De auteur Pieter Burman (junior) oftewel Petrus Burmannus secundus (1713-1787) was vanaf 1742 werkzaam aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre als hoogleraar welsprekendheid. Vanaf 1744 kwamen daar 'oosterse' talen en poëzie bij en in 1767 volgde vaderlandse geschiedenis. De Nederlandstalige uitgave werd gemaakt door Burmans vaste vertaler Antoni Hartsen (1719-1782), van beroep toneelschrijver en lid van het leesgezelschap 'Diligentiae Omnia'. Hartsen vertaalde niet alleen de tekst, hij schreef er ook een 'drempeldicht' bij. De uitgave wordt besloten met een lofdicht geschreven door P.A. Pla: "Op de dichtmatige redevoering, Brederode, ter vieringe van het tweede eeuwfeest der Bataafsche Vryheid, door den welëd. hooggeleerden heer Mr. Pieter Burman uitgesproken den 20sten van Wynmaand, 1766, te Amsterdam". De keuze voor de vrijwel onbekende Pieter Adriaan Pla (1738-1776) is merkwaardig. Pla verdiende zijn geld als koopman bij de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC), was geen schrijver of letterkundige maar meer een hobbyist/gelegenheidsdichter.
De STCN kent slechts twee afzonderlijke publicaties (gedichten) van hem. Hoe dan ook, Hartsens vertaling viel bij Burman in de smaak, zozeer zelfs dat deze hem als dank een door Govert Flinck geschilderd portret van Vondel cadeau gaf. Aardig detail van de vertaling van Hartsen vind ik de tekstopmaak. De uitgever/boekverkoper liet de Nederlandse vertaling per bladzijde, zin voor zin, gelijk lopen met de oorspronkelijke Neolatijnse uitgave. Je kunt beide teksten naast elkaar leggen en makkelijk vergelijken. Tot slot nog iets over de illustraties.
In de Neolatijnse uitgave is het titelvignet het stadswapen van Amsterdam.
In de Nederlandse vertaling daarentegen is het de afbeelding van een daalder van Hendrik van Brederode, geslagen in Vianen (1556-1568), getekend en gegraveerd door N.(Noach) van der Meer jr. (1721-1822). De enig illustratie die in beide uitgaven te vinden is, is een (zilveren) geuzenpenning gegraveerd door 'J.v.S.' (Jacobus van (der) Schley); deze werd voor de Nederlandstalige uitgave bijgewerkt met de later aan dergelijke penningen toegevoegde bedelnap en kalebasflesjes.
Beide uitgaven zijn door de vorige eigenaar voorzien van een nieuwe (half)perkamenten band. De Neolatijnse uitgave uit 1766 prijkt bovendien nog in zijn oorspronkelijke sitspapieren omslag.
Als nieuwe eigenaar voelde ik mij natuurlijk verplicht om daaraan de portretgravure toe te voegen van Petrus Burmannus Secundus door J. Houbraken (gedateerd 1759), naar een schilderij van J.M. Quinkhard uit 1758, met daaronder een Neolatijns gedicht van Janus Grotius (Jan de Groot).
Er bevindt zich voorin nog een andere toevoeging (van de vorige eigenaar?). Het is een groot kennelijk los uitgegeven plano (32.4 cm. breed en bijna 41 cm. hoog) eenzijdig bedrukt met een Italiaans lof-sonnet (Petrarca-sonnet) op Burmans 'Brederodius', waarvan de tekst zich ook onder de andere loftuitingen in deze uitgave bevindt. Het is - voor zover ik kon nagaan - een uniek exemplaar en opmerkelijk bovendien want alle overige veertien lofdichten achterin (blz. 59 t/m blz. 100) zijn in het Neolatijn! Zijn daarvan destijds ook apart losse exemplaren op dit formaat uitgegeven? Wie het weet mag het zeggen...
Wat het sonnet zelf betreft vallen twee dingen op. Ten eerste zit er een woordverschil in de tekst tussen beide. Op de plano luidt de eerste zin: "Dell' astuto (slimme/sluwe) Filippo allor che in cuore", maar in de uitgave staat: "Del' Macedon (Macedonische) Filippo allor che in cuore"... Ten tweede is dit sonnet, anders dan alle overige Neolatijnse lofdichten, niet voluit door de auteur ondertekend maar alleen met diens (vermoedelijke) initialen 'D.M.G' (D.D., direct daaronder, zal wel staan voor 'Donum Dedit' wat 'ten geschenke gegeven' betekent). De grote vraag is natuurlijk wie D.M.G., de auteur van dit Italiaanse buitenbeentje, was?
Ik raadpleegde mijn bibliotheek, internetbronnen en via de mail verschillende deskundigen (Ton Jongenelen en Cor de Vries) maar vond en kreeg helaas geen antwoord. De auteurs van de overige veertien lofdichten zijn min of meer bekend. Zij waren nauw met elkaar verbonden door vriendschap, studie en/of literair genootschap. Het zijn:
1. Adrianus van Royen/Adriaan van Royen (1704-1797). Arts, botanicus, hoogleraar aan de Leidse Universiteit (tijdelijk rector magnificus in 1770).
2. J. Schrader/Johannes Schrader (1721-1783). Leerling van Pieter Burman, Praelector in de Geschiedenis en welsprekendheid later hoogleraar aan de Universiteit van Franeker.
3. Janus Grotius/Jan de Groot (1713-1784). Advocaat van het Hof van Holland in Den Haag. Santhorster Kring.
4. Carolus Antonius Wetstenius J.C./Carel Antoni de Wetstein (1742-1797). Neolatijns letterkundige en Leids rechtsgeleerde.
5. Henricus Verheyk/Jan Hendrik Verheijk (1725-1784), Rector van de Latijnse school in Amsterdam,
6. A. Kluit/Adriaan Kluit (1735-1807). Hoogleraar geschiedenis, staathuishoudkunde en taalkunde aan de Leidse Universiteit.
7. Isaacus de Leeuw/Izaack de Leeuw (1740-1775). Predikant.
8. Petrus Dausy (1732-1785). In 1769 aangesteld als rector van de Latijnse school in Gouda. (ca. 50 leerlingen) en daarna vanaf 1784 in Amsterdam.
9. Henricus Bolt (1740-17(90?)). Praeceptor der Latijnsche school eerst te Haarlem, later in Amsterdam.
10. Laurentius van Santen/Laurens van Santen (1746-1798). Leerling van Pieter Burman, Classicus en rechtsgeleerde. Lid van 'Diligentiae Omnia'. Santhorster kring.
11. Gerardus/Gerrit Hooft junior (1750-1768). Leerling van Pieter Burman. Stadssecretaris van Amsterdam. Latijns dichter. Santhorster Kring.
12. H.Z. Couderc/Henrij Zacharia Couderc (1748-1826). Leerling van Pieter Burman. Leids rechtenstudent.
13. Lambertus Schepper (midden 18de eeuw). Leerling van Pieter Burman. Latijns dichter. De STCN kent van hem twee publicatie's uit 1763 en 1768.
14. D.M.G.?
15. Janus Helvetius F.R.S./Johannes Helvetius (1722-1772). Rechtsgeleerde. Lid van 'Diligentiae Omnia'. Santhorster Kring.
Zoals u kunt zien behoorden verschillende van hen tot de zogenaamde Santhorster Kring die (zo blijkt uit documenten in het archief Van Lennep) rond 1751 werd opgericht. Dit was een netwerk van vrienden, politieke en literaire geestverwanten (Neolatijnse poëzie!) rondom Pieter Burman. De leden kwamen regelmatig bijeen op zijn buitenplaats Santhorst bij Wassenaar (afgebroken in 1869).
"Op Santhorst werden geregeld bijeenkomsten georganiseerd ter herdenking van ijkpunten der vaderlandse vrijheid. Bij deze gelegenheden maakten de Santhorsters gelegenheidsgedichten die soms (anoniem) naar buiten werden gebracht. De wijze waarop de republikeinse vrijheid werd opgehangen aan historische figuren (Bredero, Vondel, De Groot) of gebeurtenissen (de inname van Den Briel) stuitte bij de Oranjepartij en de gereformeerde kerk op veel weerstand. Het burgerlijke vrijheidsideaal werd in hun uitingen veel breder uitgemeten dan de politieke correctheid toestond. De Santhorsters ontleenden hun voorstellen niet alleen aan de vaderlandse geschiedenis, maar ook aan de actualiteit.
Zij herkenden hun eigen idealen in de ter dood veroordeelde Franse protestant Jean Calas, in de Corsicaanse vrijheidsstrijder Pascal Paoli en in George Washington, de leider van de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog. In deze gedichten is vrijwel altijd sprake van vrijheid en tolerantie op geloofsgebied, en van verzet tegen iedere inperking van de politieke vrijheid. Dat lijkt weinig schokkend, maar in de toenmalige verhoudingen betekende het een controversieel pleidooi voor deelname van alle niet-gereformeerde geloofsgroepen aan het bestuur. Santhorst verkreeg landelijke bekendheid als dé plek waar met een beroep op oude republikeinse waarden en ‘De Vrijheid’ het bestaande bestel onder vuur werd genomen. Santhorsters stonden een staatsgezinde politiek voor zoals die in hun ogen gestalte had gekregen in het zeventiende eeuwse Amsterdam. Alleen een politiek systeem dat alle burgerlijke vrijheden waarborgde was voor hen de moeite waard. [-] Aan regels had het gezelschap een broertje dood. Er was geen vaste genootschapsdag en een statuut, manifest of reglement ontbrak" (C. de Vries: "Laurens van Santen: de vrijheid beminnen op Santhorst" in: "Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman", jrg. 35, 2012).
De enig bekende regel die men naleefde (volgens Burman zelf) was dat men een toast uitbracht op de vijf V's; Vaderland, Vrijheid, Vriendschap, Vrede, Verdraagzaamheid.
In 1772 viel er steen in de V van vijver... Een steen in de vorm van een anoniem pamflet:
"De onveranderlyke Santhorstsche geloofsbelydenis. In rym gebracht door eene zuster der Santhorstsche gemeente." (z.p., z.j. [1772], waarvan de auteur niemand anders bleek te zijn dan de bekende Nederlandse schrijfster Elisabeth (Betje) Wolff-Bekker (1738-1804).
Opeens stond die besloten en geheimzinnige Santhorster kring (overigens tot groot ongenoegen van Pieter Burman) volop in de schijnwerpers. Het pamflet veroorzaakte grote opschudding en lokte hevige reacties uit van orthodoxe zijde. Zozeer zelfs dat Betje's echtgenoot, dominee Adrianus Wolff, op alle commotie reageerde met een "Brief over de Santhorstsche geloofsbelydenis (Hoorn/Amsterdam, 1772) en duidelijk partij koos voor zijn in opspraak geraakte vrouw.
"De onveranderlyke Santhorstsche geloofsbelydenis" moet een populair stukje zijn geweest want er bestaan diverse edities van. De tekst werd uitgegeven met twee andere stukjes van haar hand; "De menuet en de domineespruik" en "Vergeefsche Raad", die verder niets met elkaar te maken hebben. In openbare (universiteits)bibliotheken zijn de diverse edities goed vertegenwoordigd maar antiquarisch is het schaars goed. Toevallig werd er op internet één exemplaar aangeboden door een antiquariaat in Groningen en dat buitenkansje verplichtte mij dit (volgens de schrijfster) "badinant stukje" van haar te kopen voor mijn bibliotheek.
Over dit geruchtmakende pamflet (vormgeving en inhoud) en de Santhorster kring is door literatuurhistoricus André Hanou (1941-2011) geschreven in: "Wolff in schaapsvel; de onveranderlyke Santhortsche geloofsbelydenis" (in: "De achttiende eeuw, Documentatieblad van de werkgroep achttiende eeuw", jrg. 35, 2000). Bijzonder interessante historisch-letterkundige kost die iedereen die dat interesseert verplicht om de in datzelfde jaar bij uitgeverij Astraea (Leiden) verschenen, moderne teksteditie aan te schaffen (met uitvoerige inleiding en commentaar van Hanou). Intussen ben ik alweer naarstig op zoek naar nieuwe 'verplichtingen' c.q. bibliofiele avonturen waarvan ik u deelgenoot kan maken door er over te schrijven op mijn blog. Ik hoop dat u ze welwillend en met genoegen zult lezen (maar voel u vooral niet verplicht).






















