895 en werd het samengesteld uit het restant van de oplage uit 1883. Waarom 1895? 
Welnu, in dat jaar was er niet alleen een tweede Wereld Expositie in Amsterdam met een compleet nagebouwd miniatuur dorp “Oud-Holland” (waarvan ik een foto leporello bezit) maar bovendien een tentoonstelling in het Panoramagebouw getiteld “Oud Amsterdam”.


Het zou mij niks verbazen als het boekje destijds bij de gelijknamige tentoonstelling verkrijgbaar was. De oorspronkelijk bijbehorende informatieve tekst kon vervallen.
De vissersramp van Paesens-Moddergat was inmiddels een vage herinnering geworden en de beschrijvingen van Martin Kalff waren gedateerd en hier en daar ingehaald door de werkelijkheid.
Zowel de oorspronkelijk viertalige uitgave uit 1883 als het vermoedelijk twaalf jaar later samengestelde album "Oud Amsterdam" kom je nog wel eens antiquarische tegen voor bedragen tussen de vijfentwintig en vijftig euro.

Mocht u - tot slot - ook nog even een kijkje willen nemen op de Amsterdamse wereldtentoonstelling van 1895, kijk dan even hier!

zaterdag 25 maart 2017

Catechismus

Ik zal het maar opbiechten; ik ben niet Rooms-katholiek.
Ik ben ook geen lid van een kerkgenootschap en ga niet regelmatig naar de kerk. In een grijs verleden ben ik Nederlands-hervormd gedoopt (door dominee H.J. Kater), en het bewijsje daarvan bewaar ik nog steeds tussen mijn genealogische paperassen.
Gelovig noch vroom, en toch bezit ik naast een gewoon bijbeltje een Rooms-katholieke en Protestantse (Heidelbergse) catechismus.
Een catechismus bevat 'de regels van het spel' een soort 'roadmap' voor het geloof, zo lees ik bij Wikipedia; "Een catechismus (van het Griekse: Κατήχησις, katechesis = onderricht) is een opsomming van de leer van een bepaald kerkgenootschap waarin al zijn dogma's systematisch en voor leken begrijpelijk worden gegeven en uitgelegd".

Anders dan bij bijbels ken ik geen specifieke verzamelaars van catechismussen. Dat je ook daarvan een enorme collectie kunt aanleggen moge duidelijk zijn. Net als bij bijbels is de diversiteit, zowel in druk als uitvoering enorm en sommigen, zoals de 'Goudse catechismus' uit 1607, zijn zeer zeldzaam.

Mijn laatste catechismus trof ik aan op de vrijdagse boekenmarkt op het Amsterdamse spui. Twintig euro betaalde ik voor een prachtige "Catechismus met platen opgeluisterd" (Paris, 1912). Het is een smetteloos groot exemplaar (26 cm. breed en 36 cm. hoog) met zeventig prachtige houtgravures van diverse kunstenaars.
Ik raakte vooral gefascineerd door die paginagrote platen met hun gedetailleerde Rooms-katholieke klassieke verbeelding van een vurige hel, een stralende hemel, duivels (met hoornen en vlerken) en engelen met lange lokken (in lange rokken). De afbeeldingen zijn zoals op de titelpagina staat "de herleiding der 70 kleurensteendrukken van den Grooten Catechismus met platen (48 x 66 cm.)". Die chromolithografieën treft u hier aan en de zwart-wit afbeeldingen hier (waar u tevens voor een paar euro een moderne herdruk kunt kopen). Antiquarisch vond ik overigens maar één origineel exemplaar ('Zeldzame Nederlandse uitgave!'), te koop voor ruim zestig euro.

De doelgroep van dit stukje aanschouwelijk geloofsonderwijs in boekvorm betrof de voornamelijk jeugdige catechisanten. Deze krakkemikkige Nederlandse vertaling van een in Frankrijk gedrukte catechismus was niet bedoeld voor de Nederlandse markt, maar voor de Belgische/Vlaamse. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de voor ons soms zonderlinge woordkeus zoals bijvoorbeeld 'Sinksen' voor Pinksteren!
Geen wonder dus dat ik in Delpher nergens een reclame advertentie vond. Met wat zoekwerk kwam ik er achter dat mijn aanwinst bij "Maison de la bonne presse" verkrijgbaar was in het Frans (gepubliceerd in 1908) en Nederlands (gepubliceerd in 1909 en 1912). De Nederlandstalige uitgave kende in ieder geval twee uitvoeringen. Een luxe gebonden in linnen met goudopdruk en een eenvoudige gebonden in papieren omslag. Ik bezit de laatste, maar mijn exemplaar werd destijds wél ingebonden, zij het in een eenvoudige maar doelmatige band waarop de originele titel en achterflap werden geplakt.

Het draait bij deze catechismus natuurlijk vooral om de illustraties. Twee daarvan wil ik er uitlichten en wel nummer 12 (Negende artikel: 'Ik geloof een heilige Katholieke kerk') en nummer 17 (Twaalfde artikel: 'Ik geloof het eeuwige leven'). Uit de eerste afbeelding blijkt wel dat men de actualiteit niet uit het oog verloor want de rechtsonder afgebeelde Paus heeft het gezicht van Pius X (1835-1914) die toen op de Heilige Stoel in Rome zat.

De tweede is een prachtig gedetailleerde afbeelding van de hel. Anders dan de voorgaande een foto uit mijn boek omwille van de letters en tekst in de illustratie (die bij de verkrijgbare moderne herdruk zijn vertaald!). De hel werd (of is het 'wordt'?) bereikt door één van haar zeven poorten, voor elke hoofdzonde een andere poort.
V.l.n.r. zijn dat; Colere = gramschap (Leeuw), Gourmandise = gulzigheid (Varken),
Avarice = gierigheid (Pad), Orgueil = hovaardigheid (Pauw), Luxure = onkuisheid (Bok), Envie = nijd (Slang), Paresse = traagheid (Schildpad).
Dat wordt bij mij nog lastig kiezen en bij u?


Mijn andere catechismus - ooit gekocht van een mede-bibliofiel - is "De Heidelbergsche Katechismus; met de voornaamste Schriftuur-plaatsen, op iedere Vraag en Antwoord toegepast; tot stichting der Gemeente en leering der christelijke Jeugd" (Amsterdam, 1823). Het is een nieuwe en verbeterde uitgave van de editie uit 1808.
Bijzonder aan deze niet geïllustreerde pocketuitgave is dat het vooralsnog om een uniek exemplaar gaat dat niet voorkomt in L.G. Saalmink: “Nederlandse bibliografie 1801-1832 (Houten, 1993).
Alleen in de collectie van het Nederlands schoolmuseum bevind zich een ouder ongedateerd exemplaar en bij Google books kunt u bladeren in een tien jaar jonger exemplaar uit 1833.
Het boekje biedt naast de 129 vraag en antwoordlessen verdeeld over 52 zondagen ook verschillende gebeden.

De uitgevers Schalekamp en Van de Grampel waren “Boekverkoopers op den N.Z. Voorburgwal / Over de Nieuwe Kerk / In de zwarte Hen”. In dezelfde winkel zat vanaf het midden van de 18de eeuw Adam Meyer “over de Onvolmaakte Tooren. In De Zwarte Hen”. Diens impressum vermeldde ook wel eens de Stilsteeg, zodat we deze boekwinkel kunnen situeren in de tegenwoordige Paleisstraat.


Die 'onvolmaakte toren' was de voet van de kerktoren van de Nieuwe kerk naast het stadhuis (thans paleis op de Dam). De toren werd nooit afgebouwd en de stomp zien we terug als achtergrond voor de zwarte hen in het drukkersvignet. In 1783 werd het torenrestant grotendeels afgebroken en zie; ook op het latere drukkersvignet is het bouwsel verdwenen!

Overigens lijdt het geen twijfel of de benaming 'In de Zwarte Hen' gaat terug op een gevelsteen. Zou dat wellicht de gevelsteen zijn die ik ooit per toeval tegenkwam toen ik in Amsterdam/Buitenveldert door de Cuserstraat langs huisnummer 13 fietste?

vrijdag 17 maart 2017

Antiquarische taalspelletjes


Ik vermoed dat bij veel liefhebbers van onze Nederlandse taal wel een exemplaar in de kast staat van Hugo Brandt Corstius' (1935-2014) populaire boek "Opperlandse taal- & Letterkunde" (Amsterdam, 1981) of - zoals bij mij - de laatste (2de druk) van "Opperlans" (Amsterdam, 2003)

De taalkundige goocheltrucs van 'Battus' zijn niet alleen vermakelijke leesstof maar tonen ook een oude traditie op dat gebied. Zo geeft hij voorbeelden van oude taalgrapjes waarvan enkelen al lang geleden zijn uitgegeven, waaronder enkele lipogrammen.

Daartoe behoort één van de vroegste Nederlands voorbeelden, een uitgave van 'A.F.' oftewel Albertus Frese (1714-1788): "Proeve van vijf klinkdichten, in welke naer rang zyn uitgelaeten de vyf vocaelen of klinkletters" (Delft, 1784).
Meer bekend - en eveneens opgenomen in "Opperlans" -  is het R-lipogram van de Duitse predikant Joächim Müllner (1647-1695): “De naam Jesus, eene uitgegootene olie of uitlegging van het Hooglied Salomo’s” (Rotterdam, 1795).


Ook in mijn bibliotheek staat een exemplaar van deze Kerst-leerrede “Met volkoome uitlaating van de Letter R, zonder dat daar door de zin eenigzints verstoord wordt”.
In de Duitse taal is zo'n R-lipogram trouwens extra lastig, omdat het veel woorden in meervoud (‘…er’) en het mannelijk lidwoord (‘der’) uitsluit.
Zoals de titelpagina laat zien werd het in 1795 door J. Scharp (1756-1828) “Merkelyk in styl verbeeterd, en met een voorbericht Uitgegeeven”.
Deze Oranjegezinde dichter en predikant hield wel van dergelijke kunststukjes zoals u in het krantenartikel kunt lezen.


De volledige tekst van dit R-Lipogram is voor liefhebbers ook beschikbaar via Delpher en Google Books.

Van een ander bekend voorbeeld bezit ik twee exemplaren (en dat is niet voor niets!).
Het gaat om drie bijzondere lipogrammen waarbij slechts één klinker is toegestaan.
Ze werden gebundeld (36 blz.) in een papieren omslag en verschenen onder de titel:
"A-saga,  E-legende, O-sprook" (Amsterdam, 1879).
Toen ik mijn eerste exemplaar vond en er wat in bladerde trof ik daarin een knipsel aan uit "De Verzekeringsbode" (Jaargang 74, van 19 augustus 1955, blz. 219 t/m 221) met een interessant artikel over deze uitgave van Prof. dr. M. van Haaften (1880-1957).
Van Haaften was geen taalkundige maar oud directeur van de 'Hollandsche Sociëteit van Levensverzekeringen N.V. Anno 1807'. Dat verklaart de keuze voor dit blad en de wat curieuze titel van zijn stukje: "Een E-vertelsel betreffende verzekeren, en ander letterkundig spel".


Hierin beschrijft hij hoe in 1841 als eerste 'E-legende' verscheen van de hand van Jacob van Lennep (1802-1868). Die schreef het voor vrienden en de oplage bestond daarom uit slechts enkele exemplaren.
Toen Mr. Aeneas Baron Mackay (1806-1876) als kamerheer van Koningin Anna Paulowna (1795-1865) er lucht van kreeg en Van Lennep om een exemplaar vroeg zond deze hem het volgende versje:

"WelEedle heer
Geen bede helpt, het smeken neme een ende;
Het deed me leed; het speet me zeer.
Er bleef geen enkele E-legende
Te Lennep meer".

Twee vrienden van Van Lennep namen zijn taalkundige uitdaging destijds serieus en zo verschenen nog in hetzelfde jaar: "Paaschmaandag" (van Prof. dr. J. Bosscha (1797-1874) en "Colholms Roos" (van Dr. A. des Amorie van der Hoeven jr. (1821-1848).
De eerste eveneens in een beperkte oplage voor vrienden onder het motto: "'t Lam was haar kaars". Het gaat over de bekering van Noormannen tot Christenen.
Alleen de laatste werd destijds wat breder uitgegeven door P.N. van Kampen. Het had als ondertitel al 'O-sprook' en het motto: "Schoon lokt tot roof".
Pas toen de drie in 1879 samengebundeld werden uitgegeven kreeg Bosscha's "Paaschmaandag" de ondertitel 'A-saga'.

Over het boekje merkt Van Haaften op: "Wij tekenen nog aan, dat de woorden 'Tweede Oplage' gedrukt staan op de uitgave van 1879, dat is op de eerste uitgave van de drie brochures tezamen. Bij dezelfde uitgever is in 1924 een tweede druk verschenen".
Dit behoeft enige nuancering aan de hand van mijn twee exemplaren uit 1879, waarvan er één zonder deze toevoeging is! De eerste druk was kennelijk zo populair dat er besloten werd tot een 'Tweede Oplage'. Dit staat niet alleen op de omslag maar ook op de titelpagina, die in een iets ander lettertype opnieuw werd gedrukt (wat goed zichtbaar is aan de letter 'K' van 'sprook'). Verder zijn de boekjes identiek. In 1924 verscheen bij dezelfde uitgever in de serie 'Zilveren Verpoozingen' een geheel nieuwe tweede druk.

Overigens bestaat er van de "A-saga, E-legende, O-sprook" ook een moderne uitgave van Manteau (Brussel, 1978). Die is voor enkele euro's op Boekwinkeltjes ruim verkrijgbaar maar voor hetzelfde geld koopt u al gauw een origineel negentiende eeuws exemplaar (en dat is toch veel leuker!)

De populariteit van "A-saga, E-legende, O-sprook" zorgde er voor dat al gauw ook anderen hun pen beproefden. Een van de eersten was de theoloog en journalist B.H. van Breemen (1852-1928). Hij publiceerde: "I-dicht, IJ-rijm en eenige andere rijmen" (Amsterdam, 1880). 


Daarnaast verscheen er het I-dicht "Prins Willi" geschreven door de Arnhemse bibliothecaris A.J.C. Kremer (1828-1918) en uitgegeven bij J. Minkman (Arnhem, 1880). Overigens wordt deze uitgave niet door Battus genoemd in zijn “Opperlans”.
Zowel het boekje van Van Breemen als dat van Kremer zijn een stukje zeldzamer en dus moeilijker te vinden (al wordt er door mij natuurlijk passief op gejaagd en dat is zoals altijd een kwestie van geduld, toeval en veel snuffelen!).

Na het verschijnen van deze publicaties volgden destijds ook in de kranten verschillende anonieme vertelsels. Bijvoorbeeld door ene 'D. de D.' in het Provinciaal Noord-Brabants Dagblad (1886) getiteld: "Drimsche dorpsgeschiedenis".


En niet veel later - in hetzelfde jaar - verscheen in de Haagsche Courant; "Waarde Wegwijzer!", een W-vertelsel en niet het eerste want twee jaar daarvoor, in 1884, hadden lezers van het Semarangsch Handels- en Advertentieblad al kennis gemaakt met een
'W-roman'.


Tot slot. Hoe zit het met het 'E-vertelsel betreffende verzekeren' dat van Van Haaften in de titel van zijn stukje noemt? Daarover schrijft hij; "Wij hebben de Lennepse E-legende weergegeven met het streven de lezers te bewegen eens een E-vertelsel betreffende het verzekeren te creëren en er de steller dezes mede te vereren. We geven zelf slechts enkele regels, welke verhelderen hetgeen we met bredere trekken beschreven hebben". Waarna zijn 'E-vertelsel betreffende verzekeren' volgt.


Blijft over de kwestie rond het mysterieuze 'U-prul'. Is het ooit verschenen?
Waarde lezers... Perkamentus daagt u uit...

(NB. Dit blogje maakte heel wat pennen los, zie hier en hier en lees vooral ook de diverse reacties onder dit stukje!)

vrijdag 3 maart 2017

Drie maal Hitler's boek

Het Noord-Hollandse antiquariaat Serendipity behoort tot de regelmatige deelnemers aan de boekenmarkten die ik bezoek.
Vaak neus ik dan even tussen het aanbod aan oude uitgaven over de geschiedenis van Amsterdam, dat mijn bijzondere interesse heeft.

In de zomer van 2016 trof ik daar bovenop de plankjes met boeken - en voor iedereen duidelijk zichtbaar – iets heel anders aan. Een nog in plastic geseald exemplaar van de Duitse wetenschappelijke ‘kritische Edition’ van Hitler’s “Mein Kampf”, uitgegeven door het Institut für Zeitgeschichte (IfZ) en voor het eerst verschenen begin 2016. Ik betaalde er graag vijfenzestig euro voor.

De antiquaar, dr. Vincent (S.E.) Falger, bleek een aantal exemplaren in Duitsland te hebben gekocht en verkocht die nu weer via zijn antiquariaat aan geïnteresseerden in Nederland tegen een zeer geringe meerprijs.
Falger, die in de Boekenpost van april 2015 een uitgebreid artikel over “Mein Kampf” schreef, houdt wel van een beetje reuring. In zijn kraam stond bij het boek een bordje met de mededeling dat hij met de verkoop van dit in Nederland verboden boek hoopte op een proefproces!

Uitlokking tot aangifte dus, maar gelukt is het hem niet en het bordje zal niet meer in zijn boekenkraam staan nu de Hoge Raad heeft gesproken.
Die oordeelde namelijk in februari 2017 dat de verkoop van het boek door Michiel van Eyck, eigenaar van de ‘Totalitarian Art Gallery’ in Amsterdam, niet strafbaar was en beëindigde daarmee een geruchtmakend proces dat al in 2013 was gestart.
De tijd dat Hitler's boek regelmatig het nieuws haalde dankzij dit soort processen lijkt daarmee zo langzamerhand voorbij te zijn...



Tegenwoordig is “Mein Kampf”, zeker een moderne herdruk ruim verkrijgbaar maar ook via internet  te downloaden (en als 'audioboek' te beluisteren) of in een - al dan niet universitaire - bibliotheek op te vragen.
Mijn eerste originele “Mein Kampf” kocht ik ergens begin jaren tachtig van de vorige eeuw in de Amsterdamse Oudemanhuispoort bij antiquaar Bonset. Het lag bij hem letterlijk onder de toonbank (anders kon het in beslag worden genomen!). Ik kwam daar pas achter nadat hij het een andere klant aanbood terwijl ik in zijn boekenstal snuffelde.
Die klant had toen geen interesse, ik wel...
Het is een exemplaar uit 1933, het jaar waarin het kabinet Hitler in Duitsland aan de macht kwam. Er waren op dat moment al tweeënzeventig drukken van verschenen; totaaloplage 990.000 exemplaren! In vrijwel elk Duits gezin stond er destijds wel één in de kast (mede dankzij de 'Hochzeitsausgabe'), al was het maar om de schijn van loyaliteit met het regime op te houden, maar of het boek ook daadwerkelijk massaal werd gelezen mag gerust worden betwijfeld.

Verboden boeken smaken het lekkerst was mijn bibliofiele motief destijds. Bovendien interesseerde ik me toen meer voor de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog dan thans. Ik kocht het vooral om zijn symbolische en historische betekenis maar helemaal gelezen heb ik het nooit.
Vele jaren later kocht ik ook de wat zeldzamere Nederlandse vertaling, die voor het eerst verscheen in 1939. Ik heb een exemplaar van de 4de druk (26ste tot 50ste duizendtal). Vertaler was Steven Barends (1915-2008), die overigens gehuwd was met Truus Pfann, een dochter uit het bekende antiquarengeslacht.


Beide uitgaven (zonder hun schaarse stofomslag) zitten in een blauw linnen band met vermelding van auteur en titel in goud op de rug. Op het voorplat staat, eveneens in goud, de Duitse adelaar met een hakenkruis. Wat leesbaarheid betreft vind ik Hitler’s boek - of het nou gaat om de Duitse of de Nederlandse versie - ongenietbaar, bombastisch en zo droog als gort. Bovendien werkt bij de Duitse versie de Fraktur vermoeiend. Af en toe een stukje hier en daar ging me nog het beste af.

Met de onlangs verschenen Duitse wetenschappelijk editie is dat anders. Die bevat een aantal zeer lezenswaardige inleidingen. Bovendien merk ik dat het lezen van de talrijke interessante en uitvoerige voetnoten werkt als smeerolie bij het herlezen van de desbetreffend droge tekstfragmenten. Zoals geïnteresseerden wel weten is de uitgave inmiddels een Duitse bestseller geworden die al diverse herdrukken beleefde (mijn exemplaar is alweer de vierde druk).

Het is dan ook niet verbazingwekkend dat er inmiddels plannen zijn om mee te liften op het succes van deze wetenschappelijk uitgave. Vertalingen in het Frans en Engels zijn in de maak en het ziet er naar uit dat er in 2018 ook een Nederlands vertaling verschijnt bij uitgeverij Prometheus. Door flink te snoeien in de 3700 voetnoten zal die minder omvangrijk worden dan de Duitse wetenschappelijke uitgave. Voor mij zou dat een reden zijn om te blijven kiezen voor de laatste!
Wie desondanks toch antiquarisch een origineel exemplaar wil kopen hoeft daar tegenwoordig niet veel moeite voor te doen. Een Duitse editie koop je, afhankelijk van de uitvoering, voor rond de honderd euro en voor de wat moeilijker te vinden Nederlandse uitgave betaal je al gauw meer dan honderdvijftig euro.

Tussen twee haakjes 1.
Weinig bekend is dat Hitler in 1928 een vervolg schreef op “Mein Kampf”. Hierin brengt hij zijn gedachten en theorieën onder woorden over de te volgen Duitse buitenlandse politiek. Het typoscript, dat in een Amerikaans archief werd teruggevonden, is pas na de oorlog uitgegeven door het eerdergenoemde Institut für Zeitgeschichte (IfZ) onder de titel: “Hitlers Zweites Buch” (Stuttgart, 1961). Het is inmiddels, net als “Mein Kampf”, een prijzige uitgave geworden die antiquarisch her en der nog verkrijgbaar is.


Tussen twee haakjes 2.
Het succes van “Mein Kampf” verdwijnt in het niets bij het succes van “Máo Zhǔxí Yǔlù”, het boekje van die andere dictator, Mao Zedong. Van het ‘Rode Boekje’ zijn al meer dan een miljard exemplaren verkocht (en sommige schattingen geven zelfs een veelvoud daarvan).
En ja; ook in aantal slachtoffers verslaat Mao ruimschoots Hitler (78 miljoen tegen 17 miljoen)! Desondanks is Mao's ‘rode boekje’ overvloedig in vele talen verkrijgbaar en hier nimmer verboden.


De enige overeenkomst tussen beiden in mijn bibliotheek is dat ze alle twee in drievoud in mijn kast staan. Drie keer hetzelfde boek maar dan anders, dat komt hier wel vaker voor!

Overigens ken ik iemand die van “Mein Kampf” minstens vijf exemplaren in de kast heeft staan. Dat is VU-historicus Wim Berkelaar. Hij schreef er over op zijn blog maar leuk om te beluisteren (en voor mij heel herkenbaar) is zijn uiteenzetting ruim drie jaar geleden in 'Bob Dylan anno nu' op NPO (het begint na 23.00 minuten). Daarin vertelt hij niet alleen over zijn exemplaren, de verkoop en aanschaf, maar ook over het verbod dat nooit tot zware veroordelingen leidde en met de komst van de wetenschappelijke edities definitief onhoudbaar zal blijken.

Voor de rest is de collectie boeken van Perkamentus over en uit de Tweede Wereldoorlog bescheiden, met vooral uitgaven van de Nationaal Socialistische Beweging (NSB). Ik heb mij altijd meer geïnteresseerd voor het Nederlandse ‘bruine boek’ (de website ‘Hasufali’ geeft een mooi overzicht van publicaties) maar dat is weer stof voor een volgend blog.