vrijdag 10 augustus 2018

Een kruidtuin voor vrienden

Tal van uitgeverijen/drukkerijen hebben in de loop der tijd klein drukwerk uitgegeven dat gratis werd verspreid onder vrienden en zakenrelaties. Onlangs kon ik een complete serie bemachtigen (inclusief het zeldzame eerste deeltje) van de bekende tiendelige 'Kruidtuin' reeks, uitgegeven door de Haagse drukkerij/uitgeverij Trio. Een dergelijke aanwinst leidt bij mij altijd tot het uitzoeken van de achtergrondinformatie en het korte onderstaande bibliografisch overzicht is daarvan het resultaat.

Trio heeft bijna een eeuw bestaan. In 1894 namen drie - na een staking - ontslagen typografen; J. van der Kamp, C.J. Landman en W.J. van den Bogart, het initiatief hiertoe en werd Boek- en Handelsdrukkerij 'Trio', firma Landman & Co opgericht (vanaf 1 januari 1898 de N.V. Drukkerij Trio). Trio was destijds een van de weinige bedrijven waar het beginsel werd doorgevoerd dat de werknemers (zij die na een proeftijd van drie jaar in vaste dienst waren getreden) deelden in de winst van het bedrijf en dat zij met behulp daarvan een gedeelte van het in het bedrijf werkende kapitaal verkregen. Trio begon met acht man maar toen het vijftig jaar bestond werkten er vijfentachtig mensen. In 1989 werd Trio overgenomen door Mats Goemans Holding B.V. en veranderde de naam in Trio Goemans B.V. In datzelfde jaar werd het archief over de periode 1897-1988 aan het Haags Gemeentearchief geschonken.

Al voor de Tweede Wereldoorlog, rond 1930, werd bij Trio nagedacht over het verspreiden van geschenkjes in de vorm van kleine uitgaven voor vrienden en zakenrelaties 'om bekendheid te geven aan het vele, dat Drukkerij Trio vermag’. Het eerste ontwerp daarvoor werd geleverd door de bekende typograaf Piet Zwart (1885-1977) die ook al reclamedrukwerk voor deze uitgever had ontworpen. Zijn vormgeving voor deze eerste uitgave was destijds echter zo modern en vooruitstrevend dat Trio besloot het boekje niet uit te geven. Er werden slechts enkele proefdrukjes gemaakt waarvan er twee (verschillende) berusten in de collectie van Museum Meermanno in Den Haag

De eerste krantenvermelding van een relatiegeschenk van Trio voor zijn zakenvrienden vinden we in 'Het Vaderland' van 1939 en 1940. Daaruit blijkt dat er in 1939 een rijmprent werd uitgegeven met een gedicht van P.N. van Eyck (1887-1954) en geïllustreerd met een houtsnede van Nico Bulder (1898-1964). In 1940 verscheen een houtgravure van Dirk van Gelder (1907-1990) met enkele woorden van Johan de Witt (1625-1672). Beide uitgaven staan duidelijk in het teken van de oorlogsjaren.

Na de oorlog, vanaf 1946, verscheen een nieuwe serie uitgaven 'Van Trio aan zijn zakenvrienden' onder de noemer 'Typografische Kruidtuin'. Tussen 1946 en 1950 verschenen in totaal tien kleine (ca. 16 cm. x 10,5 cm) genummerde boekjes met tussen de negentien en dertig bladzijden:
1. "Over de betekenis van de drukkunst in het mensenleven" ('s-Gravenhage, 1948), door Ir. M.C.A. Meischke.
2. "Het zetfoutenduiveltje" ('s-Gravenhage, 1948), door Pater dr. B. Kruitwagen OFM.
3. "Sint Jan voor de Latijnse Poort. Schutspatroon der Schrijvers, Drukkers, Binders, Uitgevers en Boekverkopers" ('s-Gravenhage, 1946), door F. Kerdijk.
4. "Hoogtepunten in de typografie" ('s-Gravenhage, 1948), door H. van Krimpen.
5. "Inleiding tot den Manuale Tipografico van Giambattista Bodoni" ('s-Gravenhage 1946), 'korte vertaling uit het Italiaans' F. Kerdijk.
6. "Van minnaars en dwazen in boekenland" ('s-Gravenhage, 1949), door F. Kerdijk.
7. "Het spel van wit en zwart" ('s-Gravenhage, 1949), door Pam. G. Rueter.
8. "Drukkers in Venetië" ('s-Gravenhage, 1949), door F. Kerdijk.
9. "Afbeelding en Verbeelding uit de zetkast" ('s-Gravenhage, 1949), door D. Dooijes.
10. "De machinezetters kunnen naar huis gaan" ('s-Gravenhage, 1950), door F. Kerdijk.

Van de tien deeltjes nam Trio-directeur Ir. Frits Kerdijk (1879-1972) er vijf voor zijn rekening (nummers 3, 5, 6, 8 en 10).

Het meest bekend onder boekenliefhebbers is wellicht nummer 2: "Het zetfoutenduiveltje", door Pater Bonaventura Kruitwagen (1874-1954). Het is feitelijk een vermeerderde en verbeterde heruitgave van het eerder verschenen artikel "Hoe men vroeger drukfouten bij het publiek aandiende" uit 'Het Tarief', uitgegeven door de 'Federatie Der Werkgeversorganisatie in Het Boekdrukkersbedrijf' (Kerstnummer 1925, blz. 14 t/m 19). Het verscheen in 1925 ook als losse overdruk ('Niet in de handel') en is ook het enige deeltje uit de 'Typografische Kruidtuin' dat door Trio los werd herdrukt (1954).


Antiquarisch worden losse deeltjes van de 'Typografische Kruidtuin' regelmatig aangeboden. Vrij zeldzaam zijn het eerste en laatste nummer. Om met de laatste te beginnen; feitelijk was dit geen boekje maar een simpel vouwblad en dat kan een verklaring zijn voor zijn tegenwoordige schaarsheid.
Het eerste nummer: "Over de betekenis van de drukkunst in het mensenleven", door Ir. M.C.A. Meischke kon de uitgeverij al in zijn verschijningsjaar (1948) niet meer naleveren. Ook de overige beginnummers uit de 'Kruidtuin' serie waren al snel op zoals blijkt uit de mededeling in nummer 7 (1949). Daarin wordt tevens het voornemen geuit om na het verschijnen van deel tien de boekjes gebundeld uit te geven.


Die bundel zou ruim tien jaar later verschijnen onder de titel: "Uit de typografische kruidtuin. Een bundel grafisch allerlei herdrukt bij het 50-jarig bestaan van de afdeling typografie van de Eerste Technische School te ‘s-Gravenhage" ('s-Gravenhage, 1962) en bevatte alleen de tekst van de nummers 2, 3, 6, 8 en 9.

woensdag 1 augustus 2018

Het jaar geboekt, juli 2018

In de rubriek 'Het jaar geboekt' (zie tabblad bovenaan) houd ik bij wat ik gedurende het lopende jaar bij elkaar verzamel. Per maand verplaats ik dat gedeelte naar de homepage en geef ik 'de cijfers'. In de rubriek blijft het lopende jaar intact. Pas bij de start van het nieuwe jaar zullen daar alleen nog hyperlinks naar het desbetreffende maand(blog) verwijzen. Een en ander komt de leesbaarheid van de rubriek ten goede die anders op den duur uit een ellenlange opsomming zou bestaan.

Juli 2018; de cijfers...

Totaal aantal objecten: 11 (nr. 1 bevat 2 uitgaven)
Gekocht: 11

Totaal uitgegeven: € 110,04 (incl. verzendkosten).
Gedeeld door 11 is gemiddeld: € 10,00 per object.

Via Boekwinkeltjes: 1 (7)
Via boekenmarkt: 3 (1.a., 1.b., 2)
Via (online) antiquariaat: 1 (8)
Via Marktplaats:
Via kringloop: 6 (3, 4, 5, 6, 9, 10)

Modern: 3, 4, 5, 6, 7
Old & rare: 1.a., 1.b., 2, 8, 10
Marge & klein bibliofiel drukwerk: 9

Juli 2018: de aanwinsten...


1.a. J. Fokke: "Geschiedkundige beschrijving van het vermaarde stadhuis van Amsterdam", (Amsterdam, 1808) en: b. A. Fokke Simonsz.: "Historie van de waag te Amsterdam" (Amsterdam, 1808). Twee uitgaven (in de eerste twee uitvouwbare afbeeldingen, de tweede met een titelillustratie, slotvignet en twee afbeeldingen waarvan één uitvouwbaar), samengebonden in een moderne zwartlinnen band voor € 40,- euro gekocht bij antiquariaat Max van Til op de boekenmarkt op het Amsterdamse Rokin.

2. "Bemoediging aan den vryen Nederlander over het afsterven van haare Koninglyke Hoogheid mevrouwe Princesse Anna Douariere van Z.D. Hoogheid Prins Willem de IV, Gouvernante der Vereenigde Nederlanden &c. &c. &c. Voorgevallen den 12. January 1759" (z.p. [Amsterdam?], 1782).
Scherp patriottisch pamflet (Knuttel 20161) in blauw papieren omslag voor € 5,- euro gekocht bij antiquariaat Max van Til op de boekenmarkt op het Amsterdamse Rokin.
Let vooral op de opvallende vermelding van de drukkerij onderaan de titelpagina! "Gedrukt by den naneev van A. Olofsen in der tyd mishandelde boekverkooper van Willem de IV C.S. op de gedienstige aanklagte van den agt en veertiger Schepen en Raad Mr. Matthys Straalman cum focio.".

Twee boekjes (3 en 4) voor samen € 2,75 euro uit mijn kringloopwinkel.
3. B. ten Holter: "Tien jaar Amsterdamsche Boekenmarkt, met een fotoreportage van Ada Heijkoop" (Amsterdam, 1989).

4. P.G.J. van Sterkenburg: "Johan Hendrik van Dale en zijn opvolgers" (Utrecht/Antwerpen, 1983).


5. W.C. Poortman: "Bijbel en Prent. Boekzaal van Nederlandse Bijbels" ('s-Gravenhage, 1983, deel I). Het eerste deel van deze bekende tweedelige standaarduitgave vond ik bij mijn Kringloopwinkel voor slechts € 2,50! Een koopje, maar wel één die mij verplichtte om op zoek te gaan naar het tweede deel!

6. W.C. Poortman: "Bijbel en Prent. Boekzaal van Nederlandse Bijbels" ('s-Gravenhage, 1986, deel II.a en b.). Gevonden dankzij internet bij de kringloopwinkel in Kollumerzwaag (De Lichtpuntloods) voor € 14,94 (incl. verzendkosten). De beide delen hebben mij samen dus nog geen € 17,50 gekost, terwijl voor een complete set antiquarisch al gauw € 100,- euro wordt gevraagd.

7. W.C. Poortman & J. Augusteijn: "Kaarten in Bijbels (16e - 18e eeuw)" (Zoetermeer, 1995). Met de voorgaande twee boeken van Poortman in huis zocht ik naar dit logisch vervolg op Boekwinkeltjes. Het is antiquarisch goed(koop) verkrijgbaar; ik betaalde slechts € 15,65 (incl. verzendkosten).

8. Portretgravure van Jan Wagenaar (1709-1773) door Jacob Houbraken naar het schilderij van Jacobus Buys, in achthoekig kader niet gedateerd en gesigneerd.
Hier bestaan twee formaten van met lichte verschillen.
Dit is de kleinste van de twee (110 mm. x 110 mm.).
Mijn eerste aankoop bij antiquariaat Goltzius (van Ard van der Steur) kostte € 26,66 (incl.
verzendkosten). Het portret is toegevoegd aan mijn Wagenaar aanwinst van juni 2018 (4). Iets wat ik vaker doe met oude portretgravure, zoals u hier kunt lezen.

Opnieuw twee kringloopvondsten (9 en 10).
9. B. Büch: "Agendanotities" (z.p., 1991). Niet in de handel. Deze uitgave werd speciaal geschreven voor de ABN Bank. Slechts € 0,20 eurocent!
Op Boekwinkeltjes prijzen van € 35,- tot € 90,- euro!


10. K. Fens: "In het begin was de bijbel. Boeken uit eigen kast" (Amsterdam, 2001). Tiende Bert van Selm-lezing. Oplage 500 exemplaren en antiquarisch vrij schaars.
Ik betaalde € 2,- euro. Nieuwsgierig naar de bibliotheek van Kees Fens? Klik hier!

vrijdag 13 juli 2018

Jus Primae Noctis

Kent u de film 'Braveheart' (1995) met Mel Gibson in de hoofdrol als de Schotse vrijheidsstrijder William Wallace (1272-1305)?
Acteur Patrick McGoohan speelt daarin een kille Engelse Koning Eduard I (1239-1307) en die besluit om de opstandige Schotse stammen in het hoge noorden te beteugelen door een oud vergeten voorrecht voor zijn adellijke vazallen uit de kast te trekken, het 'Jus Primae Noctis'. Het recht op de eerste nacht; het recht om de maagdelijkheid te nemen van jonge (Schotse) dochters van lijfeigenen of horigen aan de vooravond van hun huwelijk. "If we can't get them out, we'll breed them out...". 



Aan die scène moest ik denken toen ik vlak voor het einde van de maand mei via Marktplaats een curieuze Duitse publicatie kocht van dr. K. Schmidt getiteld: "Jus Primae Noctis. Eine Geschichtliche Untersuchung" (Freiburg im Breisgau, 1881). Het in halfleer gebonden boekje bevat aardige provenancekenmerken waaronder twee ex-librissen; één in blinddruk van ene M.J(?) de Wit in Maastricht, die dit exemplaar liet binden bij de boek- en papierhandel van F. Schmitz aldaar (zoals blijkt uit diens boekhandelszegeltje) en de ander - een stempel - van mr. H. van Riel uit Rotterdam. De laatste was de bekende VVD politicus Harm van Riel (1907-1980), geestelijk vader van Hans Wiegel, die over een omvangrijke privébibliotheek beschikte.


De auteur, dr. Karl Schmidt (1836-1894), was 'Oberlandesgerichtsrath' in Colmar, een lieflijk Frans plaatsje in de Elzas. Zijn diepgravend onderzoek naar het (wereldwijd) gebruik van het 'Jus Primae Noctis' geldt als de meest uitvoerige studie op dit gebied (379 blz., inclusief register).
Alleen de bibliografie telt al ruim dertig pagina's met honderden geraadpleegde boeken en documenten. Het boek werd opgenomen en uitvoerig beschreven in het derde deel (blz. 26) van “Bibliography of Prohibited Books” (New York, 1962) door Pisanus Fraxi, een pseudoniem voor Henry Spencer Ashbee (1834-1900).

Het 'Jus Primae Noctis' stond bekend onder verschillende benamingen waaronder 'Droit de Jambage', 'Droit de Marquette' (zoals besproken in "Curiositeiten van allerlei aard", "Curieuse Gebruiken", nr. 24/25), 'Droit de Seigneur', 'Proefnachten' of 'Bruiloftsavondkout', de laatste een eufemisme van Jacob van Lennep.

Ook Nederland (Holland) wordt in de uitgave van Schmidt genoemd (Kapittel 21, blz. 108/112).
De eerste verwijzingen naar het gebruik hier zijn volgens Schmidt afkomstig van twee auteurs uit het eind van de zeventiende eeuw.
Bij de historicus Mattheus Smallegange (1624-1710) vond hij in de: "Nieuwe Cronyk Van Zeeland" (Middelburg, 1696, I Deel, 5de boek, blz. 622) de volgende passage: "De Heer van Cortgene word geseit, van over gants oude tijden het Recht te hebben over die Maegdom van alle Vrysters die onder zijn gebied komen te trouwen, 't welk met eenig geld geredimeert pleeg te worden".


Bij de predikant en schrijver Adriaan Pars (1641-1719) las hij in zijn: "Catti Aborigines Batavorum..." (Leiden, 1697, blz. 196): "Een van de wonderlijkste Voorregten (met het Kristendom gants niet overeenkomende) waar van men leest dat enige oude Heerlijkheden in ons Land souden gehad hebben, is dat van de eerste Bijslaap bij de Bruiden, dewelke aldaar trouden, ook genannt, het Bruitgeld. Gelijk dat soude geweest sijn, in de Heerlijkheden van Schagen, Suidwijk, Voshol (in sig begrijpende nog 4 Plaatsen, als Swammerdam, Langeraar, Korteraar, en Rewijk), Sluipwijk, Tempel, Roon, Kortgene ens. als mede verscheide andere, die op de Gravelijkheids Rekenkamer soude kunnen werden opgesogt, het welk de Staten hebben doen afkopen met een stuk Gelds, aan den Heer van jeder plaats te betalen".
Latere schrijvers zoals Pieter van der Schelling, Gerard van Loon en Ludolf Smids toonden aan dat het bij Smallegange en Pars ging om een misinterpretatie van verschillende oude gebruiken. Zo zou het genoemde 'bruidsgeld' een afkoopsom zijn die niet werd betaald om een ontmaagding te voorkomen, maar de verplichte onthoudingsperiode direct na de huwelijksvoltrekking! Tijdens het vierde concilie van Carthago, eind vierde eeuw, zou namelijk zijn afgesproken dat de jonggehuwden zich - uit eerbied voor de ontvangen kerkelijke huwelijkszegen - één dag zouden onthouden. Dat werden in de loop der geschiedenis uiteindelijk drie dagen. Een ander oud feodaal gebruik was dat bruidsgeld werd betaald door een vrije man die huwde met een vrouw die horig was aan een leenheer. Het geld compenseerde de leenheer voor zijn verlies aan horige nakomelingen!

Ook Schmidt besloot zijn studie met de conclusie dat hij in de geschiedenis van de oudheid tot de moderne tijd weliswaar oude gebruiken tegenkwam rondom de huwelijksvoltrekking, maar geen spoor van bewijs voor het bestaan van een 'Jus Primae Noctis' dat adellijke heren in de Middeleeuwen het recht gaf om de maagdelijkheid te nemen van jonge dochters van lijfeigenen of horigen aan de vooravond van hun huwelijk.
Het bestaan van een dergelijk recht betitelde Schmidt als "Ein gelehrter Aberglauben". Ook moderne historici geloven er allang niet meer in. Desondanks bleef en blijft het 'Jus Primae Noctis' voor tal van curiositeitenverzamelaars, romanschrijvers, schilders, tekenaars,graveurs film- en operamakers een dankbaar en pikant gegeven!

vrijdag 6 juli 2018

De neus die is toch een sierraad!!!!


De inkt van mijn laatste stukje "Een Amsterdams neuzenlied" was, bij wijze van spreken, nog niet droog of ik trof tot mijn verrassing op de veilingsite Ebay (waar ik vrijwel nooit op kijk) een tweede 'Neuzenlied' aan voor € 8,90 euro (inclusief verzendkosten) aangeboden door een Duitse verkoper in Halstenbek (Sleeswijk-Holstein).


Ditmaal gaat het om een exemplaar uitgegeven door de feestartikelen-firma F. (Frans) Heitz in de Nieuwe Leliestraat 35 te Amsterdam. Aan de hand van het telefoonnummer 32919 kan dit enkelzijdig bedrukte liedblad ( 22 cm. bij 13,5 cm.) worden gedateerd rond 1925. Mede-verzamelaar Jos Swiers van De Althaea Pers - die vijf verschillende neuzenliederen bezit! - heeft deze uitgave ook maar dan met het latere telefoonnummer 47426.
De tekst (op de wijze van: 'Ze zeggen er is geen Prins in 't land enz.') was al bekend dankzij een ouder voorbeeld uit de straatliederencollectie van het 'Geheugen van Nederland'.
Bijzonder fraai is de afbeelding van twee karikaturen ter weerszijde van de titel. Beiden in het bezit van een behoorlijke gaffel. Feestliedjes, valt me op, zijn nog wel eens voorzien van illustraties, straatliederen vrijwel nooit.

De firma Heitz heeft ruim een eeuw bestaan. In de rubriek 'Tips van Joosje' uit 1969 (Dagblad voor Nederland) lezen we dat de winkel werd opgericht in 1859 (door Frans Heitz (1833-1912). In 1969 stond de vierde generatie achter de toonbank en werden er zelfs nog artikelen verkocht uit oude voorraden (soms wel tachtig jaar oud!). Of daar ook nog dit 'neuzenlied' bij zat?

zondag 1 juli 2018

Het jaar geboekt, juni 2018

In de rubriek 'Het jaar geboekt' (zie tabblad bovenaan) houd ik bij wat ik gedurende het lopende jaar bij elkaar verzamel. Per maand verplaats ik dat gedeelte naar de homepage en geef ik 'de cijfers'. In de rubriek blijft het lopende jaar intact. Pas bij de start van het nieuwe jaar zullen daar alleen nog hyperlinks naar het desbetreffende maand(blog) verwijzen. Een en ander komt de leesbaarheid van de rubriek ten goede die anders op den duur uit een ellenlange opsomming zou bestaan.

Juni 2018; de cijfers...

Totaal aantal objecten: 5
Gekocht: 5

Totaal uitgegeven: € 175,43 (incl. verzendkosten).
Gedeeld door 5 is gemiddeld: € 35,09 per object.

Via Marktplaats: 2 (1, 5).
Via Ebay: 1 (2).
Via Catawiki: 1 (4)
Via kringloop: 1 (3)

Old & rare: 1, 2, 3, 4, 5

Juni 2018: de aanwinsten...

1. "Neuzenlied" (z.j.[tussen 1890 en 1900], Amsterdam), op de wijze van 'Diender, Diender'. uitgave van Gekocht via Marktplaats voor € 6,68 euro (incl. verzendkosten). Zie mijn blog: "Een Amsterdams neuzenlied".


2. "Neuzenlied" (z.j.[ca. 1925], Amsterdam), op de wijze van 'Ze zeggen er is geen Prins in 't land enz.' Uitgave van F. Heitz.  Gekocht via Evay voor € 8,90 (incl. verzendkosten). Binnenkort meer in mijn blog: "De neus die is toch een sierraad!!!!".


3. "Gids voor armenzorg en maatschappelijke steun in Nederland", (Rotterdam, 1919). Samengesteld in opdracht van de Algemeene Armencommissie, met een inleiding van J. Everts (1882-1954). Voor € 2,50 euro bij mijn kringloopwinkel. Onvindbare uitgave die een informatief overzicht geeft van de talloze instellingen op dit gebied in Nederland een eeuw geleden.


4. J. Wagenaar: "Vaderlandsche Historie Verkort; en bij vraagen en antwoorden voorgesteld",  (Amsterdam, 1770). Dit is een bijzonder fraai exemplaar (gebonden in heel leer) van de tweede druk in groot-octavo met illustraties door S. Fokke (1712-1784). Gekocht via Catawiki voor € 135,35 euro (incl. veiling- en verzendkosten).


5.  H. Bontemantel: "De Regeeringe van Amsterdam: soo in 't civiel als crimineel en militaire (1653-1672)", ('s-Gravenhage, 1897). Twee delen (Deel 1: CCXXXIV, 298 blz. en deel 2. 622 blz.) in originele groenlinnen banden en in prima conditie. In beide het kleurrijk heraldisch ex-libris ('omnibus idem') van G.H.C. Hooft evenals zijn naam in handschrift en het jaartal 1940. Gekocht via Marktplaats voor € 22,- euro (incl. verzendkosten). Een zeldzaam koopje! Voor de geschiedenis van Amsterdam nog steeds een belangrijke uitgave waar ik lange tijd naar heb gezocht!

vrijdag 22 juni 2018

Een vergeten geschiedenis













Ik kan dit stukje natuurlijk op de klassieke wijze beginnen met het voorstellen van een nieuwe bijzondere aanwinst in mijn bibliotheek. Vervolgens vertel ik u dan wat over de inhoud, de interessante achtergrond en andere vermeldenswaardige aspecten. Maar ditmaal zit er ook een persoonlijke kant aan mijn verhaal en daarom begin ik met mijn vader.

Rudolf Frits werd op 10 november 1935 geboren in het Amsterdamse Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (NB. in dezelfde locatie en op dezelfde dag zou ik zesentwintig jaar later het levenslicht zien). Baby Rudy bleek een zorgenkindje want hij had een schisis, beter bekend als een hazenlip. Ik vermoed dat de medische - en chirurgische problematiek daaromtrent tegenwoordig vergelijkbaar is met die van een fietsenmaker die een band moet plakken maar toen waren dergelijke lichamelijke defecten nog een hele uitdaging. Pas na de oorlog, in 1948, werd mijn vader hieraan definitief geopereerd door de keel- neus- en oorarts, prof. dr. B. van Ommen; een ingreep die toen maar liefst acht uur duurde!

Als oorlogskind, dertien jaar oud met een spraakgebrek en onvoldoende goed onderwijs veranderde er iets in zijn leven toen hij op een dag bij de apotheek een receptje voor zijn moeder ging halen. Uit zijn 'Jeugdherinneringen' citeer ik:
"De vrouw achter de toonbank vroeg mijn naam en adres en in een van de volgende dagen werden mijn ouders benaderd door de directeur van de Prof. H. Burgerschool aan de Plantage Muidergracht (nr. 30). Deze school was gespecialiseerd in onderwijs aan kinderen met gehoor of spraakgebreken. De vrouw in de apotheek bleek een familielid van één der onderwijzers.
Kort daarna zat ik op deze school in de klas van juffrouw J.M. Janssonius. Eindelijk zat ik op een school waar ik mij prettig voelde. Te midden van kinderen met dezelfde problemen. Ik denk daaraan nog steeds met veel plezier terug. Eén voorval uit die tijd wil ik noemen. Met nog een aantal kinderen werd ik uitgekozen voor een documentaire over de logopedie op deze school. In de bioscoop zag ik mijzelf op het witte doek. Dat was minder interessant dan de rit naar de studio, waar de auditie werd gehouden. In een grote zwarte auto werden we opgehaald en voor het eerst van mijn leven reed ik met een snelheid van 120 kilometer per uur over de oude weg naar Den Haag".
Ik kan u alvast verklappen dat ik begin 2000 het desbetreffende Polygoonjournaal filmpje uit 1949 terugvond bij het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum (inventarisnr. VP3076). Het was een heel bijzonder moment toen ik daar een halve eeuw later mijn vader zag figureren en hem samen met wat klasgenoten een liedje hoorde zingen.

De school uit zijn herinneringen droeg pas sinds 1948 - nadat zij in gemeentelijke handen was overgegaan - de naam van de medicus Hendrik Burger (1864-1957). De Prof. H. Burgerschool bestaat nog steeds en zit thans in Amsterdam-West, aan de Jan Sluijterstraat 5.
Ik heb u wel eens verteld dat ik lange tijd genealogisch onderzoek heb gedaan naar mijn familie en uit het voorgaande blijkt dat ook wel. Op zoek naar meer informatie nam ik destijds ook contact op met deze school. Vaag herinner ik me een bezoek op een warme dag in de zomervakantie en wat gesnuffel in dozen met oud materiaal maar ik vond toen eigenlijk niets bijzonders met uitzondering van een restant jubileumboekjes, jaren daarvoor uitgegeven toen de school vijfenzeventig jaar bestond. Ik mocht een exemplaar meenemen van: "Omzien met het oog op morgen 1914-1989" (Amsterdam, 1989), geschreven door het toenmalige hoofd van de school, de heer M.A. Keyman.


Hoofdstuk 1 'Omzien' begint als volgt: "Er resten ons uit de periode voor de oprichting van de school slechts enkele boekjes". Eén daarvan, de oudste, is een: "Handleiding tot stemvorming en vloeiend spreken, op practische ervaring gegrond" (Deventer, 1898) van A. Kuijpers. Het mag duidelijk zijn dat door dit enorme gebrek aan (archivalische) bronnen Keyman ons helaas niets weet te vertellen over de ontstaansgeschiedenis van het onderwijs aan kinderen met spraakproblemen veroorzaakt door een lichamelijk gebrek, zoals een verminderd gehoor of gehemelte defect.
De oorsprong van deze vorm van bijzonder onderwijs is ook niet terug te vinden in verschillende moderne geschiedschrijvingen van Amsterdam. Daarin wordt vaak alleen de oprichting in 1808 van het Instituut voor Blindenonderwijs genoemd. Al met al leek het mij hoog tijd om deze vergeten geschiedenis te onthullen aan de hand van een nieuwe zeldzame aanwinst in mijn collectie.


In maart 2018 kocht ik bij antiquariaat Brinkman in Amsterdam diverse schaarse brochures (zie hier) waaronder: "Eenige bescheiden aangaande de Inrichting voor Spraakgebrekkige en daardoor Achterlijke Kinderen, te Amsterdam" (Amsterdam, z.j. [ca. 1875]). Deze eenvoudige publicatie zit nog in zijn originele gele uitgeversomslag met bibliotheekstempels op de voorzijde (en titelpagina) van de bibliotheek van het Departement van Defensie. Los ingevoegd zit een gedrukte aanbiedingsbrief van de directie van deze inrichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (teneinde subsidie te verkrijgen) met een alfabetische lijst van notabelen 'zoo professoren en doctoren als particulieren die hunne adhesie aan deze stichting schenken'.
De inhoud bevat diverse onderdelen. Na de titelpagina volgt een stukje tekst over de 'belangrijkheid van het onderwerp'. De daaropvolgende 19 bladzijden zijn verdeeld in de volgende hoofdstukken:
1. Toeneming van het getal belangstellenden voor deze Inrichting,
2. Spraakgebrekkigen en daardoor Achterlijken,
3. De Methode,
4. Verwijzingen van H.H.  Med. Doctoren naar deze Inrichting (met een ingevoegde dubbele pagina 14/15 waarop de tekst staat van twee brieven: (32) "Brief van een rijks-ambtenaar, tot betoog kunnende dienen, dat het doofstommen-onderwijs tot Rotterdam minder geschikt is voor het genezen van Spraakgebreken" en (33) "Brief van een Openbaar Hoofdonderwijzer, die gaarne kosteloos bekend wenschte te worden met de geneeswijze van spraakgebreken; doch wiens wensch door de directie moeielijk kan worden vervuld, zonder zoogenaamd een muis in eigen berg te halen, tenzij het Rijk met subsidie tusschenbeide komt".
5. Eenige Belangrijke Herstellingen en Openbare Dankbetuigingen (1868-1874).
Tot slot volgen (7 bladzijden) met de "Statuten voor de Inrichting voor Spraakgebrekkige en daardoor Achterlijke Kinderen te Amsterdam" (bij ministeriële beschikking d.d. 18 april 1867, nr. 228 namens de Koning, onder de instellingen van Middelbaar Onderwijs opgenomen), waarover later meer.


Eén naam komt in deze brochure prominent naar voren. Die van de 'founding father' van dit speciale onderwijs in Nederland; de Friese onderwijzer Fokke IJntes Kingma (1814-1883).
Deze thans vergeten onderwijspionier verplaatste in mei 1861 zijn enkele jaren daarvoor begonnen Suplementaire School in Utrecht, waar hij zijn door hemzelf ontwikkelde onderwijsmethode met succes in praktijk bracht, naar de Binnen-Amstel in Amsterdam. De naam luidde voortaan 'Inrichting voor spraakgebrekkigen' (ook doofstomme en achterlijke kinderen).













Over de wenselijkheid van zijn specifieke onderwijs lezen we in de brochure: "Inrichtingen voor spraaklijders, even als die voor ooglijders, zijn toch geheel onderscheiden van doofstommen- en blinden-instituten: in de eerste worden de lijders hersteld, in de laatste verpleegd, opgevoed en onderwezen. Daar de spraak ons de dingen, hunnen kenmerken en betrekkingen vertegenwoordigt, hebben alle spraaklijders naar mate van hun spraakgebrek een meer of minder verlies van denkbeelden, dat hen achterlijk doet zijn, maar ook geheel weder doet onderscheiden van de idioten".






















De eerste drie artikelen van de bovengenoemde Statuten informeren ons over het doel, de methode en de inhoud van het gegeven onderwijs. Uit de overige artikelen blijkt ondermeer dat de school van IJntes Kingma openstond voor alle kinderen en meerderjarigen met een spraakgebrek ongeacht hun afkomst, religie (ook 'Israëlieten' hadden toegang!), of de financiële draagkracht van de ouders. Het schoolgeld per kwartaal varieerde van 300 gulden (1ste klasse) tot 80 gulden (zesde klasse). Daarbij werd opgemerkt: "Het meerdere in de klassen vindt zijnen grond in meer gedistingueerde spijzen naar de patiënt gewoon is in het ouderlijke huis te gebruiken; in meerdere zorg vereischende oppassing, in meerdere bijzondere persoonlijke hulp, en ter afscheiding van de overige klassen, in een meerder gebruik van vertrekken en andere behoeften; terwijl allen een liefderijke en voorkomende behandeling door personen wien de zaak zelve aangaat, genieten". Armen waren onder bepaalde voorwaarde vrijgesteld van schoolgeld. Leerlingen (intern of extern) werden al dan niet op doktersverwijzing elke veertien dagen aangenomen en moesten o.a. in het bezit zijn van een vaccinatiebewijs. Er werd les gegeven van 10.00 uur tot 16.00 uur (en aan internen ook nog 's avonds van 18.00 uur tot 20.00 uur). Vakanties waren er niet. Het onderwijs duurde net zo lang totdat de leerling bekwaam was om gewoon lager onderwijs te volgen of tot het spraakgebrek was hersteld en zij zich in de maatschappij konden redden. Elk half jaar werden de ouders door de directeur geïnformeerd over de toestand en voortgang van hun kind.






















De school van IJntes Kingma werd niet door de overheid gesubsidieerd maar was afhankelijk van haar leden (die jaarlijks vijf gulden contributie betaalden), donaties en giften. Over de inkomsten staat in artikel 27 van de Statuten: "De ingekomen subsidie, legaten, schenkingen en bijdragen der leden worden uitsluitend besteed in 't belang van behoeftige spraaklijders, als: voor het gebouw en zijn toebehooren voor apparaten bij het onderwijs benoodigd; voor vuur en licht; voor drukloon voor onderwijs, voeding en verpleging van behoeftige spraaklijders; voor het bezoldigen van het daarbij en bij de Administratie dienstdoende personeel". Eind negentiende eeuw kwam de school van IJntes Kingma (voortgezet door zijn zoon) onder de hoede van de 'Vereeniging voor Spraakgebrekkige en Achterlijke kinderen'. Constante publiciteit was belangrijk en het verwondert daarom niet dat wij in de kranten uit die tijd regelmatig berichtjes zien opduiken over zijn inrichting, het aantal leerlingen (jaarlijks enkele tientallen) en de bereikte resultaten. Talrijk waren ook de aanbevelingen en bedankjes zoals die van de predikant A.C. Kamerman uit Oud-Gestel en zijn zoontje.













Mag ik daaraan, met een vertraging van anderhalve eeuw, ook mijn waardering toevoegen? Mede namens mijn vader dus veel dank aan de alfa en de omega van het onderwijs aan kinderen met een spraakgebrek; Fokke IJntes Kingma en de Prof. H. Burgerschool in Amsterdam.

dinsdag 5 juni 2018

Een Amsterdams neuzenlied

In 2011 schreef ik drie stukjes over mijn kleine verzameling boekjes over de neus/neuzen onder de titel; "De Neuzenbibliotheek". Nog in hetzelfde jaar kon ik via het inmiddels uit het straatbeeld verdwenen antiquariaat De Friedesche Molen een "neuzen-revue" toevoegen aan mijn collectie.
Een 'neuzenlied' echter bleef lange tijd een onvervulde wens. Dat die er ook zijn geweest blijkt wel uit de collectie straatliederen van het 'Geheugen van Nederland'. Die kent diverse 'neuzenliedjes' maar het exemplaar dat ik deze week aan mijn collectie kon toevoegen is vooralsnog uniek zowel om zijn tekst als om zijn eenvoudige illustratie (twee clowneske figuren die de titel-banderol vasthouden).

Ik vond dit langwerpig enkelzijdig bedrukte liedblad (ca. 14 cm. bij 43 cm.) een paar dagen geleden op Marktplaats en het kostte mij inclusief verzendkosten slechts  € 6,68 euro! Zoals direct onder de titel staat aangegeven werd het gezongen op de wijze van 'Diender, Diender' op trouwfeesten en partijen door (of samen met) 'de ceremoniemeester'.


De Amsterdamse uitgever staat onderaan vermeld en is ene P.F. Cladder.
Volgens een krantenadvertentie zat deze eerst op de Keizersgracht 475 en verhuisde hij in 1885 naar het adres Singel 436 (bij de Beulingstraat). Peter Frederik Cladder (1876-1959) was gespecialiseerd in bruilofts- en feestartikelen en adverteerde regelmatig in de krant rond 1900. Van hem zijn meer feestliederen bekend zoals een 'Surprisenlied', 'Zilveren kruis-lied', 'Berliner bollenlied', 'Rozenlied' en zelfs nog een ander 'Feestelijk neuzenlied' (dat zich in de Koninklijke Bibliotheek bevindt). Volgens één van zijn advertenties had hij "Liederen in 200 soorten steeds voorradig vanaf 30 cent per 100".
In 1901 verhuisde zijn winkel opnieuw, nu naar het adres Vijzelstraat 72. Daaruit kan de conclusie worden getrokken dat mijn 'neuzenlied' werd uitgegeven en verkocht in het laatste decennium van de negentiende eeuw.


De volledige tekst luidt:

NEUZEN-
LIED

--------

WIJZE

Diender, Diender,


"De vleeschpunt daar van voren op je fazie, 
Wel, 't is fameus! 
Het zij 't een Pukkie is of wel een bazie, 
Die heet : een neus! 
Zoo'n neus is voor 't gelaat een ding der dingen 
Een sierraad, heusch! 
En daarom willen wij een liedje zingen, 
Tot lof der neus 
Neuzen, neuzen 
Wat een groot verdriet, verdriet 
Och, had j'em niet. 
Maar nou je 'em hebt en voelt en ziet, 
Zingt meê met 't neuzenlied.

Och, lieve tijd, wat groot verschil van neuzen
Die heeft een stomp,
En die een oorlogsschip en die een groote reuze,
En die een klomp
Die heeft er een zoolang wel als een toren
Een andre kort.
Die met een bochel, bovenop van voren,
En bleek als gort.
Neuzen, neuzen,
Maar alle deugen niet,
Zij deugen niet,
Alle neuzen die je hier ziet,
Al die neuzen deugen niet.

Maar een soort neus in Hollands groote natie
Blinkt schittrend uit!
Dat neusje, och het is een neus vol gratie,
De neus der bruid.
En dan de Bruidegom, och menschen wat een razie,
Wat heeft hij heusch!
Een Damesschoentje voor zijn Bruigomsfazie,
Wat een mooie neus!
Neuzen, neuzen,
Ter eere van dat ding
Och zing, och zing,
Terwijl gij elkaar een kusje biedt
Nog eens dit neuzenlied!".

De Ceremoniemeester

--------------------------------------------------------------------------------------------

P.F. Cladder, Singel 436, Amst.

zaterdag 2 juni 2018

Het jaar geboekt, mei 2018

In de rubriek 'Het jaar geboekt' (zie tabblad bovenaan) houd ik bij wat ik gedurende het lopende jaar bij elkaar verzamel. Per maand verplaats ik dat gedeelte naar de homepage en geef ik 'de cijfers'. In de rubriek blijft het lopende jaar intact. Pas bij de start van het nieuwe jaar zullen daar alleen nog hyperlinks naar het desbetreffende maand(blog) verwijzen. Een en ander komt de leesbaarheid van de rubriek ten goede die anders op den duur uit een ellenlange opsomming zou bestaan.

Mei 2018; de cijfers...

Totaal aantal objecten: 9.
Gekocht: 9.

Totaal uitgegeven: € 69,94 (incl. verzendkosten).
Gedeeld door 9 is gemiddeld: € 7,77 per object.

Via Boekwinkeltjes: 5 (2, 5, 6, 7, 8).
Via Marktplaats: 2 (3, 9)
Via kringloop: 2 (1, 4).

Modern: 1
Old & rare: 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9.
Marge & klein bibliofiel drukwerk: 5

Mei 2018: de aanwinsten...


1. M. van Lamoen: "Rond het kraambed van toen" (Katwijk aan Zee, 1983). Gekocht bij Dorcas in Aalsmeer voor € 1,- euro. Van Maria van Lamoen had ik al het boekje "Oude Kraamgebruiken" (Helmond, 1981). Dit boekje kocht ik omdat het goedkoop was maar nog meer om zijn bijzondere opdracht op de Franse titelpagina;

"Aan Mevrouw Maria Groothuizen te Amsterdam, oprichtster van de Eerste Nederlandse R.K. Verpleegstersschool Vronestein te Voorburg; Oud-Directrice van het R.K. Ziekenhuis St. Antoniushove te Voorburg. Van uw oud-leerlinge Maria van Lamoen thans docente (o.a. verloskunde en geschiedenis van de verpleging) aan bovengenoemde school. Pijnacker, feest van St. Clara (11 augustus) 1983".

2. In mijn vorige maandoverzicht meldde ik de aankoop van vier ontbrekende deeltjes uit de opmerkelijke 19e eeuwse serie "Curiositeiten van allerlei aard". Ook deze maand had ik geluk.
Via Boekwinkeltjes kocht ik bij antiquariaat Moby Dick in Noordwijk het deeltje 'Op de planken (Vervolg en Slot)' (nr. 40) voor € 13,30 euro (incl. verzendkosten).
Van de themanummers ontbreken er in mijn collectie nu nog maar 3 van de 32!


3. B. Boon: "Iedereen Tuinier in Oorlogstijd. Practische handleiding om op eenvoudige wijze Groenten en Aardappelen te telen" (Amsterdam, 1917).
Gevonden op Marktplaats voor € 7,49 (incl. verzendkosten). Zoals staatssecretaris Jetta Klijnsma van Sociale Zaken in 2014 mensen met een klein pensioen adviseerde om hun levensonderhoud aan te vullen met de opbrengst van een moestuin, zo deed Boon dat tijdens de Eerste Wereldoorlog voor de inwoners van neutraal Nederland. Ik kocht de tweede druk die tijdens de oorlog verscheen bij de gebr. E & M Cohen (links). In 1918 eindigde de oorlog. Van het restant werd toen de omslag beplakt met een nieuwe kop (zie afbeelding rechts) en door uitgever J. Vlieger verkocht.


4. H. Melville: "Moby Dick of de witte walvisch" (Amsterdam, 1929). Kringloopvondst voor € 1,75 euro. Dit is de eerste integrale vertaling in het Nederlands door J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958) van dit wereldberoemde verhaal (met illustraties).
Schaars verkrijgbaar, momenteel één exemplaar (in andere band) voor € 35,- euro.
Voor de eerste (zeldzame) Nederlandse vertaling van 'Dracula' (1928) zie mijn blog: "Gevonden: Dracula!".

Via Boekwinkeltjes kocht ik weer eens wat boekjes (5, 6, 7 en 8) uit de collectie van Ed Schilders.
Totale kosten € 29,45 euro (incl. verzendkosten).
5. E. Schilders: "Uddevalla" (z.p. [Tilburg], z.j. [2000]). Nieuwjaarswens 2000-2001, vervaardigd door Ed Schilders in een oplage van 40 exemplaren. Het omslag is een luciferdoosje van De Zwaluw. De tekst 'Uddevalla' verscheen eerder dat jaar als column in de Volkskrant en betreurt de verdwijning van het klassieke etiket. Aan de achterzijde zijn reacties geprint. Dat de restyling een vergissing was heeft De Zwaluw een paar jaar later toegegeven; het oude etiket werd in ere hersteld. Dit exemplaar werd door Ed Schilders op mijn verzoek gesigneerd.


6. M. Custers: "Kerkelijke boekenwetgeving" (Antwerpen/Amsterdam, 1960). Voor mijn groeiende collectie brochures over wet- en regelgeving van en door de Rooms-Katholieke Kerk met betrekking tot "Verboden boeken", evenals de volgende twee nummers (7 en 8).

7. G.H. van Gestel SJ: "Lectuur en censuur. Katholieke levenswijsheid" (Bussum, 1948). De tweede vermeerderde druk uit de serie: 'Waarheid en leven, Katholieke levenswijsheid'.

8. B.Th. Stoverinck en Th.H. van Oppenraay: "De Index en de Boekencensuur in de Rooms-Katholieke Kerk" (Nijmegen, 1920).


9. K. Schmidt: "Jus Primae Noctis. Eine Geschichtliche Untersuchung" (Freiburg im Breisgau, 1881). Curieuze en diepgravende studie naar het 'Jus Primae Noctis', het vermeende middeleeuwse 'recht op de eerste nacht' van een feodale landheer om de maagdelijkheid te nemen van de dochters van zijn lijfeigenen of horigen, aan de vooravond van hun huwelijk. Slechts € 16,95 (incl. verzendkosten) via Marktplaats.

vrijdag 25 mei 2018

Bier met vrouwen


Op de eerste warme dag van het jaar, 7 april, zat ik op een overvol terras met een halve liter koel pils, vers van de tap, in mijn hand. Ik leste mijn dorst en monsterde de bedrijvige bediening die vooral bestond uit jonge meisjes. Door het geroezemoes om mij heen en het komen en gaan van de bezoekers van een grote boekhandel naast mijn terras verzonk ik in gepeins en gingen mijn gedachten als vanzelf naar mijn bibliotheek...

Niet zo lang geleden kocht ik voor nog geen twee euro: "Gerard Heineken. De man, de stad en het bier" (Amsterdam, 2014) geschreven door Annejet van der Zijl. Ook de bierhaters onder ons zullen het merk in ieder geval kennen. Stamvader is Gerard Adriaan Heineken (1841-1893) die in de zomer van 1863 'De Hooiberg' kocht, een oude brouwerij in Amsterdam, achter het Paleis op de Dam.

Wat veel kroegtijgers zich waarschijnlijk niet realiseren is dat het bier dat hij destijds brouwde, evenals dat van andere brouwerijen, een totaal ander bier was dan wat u en ik tegenwoordig kennen als een 'pilsje'.
Dat pils(je) is hier pas rond 1866 als Beiers (Duits) bier geïntroduceerd.
Deze ondergistende (lager)biersoort schuimde beter, was lichter van smaak en bovendien langer houdbaar. Het nieuwe bier werd een rage schreef Annejet van der Zijl: "Op de Internationale Nijverheidstentoonstelling die deze zomer (1869) voor het eerst in het Paleis voor Volksvlijt plaatsvond, bleef het akelig stil bij het stalletje met Hooiberg-bier, terwijl het publiek zich verdrong rondom de biertent van een Weense concurrent die Beiers bier verkocht" (blz. 68). Die grote toeloop bij de buitenlandse concurrent van vooral jonge mannen had behalve het smakelijke bier ook nog een andere oorzaak, maar daarover straks meer.
Feit is dat vanaf dat moment Gerard Heineken overschakelde op het brouwen van wat u en ik tegenwoordig uit de tap krijgen en waarmee het bedrijf uiteindelijk wereldwijd bekend werd.

Hoe vlot geschreven ook, in de biografie van Annejet van der Zijl miste ik vooral de interessante informatie die een aantal contemporaine publicaties geven over het ontstaan van onze moderne kroeg.
Wie uit eerste hand wil weten wat Amsterdammers toen aten en dronken doet er goed aan op zoek te gaan naar: "Eten en drinken in Amsterdam" (Amsterdam, 1898), geschreven door 'Jantje van Leyden' het pseudoniem van de thans geheel vergeten toneelspeler George Charles Verenet (1865-1927).


Er bestaat helaas geen herdruk van en de uitgave is antiquarisch tamelijk schaars maar uiteraard bevat de bibliotheek van Perkamentus een exemplaar zodat ik u kan vertellen dat er maar liefst drie hoofdstukken over bier, met name pils, gaan. Hoofdstuk XV, 'De geïmporteerde Biertjes en 'Gretchen's", hoofdstuk XVI: 'Het modebier' en hoofdstuk XVII: 'Ons nationaal gerstenat'. Ook heeft Jantje uitgebreide aandacht voor brouwerij 'De Hooiberg' die, na een flinke verbouwing, in 1870 onder de nieuwe naam 'Die Port van Cleve' openging en door de gebroeders Hulscher van Gerard Heineken werd gepacht.
Men kon er trouwens vanaf 1874 ook goed eten: "Wie heeft zich nooit te goed gedaan, ja zich misschien wel eens bijna ongansch gegeten, aan de beroemde erwtensoep met worst, of de heerlijke biefstukken met gebakken aardappelen, en wie heeft den, helaas zoo vroegtijdig afgestorven kellner Johan niet gekend, waarvan Jan Veth (1864-1925) in het 'groene weekblad' zoo'n prachtig gelijkende reproductie heeft gemaakt!" (blz. 218).

Jantje van Leyden had trouwens gelijk; met het nieuwe populaire modebier waren ook de 'Gretchen's' geïmporteerd. Bier met vrouwen!
Maar als het over hun komst gaat en over de oorsprong van de 'kellnerin' in Amsterdam moet ik uit mijn bibliotheek een andere uiterst zeldzame uitgave pakken die ik een aantal jaren geleden kocht bij antiquariaat Fokas Holthuis. Het gaat om: "Ervaringen en onthullingen van een middernachtzendeling te Amsterdam". (Amsterdam, z.j. [1890]).

Daarin staat op bladzijde 56 het volgende: "... moeten wij een ernstig afkeurend oordeel uitspreken over die koffiehuishouders onzer stad, die thans de kellners door kellnerinnen hebben vervangen. 
Reeds sedert jaren bestaat deze toestand, terwijl hij zich gaanderweg uitbreidt, zoodat men er thans zeker van kan zijn, als drie nieuwe zaken kort na elkander openen er eene bij is, waar de bediening door vrouwen wordt waargenomen, wat dan als een soort aanbeveling geannonceerd wordt.
Wij zeiden, dat deze toestand reeds sedert jaren bestaat, en toch is het niet moeielijk den oorsprong na te gaan, d.w.z. dat wij ons nog zeer goed herinneren in welk jaar en in welke inrichting dezer stad voor het eerst door vrouwen werd bediend.
Dat was in 1869 tijdens de tentoonstelling in het Paleis voor Volksvlijt, waar een ondernemer, door de ervaring in het buitenland opgedaan, blijk gaf, dat hij de lusten van het publiek wist te streelen. In het sousterrein van een der zijvleugels van het gebouw had hij een 'brasserie' geopend, waar het publiek, dat op een enkele uitzondering na geheel uit mannen en meest jonge bestond, door meisjes in Elzasser kleederdracht bediend werd. De toeloop was groot, de meisjes, die bedienden, hadden voor iederen bezoeker een welwillend glimlachje over, dat tot aanmoediging met een ruime fooi betaald werd. De stoot was gegeven, maar toch duurde het nog enkele jaren voor het merkbaar werd, dat in Amsterdam de bediening in koffiehuizen door vrouwen plaats heeft. Thans is evenwel de gewoonte zoo algemeen geworden, dat in een onlangs gehouden vergadering van kellners, enz. ten einde over de middelen tot een lotsverbetering te spreken, door verscheidene sprekers geklaagd werd over de concurrentie, die het vrouwelijk personeel, dus de kellnerinnen hun aandoen".

Het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt was dus de geboortegrond voor de thans zo gewone vrouwelijke terras-, bar- en kroegbediening en nu weet u meteen waarom het nieuwe Beiers bier daar in 1869 zo bijzonder goed in de smaak viel. Het oog wil ook wat, nietwaar? Heel toepasselijk vind ik daarom deze illustratie van Johan C. Braakensiek (1858-1940) die ik tegenkwam in de 'feestwijzer' getiteld "Jaarmarkt in het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam, 17, 18, 19 februari 1887, ten voordeele van de gezondheids- en vacantie-colonies" (Amsterdam, 1887).

Ondertussen maakte onze anonieme middernachtzendeling zich grote zorgen omtrent de jonge meisjes. Immers: "De schoonste, de lieftalligste, de gedweeste - dat is meest slaafsche kellnerin kan altijd zeker zijn, dat aan haar de meeste vertering wordt aangeboden of het meeste verval te goede komt". Ook de kroegbaas was niet gek: "De wijze, waarop de kellnerinnen dan ook geworven worden, bewijst, dat vooral op het uiterlijk door de patroons het meest wordt gelet. De overige hoedanigheden komen eerst in de tweede plaats in aanmerking, daar hij een meisje, dat in de oogen der bezoekers niet voldoet, spoediger ontslaat, dan hij er toe is overgegaan haar aan te nemen".

Wie de kranten uit deze periode er op na slaat ziet inderdaad talloze advertenties maar onze middernachtzendeling waarschuwt vooral krachtig voor de zedelijke valstrik! "Gewoonlijk worden de meisjes per advertentie met het hoofd 'Fatsoenlijke Kellnerinnen gevraagd' opgeroepen, haar diensten aan te bieden en ofschoon de redactiën der bladen, die dergelijke advertenties gretig opnemen, zeer goed weten, wat voor de meesten ten slotte de toekomst is, aarzelen zij nooit door de plaatsing dier advertenties aan den val van zooveel ongelukkigen mede te werken" (blz. 58-60).

Had hij gelijk? Ik vrees van wel want sinds kort bezit ik een tweede contemporaine bron die zijn verhaal bevestigt en geschreven werd door een toen nog jonge Amsterdamse student.
Het gaat om: "Een uitzondering op den regel (een Amsterdamsche zedenschets" (Amsterdam, 1890), door 'Gynaecofilus' een alias van Ferdinand (J.A.M) Wierdels (1862-1935), de latere Amsterdamse wethouder van arbeidszaken en directeur van het katholieke dagblad 'De Tijd'. Het is een zeldzame overdruk uit de Amsterdamse Studenten-Almanak voor 1890, gedrukt door 'J. Clausen, drukker van het Amsterdamsche studentencorps', één van mijn aanwinsten in maart 2018.

Wierdels begint zijn kennelijk populaire novelle als volgt: "Nog niet zoo heel lang is het geleden, - het zal een vijftien jaren zijn -, dat de halve Liters, spottend met alle Hollandsch bier, waarvoor zij hun deksels niet zouden openen, in Amsterdam hun macht zijn komen uitoefenen. Door lieve dochters van Germanje geleid, hebben zij voor hun Duitschen inhoud met kracht en ijver den weg gezocht naar de magen van zoo veel mogelijk Amsterdammers, en zij zochten met sukses".

De hoofdpersoon in Wierdels verhaal is oud-student Frits van Beeck die na enige tijd in het buitenland te zijn geweest terugkeert naar Amsterdam. Frits is zijn oude vrienden, kroegen en lieve 'kellnerinnetjes' nog niet vergeten. "Een belangrijk deel van de ongeveer honderd jonge dames, die geregeld avond aan avond in Amsterdam bier ronddragen, beduidt op het gebied, dat men gewoonlijk zedelijk noemt, juist niet zoo heel veel".
Op een bepaald moment echter ontmoet hij het jonge Duitse kellnerinnetje Wanda. Zij lijkt in niets op de kellnerinnen die Frits kent of gekend had. Wanda, ontdekt Frits, heeft eigenlijk spijt van haar beroepskeuze omdat "die Herren in Holland so ungezogen sind". Frits gaat zich voor haar interesseren en na enige tijd wint hij haar vertrouwen. Hij toont respect (wat van vele kroeggangers niet kan worden gezegd) en ontfermt zich vaderlijk over haar. Nadat zij hem over haar achtergronden heeft verteld (ze is min of meer abrupt vertrokken uit de huishouding van haar rijk getrouwde oudere zuster) lukt het hem uiteindelijk het contact tussen Wanda en haar Duitse familie te herstellen. Wanda keert terug naar Duitsland en ontloopt zodoende het lot dat voor de meeste meisjes in het Amsterdamse kroegenwereldje was weggelegd. Wanda kortom, is de spreekwoordelijke uitzondering op de regel.


Belangrijker dan de eigenlijke 'zedenschets' is de uitvoerige informatie die Wierdels geeft over de karakteristiek van de (verschillende) Amsterdamse bierhuizen. Dat begint al met hoofdstuk IIII 'Algemeenheden over Amsterdamsche Bierhuizen' waarin we het volgende lezen:
"Zeer vele huizen in het Oude Amsterdam hebben een binnenplaatsje, dat dikwijls met een 'lantaarn' overdekt, het voorhuis met het achterhuis vereenigt. Zoo'n lantaarnkamer is dan gewoonlijk ingericht voor keukentje. Wat bij het bouwen niet in de breedte gezocht werd, werd gevonden in de diepte. Bij voorkeur worden zulke diepe huizen uitgekozen als er weer een nieuwe bierkneip moet worden gebouwd. Gelijkvloers met de straat, breekt men dan alle tusschenmuur en tusschenschot zooveel mogelijk weg en over de volle diepte van het huis wordt één zaal ingericht. Die zaal krijgt de vorm van een doosje voor domino-steenen".


In het daaropvolgende hoofdstuk 'Meer bepaalde klassifikatie en andere wetenswaardigheden over bierhuizen' (hoofdstuk IV) schrijft Wierdels: "Men zou bij zoo'n klassifikatie te letten hebben op de plaats, waar het huis staat, op het uiterlijke van het gebouw, op den voorgevel, meer nog op de inwendige inrichting, op het bier, dat er gedronken wordt, op de menage, op den kapitein en op heel de equipage, op de soort vrouwelijke bedienden, en als het maatstaf kan ook worden aangenomen de prijs, die gevraagd wordt voor het bier.

Waar alles Duitsch is, kastelein, kellnerinnen, bier, waar de halve Liters in aarden pullen of in bedekselde glazen wordt afgestaan voor twintig cents, daar zetelt de aristokratie der Amsterdamsche bierdrinkerij. Gegoede burgerij zou men kunnen noemen dien kring waar de kastelein Duitscher is met eene Hollandsche echtgenoote of omgekeerd, waar altijd of dikwijls de kellnerinnen niet anders dan Hollandsch spreken en waar het Duitsche bier gedronken wordt uit glazen zonder deksel, die voor hun inhoud maar vijftien cents pretendeeren.
De eerste van deze beide nettere standen heeft nooit 'Vergunning', en zou die ook niet willen hebben. De tweede heeft ook niet het recht sterken drank te verkoopen in het klein, maar neemt wel eens het air aan, alsof men daar op het verkrijgen van zulk recht gesteld zou wezen. Bij beide wordt het bier getapt, versch van het vat, dat, als het wordt leeggedronken, voor ieders oog zijn geduldig bestaan voert. 
Naast deze leeft de burgerstand, die meest op het Damrak woont of wat 'verder op' in de Warmoesstraat. Bier van de Amstel, van Heineken of van Deli, twaalf cents per glas. Duitschland is er in 't geheel niet vertegenwoordigd, of zeer zwakjes in de persoon alleen van een enkele verdwaalde, reeds Hollandsch sprekende kellnerin of van een kastelein, wiens Duitschheid alleen merkbaar is aan het accent, waarmee hij Hollandsch spreekt, Hollandsch dat hij leerde in de Nederlandsche koloniën. (-) 
De geringe stand eindelijk verkoopt het bier voor minder dan tien cents, maar is meer gediend van grokjes, die worden geoffreerd. Daar wil men weer uitsluitend van vrouwelijke bediening weten. Zelfs kent men er niet eens een manlijken Kastelein. Terwijl hier weinig Duitsch wordt gesproken, kan men zich er des te meer oefenen in de Fransche, in de Engelsche en in de Deensche taal.
De meeste dezer holen liggen nog wat verder Noord-Oostelijk dan de Warmoesstraat, ook om de Oude Kerk heen, veel in het kwartier de Nes, een paar aan de stille zijde van het Damrak, en aan de Prins Hendrik-kade"...

Verhip! Mijn glas leeg... Geen nood er zijn altijd wel wat 'kellnerinnetjes' in de buurt die mij een tweede 'pintje' willen brengen! Proost alvast!