vrijdag 15 oktober 2021

Amsterdams laatste allegorie

De inhoud van zeventiende en achttiende eeuwse boeken kenmerkt zich veelal door een vaste opbouw. Eerst de Franse titel, vervolgens de allegorische (gegraveerde) titel of het frontispice, dan de (typografische) titelpagina en daarna de eventuele opdracht, inleiding/voorrede gevolgd door (soms talrijke) drempeldichten. In de negentiende eeuw veranderde dat. De allegorische titelpagina - in zekere zin de oervader van onze huidige stofomslag - verdween geheel

In mijn collectie 'old & rare' bevinden zich verschillende boeken met fraaie voorbeelden daarvan zoals deze in mijn uitgave van Isaac Commelin: "Beschryvinge van Amsterdam", (Amsterdam, 1693/1694).

Dit frontispice toont de klassieke personificatie van het onderwerp. De stedemaagd Amsterdam op een troon met in haar handen de caduceus en het wapenschild van de stad. Achter haar staat de godin Minerva, met in haar hand een lans met een hoed, symbool voor de vrijheid. Naast Minerva zien we de personificaties van de Rechtvaardigheid en het Geloof. Boven in de lucht vliegt de Faam met een loftrompet en strooien putti de hoorn des overvloeds (cornucopia) uit over Amsterdam. Onder de troon zien we twee gespierde en eerbiedwaardige riviergoden. Ze verbeelden de rivier de Amstel, naamgever van de stad, en het Y, waar talloze schepen uit alle werelddelen afmeren om hun rijke lading af te leveren. De hele voorstelling ademt grandeur. De rijke geschiedenis van de machtige en welvarende koopstad Amsterdam spat ervan af, nog voor je een letter gelezen hebt!

Bij de stadsbeschrijvingen van Amsterdam die in de 19de eeuw (en daarna) verschenen is die allegorische titelpagina dus verdwenen, dacht ik... totdat ik via Boekwinkeltjes (bij antiquariaat Grimbergen in Lisse) "Amsterdam in plaatjes en praatjes" kocht, geschreven door Martin Kalf(f) (1847-1898). Ik schreef al eerder over hem in "Amsterdam volgens Urbaen". Kalf(f) was van huis uit geen historicus maar een krantenman. Daaraan is het te danken dat zijn 'causerieën' over de geschiedenis van Amsterdam zo aangenaam en vlot lezen, dankzij en ondanks talrijke details, sfeertekeningen en observaties uit zijn eigen tijd, de tweede helft van de negentiende eeuw.


Kalf(f) had al diverse voordrachten gehouden en stukjes over de geschiedenis van Amsterdam geschreven toen in 1876 zijn "Amsterdam in plaatjes en praatjes" verscheen, uitgegeven in twee delen bij J.H. Laarman. Twee jaar later - in 1878 - verscheen er bij Scheltema & Holkema een 'Tweede goedkope uitgave'. Dergelijke terminologie duidt niet zelden op een titeluitgave en zo te zien is dat ook nu het geval. Het enige dat de uitgave van 1876 wel heeft, en dat niet meer voorkomt in die van 1878 is de 'Naamlijst van inteekenaren'. Van die 'Tweede goedkope uitgave' kon ik dus een exemplaar bemachtigen voor vijfenzeventig euro (incl. verzendkosten). Dat is niet te veel geld voor deze antiquarisch zeer schaarse titel die veertig jaar geleden op boekenveilingen werd afgehamerd voor bedragen tussen de 300 en 450 gulden! De in deze uitgave gebruikelijke foxing van de litho's en tekst is gelukkig beperkt. Het boek bevat zoals gebruikelijk de gekleurde plattegrond van Amsterdam door A. Braakensiek (gedateerd 1875), het tolprivilege (1275) van Floris V in facsimile en de zestien nostalgische kleurenlitho's van Amsterdamse gezichten door C.C.A. Last. Last is geen onbekende in dit genre. Hij tekende ook een aantal illustraties voor de Amsterdamse stadsgeschiedenis geschreven door "De vergeten stadshistoricus" Cornelis van der Vijver (1784-1855).


De historische kaart van Amsterdam in deze uitgave (zie hieronder) is een nadere observatie waard. Ik bezit namelijk ook de tweede bewerkte herdruk daarvan gedateerd 1880. Deze zit in een latere uitgave eveneens van Martin Kalf(f): "In 't Hartje der stad. Oud en nieuw Amsterdam" (Amsterdam, z.j. [1880]), die ik in maart 2020 kocht (zie mijn aanwinstenlijstje over die maand, nr. 2). Het kaartje wordt uitvoerig besproken in de onvolprezen uitgave van Marc Hameleers: "Kaarten van Amsterdam" (deel 2, 1866-2012, blz. 56 nr. 244). Ondanks de korte periode tussen de twee kaartbeelden zijn er grote verschillen te zien. Op de eerste druk is nog met een stippellijntje het kunstmatige eiland in het IJ aangegeven waarop later het huidige Station Amsterdam Centraal is gebouwd. Verder zien we hierop de geboorte van de eerste stadswijken buiten de oude stadswallen, zoals De Pijp.


Mijn nieuwe aanwinst werd niet gebonden in de groen linnen stempelbanden waarin het boek door de uitgever werd verkocht (NB. de eerste uitgave was verkrijgbaar in een rood linnen stempelband). De eerste eigenaar kocht zijn mijn exemplaar met geïllustreerd omslag. Pas veel later werd het boek ingebonden in een donkergroen linnen privé-band.

Talloze boeken met een papieren/kartonnen omslag zijn later herbonden in min of meer smaakvolle privé-banden. Meestal verdween tijdens dat inbindproces het originele omslag in de prullenbak. Bij mijn exemplaar werd dat gelukkig niet gedaan, en daar ben ik zeer verguld mee. Dat originele omslag is namelijk - zoals u zelf kunt constateren - veel sprekender en mooier dan de rood/zwarte waarin de eerste editie verscheen. Hoewel ongesigneerd vermoed ik dat J.C. Braakensiek (1858-1940), zoon van de eerdergenoemde kaartmaker A. Braakensiek, de illustrator was.

Wie dat omslag bekijkt ziet onmiddellijk iets waarover ik eerder sprak; een allegorische titelpagina (maar dan als boekomslag) van de stad Amsterdam. Amsterdams vermoedelijk laatste allegorie toont de stad - aan het eind van de IJzeren Eeuw - loom, vermoeid en bejaard aan een kalm stromende Amstel en een verstild IJ.

vrijdag 8 oktober 2021

Het jaar geboekt, september 2021

In de rubriek 'Het jaar geboekt' (zie tabblad bovenaan) houd ik bij wat ik gedurende het lopende jaar per maand bij elkaar verzamel. Na afloop van de maand verplaats ik de lijst met aanwinsten naar de startpagina c.q. homepage en geef ik 'de cijfers'. In de rubriek blijven de voorgaande maand(en) als hyperlink aanwezig. Raadpleeg dus regelmatig de nieuwe rubriek om te zien of er aanwinsten zijn bijgekomen (of wacht op het maandoverzicht).

September 2021; de cijfers...

Totaal aantal objecten: 14.

Gekocht: 12.
Gekregen: 2.

Totaal uitgegeven: € 220, 85 euro (incl. verzendkosten).
Gedeeld door 12 is gemiddeld: € 18,40 euro per object.

Via Boekwinkeltjes: 4 (4, 5, 6, 7).
Via kringloopwinkel: 3 (1, 2, 3).
Via boekenmarkt: 4 (9, 10, 11, 12).
Via (online) antiquariaat: 1 (8).

Modern: 9 (1, 2, 3, 8, 9, 10, 11, 12, 13).
Marge & klein bibliofiel drukwerk: 1 (14).
Old & rare: 4 (4, 5, 6, 7).

September 2021: de aanwinsten...

Deze maand vond ik drie leuke kringloopvondsten (1, 2 en 3) voor in totaal slechts € 7,- euro

1. F. van Oostrom: "Nobel streven. Het onwaarschijnlijke maar waargebeurde verhaal van ridder Jan van Brederode" (Amsterdam, 2018). Bijna gekocht op de Amsterdamse Spui boekenmarkt voor € 6,- euro en toch maar niet gedaan. Nu voor maar € 2,- euro gekocht! Ik hou wel van de prettig geschreven boeken van Frits van Oostrom.


2. E. Kloek: "Vrouw des huizes. Een cultuurgeschiedenis van de Hollandse huisvrouw" (Amsterdam, 2009).


3. R. Aerts: "Thorbecke wil het. Biografie van een staatsman" (Amsterdam, 2018). De winnaar van de PrinsjesBoekenPrijs 2018 en de Biografieprijs 2020 voor maar € 3,50 euro!


Via Boekwinkeltjes kwam ik ditmaal drie bijzonder schaarse en curieuze brochures op het spoor (45 en 6) van de anti-trekhondenbond (trekhonden werden pas vanaf 1962 verboden!). Totaal betaalde ik € 67,35 euro (incl. verzendkosten).


4. "Trekhonden-ellende in Nederland. In 't bijzonder te Rotterdam" (Rotterdam, 1918).

5. "Een schande van Nederland. Film van Nederlandsche trekhonden-ellende" (Den Haag, z.j. [1918]). Brochure 5 van de anti-trekhondenbond. Met ingevoegd een los mededelingenblad (nr. 20, maart 1918).

6. "Open brief aan zijne excellentie Mr. J.B. Kan minister van Binnenlandsche zaken en Landbouw 's-Gravenhage" ('s-Gravenhage, 1928). Met los inliggende aanbiedingsbrief.


7. M. Noordhoff: "Cesar. De geschiedenis van een hond" (Rotterdam, z.j. [1896]). Uniek boekje waarvan ik geen tweede exemplaar vond in Worldcat. Gebonden in een bijzondere rood linnen band met goudopdruk (auteursexemplaar?). "Dit werkje werd eervol vermeld, als antwoord op de Prijsvraag uitgevschreven door het Hoofdbestuur der Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Dieren te 's-Gravenhage".
Gekocht via Boekwinkeltjes voor € 34,- euro (incl. verzendkosten). Meer hierover (en de voorgaande anti-trekhondenbrochures) in mijn blog: "Cesar: een honds bestaan...".


8. M. Van Boxsel: "De topografie van de Domheid" (Amsterdam/Antwerpen, 2021). Gekocht bij De Slegte in Leiden voor € 17,50 euro. Met los inliggende kaart van Morotopia. Ik had hier natuurlijk ook al de andere drie boeken staan ("Encyclopedie van de Domheid", "Morosofie" en "Deskundologie").


Vorige maand kocht ik twee delen van de tiendelige serie "Geschiedenis van de Nederlandse literatuur", die tussen 2006 en 2017 verscheen (NB. Het tiende deel; "Ongeziene blikken" zijn nabeschouwingen over de werkwijze en totstandkoming). Zoals ik schreef maak ik er een sport van om de (gebonden) serie (totaal 6824 bladzijden) via allerlei kanalen zo goedkoop mogelijk aan te schaffen. Ditmaal kocht ik op de Amsterdamse Spui boekenmarkt bij antiquariaat Uilenspiegel (Eric Klee) voor € 95,- euro vijf delen. Eén daarvan had ik al, maar ruil ik weer voor korting tegen een ander. Alleen de delen geschreven door Tom Verschaffel (periode 1700-1800. Zuidelijke Nederlanden) en Jacqueline Bel (periode 1900-1945) ontbreken nu nog. De vier (91011 en 12) die ik nog niet had zijn:

9. I. Leemans & G.J. Johannes: "Worm en Donder. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1700-1800. De Republiek".

10. W. van den Berg & P. Couttenier: "Alles is taal geworden. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1800-1900".

11. H. Brems: "Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005". 

12. A.J. Gelderblom & A.M. Musschoot: "Ongeziene blikken. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Nabeschouwingen".

13. E. Boeles, K. van der Hoek en R. Storm (Red.): "Vertelstof" (Amsterdam, 2021). Een bundel verhalen (met als rode draad textiel/stof) t.g.v. het afscheid van Marike van Roon als hoofdconservator van het Allard Pierson in Amsterdam. Gekregen van mijn 'blogredacteur' Reinder Storm.


14J.E. Weihl (W. Heijting): "Troostende stilte. Haiku's bij de dood van een geliefde" (Septemvillis [Zevenhoven], MMXXI). Uitgegeven naar aanleiding van het overlijden van de echtgenote van de auteur in een oplage van 100 exemplaren. Geschenk van boekenvriend en mede NGB-genootschapslid Wim Heijting.

zaterdag 25 september 2021

Cesar: een honds bestaan...


Toen ik een peuter was hield mijn vader vogels (kanariepietjes) in een volière op het balkon van onze kleine etagewoning aan het Galileiplantsoen 50 in Amsterdam. Tropische vissen, cavia's en poesen (Minkie en Gijsje) volgden in mijn Buitenveldertse tienerjaren. Daarna was er lange tijd niks, maar toen mijn dochter zes was kwam er één konijn (Wittie), waarvoor een riant buitenhok werd gekocht. Op appels en lof heeft dat beestje tien jaar geleefd. Eind 2016 vond in onze achtertuin de plechtige teraardebestelling plaats. Sindsdien zijn we hier huisdier-vrij, maar als het aan onze dochter ligt niet voor lang... Die wil een hond!

   

Een echte hond zal hier voorlopig nog niet komen maar een bijzondere uitgave over een hond is hier inmiddels wel gearriveerd. Via Boekwinkeltjes kocht ik voor weinig geld: "Cesar, de geschiedenis van een hond. Romantisch verhaal" (Rotterdam, z.j. [1896]) geschreven door de Fries Marius Noordhoff (1861-1946). De verschijningsgeschiedenis hiervan hangt nauw samen met de activiteiten van de 'Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Dieren te 's-Gravenhage' (thans de Dierenbescherming). Die schreef in de eerste jaren na haar oprichting in 1864 regelmatig prijsvragen uit, om via (kinder)boeken meer bekendheid te geven aan haar doel en werkzaamheden. In 1894 werd (voor de tweede maal) een prijsvraag uitgeschreven voor een uitgave met als centraal onderwerp de hond, diens deugden en trouw aan mensen. Daarop volgden 29 inzendingen waaruit: "Cesar en zijn meesters", geschreven door Jo van Sloten, een pseudoniem van E.J.W. van Maurik-Sluyter (1861-1940), als winnaar werd gekozen. Haar bijdrage verscheen vrijwel gelijk met het boekje van Marius Noordhoff.


Noordhoff's inzending viel weliswaar niet in de prijzen maar kreeg, samen met drie onbekend gebleven inzendingen, wel een eervolle vermelding. Wat zijn uitgave speciaal maakt, is niet alleen dat het de enige van deze vier is die in druk verscheen (bij Nijgh & Van Ditmar in klein octavo, 142 blz.), maar bovendien dat ze antiquarisch onvindbaar is en - anders dan Jo van Sloten's boekje - in geen enkele bibliotheekcollectie voorkomt. Noch via Worldcat., noch via de Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdliteratuur vond ik een tweede exemplaar. Voorlopig is mijn uitgave, gebonden in een fraaie - met goud bedrukte - rood linnen stempelband, dus uniek. Of mijn aanwinst in deze luxe vorm bovendien een bijzonder exemplaar is (voor de auteur?), kan ik bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal niet met 100 % zekerheid zeggen. 


Van Noordhoff is overigens nog een uitgave bekend (één exemplaar in de Koninklijke Bibliotheek) dat hij twee jaar later schreef naar aanleiding van - alweer - een prijsvraag van dezelfde vereniging, maar ditmaal over het paard, met als titel: "Jo en Jetje: bijdrage tegen mishandelen van paarden: romantisch verhaal" (Rotterdam, 1898). De restanten van beide boekjes werden volgens diverse krantenadvertenties in 1911 verramsjt door D.P. Bolle in zijn Rotterdamse 'Bazaar van Goedkoope Boeken'.


Honden zijn tegenwoordig de beste vriend van de mens en geliefde huisdieren, maar ruim honderd jaar geleden waren ze 'het paard van de armen' en vooral in gebruik als lastdier. Vrijwel elke hond kon daarvoor worden ingezet, maar met name de 'Matin Belge', ook Belgische Mastiff, Belgische Karrenhond of Vlaamse Karrenhond werd beschouwd als de Ferrari onder de trekhonden. De behandeling van trekhonden was over het algemeen honds en het hondenleed kan worden geïllustreerd aan de hand van een aantal schaarse en curieuze uitgaven van de Anti-trekhondenbond in mijn collectie . 

Het gaat om: "Een schande van Nederland. Film van Nederlandsche trekhonden-ellende" (Den Haag, z.j. [1918]), waarin ik een los mededelingenblad aantrof van deze bond (nr. 20, maart 1918). Overigens wil 'Film' in de titel zeggen dat de brochure (die verscheen in een oplage van maar liefst 150.000 exemplaren) rijk geïllustreerd is met foto's, die een filmisch beeld geven van de problematiek. Voorts: "Trekhondenellende in Nederland" (Rotterdam, 1918), een uitgave van de 'Rotterdamsche Vereeniging tegen Trekhondenmisbruik' met veel foto's van uitgemergelde en zieke trekhonden, en: "Open brief aan zijne excellentie Mr. J.B. Kan minister van Binnenlandsche zaken en Landbouw 's-Gravenhage" ('s-Gravenhage, z.j. [1928/1929]). Ook deze brochure is rijk geïllustreerd.


Het gebruik van honden als lastdier is oeroud maar beleefde in Nederland zijn hoogtepunt eind 19de -, begin twintigste eeuw. Honden waren goedkoper dan paarden, zowel in aanschaf als onderhoud, en de vele kleine neringdoenden die met handkarren (hondenkar) de stad en het platteland afsjouwden maakten er maar wat graag gebruik van. Trekhonden werden ook in ingezet door de overheid, bijvoorbeeld in het leger om mitrailleurkarren te trekken ('mitrailleurhonden'). Volgens "Trekhondenellende in Nederland" was de problematiek het grootst in Rotterdam; "Geen gemeente in ons land waar zooveel trekhonden zijn, ergo zooveel uitbuiters van deze dieren en zooveel intens trekhondenleed geleden wordt". 


De havenstad mocht dan de kroon spannen feitelijk ging het om een landelijk fenomeen probleem dat goed was ingeburgerd. Zo waren er trekhondenfokkers, trekhondenmarkten, verhuurkantoren voor trekhonden en trekhondenwedstrijden. Bovendien tonen talrijke krantenadvertenties en nostalgische prentbriefkaarten dat trekhonden/hondenkarren destijds een maatschappelijk volkomen geaccepteerd verschijnsel waren. Alleen al rond 1900 liepen er in Nederland circa 80.000 trekhonden rond. 


De noodzaak om het een en ander te reguleren en controleren werd aan het begin van de vorige eeuw steeds meer gevoeld. In 1910 was het zover en werd de trekhondenwet in werking gesteld. Hierin stonden bepalingen ten aanzien van de maximale treklast, het minimale formaat van in te zetten honden, de gebruikte tuigjes waaraan een hondenkar moest voldoen en de minimumleeftijd van de bestuurder. Ook was de eigenaar van een hondenkar vanaf dat moment vergunningplichtig. In 1912 werd de Anti-trekhondenbond opgericht, die een totaalverbod nastreefde ('koop niet bij trekhondenhouders!'). Na de Tweede Wereldoorlog werd deze organisatie herdoopt tot Anti Trek- en Kettinghondenbond (met 'kettinghonden' werden waakhonden bedoeld die aan de ketting lagen op het boerenerf). Thans is dit de Koninklijke Hondenbescherming.


De oprichting van de Anti-trekhondenbond vlak na de invoering van de trekhondenwet is veelzeggend. De reden daarvoor was simpel. De wet werd ontdoken, gemanipuleerd, slecht gehandhaafd en bracht niet de gewenste noodzakelijke verbetering voor het dierenwelzijn. Wat na haar invoering volgde waren jaren van gesteggel met de overheid (en publieke opinie) die vreesde voor economische schade bij een totaal verbod.
In een "Open brief aan zijne excellentie Mr. J.B. Kan minister van Binnenlandsche zaken en Landbouw 's-Gravenhage('s-Gravenhage, z.j. [1928/1929]) werden nog eens haarfijn alle overtredingen en misstanden aangehaald en met foto's geïllustreerd.
"De wet tot bescherming van den trekhond wordt niet gehandhaafd, noch de Trekhondenwet 1910 met de daarbij behoorende Kon. Besluiten, noch het door U uitgelokte Kon. Besluit dd. 1 Augustus 1927 met de daarop gevolgde leidraad bij de aan de nieuwe voorschriften te geven uitvoering (Circulaire dd. 17 December 1927.). Wij laten dit schrijven volgen door een serie foto's, door ons opgenomen, steeds in het bijzijn van Rijks- of Gemeentepolitie, waaruit U duidelijk zal blijken, dat er, behoudens enkele lofwaardige uitzonderingen, geen sterveling is die zich van een juiste handhaving der Trekhondenwet en Kon. Besluiten iets aantrekt.".


In hetzelfde jaar (1928) heeft de Anti-trekhondenbond ook een korte (stomme) film geproduceerd en wel de dramatische tweeakter: "Cesar, de geschiedenis van een trekhond" (Filmfabriek Polygoon). Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken of men heeft zich laten inspireren door de eerdergenoemde prijsvraagbijdragen. Ik ken de inhoud en verhaallijn van het boekje van Van Sloten niet, maar met de uitgave van Noordhoff zijn er in ieder geval een aantal overeenkomsten. Beide honden heten Cesar en starten als geliefde huisdieren, beide komen in verkeerde handen terecht om vervolgens dienst te doen als trekhond en waakhond. Uiteindelijk vinden beide door eigen vernuft en op eigen kracht hun oorspronkelijke baas weer terug.


Trekhonden zouden in Nederland pas na de Tweede Wereldoorlog langzaam maar zeker uit het straatbeeld verdwijnen gelijk met de opkomst van de bakfiets en (vracht)auto. Maar met een totaalverbod op trekhonden waren wij rijkelijk laat. Wat in Engeland al in 1854 was gelukt zou hier nog tot 1 januari 1962 standhouden! Pas toen werden de laatste 26 dieren, waarvan 11 in de gemeente Staphorst, definitief uitgespannen.
Of daar ook een Cesar tussen zat? Best mogelijk, er zijn wel meer hondjes die Fikkie heten...