donderdag 27 maart 2014

Máo Zhǔxí Yǔlù


Een pakje sigaretten in een envelop, die gedachte drong zich bij mij op toen ik het van de deurmat opraapte. De geringe omvang (6 cm. x 9 cm.) verbaasde mij evenals de papierkwaliteit. Een soort grijs WC-papier dicht bedrukt met Chinese karakters. Voorin, op een iets betere kwaliteit papier, vijftien pagina’s met dertig actiefoto’s van Mao Zedong (1893-1976) en de titelpagina die – curieus genoeg - ook in het Engels is “Quotations from chairman Mao Tse-Tung”. Aan de ommezijde staat een regel Chinese karakters met eronder in gebrekkig Engels: “Workers of all countres, unite!”. Het onbegrijpelijke colofon achterin vermeldt het jaar (van uitgave?) 1966. De kaft is van glanzend rood vinyl met de titel in goud en een kleurig portret van Mao.

Het is een wat frivool Chinees exemplaar van wat in het Westen algemeen bekend staat als ‘het Rode Boekje’ en in China “Máo Zhǔxí Yǔlù” heet, oftewel 'Citaten van voorzitter Mao Zedong'. De 427 citaten van de ‘Grote Roerganger’ zijn verdeeld over drieëndertig thematische hoofdstukken.
De meest gangbare exemplaren zijn vaak iets groter maar passen nog steeds in het vest- of borstzakje van de grauwe communistische garderobe. Zo lag het direct voor het grijpen bij partijmanifestaties en werd er druk mee gewuifd onder het scanderen van leuzen als “Máo Zhǔxí wansui, wan wan sui!” (voorzitter Mao, lang mag hij leven!).
Het was in Mao’s China verplichte studiekost en lectuur. Ieder die het boekje op verzoek van de Rode Garde niet onmiddellijk kon tonen moest rekenen op een pak slaag of zelfs gevangenisstraf.



De eerste versies van Mao’s Rode boekje circuleerden al in 1964 maar pas in mei 1965 verscheen de eerste officiële uitgave (als ‘tweede druk’). Sindsdien zijn er meer dan een miljard van verschenen in vijfenzestig talen, meer dan dertig formaten (van krantenformaat tot luciferdoosje) en verschillende kleuren. Sommige schattingen spreken zelfs van vijf tot zes en half miljard exemplaren die alleen al tijdens China’s Culturele Revolutie (1966-1976) zouden zijn uitgegeven maar deze ongelofelijke aantallen zijn nooit officieel bevestigd.
Een ding is zeker; het ‘Rode Boekje’ is na de Bijbel en de Koran het meest gedrukte boek ter wereld.

1966 was voor deze uitgave een bijzonder jaar. Het Ministerie van Propaganda van de Volksrepubliek China besloot toen tot export en vertaling van het Rode Boekje.
De eerste Nederlandstalige uitgaven verschenen in 1967. In België een geautoriseerde uitgave vertaald uit het Engels bij Het Internationale Boek (Brussel) en in Nederland een niet geautoriseerde uitgave bij Bruna (Utrecht) in de Zwarte-Beertjesreeks (nr. 1090). Beiden staan hier gebroederlijk naast de Chinese uitgave in mijn bibliotheek.

Over die Nederlandstalige uitgaven is onlangs nog geschreven in het NRC (15 maart 2014) door Gerard Groeneveld. Een smakelijk verhaal waaruit het onderstaande citaat komt. “Eind 1966 kwam Wim van Beusekom, redacteur bij uitgeverij Bruna, op het idee het Rode Boekje in Nederlandse vertaling uit te geven. Bruna-directeur Piet Hagers zocht contact met het Sinologisch Instituut in Leiden, waar Cornelis Schepel werd aangezocht voor de vertaling.

Hoewel officieel geen toestemming voor de vertaling was vereist, omdat de Volksrepubliek China niet aangesloten was bij enige internationale auteursrechtenconventie, zocht Hagers toch contact met de Chinese ambassade. Want Schepel was van de Chinezen afhankelijk voor zijn visa en wilde de autoriteiten niet tegen zich in het harnas jagen.


Men koos de weg van de glimlach. Bruna wilde het boekje absoluut niet in de oorspronkelijke vorm uitbrengen, om elke politieke implicatie te voorkomen. Maar de Chinese ambassade was niet erg toeschietelijk bij het idee dat de uitspraken van hun beminde leider in de met name door detectives populair geworden Zwarte-Beertjesreeks zouden verschijnen. (NB. Pas in 1978 zou er een tweede Nederlandse druk verschijnen bij uitgeverij Ordeman (Rotterdam) die qua vormgeving en uitvoering op het originele Rode Boekje leek).

Hagers werd door de Chinese diplomaten ontvangen in een immens vertrek van de ambassade in Den Haag, met veel rood pluche en muren die rijkelijk van Chinese karakters waren voorzien en die ongetwijfeld de zegeningen van de rode revolutie uitdrukten. 'In totaal heb ik in dat vertrek drie sessies van vele uren doorstaan, met veel geginnegap, veel bleke thee en veel hooiachtige sigaretten, voor ik me - net bijtijds - van hun chicanes en vertragingstactiek heb weten te bevrijden', herinnerde de uitgever zich later.
De Chinezen wilden een editie die als twee druppels water leek op hun eigen uitgave, compleet met vloeipapiertje over Mao's portret. Als vertaler wilden ze per se een 'maoïstisch denker'. Hun keus viel uitgerekend op de sinoloog-diplomaat Robert van Gulik, schrijver van de populaire reeks Rechter Tie. Hagers moest alle zeilen bijzetten om de Chinezen ervan te overtuigen dat Schepel een verantwoorde keus was.
Het was een taaie klus. Schepel probeerde niet zozeer vloeiend Nederlands van de tekst te maken, maar hij hield vast aan het staccato van het Chinese origineel. 'Deze citaten zijn niet bedoeld als bellettrie, maar als leerstellingen en motto's die men - ieder voor zich, maar vooral in groepsverband - leest, voorleest en creatief bestudeert en toepast', schreef hij in de inleiding. (-)



Het werkje vond zonder moeite zijn weg naar een Nederlands lezerspubliek. Piet Hagers meent dat de oplage rond de 150 duizend stuks moet hebben gelegen. In België verscheen vrijwel tezelfdertijd een uitgave, uit het Engels vertaald. Deze uitgave verscheen wél met de goedkeuring van Peking. Dat leek een detail, maar in sommige linkse kringen luisterde dat zeer nauw. Zo adverteerde het Nederlands marxistisch-leninistische maandblad De Rode Tribune alleen met de Belgische editie onder zijn aanhang”.

Zowel in de Belgische als in de Nederlandse uitgave zit een ‘facsimile’ afbeelding van het handgeschreven voorwoord (bij de tweede druk) in Chinese karakters van Lin Biao, door Schepel vertaald in: “Bestudeer de geschriften van voorzitter Mau, gehoorzaam de woorden van voorzitter Mau en handel volgens de aanwijzingen van voorzitter Mau”.

Lin Biao (1908-1971), Chinees politicus en militair leider, was lang beoogd opvolger van Mao Zedong. In 1971 viel hij echter in ongenade.
Met zijn familie vluchtte hij naar de Sovjet-Unie maar halverwege onderweg stortte zijn vliegtuig neer, vermoedelijk door brandstofgebrek, waarbij alle inzittenden omkwamen. Lin’s val in ongenade had tot gevolg dat zijn voorwoord uit talloze Rode Boekjes werd gescheurd en nieuwe edities voortaan zonder verschenen. Ook in mijn kleine frivole aanwinst ontbreekt het, al sluit ik niet uit dat het er nimmer heeft ingezeten.


Overigens, niet alle rode boekjes zijn Rode Boekjes! Mao heeft wel meer geschreven dat in een roodplastic kaft werd uitgegeven! Zo kocht ik laatst voor een paar euro een Chinese uitgave (uit 1970) van iemand die dacht dat het om Mao’s Rode Boekje ging. De tien Chinese karakters op de voorkant (bij het Rode Boekje vijf) verraden echter een andere titel. Het is een uitgave van “Máo Zhǔxí de wu pian zhexue zhu zuo” oftewel ‘Vijf essays van voorzitter Mao over filosofie’. Ook hierin vinden we achter het portret van Mao een kalligrafisch voorwoord van Lin Biao.

Mao’s bewind kostte naar schatting veertig tot zeventig miljoen Chinezen het leven. Veel meer slachtoffers dan we Adolf Hitler (1889-1945) in zijn schoenen kunnen schuiven, wiens “Mein Kampf” in oplage van ‘slechts’ tien miljoen exemplaren verscheen (waarvan honderdvijftig duizend in het Nederlands). Hitler’s boek is nog steeds verboden, de boeken van Mao zijn in China toeristische handelswaar en wereldwijd verkrijgbaar.

Het kan verkeren…


vrijdag 14 maart 2014

The Rembrandt connection


I have not been to the new Rijksmuseum yet.
I saw the documentary about its ten year renovation on television. I watched the opening ceremony on television too and I have heard from people who have been there that the museum is very beautiful. I am deliberately delaying my visit. I am feeling a bit uneasy because I know that they are still there, but not exactly where. I know that they will look at me, just as they did the first time. They will remind me of my promise and I will feel guilty, fall silent and won’t have a proper answer.

I know, I know, you don’t understand, but let me explain about my ‘Rembrandt connection’, well, not with him personally but with one of his paintings.

It happened nearly forty years ago, when I was fourteen years old. Almost every Sunday I would go alone by bus to the Rijksmuseum. I had a ‘Jeugdmuseumkaart’, a free entrance card to several Dutch museums especially for young people from 11 to 21 years. It cost only one guilder (about half a Euro!) and every year it came in a different colour.
A cheap bargain. Oh yes, those were the days! Let me show you the pink coloured one of 1975. It is still in my scrapbook as a memento of my curious experience that year.


Of course with a card like that you were not allowed to use the main entrance, oh no!
You had to enter through the back entrance, the quiet part of the museum. And with the quiet part I do not mean the exterior but very much the interior too! In those years the Asiatic Art section was housed there.
There were rarely any visitors and almost no museum guards. Why would anyone want to see, let alone steal this incomprehensible art? I would quickly sneak my way through small corridors, empty halls, narrow passageways, steep staircases and then hear voices as I approached the more lively front part of the Rijksmuseum. Suddenly there would be lots of people, most of them tourists, all wanting to see old Dutch master paintings, especially Rembrandt’s famous ‘Nachtwacht’ (The Night Watch).

During one of my visits in 1975 it happened.
I remember that it was a warm and sunny day and I felt tired of walking and with all the impressions. As I was not especially interested in old master paintings I walked around aimlessly and happened to enter an empty and quiet room. I sat down, looked up and saw them. The ‘Staalmeesters’ (Syndics of the Drapers' Guild) painted by Rembrandt van Rijn in 1662. Six stern-looking gentleman dressed in black, five with tall black hats.
Was it my imagination or did they really look at me? I felt... drowsy…


Suddenly I heard a loud voice: “Frederick? You may come in boy”. It was Frans Hendricksz. Bel addressing me. He was their servant and lived in the house. A few minutes ago he had opened the door downstairs for me. Slowly I pushed the polished oak door and entered the room. They looked inquisitively at me. Frans wearing his black ‘kalot’ (zucchetto) was standing in the center behind them. Volkert Jansz. Had risen from his chair and whispered to Willem van Doeyenburg; “This is the boy I told you about”. Willem had his hands on a book lying in front of him on the table. Aernout van der Mye, who was sitting next to him, was holding a page as if he had just been checking it.

A stern voice asked: “Well? Where is it?
I felt small and uncomfortable. “At home, master.” Silence…
Where did you find it?” Now I am sure this was Jochem de Neve.
In a rabbit hole master…” They looked surprised.
Where do you hide it?
I keep it in a wooden box master, ever since I found it three years ago”.
Speak louder boy. When will you give back what belongs to us?
I tried not to whisper and mumbled: “I… I don’t know master; soon I promise, soon”.
A long silence passed, then Frans Hendricksz. Bel spoke to me again: “Be gone boy, these gentlemen have work to do and remember: a promise is a promise”.
The heavy oak door closed with a loud bang and I … woke up.


I know, I know, this is not making any sense, but wait.

Three years earlier…
It was 1972 and I was walking with my mother, a friend and his dog not far from my home on the empty and desolate sand slopes put there long ago. You would no longer recognise this place because today the A10 motorway runs here and the economic heart of Amsterdam, the ‘Zuidas’ (South Axis) has totally covered up the empty landscape of my youth. Look at the pictures below taken from exactly the same spot in 1968 and 2013 and you will see what I mean.


It happened behind that tree line on the far right in the picture above. I had my shovel with me. I desperately wanted to be an archaeologist. As a child I didn’t play or like football as normal kids did at my age, oh no. I liked to read about dinosaurs, collect animal bones, coins, antique stuff, to dig in the ground and read history books. Anyway, I was poking around in a rabbit hole with my shovel when something dropped out of its roof. It was round and heavy and looked like it was made of lead. I could see an inscription on it, the insignia of Amsterdam and two dates: 1669 and on the other side 1674. I immediately realised that this was important: “Look ma what I have found! Oh I’m so happy, so happy.

A few weeks later my mother and I visited the Amsterdam Museum where I met Michiel Jonker (1948-2014), the deputy curator. I think he found me amusing. Reluctantly I left my precious treasure with him for research and to have pictures taken of it. A few weeks later I received his letter.


What I had found was in fact a ‘Lakenloodje’, a lead textile seal used as quality assurance by the Syndics of the Drapers to mark their fabrics. It was not just one of the many in the collection of the Amsterdam Museum but an important piece, very well preserved, and on top of that a rare (2.5 inch) ‘anderhalf stael’ seal only used for top quality textiles (the superior quality seal being a ‘dubbel stael’). The museum wanted to buy it from me for their collection. They offered money so that I could buy a motorcycle (!) but I refused.
For me to posses a museum piece at the age of eleven was far more interesting than a motorcycle I was not yet allowed to drive for another seven years!

Thirty years later…
I was in a bookshop and it was by accident that I leafed through the annual bulletin of the Amsterdam Bureau for Monuments & Archeology 2003. No, I had not become an archeologist but instead studied history. Suddenly I saw a familiar black and white picture. An illustrated article by Wiard Krook on sixteenth and seventeenth century Amsterdam lead textile seals ("Staalloden. Zestiende- en zeventiende- eeuwse Amsterdamse textielkeuren", p. 45-53). Yep, there was my treasure and according to Wiard’s text still an important textile seal!


I smiled when I read in his article; ‘Found in 1974 by an ‘Amsterdammer’ in his garden!’. Wrong year, wrong place. We lived in an apartment with a five square meters concrete balcony!
The annual is in my library now and the lead textile seal? It is in the same wooden box where I put it over forty years ago. It is a shame that it very rarely sees daylight and I feel more and more the need to donate it to the Amsterdam Museum as such an important historical artifact should be in a public collection, accessible to everyone, instead of being locked away in a wooden box.

I am grown up now and no longer afraid of Rembrandt’s painting ‘Syndics of the Drapers' Guild’. I had this dream, my 'Rembrandt connection', only once and a long time ago, but whenever I see these stern gentlemen dressed in black I still feel a little uneasy and guilty.
Is it my imagination or is Frans Hendricksz. Bel really whispering to me: “Remember: a promise is a promise…