donderdag 28 mei 2026

Het kalligrafisch talent van Christiaan Sepp Jansz.


De familienaam Sepp roept bij veel liefhebbers van oude natuurhistorische prachtuitgaven warme gevoelens op. Wie van hen kent niet de serie "Nederlandsche vogelen..." (Amsterdam 1770-1829, vijf delen) en "Flora Batava..." (Amsterdam 1800-1934, 28 delen), om maar eens twee uitschieters te noemen. Ook onder historisch cartografen geniet de familie faam als uitgever van verfijnde landkaarten, met de "Nieuwe Geographische Nederlandsche Reis- en Zak-Atlas" (Amsterdam, 1773) als bekend voorbeeld.
Dat het werk van Sepp ook vandaag de dag nog zeer geliefd is, blijkt uit de facsimile uitgaven die op de markt zijn gebracht. Zo verschenen bij de Belgische uitgeverij Lannoo, in samenwerking met de Koninklijke Bibliotheek (in 2014 en 2023) beide natuurhistorische prachtwerken opnieuw op de markt.


De drijvende kracht achter de oorspronkelijke uitgaven — die thans antiquarisch vrijwel onbetaalbaar zijn — was Johan (Jan) Christiaan Sepp (1739-1811). Deze veelzijdige ondernemer was naast boekhandelaar, ook een kundig natuurvorser. Net als zijn vader Christiaan Sepp (1710-1775), die oorspronkelijk uit het Duitse Goslar kwam, beschikte hij bovendien over kunstzinnige talenten als tekenen en graveren. Over de schitterende natuurhistorische en cartografische werken die zijn boekhandel uitgaf is al veel geschreven; dat behoeft hier geen herhaling.

Johan (Jan) Christiaan Sepp (Anoniem. Collectie Rijksmuseum Boerhave)

Ik moet bekennen dat ik als bibliofiel verzamelaar nooit een uitgesproken liefhebber van natuurhistorische uitgaven ben geweest, mijn passie ligt bij geschiedenis en topografie. Toch vond ik in mei een handschrift dat nauw verbonden is met deze beroemde uitgeversfamilie en dat ik - ondanks de grote naam van Sepp - voor een betrekkelijk bescheiden bedrag kon verwerven.

Het is een bruilofts- of huwelijksgedicht van negen ongenummerde bladzijden (23 x 19 cm). In de zeventiende - en achttiende eeuw waren dergelijke gelegenheidsgedichten een wijdverspreid fenomeen binnen hogere sociale kringen, zoals de regentenstand en de gegoede burgerij. De inhoud was gebonden aan strikte literaire conventies; zo bevatten de verzen steevast lofzangen op de deugden van het bruidspaar. Alhoewel dergelijk efemeer drukwerk in grote hoeveelheid is gemaakt, is veel daarvan in de loop der tijd verdwenen. Sommige bruilofts- of huwelijksgedichten die bewaard bleven, getuigen van grote luxe: ze werden gestoken in prachtig bedrukt sits- of sierpapier, andere werden gebonden in kostbare leren banden, rijkelijk bestempeld en soms voorzien van fraai geborduurde sluitlinten.
Wat dat betreft oogt mijn aanwinst in zijn eenvoudige papieren omslag wat eenvoudig. Desondanks is het uniek want het werd volledig gekalligrafeerd en geïllustreerd met twee grisaille-tekeningen

Dit eerbetoon werd geschreven voor het zilveren huwelijk van Jan Christiaan Sepp en Wichertje Wichers Kruys (1755-1823), die in 1773 in het huwelijk traden. Samen kregen zij elf kinderen, maar opmerkelijk genoeg was het niet éen van hen die zijn artistieke talenten botvierde. De maker was Christiaan Sepp Jansz. (1773-1835), de oudste en enige overlevende zoon uit Jan Christiaans eerste huwelijk met Sara Focking (1745-1773).
Zijn kalligrafische huzarenstukje (in diverse rijmschema's) was waarschijnlijk een gift aan zijn vader en stiefmoeder, ter herinnering aan hun zilveren huwelijksdag. Ik geef het hier pagina voor pagina weer.


1. De zorgvuldig getekende titelpagina vermeldt binnen een sierkader in fraaie letters: 
"By gelegenheid der Vijf en Twintig Jaarigen Bruijloftsdag, van myne waarde & geliefde Ouderen Die Verscheenen is den VIden en Gevierd den IXden December, Anno MDCCXCVIII. Worden deeze volgende Blyken van Dankbaare Hoogachting met Eerbied opgedragen door Hunnen Liefhebbende en Oudste Zoon.", (later?) gesigneerd: 'C. Sepp Jansz.'.


2. "By gelegenheid der Vijf en Twintig Jaarigen Bruyloftsdag, van myne waarde & geliefde Ouderen.

Wanneer 't aandagtig Oog, op't Menschlijk leeven ziet,
En op het Wisslend Lot, dat ons deez' Aarde bied;
Dan moet een Zilver Feest, ons Hart verwondring baaren.
Den snellen Stroom des Tijds, die onophoud'lijk vloeijd,
Die alles met zig voerd, die zelfs de Eeuwen boeijd,
Schonk aan Uw Echt den reeks van Vijf en Twintig Jaaren.

Toen Gij Uw Huwelijkse zon vol Vrolijk, klimmen zag,
Hoe diep was toen 't geheim of Gij deez Bruijlofts-dag?
Omringd van zoveel Kroost, te zaamen zoud beleeven?
Dan hoe ook 't woen des Tijds verganglijkheeden zaaijd.
Hoe ook den Schigt des Doods, in 't Menschlijk leeven maaijd;
Uw wierd, O' dierbaar Paar, ook deezen Dag gegeeven. 


3. Een Talrijk Huijsgezin, Een waarde Vriendenrij,
Zit met genoegen aan, verheugd zig aan Uw zij'',
Hoe Schoon is dit Tafreel van 't zalig Huwlijks-leeven.
Geluk met deezen dag, door d'almagt Uw bereid,
Hij rekke Uw Levens draad, Hij schenke Uw zaligheid
En doe Uw in zijn Gunst naar hooger Feest-dag streeven.


4. Aan Myn Waarde Vader in't Byzonder.

Mijn Vader Uw bekroonde Echt,
Doet thans mijn dicht-vuur tint'len, vloeijen,
De Krans voor Hart en Hand gevlegt,
Mogt Vijf en Twintig Jaaren groeijen.
Geluk met zo veel Zegening,
Hoe dankbaar ziet Herinnering
Op 't Pad van d' afgeloopen Kringen,
Schoon soms de toekomst Zorgen baard,
Gods Gunst, die op het Menschdom staard,
Zal ook in verd'ren Loop, Uw Liefderijk omringen.

Zaagt Gij Uw eerste Huwelijks-band,
Door d' IJzre Arm des Doods verbreeken?
Daar Telgen uit dien Echten-stand,
Ook voor zijn wreeden Dolk bezweeken.
De Alwijsheid, die in d' Eeuwen ziet,
Verliet ook toen Uw toestand niet,
Maar zag vol Liefde, en Goedheid neder;
Uw Ega steeg bij haar gezin,
Den blijden zaal'gen Hemel in,
En Gij ontfingt een Gade, en Ik een Moeder weder.


5Hoe dankbaar slaat het zuchtend Hart!
Voor zo veel Troost, bij 't angstigst treuren,
Mogt Gij na zulk een Fellen Smart,
Het Hoofd weer vrolijk opwaards beuren?
Thans zij mijn Dank Uw toegewijd
Die mijne Jeugd, met Zorg, en Vlijt:
Aan 't Snoer der Deugd hebt willen binden,
Uw zij, O' dierbre Man, het Loon;
Van een volmaakter Huwelijks-Kroon,
Van een vol zaalgen Echt, van 't Lot der Deugdgezinden.

Nu ziet Gij vrolijk om Uw heen,
Mijn Kroost, Uw dart'lend tegen treên,
Mijn Kroost, uit Uwen Stam gesprooten.
Hoe streelend is die Aardsche Vreugd,
Daar zij het Ouder-Hart verheugd,
En 't waar genoegen kan vergrooten.
Uw Leeven zij nog lang gespaard,
Zo doen Uw Telgen op deez Aard'',
Uw reeds een Bron van Heil ontspringen,
En smaak in 't eijnd de groote Schat,
Die d' Eeuwigheid in zig bevat,
Waar't ongestoordst Geluk, Uw eijnd'loos zal omringen.


6. Aan Myne Geliefde Moeder in't Byzonder.

Daar thans Uw Echt
Heeft afgelegd
Ruim Vijf en Twintig Kringen
Zo wil mijn Geest
Uw Zilver Feest
Met Dankbaarheid bezingen

Dit Vrolijk Uur
Doet 't Liefde-Vuur
In mijne Borst ontsteeken
Ja deeze Stond
Doet mijne Mond
Van waare Erkentnis spreeken

Zaagt Gij mijn Jeugd
Haar grootste Vreugd
Een dier'bre Moeder derven?
Zag ik het Licht,
Toen mijn Gezicht,
Ook zag mijn Voedster sterven?


7. Dit was mijn Lot
Maar; dank zij God!
Zijn Raad had Hulp gevonden,
Er wierd een Vrouw,
Door nieuwe Trouw,
Aan't Vader-Hart verbonden.

Zo zag ik weer,
Gelijk wel-eer,
Een lieve, en trouwe, Hoeder,
Gij wierd, Vriendin!
In vollen Zin,
Mij dus ten Tweede-Moeder.

Uw Vlijt en Zorg,
Was mij ten Borg,
In 't klimmen mijner Jaaren,
Hoe bleef Uw Deugd,
Mijn ted're Jeugd,
Voor Ramp, of Leed, bewaaren.

Ja menigmaal,
Heeft Uwe Taal,
Mij voor gevaar beveiligd.
Uw Naam, O' Vrouw,
Blijft met Uw Trouw,
Altoos voor mij geheiligd.


8. Hebt Gij verrigt;
Een's Moeders Pligt?
Welk denkbeeld voor mijn Zinnen!
Die weldaad wagt,
Dat mijn Geslagt,
Uw Kinderlijk zal minnen.

Uw zij het Loon,
Dat Uwen Zoon,
Steeds voor Uw af zal smeeken,
Zo zal Uw Hart,
Bevrijd van Smart:
Een waar genoegen kweeken.

Tot dat den Tijd,
Die 't Leeven slijt,
Uw Hemelwaards zal leiden,
Daar blijft met Vreugd,
Mijn's Moeders Deugd,
Uw Zusterlijk verbeiden.


9. Tot Besluit van het Voorgaande.

Zo vlogt den Tijd een Krans van Vijf en Twintig Jaaren,
Thans klinke ons Vrolijk Lied, verheugen w'onzen Geest,
Als God mijn Wensch verhoord, zal Hij Uw leeven spaaren,
Dan vieren w'ook verheugd Uw Goude Bruijlofts-Feest.

En als in't eijnd de Dood Uw van ons af moet scheiden,
Dan staar' Uw Liefd'rijk Oog, nog op Uw Kind'ren neer,
O' dan zult Gij, bij God, gezaligd, ons verbeiden,
Daar zien wij ons vereend, als Hemellingen weer."

De twee grisaille-tekeningen van Christiaan, waarschijnlijk (net als de titelpagina) pas later gesigneerd met 'C. Sepp Jz. inv.' betreffen allegorische voorstellingen. De eerste toont twee putti in een arcadisch landschap, die het bruidspaar weergeven. Achter hen staat een huwelijksaltaar met twee, door een pijl getroffen, brandende hartjes (symbool van hun vurige liefde). Vadertje Tijd, afgebeeld met vleugels en een zandloper op zijn hoofd, reikt hen een krans "voor Hart en Hand gevlegt" voor hun zilveren (25-jarig) huwelijk.
In de tweede grisaille loopt hij met de krans weg. De tijd vliedt! Ondertussen richten de twee putti hun pijlen op het gouden huwelijksjubileum (50 jaar), in het verschiet, tussen de wolken.


De achttiende eeuwse conventies schreven een dergelijk kunstzinnig eerbetoon vrijwel dwingend voor, inclusief de voordracht door Christiaan Sepp Jansz. op de feestdag zelf.
Het moet voor zowel het jubilerende echtpaar als voor Christiaan een emotioneel moment zijn geweest.
Zijn eigen moeder, Sara Focking, was, zo lezen wij, kort na zijn geboorte in het kraambed overleden, waarna Wichertje Kruys de moederlijke taken vrijwel direct en met verve had overgenomen. Dat zij zeer geliefd was bij haar (stief)kinderen blijkt niet alleen uit dit gedicht maar ook uit een uitgave die kort na haar dood verscheen: "Ter nagedachtenis van Jan Christiaan Sepp en Wichertje Wichers Kruys" (z.p., 1823), waarin zij uitvoerig wordt gememoreerd, ondermeer met een "Uitboezeming" van Christiaan Sepp Jansz. 
Hoewel Christiaan ook enige tijd bij zijn vaders boekhandel betrokken was lag zijn talent meer op het vlak van de schone kunsten, met name taal en letteren. Dit gekalligrafeerde huwelijksgedicht voor zijn ouders is daar een fraai voorbeeld van.

donderdag 14 mei 2026

Het jaar geboekt, april 2026

In 'Het jaar geboekt, [maand en jaar]' houd ik bij wat ik gedurende een maand bij elkaar verzamel inclusief 'de cijfers', soms met toelichting en/of opmerkingen. Ik begon hiermee in 2018, aanvankelijk als aparte rubriek (onder een eigen tabblad). Met ingang van 2024 publiceer ik mijn maandoverzichten direct op de 'homepage'. Na afloop van het jaar geef ik een totaaloverzicht in '[Jaar] geboekt. Een jaar in feiten en cijfers'.

April 2026; de cijfers...

Totaal aantal objecten: 6.

Gekocht: 6.

Totaal uitgegeven: € 228,- euro (incl. verzendkosten).
Gedeeld door 6 is gemiddeld: € 38,- euro per object.

Via kringloopwinkel: 1 (4).
Via boekenmarkt: 1 (6).
Via (online) antiquariaat: 4 (1, 2, 3, 5).

Modern: 2 (4, 5).
Old & rare: 4 (1, 2, 3, 6).

April 2026: de aanwinsten...

Bij antiquariaat Goltzius in Lisse kocht ik deze maand verschillende interessante manuscripten (1, 2 en 3) voor in totaal € 180,- euro.

1. "De Duivekater. - het Brood, sprekende ingevoerd" (z.p., december 1828). Manuscript (gelegenheidsgedicht), gesigneerd 'GVV'. Ik schreef hierover een uitvoerig blog: "De sprekende Duivekater".

2. "By gelegenheid der Vijf en Twintig Jaarigen Bruijloftsdag van myne waarde & geliefde Ouderen Die Verscheenen is den VIden en Gevierd den IXden December, Anno MDCCXCVIII. Worden deeze volgende Blyken van Dankbaare Hoogachting met Eerbied opgedragen door Hunnen Liefhebbende en Oudste Zoon." (z.p. [Amsterdam], 1798). Manuscript (huwelijksgedicht), Gesigneerd: 'C. Sepp Jansz.'. Over dit bijzondere gelegenheidsmanuscript schreef ik in: "Het kalligrafisch talent van Christiaan Sepp Jansz.".

3. Negentiende eeuwse papieren omslag: "Schendstukken, enz. 18e eeuw", met vijf handgeschreven paskwillen/spotversjes voor verschillende gebeurtenissen. Ook hierover zal t.z.t. een blog verschijnen: "Vijf schendstukken".


4. R. Bessem: "Oorkondenboek van het Karthuizerklooster St.-Andries-ter-Zaliger-Haven bij Amsterdam (1352) 1392- 1579 (1583)" ( Amsterdam, 1997). Belangrijke bronnenpublicatie voor de geschiedenis van Middeleeuws Amsterdam. Gekocht bij mijn kringloop voor € 5,50 euro.

5. D. McKitterick: "The Invention of Rare Books. Private interest and Public Memory 1600-1840" (Cambridge, 2018). Voor mijn collectie boeken over boeken. Gekocht bij antiquariaat Brinkman voor € 40,- euro.

6. Portretgravure van de dichter en toneelschrijver Pieter Langendijk met gedicht van D. Smits (1750) door J. Houbraken (1752). Het portret heb ik toegevoegd aan mijn exemplaar van zijn bekende werk: "De graaven van Holland in jaardichten beschreven..." (Haarlem, 1755). Gekocht bij antiquariaat De Uilenspiegel (Eric Klee) voor € 2,50 euro.

donderdag 23 april 2026

De sprekende Duivekater

De Leidse bakker Arent Oostwaard en zijn vrouw Catharina Keizerswaard (schilderij van Jan Havicksz. Steen, 1658). Rechtop tegen de muur een rijkversierde duivekater.

Bij het doorsnuffelen van de website van antiquariaat Goltzius kwam ik een opmerkelijk manuscript tegen getiteld: "De Duivekater. - het Brood, sprekende ingevoerd". De auteur, die ondertekende met de initialen GVV, schreef het bijna twee eeuwen geleden op, in december 1828. Het is een half vel papier, 8º (formaat 29.9 cm. breed en 19 cm. hoog), dubbelgevouwen, met het watermerk van Van der Ley., een van de oudste papierfabrikanten in de Zaanstreek (*). Op de eerste twee bladzijden staat een gedicht in een duidelijk leesbaar handschrift van in totaal 48 dichtregels (28 recto en 20 verso, exclusief titel, signatuur en onderschriften). 


Wie er schuil gaat achter GVV bleef lange tijd onduidelijk. Uiteindelijk zou het onderzoek naar de papierfabrikant Van der Ley het raadsel oplossen! Op de website van de Historische Vereniging Koog-Zaandijk wordt in de rubriek 'Achter de deur' (onder Zaandijk) ook de geschiedenis uit de doeken gedaan van het pand Lagedijk 96 (aan de Zaan direct tegenover de Zaanse Schans). De bouwer daarvan was de papiermaker Aris van der Ley (1707-1800). In 1776 trad bij hem zijn veertienjarige aangetrouwde neef in dienst; Jan (Adriaansz.) van Vleuten (1762-1835). Hij erfde van oom Aris in 1800 de papiermolen. Voor de geschiedenis van de Zaanstreek was Jan een belangrijk nauwgezet chroniqueur (er is een straat naar hem vernoemd). Hij heeft een schat aan historische gegevens achtergelaten in de vorm van notities en dagboeken die de gehele periode vanaf de Bataafse Republiek, de Franse Tijd en verder beslaan (zie hier, nr. 385). Hij was bovendien burgemeester van Zaandijk en in 1788 medeoprichter en secretaris van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, departement Koog Zaandijk. In 1784 trouwde hij met Aagje Jansdr. Honig (1762-1807). Het doopsgezinde echtpaar kreeg vijf kinderen: Maartje, Guurtje, Adriaan, Lijsje en Trijntje.
En daarmee belanden we bij de hoogstwaarschijnlijke schrijfster van dit gedicht: Guurtje van Vleuten (1786-1865). Een geletterde welopgevoede dame, in goede doen, die nimmer zou trouwen en samen met haar eveneens ongehuwde zuster Trijntje na haar vaders dood in het ouderlijk huis bleef wonen. De zussen bleken niet alleen erfgenamen van zijn bezit, maar ook van zijn intellectuele nieuwsgierigheid: zij zetten de uitgebreide annotaties in vaders notitieboeken voort tot aan de dood van Trijntje in 1868 (**).

Guurtje van Vleuten (foto: St. Archief Honig(h)).

De Zaanse duivekater ('deuvekater'), een zoet wit vloerbrood, behoort samen met bijvoorbeeld de Deventer Koek en de bruine kroeg tot het Nederlands immaterieel erfgoed. Over dit bijzondere feestbrood is al een en ander geschreven, zowel over zijn etymologie en geschiedenis, als receptuur. 
Ik las ergens dat vooral begin negentiende eeuw het zogenaamde katerbrood mateloos populair moet zijn geweest, maar vond niet direct historische bronnen die dat beeld bevestigen. Honderd jaar later, rond 1900, komt met name bakker Anton Kroes daarmee in het nieuws. Zijn bakkerij ‘De Duivekater’ was tot 1974 gevestigd op de Nieuwendammerdijk 301 (Amsterdam-Noord). Hij heeft zijn specifieke receptuur voor duivekater later verkocht zodat de befaamde 'Kroes Duivekater' nog steeds verkrijgbaar is.


Betrouwbare bronnen voor de Zaanse geschiedenis, folklore en tradities verschenen vanaf het midden van de 19de eeuw, zoals het werk van de historicus Jacob Honig Janszoon (1816-1870) en dat van de taalkundige Gerrit Jacob Boekenoogen (1868-1930). Vooral Boekenoogens: "De Zaansche volkstaal. Bijdrage tot den kennis van den woordenschat in Noord-Holland" (Leiden, 1897) bevatte waardevolle informatie voor dit artikel. 
In Noord-Hollandse archieven en bibliotheken online vond ik geen andere voorbeelden van vergelijkbare (gelegenheids)poëzie. Vrijwel zeker is dit het oudst bekende gedicht over deze Zaanse broodspecialiteit. Het handschrift is daarom als unieke vroege bron voor de Zaanse volkscultuur van cultuurhistorisch belang. Omdat het nimmer in druk is verschenen geef ik de tekst hier integraal weer, voorzien van noten met mijn op- en aanmerkingen (onderaan). 


Manuscript (recto).

"De Duivekater. - 
het Brood, sprekende ingevoerd (1)

------------------------------------------

Wel Duivekaters dat heet reizen (2)
In't hartje van de winter tijd, (3)
En dat, om Rotterdam te toonen,
Hoe ik worde aan de Zaan bereid. 4)
In grote hitte pas geboren,
Moest ik al schielijk in de kou,
(Ik) lag juist van 't zweet erg (nog) uit te dampen, (5)
En hoopten men mij sparen zou,
Maar, 't was voort! voort! in open water
Hij moet gauw scheep naar Rotterdam, (xx)
Ik weet niet hoe ik mij gevoelde,
Toen ik zoo eenklaps buiten kwam,-
'k Ben dan behouden aangekomen,
Wat wacht mij hier? een blij genot?
Heb ik te hopen, of te vrezen?
Ach! - overdenk ik zelf mijn lot
Dan is voor mij geen heil te wachten,
Al kom ik in de beste kast,
Al worde ik nog zoo lief bejegent,
Nog zoo zorgvuldig opgepast,
Mijn aanzien, ja, kon 't langst dan duren,
Maar, al waardeerd men mij zeer hoog,
'k Heb eindlijk toch deez schimp te vrezen,
'Gij wordt zoo Duivekaters droog' - (6)
Krijg ik mijn woonplaats in een kelder, (7)
Dan staan ik voor een uitslag bloot,
Dat 'k (hun) hen, die 'k eerst moogt welkom wezen
Een afschrik word, o bittre nood"

xx. "Gezonden volgens vroeger afspraak en beloften aan
goede vrienden aldaar" (8)


Manuscript (verso).

"Wat is er dan van mij te wachten? (voor mij te wenschen?)
Terug te keeren naar de Zaan?
Dat baat mij niks, 'k weet, mijn bestemming
is, kort na 't worden te vergaan. -
Wil dan genadig met mij handlen,
Neem 't scherp niet dagelijks in uw hand, (9)
Dan heb ik, ach! zoo veel te lijden,
Neen, maak mij liever snel van kant -
Hier mee, zult gij mij gunst betonen,
Neem éénmaal 't mes slechts voor mij op
Schenk mij wat koemelk tot verzachting,
Berei mij, zoo gij lust, tot sop - (10)
Eet dan, mij arme mij arme Duivekater
Met boter, zuiker en kaneel, (11)
Kunt gij mij alzoo smakelijk vinden?
Help mij dan spoedig door de keel,
Vind gij mij duivekater lekker,
'k Heb niet vergeefs de reis gedaan,
Wanneer gij slechts niet gaat vergeten,
Hoe 't Kersgebak is, aan de Zaan. (12)

GVV 

December 1828

Vroeger was aan de Zaan algemeen het gebruik op Kersdagsmiddags (13)
te eten brood en melk bereid genaamd sop, of brood sop. Het word (14)
nog door velen gedaan, en hier voor werd beregen brood bezonder (15)
bestemt. - (naams oorsprong onbekend). - (16)


De Zaanse duivekater.

Noten.

(*) Tot diep in negentiende eeuw was origineel zeventiende eeuws papier gemaakt door Van der Ley beschikbaar (zie hier, nr. 498).
(**) Guurtje van Vleuten hield wel van dichten. Aan haar wordt ook een verslag op rijm toegeschreven van een reisje dat zij in 1808 met familie maakte naar Dordrecht (zie hier, nr. 478).

1. 'het Brood'. Het woord werd ook als krachtterm gebruikt zoals in de eerste dichtregel.
Het sprekend opvoeren van een brood c.q. duivekater is een retorische stijlfiguur waarbij een afwezig, overleden of imaginair persoon, abstract begrip of levenloos object wordt voorgesteld als een sprekend wezen ('Prosopopoeia').
2. 'Wel Duivekaters'. Deksels, drommels, potjandorie! ('Wat Duivekater', is een bastaardvloek)! 'Duivekaters!' is een van de 385 unieke krachttermen uit het repertoire van Kapitein Haddock in de strips "De avonturen van Kuifje" (Hergé).


'dat heet reizen'. Met de nadruk op 'dat' is wellicht een knipoog naar de bij duivekater cruciaal lange voorrijs van het brooddeeg.
3. 'winter tijt'. Duivekater werd als delicatesse- of feest-brood behalve tijdens de Paasdagen ook in de periode tussen Sint-Nicolaas en Driekoningen gegeten.
4. 'aan de Zaan'. Kennelijk genoot de Zaanse duivekater toen al enige faam en stond de Zaanstreek bekend als producent van deze broodspecialiteit. Overigens bestaan er verschillende vormen en varianten zoals de Zaanse duivekater met een rechte, langgerekte vorm en voorzien van een 'Franse knip' bovenop. Ook kennen wij de Broekse duivekater, uit Broek in Waterland, herkenbaar aan een Chinese ruitvorm, de Nieuwendamse duivekater afkomstig uit Nieuwendam met de vorm gebaseerd op een scheenbeen en tot slot de krentenkater, een variant, vaak gevonden in Roelofarendsveen, met een vorm die verwant is aan de Nieuwendamse duivekater. Uit deze zin blijkt overigens ook dat de Rotterdamse bakkers geen duivekaters volgens Zaans recept bakten (vermoedelijk in het geheel geen duivekater!).
5. De oorspronkelijke zin was dus: "Lag juist van 't zweet erg uit te dampen" en werd: "Ik lag juist nog uit te dampen". Deze aanpassing evenals die in de eerste zin op de versozijde en enkele andere kleine correcties doen vermoeden dat het hier om een afschrift/kladversie gaat (zie ook noot 8).
6. 'Gij wordt zoo Duivekaters droog'. Zo droog als een duivekater klinkt bijna als een gezegde, maar verwijst vermoedelijk naar het vroegere gebruik om de duivekater eerst een paar dagen te laten besterven alvorens te consumeren. De duivekater werd dan na een dag of vijf in dunne plakken gesneden en kon worden gedoopt in thee of melk. 
7. Het bewaaradvies voor de duivekater is nog steeds 'droog' bewaren (bijvoorbeeld in een kast, zie regel 18 (recto): 'in de beste kast', en dus niet in een vochtige kelder!
8. Deze toevoeging/verklaring onderaan suggereert dat het om een persoonlijk (gelegenheids)gedicht gaat dat samen met de desbetreffende duivekater werd verstuurd, bijvoorbeeld per trekschuit. Dit gedicht kan dan een afschrift zijn, bewaard door de afzender ter herinnering. De duivekater was destijds nog een specifiek streekproduct. Tegenwoordig is de duivekater vrij algemeen bekend en zelfs een bescheiden exportproduct. Bakkerij 'De Duivekater' in Purmerend bakte en verkocht er rond december (2019) meer dan 6000 en verstuurde o.a. naar Engeland, Canada, en Australië. 
9. ''t scherp', het mes.
10. 'Sop' of soep (zie ook noot 14).
11. 'Met boter, zuiker en kaneel'Boter en suiker, en vooral kaneel waren destijds luxeproducten.
12. Zie ook noot 3. Hier wordt specifiek naar de Kerstperiode verwezen. Het gedicht is ook gedateerd "december 1828". De winter van 1828/1829 was streng en een voorbode van de uiterst strenge winter het jaar daarop.
13. 'Kersdagsmiddags'. Volgens de taalkundige G.J. Boekenoogen was broodpap het middagmaal op tweede Kerstdag ("De Zaansche volkstaal. Bijdrage tot den kennis van den woordenschat in Noord-Holland" (Leiden, 1897, blz. 144/145, 'Deuvekater').
14. 'Sop, of brood Sop'. Het eten van 'sop' c.q. broodpap, gemaakt van duivekater, met Kerstmis is dus een oud gebruik. In Noord-Hollandse dorpen riep de jeugd met Kerstmis: "Kerstdag – Lukas II – Sop!", verwijzend naar het Lucasevangelie dat tijdens de kerkdienst werd voorgelezen, waarna thuis de sop op tafel kwam (in Jo. de Vries (red.): "Los en Vast" (Leiden, 1876, blz. 396).


15. 'beregen' of besprenkeld (met in dit geval koemelk).
16. '(naams oorsprong onbekend)'. De naamsoorsprong (etymologie) is sindsdien verschillende malen onderwerp van nader onderzoek geweest. Lees meer over de duivekater hier, hier en hier). Ook culinair historica Lizet Kruyff (die zo vriendelijke was om het concept van dit blog door te lezen) heeft in december 2008 op haar weblog drie stukjes geschreven over de duivekater.