Posts tonen met het label Coster. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Coster. Alle posts tonen

zaterdag 15 februari 2025

Een donaat-fragment


Gerda Huisman is secretaris van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen (NGB) en redactielid van het jaarboek dat het NGB uitgeeft. Enige tijd geleden werd zij door iemand benaderd met een verzoek om informatie. De desbetreffende persoon was via een erfenis in het bezit gekomen van een donaat-fragment en wilde daarover wel wat meer weten. Gerda's zoektocht leidde tot een informatief artikel: "Ferre, fero, tuli, latum. Een nieuw donaatfragment in particulier bezit" dat in ons komende jaarboek (2024) wordt gepubliceerd.

Als mede-redactielid had ik het concept daarvan een paar maal doorgelezen en was ik dus enigszins met de materie vertrouwd geraakt toen ik niet veel later een donaat-fragment tegenkwam op veilingsite Catawiki. Met de omschrijving: "Donatus - undescribed incunabula print - 1500" en een verwachte hamerprijs van maximaal tweehonderd euro werd dit kavel een paar dagen later voor € 265,- euro (exclusief veilingkosten) aan een koper in Israël verkocht. Normaal gesproken zou ik er verder geen aandacht aan hebben geschonken want het gaat niet om een object uit mijn collectie, maar dankzij het onderzoek van Gerda was ik warmgelopen voor de materie en besloot ik om te kijken wat ik daarover online kon vinden om er een stukje over te schrijven.


De term 'donaten' verwijst in de boekwetenschap naar een groep fragmenten van gedrukt materiaal, bestaande uit restanten van taal- en grammatica-uitgaven ten behoeve van het onderwijs in de Middeleeuwen. Ze gaan terug op de schoolgrammatica: "Ars minor" (voor beginners) en: "Ars Maior" (voor gevorderden) geschreven door Aelius Donatus, een Romeinse grammaticus uit de vierde eeuw na Christus.
Zijn grammatica werd eeuwenlang in grote hoeveelheden afgeschreven en later gedrukt op perkament en papier ten behoeve leerlingen die zich hiermee de eerste beginselen van het Latijn eigen maakten. Dit oefenmateriaal werd erg intensief gebruikt, meestal 'stukgelezen'. Perkament en papier waren echter relatief dure grondstoffen en dus werden de restanten vaak door boekdrukkers en -binders hergebruikt ter versteviging van boekbanden waardoor talloze donaten fragmentarisch tot ons zijn gekomen: dit soort materiaal staat bekend onder de naam maculatuur.

Donaten(-fragmenten) zijn typische voorbeelden van prototypografie die behoren bij de ontstaansgeschiedenis van onze boekdrukkunst en kenmerkend zijn voor de Westerse boekcultuur. Helaas zijn ze vaak erg fragmentarisch, niet meer dan enkele regels of een verminkt gedeelte van een pagina. Daarom is het dateren en lokaliseren, laat staan het toeschrijven aan bepaalde drukkers voor de meeste fragmenten bepaald geen sinecure.
Die onduidelijkheid gaf in voorgaande eeuwen ruimte om de vroegste Nederlandse voorbeelden als bewijs te zien voor de uitvinding van de boekdrukkunst door de Haarlemmer Laurens Janszoon Coster ('Costeriana').


Het exemplaar op Catawiki kon je nauwelijks nog een fragment noemen, het was exceptioneel groot. Het ging om een vel papier (21 cm. hoog en 32 cm. breed) dat dubbelzijdig was bedrukt met een gotisch lettertype waaronder een paar bijna twee regels hoge initialen, zogenaamde Lombarden. Deze staan aan het begin van een nieuw hoofdstuk zoals: "De adverbio" (de bijwoorden). Aan beide zijden zijn acht gedrukte bladzijden zichtbaar (enkele kolommen van ieder 27 regels). Onderaan het blad drie volledig, bovenaan drie grotendeels en aan de zijkant van het vel - nog net - twee. Daarmee worden meteen twee dingen duidelijk
Ten eerste dat hier gaat om een uitgevers-/drukkersrestant, een drukvel van een oplage die nooit tot katernen is gevouwen of als boek is ingebonden en gebruikt. Ten tweede blijkt uit het aantal afgedrukte pagina's, de verticale kettinglijnen alsmede de positie van het watermerk (waarover straks meer) dat het gaat om een octavo-uitgave (8°). Door het blad drie keer te vouwen ontstaat een katern van zestien pagina's. Ook valt er iets te zeggen over het boek waarvoor dit fragment werd gebruikt.
De vier langwerpige gaten zijn namelijk uitsparingen die de boekbinder maakte voor de ribben op de rug van het boek waarvoor dit vel werd gebruikt. Gezien het aantal ribben en de hoogte (32 cm.) zat dit vel verstopt in de band van een folio-uitgave. 

De omschrijving bij Catawiki was vrij summier. Het fragment werd gedateerd rond 1500 (waarover later meer) en toegeschreven aan de Franse drukker/uitgever Guy Marchant (Parijs). Het was afkomstig uit een boekband waarin ook fragmenten zaten van de: "Introductiones latinae", geschreven door de Spaanse humanist en grammaticus Antonius Nebrissensis (1444-1522) en gedrukt op 19 november 1500 in Parijs door Guy Marchant voor Denis Roce (vermeld in "Gesamtkatalog der Wiegendrucke" onder GW02233).
Toen ik vervolgens op Google verder zocht ontdekte ik op het Internet Archive ("a non-profit library of millions of free texts, movies, software, music, websites, and more".) al gauw dat het vel er één van twee was die in de boekband waren teruggevonden. Het andere blad is - zoals u kunt zien - op dezelfde manier versneden met één uitsparing voor een van de boekribben.


Dankzij de informatie onder de 'Copy-specific Notes' waren ook de andere fragmenten terug te vinden, afkomstig uit dezelfde boekband, zoals het eerdergenoemde Nebrissensis-fragment en een fragment van Raymunus Lullus (1232-1315/16): "De laudibus B.V. Mariae", gedrukt op 6 en 10 april 1499 in Parijs door Guy Marchant voor Jean Petit.

De toeschrijving van beide donaten aan de Franse drukker/uitgever Guy Marchant (lettertype 1:75G gebruikt tussen 1483-1500?) lijkt waarschijnlijk, maar is niet honderd procent zeker. Guy Marchant produceerde in Parijs vanaf 1483, maar vooral tussen 1490 en 1505/1506 met name religieus drukwerk. Hij werd vooral beroemd door zijn prachtig geïllustreerde "Danse Macabre", gedrukt 28 september 1485 (vijf edities) en zijn: "Compost et kalendrier des bergiers", gedrukt 18 april 1493 (zeven edities).
Van Marchant zijn echter - voor zover ik kan nagaan - geen complete donaat-uitgaven bekend, laat staan dat bekend is wanneer hij deze zou hebben gedrukt. Ik vermoed echter dat de stellige opmerking in de omschrijving op Catawiki; "Het is duidelijk dat het blad dat hier verkocht wordt, ook in 1500 gedrukt is" bij nader onderzoek geen stand zal houden.
Een aanwijzing daarvoor is het aanwezige watermerk, een achtpuntigearmige gekroonde ster. Dit watermerk wordt aangetroffen in papier gemaakt in Leuven rond 1487. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat papier bij de drukker destijds langer dan een jaar op de plank lag, laat staan een decennium of meer.

vrijdag 11 december 2020

De geboorte van Laurens Janszoon Coster


Elke bibliofiel kent wel boeken die hij/zij ooit aan zijn bibliotheek zou willen toevoegen. Boeken waar hij/zij verlangend naar heeft gekeken of verlekkerd in heeft gebladerd. Boeken waarop hij/zij wel eens heeft geboden (maar net te laag) of waarvoor er op dat moment even geen financiële ruimte was.
Van dat wensenlijstje - met belangrijke boeken die ik ooit nog eens zou willen bezitten - kan ik er weer één afstrepen...
Op de novemberveiling van Burgersdijk & Niermans (veiling 352) werd een exemplaar aangeboden van: "Batavia. In qua praeter gentis et insulae antiquitatem, originem, decora, mores, aliaque ad eam historiam pertinentia declaratur quae fuerit vetus Batavia…" (Lugduni Batavorum [Leiden], 1588) geschreven door Hadrianus Junius (1511-1575).
Ik bood en kreeg het toegeslagen voor € 300,- euro (exclusief veiling- en verzendkosten).


Mijn nieuwe aanwinst is blijkens het ex-libris, afkomstig van J.W. Six van Vromade (1872-1936), wiens bijzonder rijke bibliotheek in de jaren dertig van de vorige eeuw werd geveild.
In de veilingcatalogus staat inderdaad deze uitgave vermeld (Deel 1, blz. 130, kavel 760), maar de (band)beschrijving komt - vreemd genoeg - niet overeen met mijn exemplaar, gebonden in een contemporaine perkamenten spitselband (met ‘overlapping vellum’). 


Dat het gaat om een uitgave in het Latijn, een taal die ik op enkele begrippen, woorden en zinnen na niet beheers, is geen enkel probleem. Er bestaat immers een uitstekende integrale hertaling van, geschreven door Nico de Glas (1940-2017): "Holland is een eiland. De Batavia van Hadrianus Junius (1511-1575)" (Hilversum, 2011). Die kocht ik er uiteraard meteen bij, via Boekwinkeltjes, net zoals ik destijds de moderne uitgaven kocht van Helmer’s: “De Hollandsche Natie” (Nijmegen, 2009) en Van der Goes’: “Ystroom” (Hilversum, 2015).


Mijn aanwinst uit 1588 is niet bijzonder zeldzaam (zoals ook blijkt uit het aantal bewaard gebleven exemplaren in de STCN). Regelmatig duiken er exemplaren op in het veilingcircuit. Desondanks (en ondanks internet) is het wel altijd een prijzig boek gebleven.
Deze uitgave werd gedrukt en uitgegeven bij het Leidse filiaal van de beroemde Antwerpse drukker Plantijn, dat onder leiding stond van zijn schoonzoon Frans van Ravelingen (1539-1597). Saillant detail; niet bij alle exemplaren is de plaatsnaam ‘Lugduni Batavorum’ onder het drukkersvignet gezet (bij mijn aanwinst wel).

Junius (rector van de Latijnse school in Haarlem en geneesheer) werd in zijn tijd alom beschouwd als de grootste Hollandse geleerde van zijn generatie.
Zijn 'Batavia' is feitelijk het eerste deel (de inleiding) van een reeks van drie boeken die hij van plan was te schrijven over de geschiedenis van Holland. Hij volgde daarmee zijn klassieke voorbeeld Tacitus (ca 56 - ca. 117 v. Chr.) die volgens hem de "De origine et situ Germanorum" (de 'Germania') had geschreven als inleiding op zijn "Historiae". De opdracht voor zijn geschiedwerk ontving Junius in 1566 van de Staten van Holland op voorspraak van Willem van Oranje. Historische en politieke ontwikkelingen leidden ertoe dat de Staten hun opdracht introkken en Junius een afkoopsom van driehonderd gulden ontving. Het werk bleef liggen en de "Batavia", die rond 1569 werd geschreven (en voltooid in 1570), zou pas na de dood van Junius verschijnen dankzij de inspanning van Janus Dousa (1545-1604).


De 'Batavia' van Junius was de eerste omvangrijke Noord-Nederlandse chorografie die in druk verscheen. Daarmee ligt het boek aan de basis van veel geschiedenisboeken die in mijn bibliotheek staan en geschreven zijn door verschillende historici na hem, zoals Petrus Scriverius (1576-1660) en Gerard van Loon (1683-1758). Junius was nog een echte humanist en werd ook wel de tweede Erasmus genoemd. Zijn boek is dan ook doortrokken van de klassieke geest en getuigt van Junius' belezenheid. Dat blijkt vooral uit een vermoeiend groot aantal aanhalingen, uitweidingen en verwijzingen naar de klassieke oudheid waarmee het verhaal werd doorspekt. Het ontleent zijn mythische status vooral aan wat op bladzijde 255 staat geschreven over de uitvinding van de boekdrukkunst in Holland. Een verhaal dat zorgde voor een historische controverse en een eeuwenlang durende discussie. 
Junius was niet de eerste die de boekdrukkunst een Hollandse oorsprong gaf. Al vóór hem waren er auteurs geweest die dat deden zoals in: “Die Cronica van der hilliger Stat van Coellen” (Keulen, 1499), maar Junius was wel de eerste die daarbij een naam noemde; “LAVRENTIVS Ioannes cognomento AEdituus Custósve”...


Laurens Janszoon Coster was volgens Junius 128 jaar daarvoor (1441) op het idee gekomen… “Eens was Coster aan het wandelen in het bos buiten de stad (burgers die de tijd hebben, doen dat vaak, na het eten of op feestdagen). Het begon ermee dat hij van beukenschors lettervormen ging snijden, die hij daarna in spiegelbeeld, zoals bij een zegelafdruk, op papier afdrukte. Zo produceerde hij voor de aardigheid een paar versregels die een leermiddel konden zijn voor de kinderen van zijn schoonzoon”. De Coster-legende begonnen bij Hadrianus Junius, leidde tot eeuwenlange felle discussies, een standbeeld in Haarlem en zou pas eind negentiende eeuw definitief worden beslecht door ‘Coster-moordenaar’ Antonius van der Linde (1833-1897) in “De Haarlemsche Costerlegende wetenschappelijk onderzocht” (’s-Gravenhage, 1870). 

Junius was ook de eerste Hollandse historicus die zijn uitgave voorzag van illustraties van Romeinse oudheden die bij Katwijk werden gevonden rondom de legendarische Brittenburg. Deze afbeeldingen, inclusief een plattegrond van de Brittenburg, zouden na hem nog eeuwenlang worden gebruikt in tal van andere geschiedkundige publicaties, zoals de uitgave die ik besprak in "De steen van Veleda" en de: "Beschrivinge van Out Batavien met de Antiquiteyten van dien" (Amsterdam, 1646) van Petrus Scriverius.


Met zijn verhaal over de uitvinding van de boekdrukkunst heeft Junius niet alleen een bijdrage geleverd aan onze boekgeschiedenis maar en passant ook aan de boekwetenschap. In zijn relaas over de ontdekking door Coster in Haarlem en de eerste voortbrengselen van de nieuw uitgevonden kunst gebruikt hij (op blz. 256) de term 'incunabula' (wiegedruk). Dat is bijna een eeuw eerder dan wat hierover wordt beweerd in de online-etymologiebank en door dr. J.A. Brongers in diens: "Boekwoorden woordenboek" (Amersfoort, 2011). Nog steeds wordt de term 'incunabel' gebruikt voor boeken gedrukt vóór 1 januari 1501.


Enkele jaren later, in 1652, verscheen de tweede druk van de 'Batavia' in Dordrecht (in duodecimo formaat), met een fraai gegraveerd portret door Theodorus Matham (1606-1660) en daaronder een gedicht van Petrus Scriverius.
Het leek mij passend om ook aan mijn nieuwe aanwinst een portretgravure toe te voegen. Via antiquariaat Goltzius (Ard van der Steur) kocht ik één van de oudst bekende afbeeldingen van Junius, voor het eerst uitgegeven door Philip Galle (1537-1612) in: "Virorum doctorum de disciplinis bene merentium effigies XLIII" (Antverpiae [Antwerpen], 1572). Deze portretgravure van 'Hadrianvs Ivnivs Hornanvs' wordt daarom vaak aan Galle toegeschreven maar wie goed kijkt ziet verschillen. De Latijnse (lof)spreuk is duidelijk gekopieerd inclusief de katernsignatuur uit het boek van Galle (B4)!
Thans wordt deze anonieme losse gravure toegeschreven aan Willem (van) de Passe (1598-1637), rond 1620. Inmiddels werd dit portret van Junius toegevoegd aan zijn 'Batavia'; een oude gewoonte...

vrijdag 20 juni 2014

Coster in beeld


Zo af en toe fietst er op dit blog een vondst doorheen die niet de vorm heeft van een boek. Als antiquarius ben ik immers ook geïnteresseerd in historische objecten zoals een mysterieus profaan middeleeuws insigne, een Sumerisch kleitablet (de oudste tekst in mijn collectie) of een zeldzaam achttiende eeuws ‘verklikkertje’.

Antiek of curiosa past wat mij betreft goed bij (oude) boeken en u kunt dat ook zelf constateren als u wat van de fotografische stillevens bekijkt die ik af en toe maak. Dat er dus wel eens spannend antiek in een tweedehands boekwinkel staat en wordt verkocht – zeker als dat boekgerelateerd is – komt voor mij niet als een verrassing. Het bevordert weliswaar de bekende naamsverwarring tussen de antiquair en de antiquaar maar ik neem dat verder niemand kwalijk.


Tot nog toe was een antieke boekenpers kopieerpers het meest boekgerelateerde object tussen mijn boekenstapels. Sinds kort zijn de stapels weg dankzij de komst van twee extra boekenkasten begin vorige week (van zes propvolle Ikea Billy boekenkasten promoveerde ik naar acht). De fraaie kopieerpers kwam zodoende weer vrij te staan maar dat bleek van korte duur. Sinds afgelopen woensdag staat er namelijk een bibliofiel object naast!

Dat ging zo. Ruim een week geleden zocht ik weer eens op Marktplaats en typte ik zoals gebruikelijk wat trefwoorden in om te kijken naar het resultaat. Het trefwoord ‘Gutenberg’ leverde een verrassing op in de vorm van een bijna dertig centimeter hoog beeldje (zie collage geheel bovenaan) van Laurens Janszoon Coster! Als chauvinistisch bibliofiel kan ik mij de verwarring Gutenberg-Coster voorstellen, als boekhistorisch liefhebber niet, maar daar gaat het nu niet om.

Het was mij bekend, zeker na het schrijven van ‘Boekjes voor ‘Lautje’, dat er naar aanleiding van de onthulling van het Costerbeeld van Louis Royer (1793-1868) op de Haarlemse Grote Markt (op 16 juli 1856) diverse prullaria memorabilia verschenen voor een breed publiek. In het boekje van Lotte Hellinga-Querido en Clemens de Wolf: “Laurens Janszoon Coster was zijn naam” (Haarlem, 1988) lezen we daarover: “Het beeld was te koop op grote en kleine litho’s, op gedenkpenningen in brons en zilver, op schilderijtjes in papier-maché en als replica in diverse maten in brons en zink en in pleister en hout” (blz. 118).

Bron voor deze informatie is natuurlijk het jubelboek van ‘costerbeliever’ J.J.F. Noordziek: “Gedenkboek der Coster-feesten van 15, 16 en 17 juli 1856” (Haarlem, 1858). Op bladzijde 272 treffen we een uitgebreid prijslijstje aan van de diverse verkrijgbare ‘statuetten’.
In metaal waren er twee ontwerpen.
De goedkoopste replica’s (zie afbeelding links) werden vervaardigd door de gieterij van Enthoven & Co. te ’s Gravenhage en waren te koop bij de Haarlemse boekhandelaar J.J. van Brederode. Een beeldje in brons (0.47 cm. hoog) kostte vijfennegentig gulden en de variant in zink drieënzeventig gulden. Ze waren ook een maatje kleiner verkrijgbaar (0.25 cm. hoog). Voor een exemplaar in brons betaalde men dan achttien gulden en in zink acht gulden en vijftig cent.

De duurste, artistiek meest fraaie uitgave (zie afbeelding rechts) kwam van de Gebr. Lurasco te Amsterdam. Dit in brons gegoten beeldje (0.48 cm. hoog) was vervaardigd naar een klein model van Royer zelf en verkrijgbaar via de Haarlemse boek- en kunsthandelaar C. van Asperen van der Velde. Het kostte een voor die tijd formidabele honderd vijfentwintig gulden. Koopwaar uitsluitend voor gefortuneerden dus en dat gold eigenlijk voor alle beeldjes. Het gemiddelde weekloon bedroeg destijds slechts acht a negen gulden waardoor ze voor de overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking een onbereikbare luxe waren.

De oplage van de beeldjes is (mij) verder niet bekend maar gemeengoed is het niet geweest. In de loop der tijd zullen er velen bij de handelaar in oud metaal zijn beland, zeker nadat Laurens Janszoon Coster definitief was afgeschreven als uitvinder van de boekdrukkunst.
Een enkele keer duikt er een beeldje op via de veiling, vaak de kostbaarste uitgave van Lurasco, waarvoor inmiddels forse bedragen moeten worden betaald. De goedkopere uitgaven van Enthoven in brons of zink, groot en klein, ben ik nog niet tegengekomen (en dat geldt ook voor de houten - en pleistervariant).

Het beeldje dat mij via Marktplaats bereikte komt van iemand die werkzaam was in de grafische industrie. Het is wat grof gemodelleerd en verschilt op enkele details met de beeldjes uit 1856, zoals de hoed en de sokkel. Het is massief, doet metaalachtig aan maar is niet gesigneerd. Alleen op de achterkant staat op de boomstam een soort merk (een O met een staartje).

Vermoedelijk is het (nog) geen antiek. De enige andere moderne replica die ik ken (hier links) is een 32 centimeter hoog model in roodbruine kunsthars uit 1976, gemaakt door beeldhouwer Wim Jonker (1920-1993).
Wie het weet mag het zeggen. Voorlopig blijft de herkomst van mijn exemplaar een raadsel en eerlijk gezegd; ik hou daar wel van!

maandag 5 augustus 2013

Boekjes voor 'Lautje'

Boeken vertellen verhalen maar achter talloze uitgaven schuilt vaak nog een ander verhaal. Soms complete persoonlijke drama’s en soms nationaal klein zeer waar we liever niet aan worden herinnerd.

Dat laatste is het geval bij een uitgave die ik toevallig tegenkwam op internet bij een Haags antiquariaat.
Voor slechts vijf euro hapte ik toe.
Het boekje (VI + 82 blz.) is getiteld: “Uitvinding der boekdrukkunst
(Haarlem, 1854). Alweer 160 jaar geleden gedrukt, voorzien van een eenvoudig papieren omslagje en in prima conditie. Het is geïllustreerd met diverse houtgravures getekend door A.H. Bakker Korff (1824-1882) en in hout gegraveerd door W. Bal (1808-1897). De tekst werd voorzien van fraaie sierkapitalen en gedrukt door Joh. Enschedé & Zonen te Haarlem.

De inleiding voert ons terug naar het midden van de negentiende eeuw toen er felle discussies in woord en geschrift plaatsvonden, nationaal en internationaal, over de uitvinding van de boekdrukkunst. Tot de vurige pleitbezorgers van de Haarlemmer Laurens Janszoon Coster als uitvinder behoorde J.J.F. Noordziek (1811-1886), onderbibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Jarenlang ijverde hij voor een standbeeld “uit edeler stof, dan het bestaande (in steen), uit gelden, door de natie bijeengebragt, bekostigd, dat zich onderscheidde door waardigheid van uitdrukking, losheid en gepastheid van houding, sprekende gelaatstrekken en grootschheid van gedachten”. Volgens het “Gedenkboek der Coster-feesten van 15, 16 en 17 julij 1856” (Haarlem, 1858, blz. 81/82) was één van de middelen om aan geld te komen “de uitgave van een, voor dit onderwerp toepasselijk geschreeven en met houtsneegravuren opgeluisterd, werk waarvan de exemplaren moesten dienen ter uitreiking aan hen, die voor de onderneming eene bepaalde som (f 2,50) of daarboven bijdroegen, als eene herinnering voor de verleende ondersteuning”.


Die promotie-uitgave werd dus de “Uitvinding der boekdrukkunst” en mijn exemplaar is één van de ruim 2500 die zijn gedrukt en uitgereikt aan de deelnemers van dit ‘Coster’s-fonds’.
Je vraagt je af waar ze gebleven zijn. Weliswaar beschikken diverse grote bibliotheken over een exemplaar maar antiquarisch worden ze zelden aangeboden. De onthulling in Haarlem, op 16 juli 1856, van het bronzen beeld vervaardigd door de Vlaamse beeldhouwer Louis Royer (1793-1868) en gegoten bij L.J. Enthoven en Co. in Den Haag was het hoogtepunt van de uitbundige Costerfeesten.
Dat niet onze Hollandse Coster maar de Duitser Johannes Gensfleisch zur Laden zum Gutenberg (ca. 1397-1468) uitvinder is van de boekdrukkunst werd zo’n vijftien jaar later definitief bewezen door 'Coster-moordenaar' Antonius van der Linde (1833-1897) en zullen de meeste boekenliefhebbers inmiddels wel aanvaarden weten (hoop ik).


‘Lautje’ staat al weer ruim honderd vijftig jaar in Haarlem. Enigszins verloren aan de oostzijde van de Grote Markt in de schaduw van de middeleeuwse Grote – of Sint Bavokerk. Hoog op zijn hardstenen sokkel toornt het rijksmonument uit boven de talloze passanten en evenementen. In zijn linkerhand een boek en in zijn opgeheven rechterhand een letterblokje.
Soms is er een boekenmarkt. Mocht u daar ooit geluk hebben en een exemplaartje tegenkomen van de “Uitvinding der boekdrukkunst”, aarzel dan niet, koop het meteen en steun ‘Lautje’.

donderdag 9 juli 2009

Joh. Enschede, Coster en Roman

Typografie heeft al geruime tijd mijn belangstelling. Nadat ik in de afgelopen jaren diverse malen het boek in handen had: “De lettergieterij van Joh.Enschedé en Zonen. Gedenkschrift ter gelegenheid van haar honderdvijftig-jarig bestaan op 9 maart 1893” (Haarlem, Joh. Enschedé. 1893), besloot ik pas afgelopen week om het te kopen bij het Haarlemse antiquariaat (vh)Hovingh. Het is een fraaie uitgave die destijds ‘niet in den handel’ uitkwam maar aan werknemers en relaties werd geschonken (en vrijwel zonder de regelmatig voorkomende ‘foxing’ van tekst en platen). Het boek wordt op internet door diverse antiquariaten aangeboden en als zeldzaam betiteld maar dat valt dus wel mee.


Overigens ben ik nu de gelukkige eigenaar van een bijzonder presentexemplaar (nr. 387) op naam van Jhr. B.W.F. van Riemsdijk (1850-1942), die vanaf 1897 algemeen-directeur was van het Rijksmuseum in Amsterdam. Verscholen in het boek trof ik een kladbriefje van hem aan gedateerd “Nieuwer-Amstel, maart 1893” waarin hij de firma bedankt voor de toezending van dit exemplaar. “De schoone uitvoering en de wetenschappelijke behandeling van het onderwerp maken het tot een blijvend monument getuigende van het streven der lange reeks voorouders hetwelk door het thans levende geslacht op zoo waardige wijze wordt voortgezet”. Dat soort efemera geeft, ik schreef het al eerder, zo’n boek toch weer iets extra’s. De jubileumuitgave is rijk voorzien van illustraties waaronder een afbeelding van het interieur van de befaamde lettergieterij van Joh. Enschede. Daarnaast zijn diverse portretten opgenomen van de familie Enschede maar ook bijvoorbeeld van de beroemde Joan Michael Fleischman (1701-1768) ‘konstig letter-stempel Snyder’ en van Laurens Janszoon Coster, die lange tijd (en zeker toen nog) gold als de uitvinder van de boekdrukkunst. Costers afbeelding, “een reproductie van de oorspronkelijk (zeer gesleten) houtgravure” zo lees ik, werd als huldeblijk al eerder door Enschede opgenomen in diens “Proef van letteren, welke gegoten worden in de Nieuwe Letter-Gietery van Izaak en Joh. Enschede te Haerlem. Vermeerderd en verbeterd tot ’t jaar 1744”.
De gravure – zo staat er - is oorspronkelijk een houtsnede die al voor 1641 zou zijn gemaakt door de Haarlemse boekdrukker ‘Andries Rooman’ naar het origineel van Pieter Saenredam met als onderschrift:
De Boek-Drukkonst, drie eeuwen oud, door Koster voortgeteeld
Uit Beukeschors in ’t Haerlems Hout, aanschouwd haars Vaders Beeld
Op dit Papier en roept verblyd: Dit mannelyk Gelaat
Zy aan de Onsterfelykheid gewyd zo lang de Waereld staat!


Inderdaad vond ik deze prent van Coster terug (zie afbeelding), gesigneerd en gedateerd “Adrianus Romanus Tipographus Ao. MDCXXX” (1630) en wel op blz. 160 van mijn exemplaar van Jan Reygersbergh boek “De Oude chronijcke ende historiën van Zeelandt. Beschreven door wijlen de heer Jan Reygersbergh van Cortgene: Van Nieus met eenighe Byvoechsels/mitsgaders met de figueren der Graeven van Zeelandt vermeerdert”.

Bij de afbeelding wordt de bekende legende van Coster verteld die in het Haarlemse bos (op de afbeelding rechts, met op de achtergrond de stad Haarlem) uit de bast van bomen de eerste losse letters zou hebben gesneden (Coster houdt de letter A in zijn linkerhand vast). De bron van dit verhaal - zo staat erbij - is het boek van de bekende historicus Petrus Scriverius (1576-1660) “Laure-crans voor Laurens Coster van Haerlem” (Haarlem, 1628), dat uitgegeven werd door Adriaen Roman die in dit boek een portret van Coster opnam.


Het boek van Reygersbergh vermeldt op de titelpagina dat het verkrijgbaar was te Middelburg bij Zacharias Roman “Boeck-verkooper op den Burcht/inden vergulden Bybel”. Ongetwijfeld familie van… want in het boek, helemaal achteraan op de laatste bladzijde staat een fraai drukkersvignet met eronder: "Ghedruckt tot Haerlem, by Adriaen Roman Ordinaris Stads-Boeckdrucker / inde vergulde Parsze. Anno 1634”.