donderdag 23 april 2026

De sprekende Duivekater

De Leidse bakker Arent Oostwaard en zijn vrouw Catharina Keizerswaard (schilderij van Jan Havicksz. Steen, 1658). Rechtop tegen de muur een rijkversierde duivekater.

Bij het doorsnuffelen van de website van antiquariaat Goltzius kwam ik een opmerkelijk manuscript tegen getiteld: "De Duivekater. - het Brood, sprekende ingevoerd". De auteur, die ondertekende met de initialen GVV, schreef het bijna twee eeuwen geleden op, in december 1828. Het is een half vel papier, 8º (formaat 29.9 cm. breed en 19 cm. hoog), dubbelgevouwen, met het watermerk van Van der Ley., een van de oudste papierfabrikanten in de Zaanstreek. Op de eerste twee bladzijden staat een gedicht in een duidelijk leesbaar handschrift van in totaal 48 dichtregels (28 recto en 20 verso, exclusief titel, signatuur en onderschriften). 


Wie er schuil gaat achter GVV bleef lange tijd onduidelijk. Uiteindelijk zou het onderzoek naar de papierfabrikant Van der Ley het raadsel oplossen! Op de website van de Historische Vereniging Koog-Zaandijk wordt in de rubriek 'Achter de deur' (onder Zaandijk) ook de geschiedenis uit de doeken gedaan van het pand Lagedijk 96 (aan de Zaan direct tegenover de Zaanse Schans). De bouwer daarvan was de papiermaker Aris van der Ley (1707-1800). In 1776 trad bij hem zijn veertienjarige aangetrouwde neef in dienst; Jan (Adriaansz.) van Vleuten (1762-1835). Hij erfde van oom Aris in 1800 de papiermolen. Voor de geschiedenis van de Zaanstreek was Jan een belangrijk nauwgezet chroniqueur (er is een straat naar hem vernoemd). Hij heeft een schat aan historische gegevens achtergelaten in de vorm van notities en dagboeken die de gehele periode vanaf de Bataafse Republiek, de Franse Tijd en verder beslaan (zie hier, nr. 385). Hij was bovendien burgemeester van Zaandijk en in 1788 medeoprichter en secretaris van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, departement Koog Zaandijk. In 1784 trouwde hij met Aagje Jansdr. Honig (1762-1807). Het doopsgezinde echtpaar kreeg vijf kinderen: Maartje, Guurtje, Adriaan, Lijsje en Trijntje.
En daarmee belanden we bij de hoogstwaarschijnlijke schrijfster van dit gedicht: Guurtje van Vleuten (1786-1865). Een geletterde welopgevoede dame, in goede doen, die nimmer zou trouwen en samen met haar eveneens ongehuwde zuster Trijntje na haar vaders dood in het ouderlijk huis bleef wonen. De zussen bleken niet alleen erfgenamen van zijn bezit, maar ook van zijn intellectuele nieuwsgierigheid: zij zetten de uitgebreide annotaties in vaders notitieboeken voort tot aan de dood van Trijntje in 1868.

Guurtje van Vleuten (foto: St. Archief Honig(h)).

De Zaanse duivekater ('deuvekater'), een zoet wit vloerbrood, behoort samen met bijvoorbeeld de Deventer Koek en de bruine kroeg tot het Nederlands immaterieel erfgoed. Over dit bijzondere feestbrood is al een en ander geschreven, zowel over zijn etymologie en geschiedenis, als receptuur. 
Ik las ergens dat vooral begin negentiende eeuw het zogenaamde katerbrood mateloos populair moet zijn geweest, maar vond niet direct historische bronnen die dat beeld bevestigen. Honderd jaar later, rond 1900, komt met name bakker Anton Kroes daarmee in het nieuws. Zijn bakkerij ‘De Duivekater’ was tot 1974 gevestigd op de Nieuwendammerdijk 301 (Amsterdam-Noord). Hij heeft zijn specifieke receptuur voor duivekater later verkocht zodat de befaamde 'Kroes Duivekater' nog steeds verkrijgbaar is.


Betrouwbare bronnen voor de Zaanse geschiedenis, folklore en tradities verschenen vanaf het midden van de 19de eeuw, zoals het werk van de historicus Jacob Honig Janszoon (1816-1870) en dat van de taalkundige Gerrit Jacob Boekenoogen (1868-1930). Vooral Boekenoogens: "De Zaansche volkstaal. Bijdrage tot den kennis van den woordenschat in Noord-Holland" (Leiden, 1897) bevatte waardevolle informatie voor dit artikel. 
In Noord-Hollandse archieven en bibliotheken online vond ik geen andere voorbeelden van vergelijkbare (gelegenheids)poëzie. Vrijwel zeker is dit het oudst bekende gedicht over deze Zaanse broodspecialiteit. Het handschrift is daarom als unieke vroege bron voor de Zaanse volkscultuur van cultuurhistorisch belang. Omdat het nimmer in druk is verschenen geef ik de tekst hier integraal weer, voorzien van noten met mijn op- en aanmerkingen (onderaan). 


Manuscript (recto).

"De Duivekater. - 
het Brood, sprekende ingevoerd (1)

------------------------------------------

Wel Duivekaters dat heet reizen (2)
In't hartje van de winter tijd, (3)
En dat, om Rotterdam te toonen,
Hoe ik worde aan de Zaan bereid. 4)
In grote hitte pas geboren,
Moest ik al schielijk in de kou,
(Ik) lag juist van 't zweet erg (nog) uit te dampen, (5)
En hoopten men mij sparen zou,
Maar, 't was voort! voort! in open water
Hij moet gauw scheep naar Rotterdam, (xx)
Ik weet niet hoe ik mij gevoelde,
Toen ik zoo eenklaps buiten kwam,-
'k Ben dan behouden aangekomen,
Wat wacht mij hier? Een blij genot?
Heb ik te hopen, of te vrezen?
Ach! - overdenk ik zelf mijn lot
Dan is voor mij geen heil te wachten,
Al kom ik in de beste kast,
Al worde ik nog zoo lief bejegent,
Nog zoo zorgvuldig opgepast,
Mijn aanzien, ja, kon 't langst dan duren,
Maar, al waardeerd men mij zeer hoog,
'k Heb eindlijk toch deez schimp te vrezen,
'Gij wordt zoo Duivekaters droog' - (6)
Krijg ik mijn woonplaats in een kelder, (7)
Dan staan ik voor een uitslag bloot,
Dat 'k (hun) hen, die 'k eerst moogt welkom wezen
Een afschrik word, o bittre nood"

xx. "Gezonden volgens vroeger afspraak en beloften aan
goede vrienden aldaar" (8)


Manuscript (verso).

"Wat is er dan van mij te wachten? (voor mij te wenschen?)
Terug te keeren naar de Zaan?
Dat baat mij niks, 'k weet, mijn bestemming
is, kort na 't worden te vergaan. -
Wil dan genadig met mij handlen,
Neem 't scherp niet dagelijks in uw hand, (9)
Dan heb ik, ach! zoo veel te lijden,
Neen, maak mij liever snel van kant -
Hier mee, zult gij mij gunst betonen,
Neem éénmaal 't mes slechts voor mij op
Schenk mij wat koemelk tot verzachting,
Berei mij, zoo gij lust, tot sop - (10)
Eet dan, mij arme mij arme Duivekater
Met boter, zuiker en kaneel, (11)
Kunt gij mij alzoo smakelijk vinden?
Help mij dan spoedig door de keel,
Vind gij mij duivekater lekker,
'k Heb niet vergeefs de reis gedaan,
Wanneer gij slechts niet gaat vergeten,
Hoe 't Kersgebak is, aan de Zaan. (12)

GVV 

December 1828

Vroeger was aan de Zaan algemeen het gebruik op Kersdagsmiddags (13)
te eten brood en melk bereid genaamd sop, of brood sop. Het word (14)
nog door velen gedaan, en hier voor werd beregen brood bezonder (15)
bestemt. - (naams oorsprong onbekend). - (16)


De Zaanse duivekater.

Noten.

1. 'het Brood'. Het woord werd ook als krachtterm gebruikt zoals in de eerste dichtregel.
Het sprekend opvoeren van een brood c.q. duivekater is een retorische stijlfiguur waarbij een afwezig, overleden of imaginair persoon, abstract begrip of levenloos object wordt voorgesteld als een sprekend wezen ('Prosopopoeia').
2. 'Wel Duivekaters'. Deksels, drommels, potjandorie! ('Wat Duivekater', is een bastaardvloek)! 'Duivekaters!' is een van de 385 unieke krachttermen uit het repertoire van Kapitein Haddock in de strips "De avonturen van Kuifje" (Hergé).


'dat heet reizen'. Met de nadruk op 'dat' is wellicht een knipoog naar de bij duivekater cruciaal lange voorrijs van het brooddeeg.
3. 'winter tijt'. Duivekater werd als delicatesse- of feest-brood behalve tijdens de Paasdagen ook in de periode tussen Sint-Nicolaas en Driekoningen gegeten.
4. 'aan de Zaan'. Kennelijk genoot de Zaanse duivekater toen al enige faam en stond de Zaanstreek bekend als producent van deze broodspecialiteit. Overigens bestaan er verschillende vormen en varianten zoals de Zaanse duivekater met een rechte, langgerekte vorm en voorzien van een 'Franse knip' bovenop. Ook kennen wij de Broekse duivekater, uit Broek in Waterland, herkenbaar aan een Chinese ruitvorm, de Nieuwendamse duivekater afkomstig uit Nieuwendam met de vorm gebaseerd op een scheenbeen en tot slot de krentenkater, een variant, vaak gevonden in Roelofarendsveen, met een vorm die verwant is aan de Nieuwendamse duivekater. Uit deze zin blijkt overigens ook dat de Rotterdamse bakkers geen duivekaters volgens Zaans recept bakten (vermoedelijk in het geheel geen duivekater!).
5. De oorspronkelijke zin was dus: "Lag juist van 't zweet erg uit te dampen" en werd: "Ik lag juist nog uit te dampen". Deze aanpassing evenals die in de eerste zin op de versozijde en enkele andere kleine correcties doen vermoeden dat het hier om een afschrift/kladversie gaat (zie ook noot 8).
6. 'Gij wordt zoo Duivekaters droog'. Zo droog als een duivekater klinkt bijna als een gezegde, maar verwijst vermoedelijk naar het vroegere gebruik om de duivekater eerst een paar dagen te laten besterven alvorens te consumeren. De duivekater werd dan na een dag of vijf in dunne plakken gesneden en kon worden gedoopt in thee of melk. 
7. Het bewaaradvies voor de duivekater is nog steeds 'droog' bewaren (bijvoorbeeld in een kast, zie regel 18 (recto): 'in de beste kast', en dus niet in een vochtige kelder!
8. Deze toevoeging/verklaring onderaan suggereert dat het om een persoonlijk (gelegenheids)gedicht gaat dat samen met de desbetreffende duivekater werd verstuurd, bijvoorbeeld per trekschuit. Dit gedicht kan dan een afschrift zijn, bewaard door de afzender ter herinnering. De duivekater was destijds nog een specifiek streekproduct. Tegenwoordig is de duivekater vrij algemeen bekend en zelfs een bescheiden exportproduct. Bakkerij 'De Duivekater' in Purmerend bakte en verkocht er rond december (2019) meer dan 6000 en verstuurde o.a. naar Engeland, Canada, en Australië. 
9. ''t scherp', het mes.
10. 'Sop' of soep (zie ook noot 15).
11. 'Met boter, zuiker en kaneel'Boter en suiker, en vooral kaneel waren destijds luxeproducten.
12. Zie ook noot 3. Hier wordt specifiek naar de Kerstperiode verwezen. Het gedicht is ook gedateerd "december 1828". De winter van 1828/1829 was streng en een voorbode van de uiterst strenge winter het jaar daarop.
13. 'Kersdagsmiddags'. Volgens de taalkundige G.J. Boekenoogen was broodpap het middagmaal op tweede Kerstdag ("De Zaansche volkstaal. Bijdrage tot den kennis van den woordenschat in Noord-Holland" (Leiden, 1897, blz. 144/145, 'Deuvekater').
14. 'Sop' of 'Brood sop'. Het eten van 'sop' c.q. broodpap, gemaakt van duivekater, met Kerstmis is dus een oud gebruik. In Noord-Hollandse dorpen riep de jeugd met Kerstmis: "Kerstdag – Lukas II – Sop!", verwijzend naar het Lucasevangelie dat tijdens de kerkdienst werd voorgelezen, waarna thuis de sop op tafel kwam (in Jo. de Vries (red.): "Los en Vast" (Leiden, 1876, blz. 396).


15. 'beregen' of besprenkeld (met in dit geval koemelk).
16. '(naams oorsprong onbekend)'. De naamsoorsprong (etymologie) is sindsdien verschillende malen onderwerp van nader onderzoek geweest. Lees meer over de duivekater hier, hier en hier). Ook culinair historica Lizet Kruyff (die zo vriendelijke was om het concept van dit blog door te lezen) heeft in december 2008 op haar weblog drie stukjes geschreven over de duivekater.

vrijdag 10 april 2026

Het jaar geboekt, maart 2026

In 'Het jaar geboekt, [maand en jaar]' houd ik bij wat ik gedurende een maand bij elkaar verzamel inclusief 'de cijfers', soms met toelichting en/of opmerkingen. Ik begon hiermee in 2018, aanvankelijk als aparte rubriek (onder een eigen tabblad). Met ingang van 2024 publiceer ik mijn maandoverzichten direct op de 'homepage'. Na afloop van het jaar geef ik een totaaloverzicht in '[Jaar] geboekt. Een jaar in feiten en cijfers'.

Maart 2026; de cijfers...

Totaal aantal objecten: 10.

Gekocht: 10.

Totaal uitgegeven: € 206,30 euro (incl. verzendkosten).
Gedeeld door 10 is gemiddeld: € 20,63 euro per object.

Via kringloopwinkel: 1 (1).
Via Boekwinkeltjes: 3 (2, 3.a., 3.b.).
Via boekenmarkt: 6 (4.a., 4.b., 4.c., 4.d., 4.e., 4.f.).

Modern: 2 (1, 2).
Old & rare: 8 (3.a., 3.b., 4.a., 4.b., 4.c., 4.d., 4.e., 4.f.).

Maart 2026: de aanwinsten...

1. P. Brandon e.a. (red.): "De slavernij in Oost en West. Het Amsterdam onderzoek" (Amsterdam, 2020). Uitgebreid onderzoek - waaraan veertig experts deelnamen - over de rol van de gemeente Amsterdam in de slavernijgeschiedenis. Gekocht bij mijn kringloopwinkel voor € 3,- euro.


2. A. Hanou [E. Wolff-Becker]: "De Onveranderlyke Santhorstsche Geloofsbelydenis. In rym gebragt door eene zuster der Santhorstsche gemeente" (Leiden, 2000). Teksteditie met commentaar en inleiding door André Hanou. Gekocht via Boekwinkeltjes voor € 13,95 euro (incl. verzendkosten).


3.a. [E. Wolff-Becker]: "De Onveranderlyke Santhorstsche Geloofsbelydenis. In rym gebragt door eene zuster der Santhorstsche gemeente" (z.p., z.j. [1772]). Originele uitgave in negentiende eeuwse kartonnen omslag beplakt met sierpapieren. Hiervan bestaan verschillende edities. Mijn exemplaar is gelijk aan STCN ID 163075557 samen met:
3.b.  W. Bilderdijk: "Opschrift voor de koepel aan de nieuwe afzanding, op Schapenbosch, van den hoog ed. gestrengen heer mr. Johan Valckenaer; te Bennebroek, buiten Haarlem" (z.p., z.j. [1818]). Plano. Gekocht via Boekwinkeltjes voor € 39,35 euro (incl. verzendkosten).


Op de Amsterdamse Spui boekenmarkt kocht ik bij antiquariaat De Uilenspiegel (Eric Klee) voor € 150,- euro een convoluut met uitgaven over de Amsterdamse stadshistoricus Jan Wagenaar (1709-1773). Ik laat het door mijn boekbinder Hans Pieterse in een nieuwe prachtband zetten.


4.a. P. Huisinga-Bakker: "Het leeven van Jan Wagenaar benevens eenige brieven van en aan denzelven" (Amsterdam, 1776). Met het portret van Jan Wagenaar door J. Houbraken (1767). Met:
4.b. J.L.F.v.B. (Johannes le Franq van Berkheij): "Klinkdicht op het afsterven van den beroemde heere Jan Wagenaar..." (z.p.[], z.j. [1773]). Met:
4.c. A. Deken: "Lykzang, op het afsterven van den heere Jan Wagenaar...". (z.p [Amsterdam], z.j. [1773]). Met:
4.d.  J. de Kruyff: "Grafschrift op den heer Jan Wagenaar" (z.p [Leiden], z.j. [1774]). Met: 
4.e. J. van den Toorn: "Geslachtboom van alle de mannelyke nakomelingen uit het oud adelyk stamhuis der heeren van Brederode..." (Amsterdam, 1788). Met uitslaande stamboom. Met:
4.f. M. Siegenbeek: "De eer van Jan Wagenaar als historie schrijver en die van Jacoba van Beijeren tegen Mr. W. Bilderdijk, in zijne geschiedenis des Vaderlands, verdedigd..." (Haarlem, 1835). 
Ik zal er zeer waarschijnlijk nog een blog over schrijven.

vrijdag 27 maart 2026

Verplichte aanwinsten


Tijdens mijn eerste bezoek in 2026 aan de Amsterdamse Spui boekenmarkt vond ik enkele bijzondere uitgaven bij Axe van Maanen (van antiquariaat Klikspaan uit Leiden). Daaronder Pieter Burman's Neolatijnse lofdicht op de 'Grote Geus' Hendrik van Brederode (1531-1568): "Brederodius, seu libertatis Batavae secularia altera, in nonas Apriles anni MDCCLXVI incidentia. Carmine elegiaco celebrata in Illustri Amstelaedamensium Athenaeo D. XX. Octobris, ejusdem anni" (Amsterdam, 1766) alsmede de één jaar later verschenen Nederlandse vertaling: "Brederode of het tweede eeuwgetyde der Nederlandsche vryheid, verschenen den vyfden van april MDCCLXVI, in de doorluchtige schoole te Amsterdam den 20sten october deszelfden jaars met een' feestzang gevierd" (Amsterdam, 1767). De boekjes waren uiteraard apart geprijsd maar stonden gebroederlijk naast elkaar en daarom voelde ik mij min of meer verplicht ze beide aan te schaffen.


De auteur Pieter Burman (junior) oftewel Petrus Burmannus secundus (1713-1787) was vanaf 1742 werkzaam aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre als hoogleraar welsprekendheid. Vanaf 1744 kwamen daar 'oosterse' talen en poëzie bij en in 1767 volgde vaderlandse geschiedenis. De Nederlandstalige uitgave werd gemaakt door Burmans vaste vertaler Antoni Hartsen (1719-1782), van beroep toneelschrijver en lid van het leesgezelschap 'Diligentiae Omnia'. Hartsen vertaalde niet alleen de tekst, hij schreef er ook een 'drempeldicht' bij. De uitgave wordt besloten met een lofdicht geschreven door P.A. Pla: "Op de dichtmatige redevoering, Brederode, ter vieringe van het tweede eeuwfeest der Bataafsche Vryheid, door den welëd. hooggeleerden heer Mr. Pieter Burman uitgesproken den 20sten van Wynmaand, 1766, te Amsterdam". De keuze voor de vrijwel onbekende Pieter Adriaan Pla (1738-1776) is merkwaardig. Pla verdiende zijn geld als koopman bij de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC), was geen schrijver of letterkundige maar meer een hobbyist/gelegenheidsdichter.
De STCN kent slechts twee afzonderlijke publicaties (gedichten) van hem. Hoe dan ook, Hartsens vertaling viel bij Burman in de smaak, zozeer zelfs dat deze hem als dank een door Govert Flinck geschilderd portret van Vondel cadeau gaf. Aardig detail van de vertaling van Hartsen vind ik de tekstopmaak. De uitgever/boekverkoper liet de Nederlandse vertaling per bladzijde, zin voor zin, gelijk lopen met de oorspronkelijke Neolatijnse uitgave. Je kunt beide teksten naast elkaar leggen en makkelijk vergelijken. Tot slot nog iets over de illustraties.
In de Neolatijnse uitgave is het titelvignet het stadswapen van Amsterdam.
In de Nederlandse vertaling daarentegen is het de afbeelding van een daalder van Hendrik van Brederode, geslagen in Vianen (1556-1568), getekend en gegraveerd door N.(Noach) van der Meer jr. (1721-1822). De enig illustratie die in beide uitgaven te vinden is, is een (zilveren) geuzenpenning gegraveerd door 'J.v.S.' (Jacobus van (der) Schley); deze werd voor de Nederlandstalige uitgave bijgewerkt met de later aan dergelijke penningen toegevoegde bedelnap en kalebasflesjes.


Beide uitgaven zijn door de vorige eigenaar voorzien van een nieuwe (half)perkamenten band. De Neolatijnse uitgave uit 1766 prijkt bovendien nog in zijn oorspronkelijke sitspapieren omslag.
Als nieuwe eigenaar voelde ik mij natuurlijk verplicht om daaraan de portretgravure toe te voegen van Petrus Burmannus Secundus door J. Houbraken (gedateerd 1759), naar een schilderij van J.M. Quinkhard uit 1758, met daaronder een Neolatijns gedicht van Janus Grotius (Jan de Groot). 


Er bevindt zich voorin nog een andere toevoeging (van de vorige eigenaar?). Het is een groot kennelijk los uitgegeven plano (32.4 cm. breed en bijna 41 cm. hoog) eenzijdig bedrukt met een Italiaans lof-sonnet (Petrarca-sonnet) op Burmans 'Brederodius', waarvan de tekst zich ook onder de andere loftuitingen in deze uitgave bevindt. Het is - voor zover ik kon nagaan - een uniek exemplaar en opmerkelijk bovendien want alle overige veertien lofdichten achterin (blz. 59 t/m blz. 100) zijn in het Neolatijn! Zijn daarvan destijds ook apart losse exemplaren op dit formaat uitgegeven? Wie het weet mag het zeggen...


Wat het sonnet zelf betreft vallen twee dingen op. Ten eerste zit er een woordverschil in de tekst tussen beide. Op de plano luidt de eerste zin: "Dell' astuto (slimme/sluwe) Filippo allor che in cuore", maar in de uitgave staat: "Del' Macedon (Macedonische) Filippo allor che in cuore"... Ten tweede is dit sonnet, anders dan alle overige Neolatijnse lofdichten, niet voluit door de auteur ondertekend maar alleen met diens (vermoedelijke) initialen 'D.M.G' (D.D., direct daaronder, zal wel staan voor 'Donum Dedit' wat 'ten geschenke gegeven' betekent). De grote vraag is natuurlijk wie D.M.G., de auteur van dit Italiaanse buitenbeentje, was?


Ik raadpleegde mijn bibliotheek, internetbronnen en via de mail verschillende deskundigen (Ton Jongenelen en Cor de Vries) maar vond en kreeg helaas geen antwoord. De auteurs van de overige veertien lofdichten zijn min of meer bekend. Zij waren nauw met elkaar verbonden door vriendschap, studie en/of literair genootschap. Het zijn:

1. Adrianus van Royen/Adriaan van Royen (1704-1797). Arts, botanicus, hoogleraar aan de Leidse Universiteit (tijdelijk rector magnificus in 1770).
2. J. Schrader/Johannes Schrader (1721-1783). Leerling van Pieter Burman, Praelector in de Geschiedenis en welsprekendheid later hoogleraar aan de Universiteit van Franeker.
3. Janus Grotius/Jan de Groot (1713-1784). Advocaat van het Hof van Holland in Den Haag. Santhorster Kring.
4. Carolus Antonius Wetstenius J.C./Carel Antoni de Wetstein (1742-1797). Neolatijns letterkundige en Leids rechtsgeleerde.
5. Henricus Verheyk/Jan Hendrik Verheijk (1725-1784), Rector van de Latijnse school in Amsterdam,
6. A. Kluit/Adriaan Kluit (1735-1807). Hoogleraar geschiedenis, staathuishoudkunde en taalkunde aan de Leidse Universiteit.
7. Isaacus de Leeuw/Izaack de Leeuw (1740-1775). Predikant.
8. Petrus Dausy (1732-1785). In 1769 aangesteld als rector van de Latijnse school in Gouda. (ca. 50 leerlingen) en daarna vanaf 1784 in Amsterdam.
9. Henricus Bolt (1740-17(90?)). Praeceptor der Latijnsche school eerst te Haarlem, later in Amsterdam.
10. Laurentius van Santen/Laurens van Santen (1746-1798). Leerling van Pieter Burman, Classicus en rechtsgeleerde. Lid van 'Diligentiae Omnia'. Santhorster kring.
11. Gerardus/Gerrit Hooft junior (1750-1768). Leerling van Pieter Burman. Stadssecretaris van Amsterdam. Latijns dichter. Santhorster Kring.
12. H.Z. Couderc/Henrij Zacharia Couderc (1748-1826). Leerling van Pieter Burman. Leids rechtenstudent.
13. Lambertus Schepper (midden 18de eeuw). Leerling van Pieter Burman. Latijns dichter. De STCN kent van hem twee publicatie's uit 1763 en 1768.
14. D.M.G.?
15. Janus Helvetius F.R.S./Johannes Helvetius (1722-1772). Rechtsgeleerde. Lid van 'Diligentiae Omnia'. Santhorster Kring.

Zoals u kunt zien behoorden verschillende van hen tot de zogenaamde Santhorster Kring die (zo blijkt uit documenten in het archief Van Lennep) rond 1751 werd opgericht. Dit was een netwerk van vrienden, politieke en literaire geestverwanten (Neolatijnse poëzie!) rondom Pieter Burman. De leden kwamen regelmatig bijeen op zijn buitenplaats Santhorst bij Wassenaar (afgebroken in 1869).


"Op Santhorst werden geregeld bijeenkomsten georganiseerd ter herdenking van ijkpunten der vaderlandse vrijheid. Bij deze gelegenheden maakten de Santhorsters gelegenheidsgedichten die soms (anoniem) naar buiten werden gebracht. De wijze waarop de republikeinse vrijheid werd opgehangen aan historische figuren (Bredero, Vondel, De Groot) of gebeurtenissen (de inname van Den Briel) stuitte bij de Oranjepartij en de gereformeerde kerk op veel weerstand. Het burgerlijke vrijheidsideaal werd in hun uitingen veel breder uitgemeten dan de politieke correctheid toestond. De Santhorsters ontleenden hun voorstellen niet alleen aan de vaderlandse geschiedenis, maar ook aan de actualiteit.
Zij herkenden hun eigen idealen in de ter dood veroordeelde Franse protestant Jean Calas, in de Corsicaanse vrijheidsstrijder Pascal Paoli en in George Washington, de leider van de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog. In deze gedichten is vrijwel altijd sprake van vrijheid en tolerantie op geloofsgebied, en van verzet tegen iedere inperking van de politieke vrijheid. Dat lijkt weinig schokkend, maar in de toenmalige verhoudingen betekende het een controversieel pleidooi voor deelname van alle niet-gereformeerde geloofsgroepen aan het bestuur. Santhorst verkreeg landelijke bekendheid als dé plek waar met een beroep op oude republikeinse waarden en ‘De Vrijheid’ het bestaande bestel onder vuur werd genomen. Santhorsters stonden een staatsgezinde politiek voor zoals die in hun ogen gestalte had gekregen in het zeventiende eeuwse Amsterdam. Alleen een politiek systeem dat alle burgerlijke vrijheden waarborgde was voor hen de moeite waard. [-] Aan regels had het gezelschap een broertje dood. Er was geen vaste genootschapsdag en een statuut, manifest of reglement ontbrak" (C. de Vries: "Laurens van Santen: de vrijheid beminnen op Santhorst" in: "Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman", jrg. 35, 2012). 

De enig bekende regel die men naleefde (volgens Burman zelf) was dat men een toast uitbracht op de vijf V's; Vaderland, Vrijheid, Vriendschap, Vrede, Verdraagzaamheid.
In 1772 viel er steen in de V van vijver... Een steen in de vorm van een anoniem pamflet:
"De onveranderlyke Santhorstsche geloofsbelydenis. In rym gebracht door eene zuster der Santhorstsche gemeente." (z.p., z.j. [1772], waarvan de auteur niemand anders bleek te zijn dan de bekende Nederlandse schrijfster Elisabeth (Betje) Wolff-Bekker (1738-1804).
Opeens stond die besloten en geheimzinnige Santhorster kring (overigens tot groot ongenoegen van Pieter Burman) volop in de schijnwerpers. Het pamflet veroorzaakte grote opschudding en lokte hevige reacties uit van orthodoxe zijde. Zozeer zelfs dat Betje's echtgenoot, dominee Adrianus Wolff, op alle commotie reageerde met een "Brief over de Santhorstsche geloofsbelydenis (Hoorn/Amsterdam, 1772) en duidelijk partij koos voor zijn in opspraak geraakte vrouw.


"De onveranderlyke Santhorstsche geloofsbelydenis" moet een populair stukje zijn geweest want er bestaan diverse edities van. De tekst werd uitgegeven met twee andere stukjes van haar hand; "De menuet en de domineespruik" en "Vergeefsche Raad", die verder niets met elkaar te maken hebben. In openbare (universiteits)bibliotheken zijn de diverse edities goed vertegenwoordigd maar antiquarisch is het schaars goed. Toevallig werd er op internet één exemplaar aangeboden door een antiquariaat in Groningen en dat buitenkansje verplichtte mij dit (volgens de schrijfster) "badinant stukje" van haar te kopen voor mijn bibliotheek.
Over dit geruchtmakende pamflet (vormgeving en inhoud) en de Santhorster kring is door literatuurhistoricus André Hanou (1941-2011) geschreven in: "Wolff in schaapsvel; de onveranderlyke Santhorstsche geloofsbelydenis" (in: "De achttiende eeuw, Documentatieblad van de werkgroep achttiende eeuw", jrg. 35, 2000). Bijzonder interessante historisch-letterkundige kost die iedereen die dat interesseert verplicht om de in datzelfde jaar bij uitgeverij Astraea (Leiden) verschenen, moderne teksteditie aan te schaffen (met uitvoerige inleiding en commentaar van Hanou). Intussen ben ik alweer naarstig op zoek naar nieuwe 'verplichtingen' c.q. bibliofiele avonturen waarvan ik u deelgenoot kan maken door er over te schrijven op mijn blog. Ik hoop dat u ze welwillend en met genoegen zult lezen (maar voel u vooral niet verplicht).