donderdag 23 december 2010

Pieck en Pfann in 'de poort'


Er zullen maar weinig mensen zijn die Anton Pieck (1895-1987) niet kennen.
Vooral dankzij attractiepark De Efteling in het Noord-Brabantse Kaatsheuvel maar daarnaast natuurlijk ook door zijn sprookjesachtige sfeervolle tekeningen vereeuwigd op talloze ansichtkaarten, geboortekaartjes en kalenders.

Op zoek naar kerstkaarten voor de komende feestdagen trof ik ook het bovenstaande sfeervolle plaatje aan van een boekwinkeltje met het uithangbord “De boekenwurm”.
Een Dickensiaans tafereeltje, waar de meeste bibliofielen spontaan warme gevoelens bij krijgen naast een intens verlangen om de afgebeelde imaginaire winkel met een bezoekje te vereren. Hoewel; imaginair?
Voor de ware bibliofiel, en dat is naar mijn bescheiden mening de verzamelaar die ook enige kennis heeft van de geschiedenis van het (Nederlandse) antiquariaat en dito bibliofilie, is deze afbeelding niet aan de fantasie van Pieck ontsproten maar hoogstens een wat geromantiseerde weergave van een inmiddels vergane werkelijkheid.


Twee fotokaarten uit mijn collectie vormen daarvoor het bewijs.
Zoals u zelf kunt vaststellen gaat om een afbeelding van het boekwinkeltje van Hendrik Daniël Pfann (1889-1957) in de Amsterdamse Oudemanhuispoort.
De oudste kaart, van begin jaren ’50 van de vorige eeuw, toont de eigenaar voor de deur in gesprek met twee studenten van de Universiteit van Amsterdam op de fiets.
Zijn winkeltje - gestart in 1924 - droeg de naam: “In 't Oude Boeckhuys“, maar om te stellen dat Pieck dan toch in ieder geval de naam fantaseerde vind ik iets te kort door de bocht.
De familie Pfann bezat namelijk nog een hele keten van boeken ramsj winkels onder de naam “De boekenwurm”.
Eerder dus een bewust grapje van Pieck, dan pure fantasie. Dat geldt ook voor de Joodse boekhandelaar (met keppeltje) die hij op zijn kaart in de deuropening van het winkeltje tekende. Pfann was religieus (zelfs heilsoldaat geweest), maar een uitzondering in ‘de poort’ waar de boekhandel van oudsher (en zeker tot aan de Tweede Wereldoorlog) gedomineerd werd door Joodse kooplieden.


De wervende tekst op het uithangbord, eerst nog met krijt later in de jaren ’60 gedrukt, illustreert goed de herinneringen van een andere antiquaar aan ‘de poort’ in 2002.
De jaren zestig en zeventig waren gouden tijden. Daarna is de markt volledig ingezakt. De handel in studie- en schoolboeken, die vroeger zo lucratief was, is verleden tijd. Vroeger werd eindeloos lang dezelfde drukgang gebruikt, tegenwoordig zijn er om de haverklap nieuwe drukken. Bovendien, het kopieerapparaat zorgt wel voor ‘readers’. Mensen zijn ook niet meer zo geïnteresseerd in oude boeken”.

Het citaat komt uit het boekje van J. Vis: “De poort. De Oudemanhuispoort en haar gebruikers 1602-2002” dat ik iedere boekenliefhebber kan aanraden en voor een paar euro antiquarisch goed verkrijgbaar is.
De hier afgebeelde ansichtkaarten zult u daarin niet aantreffen (en ook niet in de doorgaans goed gesorteerde beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam). Beschouw ze maar als kleine hommage aan de legendarische boekenfamilie Pfann in ‘de poort’, of zo u wilt als kerstgroet van mij.

Ik wens u allen prettige feestdagen en een voorspoedig en bibliofiel 2011.

donderdag 16 december 2010

Vertel Muze, vertel...


"We certainly do not try to write medieval French history from the ‘Song of Roland’, or medieval German history from the ‘Nibelungenlied’. Why should we make an exception of Homer’s Trojan War?".

Aldus de historicus sir M.I. Finley (1912-1986), in zijn essay “Lost. The Trojan War". Finley schreef een hele reeks goed leesbare boeken over de Griekse oudheid waarvan ik er diverse heb verslonden.
Mijn belangstelling voor zijn boeken, Troje en de Griekse oudheid hield ik over aan mijn reizen door Griekenland, als geschiedenisstudent, begin jaren tachtig van de vorige eeuw.
Twee achtereenvolgende zomervakanties trok ik met vriendin, rugzak, retsina, olijven en feta langs de meest bekende archeologische plaatsen over de Peloponnesos (en Kreta). Vooral Mycene met haar cyclopische muren en beroemde leeuwenpoort maakte grote indruk. De duistere Griekse bronstijd (van ca. 2700 tot 1100 voor Christus), de tijd der helden, is mij sindsdien blijven boeien.
Op elke plek was wel een museum of toeristisch informatiepunt, waar fraaie fotogidsen werden verkocht en deze bevinden zich nog steeds in mijn collectie. Ook kocht ik destijds in Athene het lijvige boekwerk “The Greek Museums” (Athene, 1975). Natuurlijk wel de dag voor de terugreis, want een gesjouw was het wel met een rugzak die van 20 naar ruim 25 kilo groeide en waarin de souvenirs zich ophoopten boven een groeiende stapel vuil wasgoed.


Het citaat van Finley over de Trojaanse oorlog draait om zijn constatering dat er zo weinig feitelijke grond is, laat staan archeologisch bewijs, voor de gebeurtenis die Homerus beschreef. Diens Ilias en Odyssee moeten volgens Finley vooral worden beschouwd als een literair heldenepos, niet meer en niet minder. Dat mag dan zo zijn, feit blijft dat juist het geloof in een historische werkelijkheid er voor zorgde dat Heinrich Schliemann (1822-1890), de Turkse heuvel Hissarlik nabij de Bosporus in 1873 identificeerde als het legendarische Troje (Ilios).
Schliemann’s opgravingen behoren tot de beroemdste uit de geschiedenis van de archeologie.
Beroemd om wat hij vond, want de manier waarop hij te werk ging was allesbehalve archeologisch. Zo werden ‘rücksichtslos’ alle bewoningslagen (waaronder de Romeinse en laat Griekse) die volgens Schliemann niet interessant waren of niet pasten in het verhaal van Homerus verwijderd. Tevreden was hij pas toen hij de resten vond van cyclopisch muurwerk en niet veel later een grote hoeveelheid gouden en zilveren voorwerpen. Aan wie anders dan aan de legendarische Trojaanse vorst Priamus kon deze rijkdom hebben toebehoord?
Schliemann mag dan vele fouten hebben gemaakt daar staat tegenover dat hij ook opzienbarende vondsten deed. Maar weinig archeologen twijfelen er tegenwoordig nog aan of de stad die hij opgroef is het Troje uit het verhaal van Homerus. Daarentegen gelooft er geen één dat de stad door de Grieken tien jaar werd belegerd omwille van een ontvoerde prinses!


Schliemann heeft veel gepubliceerd over zijn opgravingen in en om Troje. Kostbaar en antiquarisch onvindbaar is zijn eerste grote uitgave: “Atlas trojanischer Alterthümer. Photographische Abbildungen zu dem Bericht über die Ausgrabungen in Troja von Dr. Heinrich Schliemann. 218 photographirte Tafeln mit erklärendem Text” (Leipzig, 1874).
De kwaliteit van de grote foto’s was wisselend en Schliemann was zo ontevreden dat hij voor zijn volgende uitgaven weer houtgravures liet maken naar fotovoorbeelden. Een jaar later publiceerde hij de eerste van drie boeken over zijn Trojaanse avontuur.
Deze verscheen, net als de volgende twee, in verschillende edities in Engeland, Duitsland, Frankrijk en Amerika. Toen ik een paar jaar geleden op zoek ging naar Schliemann’s boeken over Troje besloot ik te gaan voor de Engelse uitgaven.
Deze verschenen bij de bekende Londense uitgever John Murray, die ook het werk van Charles Darwin uitgaf. In volgorde van verschijningsjaar zijn het:


1875. “Troy and its Remains: A narrative of researches and discoveries made on the site of Ilium, and in the Trojan Plain”. Het boek bevat 500 afbeeldingen van opgegraven objecten naast verschillende kaarten en plattegronden.

1880. “Ilios. The city and country of the Trojans: the results of researches and discoveries on the site of Troy and throughout the Troad in years 1871-72-73-78-79. Including an autobiography of the author”. Deze prachtuitgave bevat kaarten, plattegronden en maarliefst 1800 illustraties van vooral vondsten. Veel daarvan waren al eerder gepubliceerd in zijn “Troy and its Remains”.

1884.”Troja. Results of the latest researches and discoveries on the site of Homer’s Troy and in the heroic tumuli and other sites, made in the year 1882”.
Hierin zitten ‘slechts’ 150 afbeeldingen en een paar plattegronden.


In antiquarisch Nederland worden deze uitgaven vrijwel niet aangeboden, dus ik zocht en vond mijn exemplaren in Engeland en Amerika. Over het algemeen ging de verzending zonder problemen al heeft de douane één keer een pakket opengemaakt en moest ik invoerrechten betalen. Dat laatste vond ik overigens minder erg dan de gedachte aan een onbekende die weinig respectvol aan mijn kostbare boek had gezeten.
Vervolgens heb ik enige tijd gezocht naar de uitgave van Hubert Schmidt: “Heinrich Schliemann’s sammlung trojanischer Altertümer. Beschrieben von Hubert Schmidt” (Königliche Museen zu Berlin. Herausgegeben von der General-Verwaltung, Berlin 1902). Dit was de eerste uitvoerige vondstcatalogus met een beschrijving van bijna 10.000 objecten (1176 afbeeldingen) die Schliemann had opgegraven tijdens zijn Troje campagnes en in 1881 aan de stad Berlijn schonk.


Bijna zestig jaar lang lag deze archeologische topattracties in Berlijn tentoongesteld. Door de dreigende oorlog belandde de collectie, inclusief de ‘schat van Priamus’, in 1937 in een reusachtige 'Flakturm'-bunker bij de Berlijnse Zoo. Na de oorlog was de in kratten verpakte collectie verdwenen. De Russische autoriteiten ontkenden het bezit ervan en het Westen verkeerde lange tijd in de veronderstelling dat de beroemde collectie verloren was gegaan.
Alleen foto's en de uitgebreide documentatie van Schmidt waren over. Diens catalogus werd zo een belangrijke bron voor wetenschappelijk onderzoek naar de vondsten en de geschiedenis van Troje. Tot 1991...


Toen maakten de Russische kunsthistorici Grigorii Kozlov en Konstantin Akinsha bekend dat zij de beroemde collectie, in hun originele kratten, hadden teruggevonden in de kelders van het Poesjkin museum in Moskou. Pas twee jaar later bevestigden ook de Russische autoriteiten de vondst en sinds april 1996 worden enkele honderden objecten daar weer tentoongesteld.
Misschien ga ik er nog eens kijken, maar dan zonder rugzak.

donderdag 9 december 2010

Black Pearl


Beroemd, geprezen, niet in de handel en één van de topstukken van het Haagse Museum (huis van het boek) Meermanno. Het icoon van modern Nederlands grafisch design. Een typografische sensatie. Een druktechnisch hoogstandje met zelden vertoonde vondsten. Het duurste jubileumboek dat ooit is verschenen. Vijf jaar werk, totale kosten 1.3 miljoen euro. Drie maanden fulltime werk voor een drukkerij. Gedrukt op speciaal bankbiljetten papier dat eeuwen houdbaar blijft (katoen als basis zodat er geen bomen voor gerooid hoefden te worden). Drie en halve kilo zwaar, elf centimeter dik, tweeduizend honderd zesendertig ongenummerde pagina’s (want ‘het boek moest een reis worden, niet een naslagwerk’). Een stalen rug en acht leeslinten. Totale oplage 4.000 stuks in het Nederlands met witte band, 500 stuks in het Chinees met zwarte band. Universiteiten en bibliotheken stonden er voor in de rij maar kregen het boek niet. Het grootste deel wordt bewaard in een kluis.

Een boek uitgegeven in 1996, overladen met superlatieven, wat kan ik daaraan nog toevoegen?

Alleen dit.

Vanaf vandaag eet ik voorlopig droog brood… Want ik ga ‘op reis’ met mijn eigen SHV-jubileumboek. Niet de Nederlandse witte editie, oh nee….de zwarte, de zeldzamere Chinese. Bladzijde voor bladzijde, eindeloos bladeren, verwonderen, bewonderen en genieten van mijn ‘Black Pearl’.

vrijdag 3 december 2010

Tentoonstellingscatalogi


Tentoonstellingscatalogi heb je in allerlei soorten en maten. Elke bibliofiel heeft er wel een paar in zijn collectie staan. Slechts enkele hebben eeuwigheidswaarde, bereiken een cultstatus of zijn om wat voor reden dan ook kostbaar.
Het gros, zeker wat je tegenwoordig tegenkomt in de museumwinkel, is goedkope massaproductie. Soms is bij het verschijnen al voelbaar dat het iets bijzonders is/wordt. Neem bijvoorbeeld de gesigneerde mini overzichtscatalogus die afgelopen juni verscheen bij de tentoonstelling van het werk van Irma Boom in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Onlangs kwam ik op Marktplaats al een gesigneerd exemplaar tegen dat bij opbod werd verkocht (laatste bod € 25,- euro).

Anderen zijn al wat ouder maar desondanks nog goed verkrijgbaar en betaalbaar zoals de klassieker: “Printing and the mind of man. Catalogue of the exhibitions at the British Museum and at Earls Court, London 16-27 july 1963”. In 1967 en 1983 verschenen herziene uitgaven, in boekvorm, die overigens heel wat duurder zijn.
Nog zo’n voorbeeld is de catalogus die verscheen in 1973 bij de tentoonstelling in de Koninklijke Bibliotheek Albert I in Brussel: “De vijfhonderdste verjaring van de boekdrukkunst in de Nederlanden”. Als liefhebber van boeken over boeken is een exemplaar in eigen bezit toch niet meer dan logisch?
Enkele catalogi zijn kostbaar geworden.
Zo ben ik een groot bewonderaar van Hendrik Nicolaas Werkman (1882-1945) en kom regelmatig drukwerk druksels van hem tegen op beurzen en veilingen.
Als liefhebber wil je dan natuurlijk een exemplaar hebben van: “Hot Printing. Catalogus van druksels en voorlopige catalogi van gebruiksdrukwerk. Litho's, etsen, houtsneden, tiksels en schilderijen van Hendrik Nicolaas Werkman” (Amsterdam, 1963). Prijzen voor deze uitgave variëren nu zo tussen de € 120,- en € 175,- euro. Toen mij een mooi exemplaar voor € 60,- euro werd aangeboden heb ik niet lang geaarzeld!


De oudste tentoonstellingscatalogi in mijn collectie zijn van 1876.
In de zomer van dat jaar, een jaar na het 600-jarig jubileum van de stad Amsterdam, werd in de zalen van het Amsterdamse Oudemannenhuis (thans gebouwen van de Universiteit van Amsterdam) een Historische Tentoonstelling gehouden. Het was een belangrijke en groots opgezette manifestatie die veel tot dan toe verborgen voorwerpen van kunst en kunstnijverheid in openbaarheid bracht en waarvan velen vroeger of later in openbare collecties zijn terechtgekomen. De expositie zou tevens leiden tot de oprichting van het Amsterdams Historisch Museum, dat in 1925 zijn poorten opende in de Waag (de Middeleeuwse Sint Anthoniespoort).


Er verschenen in 1876 feitelijk twee catalogi, die nu schaars zijn en zelden compleet worden aangeboden in het antiquarisch circuit. De ene is een vrij droge opsomming zonder illustraties van de bijna 4.500 getoonde objecten met een korte beschrijving en vermelding van de eigenaar (264 blz. inclusief register). Hierbij hoort een bijlage ‘nagekomen en nader beschreven bijdragen’ (35 blz. exclusief register). Het belang van deze uitgave is dat vele in particulier bezit zijnde historische objecten hierin voor het eerst werden gesignaleerd. Als het gaat om de herkomst (‘provenance’) van museale (veiling)stukken wordt nogal eens naar deze tentoonstellingscatalogus verwezen.


De ander is van D.C. Meijer jr. en draagt de titel: “Wandeling door de zalen der Historische Tentoonstelling van Amsterdam” (Amsterdam, 1876). Deze catalogus voert de bezoeker op verhalende wijze door de thematisch ingerichte zalen waarbij een aantal hoogtepunten wordt beschreven.
De uitgave is opmerkelijk vanwege zijn tien originele ‘photographiën’ van kunstobjecten gemaakt door Pieter Oosterhuis (1816-1885). Niets is thans zo gewoon als een fraaie en uitbundig geïllustreerde fotocatalogus maar in 1876 was het gebruik van originele foto’s als boekillustratie nog maar twintig jaar oud. De foto’s werden zoals in dit geval tussen de desbetreffende pagina’s ingeplakt en in het ‘bericht voor den binder’ treffen we daarom behalve de aanwijzing voor de ‘plaatsing der platen’ ook een aanwijzing aan voor de ‘plaatsing der photographiën’. Hierin zou pas verandering komen met de introductie van een nieuwe druktechniek in de jaren tachtig van deze eeuw; de autotype. Deze maakte het mogelijk foto’s gelijk met het letterzetsel in dezelfde drukgang af te drukken.


Mijn tot dusver laatste catalogus kocht ik een paar weken geleden toen ik de Philipsvleugel van het Rijksmuseum bezocht. "De meesterwerken gids” (Amsterdam, 2009) is een toeristisch massaproduct voor een klein prijsje (€ 7,50 euro) en een typisch voorbeeld van een hedendaagse museumcatalogus: handzaam voormaat, kleurrijk en uitbundig geïllustreerd, meertalig en niet te veel droge tekst.
À propos... Eén van de getoonde objecten is het marmeren borstbeeld van de Amsterdamse burgemeester Andries de Graeff (1611-1678) door de beroemde beeldhouwer Artus Quellinus (1609-1668). Het is catalogusnummer 420 in de Historische Tentoonstelling van 1876 en één van de ‘photographiën’ in het boek van Meijer.

donderdag 25 november 2010

Watermanagement


Wie een blik werpt op 18de eeuwse kaarten zal onmiddellijk zien dat het landschap rondom Amsterdam waterig polderland was. Daarvan is tegenwoordig nog maar weinig zichtbaar, want landschappelijke herinrichting en bebouwing heeft veel karakteristieke waterplassen en polderelementen weggepoetst. Het enige wat soms nog merkbaar of zichtbaar is zijn de hoogteverschillen tussen de oorspronkelijke polder en de omringende dijken of de overgang tussen uitgeveende en niet uitgeveende gedeelten. Alleen wie verder kijkt en kennis heeft van de oorspronkelijke polderstructuren ziet ook overeenkomsten met het huidige stratenplan en de loop van waterwegen nu.
Een oorspronkelijk bewaard gebleven polder of ‘droogmakerij’ (leeg en vlak) is zeldzaam geworden en het is dan ook niet voor niets dat de in 1612 drooggevallen Beemster, ten noorden van Amsterdam, sinds 1999 op de wereld erfgoedlijst van UNESCO staat.


Zo’n dertig jaar geleden begon ik uit historische interesse met het verzamelen van verordeningen en reglementen (‘keuren en ordonnantiën’) die betrekking hebben op het polderbeheer van diverse polders ten zuiden van Amsterdam.
Inmiddels bezit ik documentatie met betrekking tot het ‘watermanagement’ in de Buitenvelder(t)se polder, de Watergraafs- of Diemermeer, de Bijlmermeer, de ‘Ronden-hoeps-polder’, de Legmeer en het hoogheemraadschap Amstelland (thans alle vallende onder het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht). De meesten publicaties zijn uit de 18de en 19de eeuw en zijn in waterschapsarchieven nog wel aanwezig.
In het antiquarisch circuit echter kom je materiaal met betrekking tot genoemde poldergebieden maar zeer zelden tegen. Dat komt natuurlijk door het feit dat de oplage van dergelijke uitgaven destijds beperkt was. De doelgroep, m.n. de ingelanden (landeigenaren) en de bestuurders van de desbetreffende polder, was maar klein en de regels en verordeningen verouderden snel.

Ik ken op dit gebied niet veel medeverzamelaars. Wellicht omdat deze uitgaven wat inhoud betreft niet spectaculair zijn en vrijwel nooit geïllustreerd. Ook wat het uiterlijk betreft valt er weinig te beleven. Geen luxe ingebonden prachtuitgaven maar vaak niet meer dan een paar bladzijden met een gemarmerd papieren omslagje. Desondanks zijn de prijzen stevig en stabiel. Voor de pamfletjes heb ik nooit meer hoeven betalen dan honderd vijfentwintig gulden (en na 2001 hetzelfde bedrag in euro’s).

Mijn laatste aanwinst kocht ik deze week van F.O., een collega verzamelaar en handelaar, die ik al jaren met enige regelmaat tegenkom in het antiquarisch circuit. Het is een eenvoudig in papieren omslag gestoken pamfletje van zestien bladzijden, gedateerd 3 juni 1826. De aanhef is meteen de titel: “Dijkgraaf en heemraden van het Bijlmermeer, brengen bij deze ter kennisse van allen en een iegelijk, die het zoude mogen aangaan, het navolgende door Z.M. den Koning geapprobeerde Reglement, op de Administratie en het beheer van den Polder van het Bijlmermeer”.


De geschiedenis van deze polder en de gelijknamige stadswijk ('de Bijlmer') die hier in de jaren zestig van de vorige eeuw werd gebouwd is een verhaal op zich en is zelfs één van de onderwerpen in ‘de canon van Amsterdam’ (venster 46).
Laat mij volstaan met enkele feiten. Al in de 12de eeuw stond deze waterplas bekend onder de naam ‘Biddelmerbroke’. In de 17de eeuw werd ze tweemaal drooggemalen (1627 en 1678) maar in 1702 stond ze, na een zware storm, alweer onder water. Tussen 1818 en 1826 werd ze voor de derde keer - en ditmaal definitief - drooggemalen en dat was natuurlijk de reden voor het verschijnen van het bovenstaande reglement van administratie en beheer.
De landelijkheid van het gebied blijkt uit vrijwel alle artikelen. Ter illustratie daarvan de tekst onder artikel negentien. “Dijkgraaf en Heemraden van het Bijlmermeer zullen, geadsisteerd met wien zij noodig zullen oordeelen, twee maal des jaars; te weten: in Junij en in October, de Schouw drijven op het banwerk van de Buiten- en Binnenringsloot, Molentogten, Togtberm-, Kavel- en Heinslooten en over de bij vorige Schouwing ter verschieting opgekeurde Slooten; zullende de voorgeschrevene Ringslooten, Molentogten en Slooten op den Schouwdag moeten zijn gezuiverd, van alle ruigte, uit gesneden en gekroost, de rijs en willige stooven uit de kanten gestoken, het kwal en de vlabben schoon uitgebaggerd, uitgevischt en op de kanten nedergelegd, en zulks op eene boete van Zestig Cents voor ieder vak der Ringsloot of Togtslooten tot eenen kavel behoorende, mistgaders voor iedere Sloot die alsdan bevonden zal worden niet behoorlijk gebanwerkt te zijn”.


De dreigende boete heeft gewerkt. Een foto op locatie (F-buurt), bijna twee eeuwen later, laat zien dat deze thans geheel zonder ‘kwal en vlabben’ is.
Voor de zuivering van ‘ruigte’, maar dan van een heel andere soort, zorgt de politie!

maandag 15 november 2010

Graag dubbel!

Alweer enige tijd geleden kocht ik op een boekenmarkt: “Vande Druckerije” (Leiden, 1983). Het is een heruitgave van de oudst bekende Nederlandse tekst over het drukkersambacht, ingeleid en van een verklarende woordenlijst voorzien door de helaas vroeg overleden boekhistoricus Bert van Selm (1945-1991).

De vier euro die voor het kleine boekje, bijna vijftig bladzijden, werd gevraagd leek me niet veel geld, temeer omdat op de voorflap aan de binnenzijde in keurig handschrift stond: “Leiden, 7 februari 2000. Voor dhr. Tollenaere als aandenken aan de werkplaats van De Ammoniet. G. Post van der Molen”.
Geen idee wie de heer Tollenaere is, maar Gerard Post van der Molen is mij welbekend als margedrukker van De Ammoniet. Het was bij hem dat het boekje in 1983 werd gedrukt om 500 jaar boekdrukken in Leiden te herdenken en als eerbetoon aan Christoffel Plantijn (ca. 1520-1589) die zich 400 jaar daarvoor (1583) in Leiden vestigde.

Het colofon achterin vermeldt: “Vande Druckerije werd gedurende 1982 en begin 1983 door de Ammoniet met de hand gezet uit de Hollandse Mediaeval, gedrukt met een Victoria degelpers op Hahnemühle Ingres Büttenpapier en gebonden in Blackburn Record linnen. De oplage bedraagt 245 genummerde exemplaren. Dit is nummer: H.C.”. Leuk, dacht ik. Een ‘hors commerce’ exemplaartje van een beperkt gedrukt boekje. Maar toen ik de tekst op de achterflap las bleek dat een vergissing.

Inderdaad werd de oorspronkelijke uitgave met de hand gezet, gedrukt en gebonden in een beperkte oplage van 245 genummerde exemplaren. Deze was echter spoedig uitverkocht. Vervolgens werd door Drukkerij Corn. Paap BV een fotomechanische herdruk gemaakt in een oplage van 1250 exemplaren, waarvan 500 voor contribuanten van de Stichting Drukwerk in de Marge. Toen ook deze oplage was verdwenen volgde wederom een (gecorrigeerde) herdruk van 500 exemplaren. Kortom totaal 1750 fotomechanisch gedrukte (en niet gebonden) exemplaren en dit was er één van. Een blik op internet leerde me dat vermoedelijk al deze 1750 exemplaren ‘H.C.’ vermelden (gewoon meegefotografeerd en gedrukt), goed verkrijgbaar zijn en rond de vijf euro kosten. Niet bepaald uniek dus, mijn boekje, behalve dan de handgeschreven tekst.

Onlangs kwam ik in een boekhandel echter een origineel gebonden en genummerd (189) exemplaar tegen. Deze blijken met hun 11 cm. bij 17 cm. iets groter te zijn dan de fotomechanische herdruk (10,5 cm. x 16,3 cm.). De letters zijn wat lichter zowel letterlijk als figuurlijk en het papier is van een betere kwaliteit. Nieuwsgierig zocht ik naar de prijs. Vijftien euro? Volgens mij een vergissing en voor die prijs heb ik het graag dubbel!

zondag 7 november 2010

Coffee table book


Op de afgelopen (31ste) antiquarenbeurs in de PTA werd ik verliefd op dit schilderijtje van een romantisch Hollands wintertafereeltje dat een boek bleek te zijn.
Ik heb het over de uitgave van Friedrich von Hellwald en Richard Oberländer: “Nordland-Fahrten. Vierte abteilung. Malerische Wanderungen durch Holland und Dänemark. Land und Leute, mit besonderer Berücksichtigung von Sage und Geschichte, Literatur and Kunst” (Leipzig, ca. 1882).
Het is een excellent exemplaar, groot quarto (26 cm. x 33 cm.), gebonden in linnen stempelband, goud op snee, fraaie schutbladen, en prachtige houtgravures.


Kortom een ‘hebbedingetje’, dit ‘coffee table book’ (“An oversize book of elaborate design that may be used for display, as on a coffee table”). Deze uitgave verscheen als vierde en laatste deel tussen 1880 en 1883 in de serie ‘Nordland-Fahrten’, waaraan verschillende auteurs en kunstenaars meewerkten. Het (grootste) deel, over Holland, werd geschreven door de Oostenrijkse cultuurhistoricus Friedrich Anton Heller von Hellwald (1842-1892).
Hij beschreef: Amsterdam, Broek, Monnickendam, Marken, Schokland, Urk, Edam, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik, Nieuwediep, Texel, Anna Paulownapolder, Wieringerwaard, Alkmaar, Zaandam, Haarlem, Leiden, Katwijk, Den Haag, Scheveningen, Delft, Vlaardingen, Rotterdam, Dordrecht, Zierikzee, Vlissingen, Middelburg, Veere, Zuid-Beveland, Zeeuws-Vlaanderen, Gouda, Utrecht, Arnhem, Zwolle, Drenthe, Friesland, Leeuwarden, Franeker, Hindelopen, Groningen.


Bij het doorbladeren viel mij op dat veel illustraties een paar jaar later ook werden gebruikt in het vergelijkbare Engelstalige boek van Richard Lovett: “Pictures from Holland, drawn with pen and pencil” (London, 1887). Een exemplaar daarvan kocht ik alweer drie jaar geleden in Den Haag en net als mijn nieuwe aanwinst maakt ook dat boek deel uit van een serie, waarin een aantal landen werd beschreven. Beide boeken geven een sfeervolle beschrijving van ons land in het laatste kwart van de negentiende eeuw toen het buitenlandse toerisme toenam.
Von Hellwald’s Duitse prachtuitgave gaat wat meer in op de zeden, volksgebruiken en gewoonten, naast de beschrijving van land, streek en gebouwen. De prachtige paginagrote houtgravures zijn een lust voor het oog. Sommige, zoals “am haven von Amsterdam” zijn duidelijk samengesteld als een ‘tableau vivant’. De schuchtere pose van een jong “mädchen aus Krommenie (Nord-Holland)” blijkt tijdloos en je zou bijna denken dat dezelfde vrouw heeft geposeerd voor de ruim honderd jaar later genomen foto van Ans Houben.


Stadsgezichten zoals “ansicht aus dem Amsterdamer Judenviertel” werden zeer nauwkeurig door de graveur weergegeven zoals een kabinetfoto van Andries Jager (1825-1905), uit dezelfde tijd, laat zien. Ik vraag me soms wel af of alle informatie klopt, want de omschrijving onder dit stadsgezicht is aantoonbaar fout. Zoals correct onder de foto staat gaat het hier om een afbeelding van de Oudezijds Kolk. Weliswaar een oeroude Amsterdamse volksbuurt maar niet behorend tot de Amsterdamse Jodenbuurt.


Enkele bijzonderheden doen mij verbazen. Bijvoorbeeld over de Utrechtse Domtoren (blz. 136): “Er besitzt ein schönes Glockenspiel und gewährt eine umfassende Ausicht über Stadt und Land, birgt aber auch ein Kuriosum einziger Art, eine richtige Bierstube in gewaltiger Höhe, wo der Höllandische Student echt germanische Trinckstudien betreibt”.
Mogelijk dus ‘Neerlands’ hoogste studentencafé ooit en niet genoemd bij de trivia onder ‘Dom van Utrecht’ in Wikipedia. Daar staat overigens wel een ander verhaal over het Utrechtse studenten corps en hun merkwaardige verhouding met deze toren dat goed is terug te voeren op een overmatig drankgebruik op grote hoogte!

maandag 1 november 2010

'Fac-similes' uit de IJzeren kapel

Op 7 april 1848 benoemde de Amsterdamse gemeenteraad dr. Pieter Scheltema (1812-1885) tot haar eerste stadsarchivaris. Scheltema, die in 1836 in Amsterdam promoveerde, was korte tijd leraar in Middelburg maar keerde in 1844 terug naar de hoofdstad om zich aan wetenschappelijk historisch onderzoek te wijden. Zodoende kwam hij al in juni van dat jaar in aanraking met het nog ongeordende stadsarchief en begon hij met het opstellen van een voorlopige inventarisatie die uiteindelijk resulteerde in zijn, voor die tijd uitstekende, driedelige: “Inventaris van het Amsterdamse archief” (Amsterdam, 1866-1874).

De kersverse archivaris had toen al over diverse historische onderwerpen Amsterdam rakende geschreven en dus was de driedelige inventaris niet zijn eerste publicatie. Het was zelfs niet zijn eerste gepubliceerde archiefinventarisatie. Die was al in 1850 verschenen onder de titel: “Het archief van de IJzeren kapel in de Oude of Sint Nikolaas kerk te Amsterdam, beschreven door P. Scheltema, archivaris der stad Amsterdam”.
Hierin beschreef hij de vaak op perkament vastgelegde overeenkomsten c.q. privilegiën, handvesten, (gift)brieven en oorkonden (charters) die door keizers, koningen en andere landsheren tussen 1275 en 1650 waren geschonken aan Amsterdam.
Het was aan deze activiteit en daaruit volgende publicatie te danken dat hij voortaan bekend stond onder de bijnaam ‘Piet Perkament’ (geen familie!).


Met de IJzeren kapel in de Oude- of Sint Nikolaaskerk te Amsterdam werd het ‘secreet vertrek’ bedoeld. Deze enigszins verborgen ruimte is toegankelijk via de Sint-Sebastiaanskapel.
Daar, op bijna vijf meter boven de grond en dus alleen met een trap bereikbaar, bevindt zich in de wand een witgekalkte zware ijzeren deur met een slot. Erachter zit een tweede versterkte eikenhouten deur, eveneens met een slot. De deuren geven toegang tot een klein, nagenoeg vierkant, kamertje met getralied venstertje dat uitziet op de zuidzijde van het Ouderkerksplein. In één van de wanden zitten twee nissen. In de grootste nis bevond zich een met metaal beslagen en drie sloten beveiligde houten charterkast met vijfenveertig laden waarin 290 door Piet Perkament beschreven archiefstukken waren opgeborgen. De unieke vijftiende eeuwse kast inclusief haar ‘perkamenten’ inhoud bevindt zich sinds 1892 in het Amsterdamse stadsarchief.

Scheltema behoorde tot de zeer, zeer weinigen die (onder toezicht) tot het archief van de IJzeren kapel werden toegelaten. Voor hem waren er slechts enkele bezoekers geweest, waaronder op 13 oktober 1761 de stadshistoricus Jan Wagenaar (1709-1773).
Zijn nauwkeurige inventarisatie (met korte inhoudsweergave van de stukken) was echter niet de eerste publicatie over deze merkwaardige en geheime bewaarplaats.

Al dertig jaar daarvoor was een boekje verschenen, dat ik onlangs heb gekocht, getiteld: “De merkwaardigste stukken uit de oudste archieven van Amsterdam aangaande de vroegere privilegiën van deszelfs poorters en inwoners. Met platen en fac-similes der oorspronkelijk handschriften” (Amsterdam, 1821).
Het bestaat uit drie hoofdstukken:
1. Verslag van de Kommissie der Tweede Klasse van het Kon. Nerl. Instituut, omtrent de ijzeren Kapel in de Oude Kerk te Amsterdam. 
2. Iets over de Keur van Gui van Henegouwen, aan den stad Amsterdam door den Heer H. van Wyn.
3. Eenige bedenkingen over de Poorterijen en de vergunning dier regten aan Amsterdam, door den Heer Mr. D.J. Meijer
”.

Dit is de eerste min of meer wetenschappelijke publicatie over de IJzeren kapel (Het eerste hoofdstuk was een half jaar daarvoor gepubliceerd in de verhandelingen van de eerdergenoemde 'Kommissie').
Ook is het - voor zover mij bekend - het eerste Nederlandse boekje met ‘Fac-similes’ (etsen) van archiefstukken. In 1824 verscheen een tweede druk.
Als boekillustratie waren facsimile's sowieso vrij zeldzaam, pas vanaf het tweede kwart van de negentiende eeuw komen ze vaker voor, eerst lithografisch en aan het eind van de 19de eeuw fotografisch. De schriftelijke inhoud van de gereproduceerde archiefstukken was weliswaar al langer bekend maar als autograaf (inclusief de nog aanwezige zegels) waren ze nog nooit eerder afgebeeld. Ze konden nu niet alleen in hun oorspronkelijke middeleeuwse spelling en schrijfwijze worden bestudeerd maar bovendien toonden ze aan dat in de vele publicaties waarin ze waren aangehaald fouten stonden omdat de auteurs (waaronder ook Wagenaar) gebruik hadden gemaakt van latere onnauwkeurige afschriften.

Naast dit alles was er echter een andere dwingende reden die mij ertoe verleidde het boekje aan te schaffen.
Ruim een half jaar terug kwam ik namelijk al een beduimeld exemplaar tegen in een grote boekencollectie. Ik bladerde er wat doorheen en bestudeerde de twee platen, waaronder één met het interieur van de IJzeren kapel (waarin zich kennelijk ook een eenzame stoel bevond) en de acht fraaie uitslaande facsimile’s.


Voor zover ze van een signatuur waren voorzien bleken de handgeschreven teksten te zijn nagetekend door ene J. Koning (‘del.’). De twee platen zijn gegraveerd door D. Veelwaard (‘sculp.’). In de kwaliteit van de afgebeelde zegels zit een duidelijk verschil.
De minder goed gegraveerde zegels (facsimile’s B, D, E en G) zijn niet gesigneerd.
De best gegraveerde zegels (facsimile’s H, I en K) zijn gesigneerd zowel door de graveur, D. Veelwaard, als de tekenaar naar wiens  voorbeeld de gedetailleerde afbeelding tot stand kwam. Die tekenaar bleek mijn verre voorvader, de kunstgraveur J.W. Caspari, te zijn!


Uiteraard moest en zou ik een exemplaar van dit boekje kopen maar dan wel het mooiste dat er te krijgen is tegen de beste prijs. Dat exemplaar, gekocht voor slechts € 70,- euro bij antiquariaat Gemilang in Bredevoort en gebonden in halfleer met kartonnen platten (door J.J. Lalau, boekbinder in 'Leijden'), bevindt zich thans in mijn collectie!

woensdag 27 oktober 2010

In een opwelling

Bij Nijhof & Lee in de Staalstraat kocht ik gisteren in een opwelling voor € 55,- euro: “Het huis Enschede 1703-1953” (Haarlem, 1953) door Jan van Krimpen (e.a.). Het is een fraai bewaard gebleven eerste druk, de boekplatten met goudbespikkeld rood papier bekleed. Het boekje bevat drie hoofdstukken: “Zeven Geslachten van Drukkers en Lettergieters” (met zeven portretten en een genealogische tabel), “Een korte Geschiedenis van het Bedrijf “, (door Jan van Krimpen) en “Een Keuze uit de Letters van Zes Eeuwen”.

Thuisgekomen zag ik op internet dat een mooi exemplaar rond de € 25,- euro kost. Tja, opwellingen zijn gevaarlijk en ik geef er helaas maar al te vaak aan toe. Hoewel...
Zodra je het boekje openslaat zie je in sierlijk handschrift: “Aan Ir. Eugène Strens. S. Hartz”. Kennelijk een presentexemplaar van de bekende Samuel Louis (Sem) Hartz (1912-1995) aan Ir. (elektrotechniek) Eugène Louis Charles Marie Strens (1899-1980). De eerste was een internationaal bekend graficus en grafisch ontwerper die praktisch zijn hele leven bij de Haarlemse drukkerij van Joh. Enschedé zou werken en de tweede was een legendarisch verzamelaar van ex-libris wiens collectie van 120.000 bladen zich in het Museum Meermanno, huis van het boek, bevindt.

De hamvraag is natuurlijk of een fraai exemplaar met deze inscriptie dubbel zo duur moet zijn als een even fraai exemplaar zonder. Het antwoord daarop is moeilijk. Het is in het antiquariaat immers ook vaak een kwestie van ‘wat de gek ervoor geeft’.
Het eindoordeel laat ik daarom graag aan u, het boekje hou ik voor mezelf!

zondag 24 oktober 2010

Nieuwe aanwinsten

Een bijzonder boekje uit 1821, waarover later meer, niet meegerekend kocht ik de afgelopen week gemiddeld één boek per dag. De boekenvloed zorgde voor een ingrijpende reorganisatie in een van mijn boekenkasten waarbij het telkens weer een uitdaging is om alle verworven schatten op de planken te krijgen. Alleen mijn deelcollectie boeken over boeken beslaat nu al zo'n zeven strekkende meter. Op de bekende Amsterdamse Spui boekenmarkt kocht ik afgelopen vrijdag het rijk geïllustreerde en vijf kilo zware “Memorboek. Platenatlas van het leven der Joden in Nederland van de Middeleeuwen tot 1940” (Baarn, 1974).
Weer zo’n prachtig boek dat destijds dik over de honderd gulden kostte en nu voor minder, soms heel veel minder kan worden gekocht. Een blik op de bekende internetsites laat zien waarom. Er zijn er veel te veel gedrukt en er worden er nog meer aangeboden (laagste prijs € 14,- euro!). Heel veel boek voor weinig geld dus, maar pas op! Twee zaken ontbreken regelmatig bij de aangeboden exemplaren.
Ten eerste de stofomslag en ten tweede de losse bijlage (de “aanvullende opgave van voor het boek gebruikte boeken en artikelen”).
Een compleet exemplaar voor € 25,- euro, wat ik betaalde, is dan niet veel geld. Twee stalletjes verder kocht ik het, bij elke boekhistoricus bekende, standaardwerk van Philip Gaskell: “A new introduction to Bibliography” (Oxford, 1979).
Het stond al een tijdje op mijn verlanglijstje en voor het belachelijke bedrag van € 7,50 euro kon ik het niet laten liggen.

Op weg naar huis passeerde ik in de Staalstraat Nijhof & Lee waar ik mijn bestelling van twee maanden geleden ophaalde: “ABC for book collectors” van J. Carter & N. Barker (New Castle/London, 2010). Welbekend onder boekengekken. Vers uit Amerika, want ik wilde absoluut de laatst verschenen editie hebben en dat bleek de achtste te zijn (voor € 25,- euro).
Vervolgens toch ook nog even langs de boekenstal van Jos Albers op het Waterlooplein. Voor een spotprijs van slechts € 10,- euro kocht ik er twee vrijwel spiksplinternieuwe boeken uit de stal van de Amsterdamse kwaliteitsuitgeverij ‘De Buitenkant’. Het zijn: “Van pen tot laser. 31 opstellen over boek en schrift aangeboden aan Ernst Braches” (Amsterdam, 1996) en van Stanley Morison het boekje: “Grondbeginselen der typografie” (Amsterdam, 1990). Gewoon lekkere 'hebbedingetjes' voor twee keer niks!

Ondertussen had ook tante post het druk met mij.
Via internet aangekocht arriveerden hier inmiddels twee boeken. Ten eerste: Th.A.A.M. van Amstel “De heren van Amstel 1105-1378” (Hilversum, 1999) voor € 17,- euro. Ook al heel lang op mijn verlanglijstje.
Ten tweede, voor slechts € 5,- euro, het curieuze essay geschreven in 1793 door Arend Fokke Simonszoon (1755-1812): “De boeknegotie in het toekomend jaar drie duizend. Eene mijmering” (Amsterdam, 1999).
Een gelegenheidsuitgave, van slechts 55 bladzijden, door Van Veen Uitgeversgroep opnieuw gedrukt in een beperkte oplage van 2000 stuks en niet in de handel verkrijgbaar.
Ik ken het niet, maar de titel maakte mij nieuwsgierig. Misschien iets voor een artikeltje over ‘de boekverzamelaar in het jaar drieduizend’.
Het derde boek tenslotte - en nog onderweg - is van
B. Gascoigne: “Prentkunst en drukwerk, een complete handleiding voor het herkennen van manuele en mechanische drukprocedés van houtsnede tot ink jet printing” (Amsterdam, 1988). Een vertaling van het bekende ‘How to identify prints’, voor maar € 32,- euro. Op de studiezaal bij Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam kwam ik het tegen en het is met zijn afbeeldingen, tips en instructies, bijzonder informatief en handig bij het identificeren van diverse illustratietechnieken in (oude) boeken. Overigens wordt het ook aanbevolen in het eerdergenoemde ‘ABC for book collectors‘.

Heeft u even meegeteld? Totaal acht boeken voor € 121,50 euro (inclusief de verzendkosten). En dat alles luttele dagen voor de start van de ‘31st Amsterdam Antiquarian Book, Map & Print Fair 2010’. Ik hou mijn hart (maar vooral ook mijn portemonnee!) vast….

maandag 18 oktober 2010

Fantasie met iets te veel testosteron

Wij kennen het ware gelaat van de Hollandse graven en gravinnen niet. Tot de oudste afbeeldingen behoort de omstreeks 1490 geschilderde serie gravenportretten in het Haarlemse stadhuis. De meesten van hen waren toen al zo’n twee eeuwen dood en hoewel de geschilderde figuren allen individuele kenmerken hebben, zowel in gelaat als (fantasierijke) kleding, zijn het geen van allen portretten naar het leven getekend. Wie daarover meer wil lezen kan ik het interessante boekje van W. van Anrooij (red.) aanraden: “De Haarlemse gravenportretten” (Hilversum, 1997).

Kern van mijn oude boekencollectie ‘perkamentjes’ vormen de in de 17de en 18de eeuw uitgegeven middeleeuwse kronieken waarin deze graven en gravinnen van Holland (Zeeland en Friesland) een belangrijke rol spelen.
De boeken werden vaak geïllustreerd met hun afbeeldingen (soms van top tot teen, soms alleen hoofd en schouders c.q. portretbustes). Iconografisch zijn de afbeeldingen allemaal terug te voeren naar de Haarlemse serie gravenportretten.
Dat de afbeeldingen vaak op elkaar lijken is dus geen verrassing. Daarover wordt in het eerdergenoemde boekje (door Jan de Jong) uitvoerig geschreven en ook ik publiceerde geruime tijd geleden op dit weblog hierover een stukje getiteld ‘Baardgroei’.
Daaruit bleek dat het portret van Albrecht van Beieren (1336-1404) zoals Petrus Scriverius ons geeft in zijn: “Hollandsche, Zeelandsche ende Vriesche Chronyck, ofte een gedenckwaerdige beschryvingh van den Oorsprong, Opkomst en Voortgang, der selver Landen. Soo onder de Regeeringe en Successie der Graven, wegens hare geslachte en verrichtinge, van Diederick den I. tot Philips den III” (’s Gravenhage, J. Veely and J. Doll, 1678) erg veel lijkt op het 33 jaar daarvoor gepubliceerde portret van Albrecht in het boek van Caspar Wachtendorp: “Oude Hollandsche Geschiedenissen ofte, Corte rym-kronyck: verdeelt in XIIII Boecken, beginnende van de Suntvloet, tot den Iare 1560” (Amsterdam, Johannes Pauli, 1645).


Opmerkelijker echter is dat een aantal portretten in het boek van Scriverius om voor mij duistere redenen totaal afwijken van eerdere afbeeldingen met als klap op de vuurpijl het portret van gravin Ada van Holland (1188-1223). Nou is de levensgeschiedenis van deze Ada op zich al geen rozengeur en maneschijn. Nadat haar vader Graaf Dirk VII in 1203 was overleden werd zij als vijftienjarige door haar moeder Aleid van Kleef uitgehuwelijkt aan Lodewijk II van Loon. Het huwelijk werd snel voltrokken nog voordat haar vader begraven was en zorgde voor een schandaal met politieke gevolgen, de zogenaamde Loonse oorlog (1203-1206). Haar oom Willem I (1165-1222) betwistte de opvolging en eiste het Graafschap Holland voor zichzelf op. Ada werd belegerd in Leiden, verbannen naar Texel en later zelfs naar Engeland. Uiteindelijk stierf zij kinderloos op jonge leeftijd en werd zij in de abdij van Herkenrode (Hasselt/België) begraven. Ook geschiedschrijvers hadden het moeilijk met haar. Sommigen rekende haar wel, andere weer niet tot de graven c.q. gravinnen van Holland.

De onbekende etser die de portretten in het boek van Scriverius voor zijn rekening nam was, zo merkte Jan de Jong al op, een middelmatig vakman die vooral niet bedreven was in het weergeven van de ogen. Zijn afbeeldingen geven daardoor nogal eens de indruk dat eenieder die graaf van Holland werd onmiddellijk door een vreselijke oogafwijking werd getroffen. Helaas trof onze gravin Ada een veel ernstiger lot. Van het lieflijke en vrouwelijke gelaat in het eerder verschenen boekje van Wachtendorp is niets meer over. 


Zijn verbeelding van de gravin doet mij eerder denken aan een 17de eeuwse travestiet verkleed als Ada inclusief het karakteristieke hoofddeksel.
Welke van de twee afbeelding haar het meest recht doet is onbekend maar het volgende pleit niet in haar voordeel.

In juni 1950 onderzocht dr. B.K.S. Dijkstra een aantal menselijke skeletten opgegraven op het terrein van de voormalige abdijkerk van Rijnsburg.
Zijn taak bestond erin om deze stoffelijke resten die zeer waarschijnlijk toebehoorden aan een aantal graven en gravinnen uit het Hollands Huis, familie dus van onze Ada, te identificeren. In 1979 verscheen hierover zijn publicatie: “Graven en gravinnen van het Hollands Huis. Onderzoek van de stoffelijke resten, opgegraven op het terrein van de voormalige abdijkerk te Rijnsburg” (Zutphen, 1979).

Een van de gevonden skeletten was dat van een dochter van eerdergenoemde Willem I, een volle nicht dus van onze Ada. Ook zij droeg de naam Ada van Holland (1208-1258) en was vanaf 1239 abdis van de Abdij in Rijnsburg. Aan haar schedel te zien was het bepaald geen schoonheid. Een slecht gebit met een flinke overbeet. Haar botten waren soms ‘eerder mannelijk dan vrouwelijk’. Dijkstra’s eindconclusie onder het kopje ‘geslachtsbepaling’ (blz. 57) is dan ook: “Vrouw, die waarschijnlijk nooit kinderen heeft gebaard, met lichamelijk mannelijke trekken”.


Die etser kon met zijn fantasieportret, met iets te veel testosteron, nog wel eens dichter bij de waarheid hebben gezeten dan wij denken!



dinsdag 12 oktober 2010

Cross of iron

Toen ik een oud rommelkistje doorzocht op zoek naar iets anders kwam ik weer eens ‘mijn’ Duitse IJzeren Kruis tegen.
Nee, niet op een of ander Oost-Europees slagveld verworven maar gewoon gekocht als zeventienjarige puber op het Amsterdamse Waterlooplein. Het is een IJzeren Kruis, 2de klasse, uitgereikt tijdens de Tweede Wereldoorlog, met gevlekt origineel lint (bebloed of is dat mijn fantasie?). Voor de aan Duitse kant strijdende soldaten het ultieme symbool voor moed, eer, trouw, patriottisme en militair succes.
Ik denk dat er maar weinig onderscheidingen zo bekend en beladen zijn als het IJzeren Kruis.
Elke keer als ik het zie moet ik terugdenken aan de film "Cross of Iron" (Sam Peckinpah, 1977), die destijds grote indruk op mij maakte.
Ik vind het nog steeds één van de betere (anti)oorlogsfilms met een knap gemaakte intro op het onschuldig klinkende kinderliedje “Hänschen klein”. De beelden en de muziek blijven lang in je kop doorzeuren.

woensdag 6 oktober 2010

Heeren en moeders

Zomaar een boekje.
Handzaam duodecimo (12˚) formaatje met een eenvoudig perkamenten omslagje. Het gaat om een: “Naamwyzer, waar in vertoond worden de naamen en woonplaatsen van haar ed. gr. achtb. De Heeren Regeerders der stad Amstelredam, dezes jaars 1788. Als mede van eenige Bedienden der zelve. Tot dienst aller Liefhebbers in goede orde gestelt” (Amsterdam, 1788). De inhoud bestaat uit meerdere losse onderdelen.

Na de eerdergenoemde ‘naamwyzer’ volgt een “Naam-register van al de Predikanten die t' sedert de Reformatie in de jare 1578 tot heden geweest, of noch zyn...”, vervolgens een “Lyste van de capiteinen, luitenants en officieren over de 60 Vaandelen Burgers binnen de stad Amsterdam...”, dan een “Verbetert specie-boek der verminderde Schellingen, tot 5 stuivers 8 penningen uitgerekent van vyf en vier Schellingen in een Worp als mede een Specie-Tafeltje van Agt-en-twintigen…” en tot slot de: “d’Erve der Wed Stichters Almanach op ’t Schrikkel-Jaar onses Heeren Jesu Christi, 1788…”. Er bestaan overigens ook exemplaren met een onderdeel waarin gegevens van Batavia en de vestigingen van de VOC zijn opgenomen.

Dergelijke boekjes staan bekend als ‘herenboekjes’, wat niet wil zeggen dat er helemaal geen dames in staan.
Die vinden we vaak terug als ‘buyten-moeders’ van hofjes, gods-, gast-, spin- en weeshuizen en vrijwel altijd met de vermelding ‘huisvrouw van ...’ zoals bijvoorbeeld één van de buitenmoeders van de Nieuwe Walenkerk “Laurentia Clara Elisabeth van Haesten, Huisvr. Van den Wel Ed. Heer Mr. P.C. Hasselaer, Regeerend Burgemeester, op de Keisersgraft, z.z. tussen de Reguliersgraft en Utrechtsestraat”.
Alleen de ‘Schatsters in de boel- en erfhuyzen’; Anna Adriana Elzevier, Dorothea Wilhelmina Bennet, Beatrix Hoorn en Sara Johanna van der Straten, werden zonder verdere omschrijving met voor- en achternaam vermeld. Zeer waarschijnlijk waren ook zij wel huisvrouw maar niet in de hogere kringen en verschil – ook op papier - moest er wezen. Het boekje is een soort ‘Who is who’ van het jaar 1788; zeg maar een voorloper van de latere adresgidsjes en telefoonboeken.

De adressering is voor onze begrippen kort en vaag. Burgemeester Jan van de Poll woonde “op de Heeregraft bij het Koningsplyn”.
Geen huisnummers (waren er nog niet), soms een nadere precisering zoals bij de secretaris van de zeezaken Hieronimus van der Dussen: “op de Keizersgraft over ’t Huis met de Hoofden” en boekhouder Jan Hamaker “op de Rapenburgergraft, boven de Stal van Orsoy”.
De bibliofiel, tevens eerste stadsklerk ter secretarie Jeronimo de Bosch woonde “op de Keisersgraft, over de Groenlandse Pakhuizen”.
Soms tref je wat sluikreclame aan, bijvoorbeeld bij David Franco Mendes in de Rapenburgerstraat, één van de beëdigde ‘Translateurs’. Hij vertaalde “uit en in ’t Hebreeuwsch, Chaldeeuws, Spaansch, Portugeesch, Fransch, enz.”.
Vooral dat ‘enz.’ intrigeert me dan…en Jacobus Bakker, één van ‘Practiserende Boekhouders’ in de Pieter Jacobstraat, bij de Fluwelen Burgwal “instrueert in het Italiaansch en Scheeps Boekhouden”.

Deze boekjes kom je in antiquariaten en het veilingcircuit weinig tegen. Ze waren destijds bedoeld voor een beperkte doelgroep waaronder de functionarissen van de opgenomen (overheids)instellingen zelf. De oplage was daar op afgestemd en bovendien verscheen er elk jaar een nieuwe editie met als gevolg dat de oude vaak in de prullenbak verdween.
Eén blik in de STCN (Short Title Catalogue Netherlands) leert ons dat de Koninklijke Bibliotheek beschikt over een vrijwel complete serie van 1750 tot 1794 maar dat uitgerekend het jaar 1788 en 1789 ontbreken.
De conclusie dat het dus om een zeldzaam boekje gaat moet echter niet al te gauw getrokken worden. Dit soort efemeer drukwerk van overheidswege is vooral in archiefcollecties bewaard gebleven die vrijwel in het geheel niet zijn opgenomen in de STCN. Zo blijkt het Stadsarchief Amsterdam over een veel grotere serie te beschikken, vrijwel compleet van 1700 tot 1800 waaronder zelfs twee exemplaren van het jaar 1788!