donderdag 30 november 2017

Tientjeswerk uit drie eeuwen

"En? Nog wat gekocht?". Is een vraag die mij menigmaal wordt gesteld als ik over boekenmarkten en antiquarenbeurzen loop. Soms knik ik bevestigend maar een enkele keer luidt het antwoord: "Nee; maar ik snuffel en koop al het hele jaar door, dus ik hoef het niet meer te hebben van dergelijke bijeenkomsten...".

Hoe ik het hele jaar doorsnuffel en koop heb ik alweer bijna vier jaar geleden beschreven in: "Sneupen 2.0, de digitale sneuper". Internet afstropen, digitaal sneupen loont en hoeft niet kostbaar te zijn!
Tijd om dat weer eens te onderstrepen met wat recente aanwinsten die tien euro per stuk hebben gekost.
Alle voorbeelden in dit stukje vond ik door op trefwoord via diverse sites te zoeken. Op die manier kom ik titels tegen die me interesseren. Sommige titels leveren weer andere nuttige zoekgegevens. Vervolgens zoek ik met behulp van de volledige titel naar achtergrondinformatie over de publicatie (via Google en de DBNL bijvoorbeeld); hoe schaars is de uitgave? (met behulp van WorldCat, de STCN) en is de vraagprijs in orde? (via Antiqbook en Boekwinkeltjes). Eventueel vraag ik aanvullende informatie op bij de verkoper.

Via Marktplaats vond ik zo niet één maar twee publicaties die nauw met elkaar te maken hebben en gezamenlijk werden aangeboden voor twintig euro. Het zijn twee jubileumboekjes die verschenen ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan in 1915 van 'de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels (VBBB)'.
Ze vormen een mooie aanvulling op het rijtje boeken over de 'vereniging met de lange naam' dat ik al hier in de kast heb staan.
Het gaat om J.M. Meulenhoff's: "Viert feest! Korte geschiedenis van de feesten en het jolijt gedurende de eerste honderd jaren uit het leven der Vereeniging" (z.p. 1915) en het zeldzamere: "Programma der feesten ter gelegenheid van het honderd-jarig bestaan van de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels te Amsterdam 11 aug. 1815 11 aug. 1915" (Haarlem, 1915).

De eerste uitgave is rijk geïllustreerd met foto's en facsimile's en de illustratie op de voorkant is rechtsboven gesigneerd door Jan Wiegman (1884-1963). De tweede uitgave, een brochure op handgeschept papier, bevat eigenlijk alleen maar een korte opgave van de inhoud het programma op 11, 12 en 13 augustus 1915 met dierentuin Artis als uitvalsbasis en de namen van de leden van de feestcommissie, commissarissen van orde, ereleden, bestuur, medewerkers, gasten en deelnemers. Het is een boekje aangeboden aan de deelnemers door de firma Emrik & Binger en Ruijgrok & Co. te Haarlem. Het bevat enkele illustraties zoals die bovenaan dit artikel alsmede een tekening van Nelly Bodenheim (1874-1951) die duidelijk is geïnspireerd op het alom bekende schilderij van Johannes Jelgerhuis (1770-1836) met het interieur van de boekhandel van Pieter Meijer Warnars op de Vijgendam te Amsterdam (1820).


Dat historisch materiaal met betrekking tot Amsterdam en Amstelland mijn bijzondere belangstelling heeft mag ik inmiddels als bekend veronderstellen. Ik was daarom in mijn nopjes met een zeer zeldzame negentiende eeuwse brochure die ik vond via Boekwinkeltjes. Alleen het Stadsarchief Amsterdam beschikt nog over een exemplaar.
De titel luidt: "De verplichte verhuizing of de onteigenden uit de Halsteeg en Oude-Doelenstraat. Een droom door J.B.", (Amsterdam, 1868). De auteur is J. Braun, waarvan mij verder niets bekend is.

Het gaat hier om een negentiende infrastructurele verbetering met als doel het door het stadsbestuur in 1595 ingestelde eenrichtingsverkeer van de Dam door de Pijlsteeg en naar de Dam door de Halsteeg te verbeteren.
Door de bebouwing aan noordzijde van de Halsteeg en Oude-Doelenstraat te slopen, waaronder het sigaren- en tabakmagazijn van Hajenius (thans gevestigd aan het Rokin 96), ontstond de huidige brede Damstraat waar tot op heden al het verkeer doorstroomt.
De brochure doet verslag van een wat wonderlijke bijeenkomst van 'medebewoners en bewoneressen van de Halsteeg en Oude-Doelenstraat, Noordzijde' die bijeengekomen zijn om van gedachten te wisselen over het genomen raadsbesluit tot sloop. Wonderlijk omdat niet de aanleiding c.q. verkeersproblematiek ter sprake komt maar allerlei andere stedelijke - en maatschappelijke veranderingen. Positieve, zoals de bouw van ruimere arbeiderswoningen en de nieuwe duinwaterleiding maar ook minder positieve, zoals het verdwijnen van kleine winkels, de opkomst van grote warenhuizen, de stijgende kosten van levensonderhoud en daarmee gepaard gaande toenemende vrouwenarbeid. De droom eindigt met een hulde aan het stadsbestuur "die met vaste hand voortgaat datgene tot stand te brengen, wat tot wezenlijk heil van de gemeente Amsterdam kan strekken".

Tot slot een curieuze achttiende eeuwse preek die ik (alweer) op Boekwinkeltjes tegenkwam: "Predikatie op den Diefstal Gepleegt aan de Roomsche Kerk van Aarlanderveen. In den Nagt tusschen den eersten en tweeden Juny 1776. Uit den mond des Predikers uitgeschreeven, gepreedikt den 9den Juny", (Amsterdam, 1776).
Theologie (antiquarisch ruim voorradig) heeft niet mijn directe belangstelling maar een fraaie Catechismus of bijzonder drukwerk zoals de 'Samaritane' (het 'dollemansboekje' van Frans Baltensz.) of de Kerst-leerrede “met volkoome uitlaating van de Letter R, zonder dat daar door de zin eenigzints verstoord wordt”, een R-lipogram van de Duitse predikant Joächim Müllner (1647-1695), zal ik zeker niet laten liggen!


De Amsterdammer Joannes Pex (1744-1814) was nog geen jaar pastoor in Aarlanderveen (thans gemeente Alphen aan den Rijn, Zuid-Holland) toen zijn statie in de nacht van 1 op 2 juni 1776 werd opgeschrikt door een inbraak in de kerk. Het zilveren vaatwerk werd geroofd en het H. Sacrament in de tuin der pastorie weggeworpen. Grote commotie!
Van het gemeentebestuur verkreeg Pex toestemming om het H. Sacrament plechtig in processie naar de kerk terug te brengen. Ter gelegenheid daarvan verscheen deze feestrede "uit den mond des predikers uitgeschreeven, gepreedikt den 9den Juny" en op 24 juli 1776 kerkelijk goedgekeurd door de Antwerpse A. de Vries, 'Licentiaet in de Godtsgeleerdheid, Canonik Gradueel, en Penitensier, Boekenkeurder'.

De predicatie werd gunstig besproken in de ‘Hedendaagsche Vaderlandsche Letter-Oeffingen…’ (Amsterdam, 1776, deel 5, 1ste stuk) en kostte volgends deze recensie bij de uitgever zes stuivers.
Er zijn in de afgelopen eeuwen diverse preken uitgegeven maar toen ik op trefwoord naar de titel zocht in de STCN bleek mij al gauw dat dit de enige gelegenheidspreek is die dit misdrijf tot onderwerp heeft.
Een bijzonder ingebonden en geannoteerd exemplaar (mogelijk het exemplaar van pastoor Pex zelf) berust in de bibliotheek van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Daarover is in 'De Boekenwereld' (jrg. 23, 2006-2007) een lezenswaardig artikel geschreven door Hubert Vandewalle, oud-medewerkers aan de STCN.

Misdaad loont niet (zegt men), maar tweeënhalve eeuw later leverde het mij toch maar mooi een bijzondere preek op voor mijn 'private library'!

donderdag 16 november 2017

Kiekjes van Joods Amsterdam

Afgelopen zomer trok ik de stad in met het voornemen om bij de Athenaeumboekhandel op het Spui het geheel vernieuwde standaardwerk: "Geschiedenis van de Joden in Nederland" (Amsterdam, 2017) te bekijken en te kopen. Het boek ontving over het algemeen goede recensies en ik was erg nieuwsgierig naar de inhoud.

Voorafgaande aan mijn bezoek bezocht ik de naastgelegen vrijdagse boekenmarkt met een opmerkelijk resultaat maar ook desastreuse financiële gevolgen!
Ik vond daar namelijk - hoe toepasselijk! - een mooi exemplaar in halfleer van de allereerste "Geschiedenis der Joden in Nederland" (Utrecht, 1843), geschreven door mr. H.J. Koenen (1809-1874) die er in 1842 de gouden ereprijs van het Provinciaal Utrechts Genootschap mee verdiende. Een destijds duur maar baanbrekend boek waarvan zelfs een verkorte Duitse versie verscheen!
Net als u, kan ik mijn geld maar één keer uitgeven en de keuze tussen Alfa en Omega viel al gauw op de eerste.


Nieuwe boeken hebben over het algemeen de gewoonte snel goedkoper te worden en ik twijfelde er daarom geen moment aan dat ik mijn Omega binnen afzienbare tijd tegen het lijf zou lopen en vermoedelijk voor een (meer) aangename prijs. Mijn begeerte werd daarmee weliswaar op de proef gesteld maar in de tussentijd kon ik mooi mijn nieuwe aanwinst van A tot Z lezen. Daarmee was ik al geruime tijd klaar toen ik op Marktplaats een exemplaar van de jongste uitgave aantrof dat voor een luttele vijfentwintig euro naar mijn bibliotheek verhuisde. Kijk! Zo doe je dat...

De geschiedenis van de Joden in Nederland met name in Amsterdam heeft altijd mijn speciale belangstelling gehad. Ik ben vooral gespitst op boeken en brochures gepubliceerd vóór de Tweede Wereldoorlog.

Een uitgever die op dat gebied het een en ander heeft laten verschijnen is Menno Hertzberger (1897-1982). Elke antiquaar en bibliofiel kent hem natuurlijk wel en nog maar enkele jaren geleden verschenen zijn schetsmatige herinneringen onder de titel: "Boeken, veel boeken - en mensen" (Amsterdam, 2009).

Ik vond van hem wat oude uitgeversreclame die ik aantrof achterin een brochure getiteld: "Bibliographie en Historie. Bijdrage tot de geschiedenis der eerste Sephardim in Amsterdam" (Amsterdam, 1927), geschreven door S. Seeligmann en verschenen bij Hertzberger.


In het reclamelijstje met "eenige onzer uitgaven op Joodsch gebied" staan verschillende boekjes die ik bezit, zoals dat van J.S. da Silva Rosa: "Geschiedenis der Portugeesche Joden te Amsterdam 1593-1925" (Amsterdam, 1925), met het ex-libris van A.A.L. Vié en blijkens een inscriptie in 1932 geschonken aan mr. J.A. van Sonsbeeck.

Een bijzonder boekje dat in deze lijst voorkomt verdient wat extra aandacht.
Het werd geschreven door de volksrebbe van het Amsterdamse Joden-getto, dr. Meijer de Hond (1882-1943).
Zijn “Kiekjes” (I. Jodenbreestraat Waterlooplein. Amsterdam 1926), gebonden in een beige linnen band met titelopdruk en uitgeversvignet bevat geen foto’s, al zou je dat wellicht wel verwachten met zo’n titel.
Een vervolg (“Kiekjes” deel II) staat verderop op hetzelfde lijstje en zou blijkbaar in 1927 verschijnen, maar om onduidelijke heeft een tweede deel nimmer het licht gezien.


In de Telegraaf van 26 oktober 1926 verscheen een korte recensie van 'mr. I.P.' over de juist verschenen "Kiekjes" die in een nutshell de kern raakt van de lof en kritiek die het boekje kreeg.
"Met groote liefde heeft ook Dr. de Hond zijn volksgenooten lief. Hij, de bekende Amsterdamsche arme lui's-rabbi en behoeder van De Joodsche Invalide.
Zijn kiektoestel heeft De Hond op het welige en woelige Amsterdamsche Ghetto gericht, en een rijke verzameling kiekjes heeft hij daar aangelegd. Met Perets (I.L. Peretz, 1852-1915) heeft hij gemeen de toegewijde liefde, de vereering voor den arme van goed en geest voor den Chassiedisch-geloovige. Maar De Hond is waarlijk verliefd in zijn Ghetto. Daar alleen kan en wil hij ademen, werken, juichend leven. Daar stond zijn wieg, staat zijn huis, zijn werk, zijn doodsbed, en moet die van zijn kinderen en kindskinderen blijven staan. Dat is De Hond's ideologie en in zijn hart veracht en verwenscht hij elk Jodendom buiten dit Ghetto.
Perets is critisch, De Hond critiekloos. Hij gaat geheel in zijn aangebeden sujetten op. De Hond's liefde is rijk en uitbundig. Dat maakt z'n boek zoo'n groot genot te lezen - maar menig lezer zal ten leste toch in opstand komen tegen die overdreven verheerlijking van zooveel onbenullige menschen. Intusschen: het Amsterdamsche Ghetto heeft een genre-schilder in De Hond gevonden, zooals het toch tot nog toe niet bezeten heeft".

Geen foto’s dus maar 45 korte verhaaltjes (17 spelen zich af in en om de Jodenbreestraat en 28 op en rond het Waterlooplein). Stuk voor stuk momentopnamen; kiekjes van het dagelijks leven toen.
Of al mijn opnamen uit de werkelijkheid zijn? Ja! Uit de bestaande werkelijkheid? Neen! Uit wat eens bestond. Het zijn typen waarvan de meesten nu in het rijk der gedachtenis zijn”, schreef De Hond.

Achterin zit een ‘verklarende woordenlijst’, want Meijer doorspekte zijn petites-histoires met tal van Jiddische woorden die toen behoorden tot het normale repertoire in het Amsterdamse getto maar ook nog ver daarbuiten door menig Mokummer werden begrepen.
Het Amsterdamsche Ghetto is de moederschoot van het Nederlandsche Jodendom”, schreef Meijer, “Wie in West-Europa het oer-licht van de Joodsche ziel wil opvangen, moet het Amsterdamsche ghetto binnengaan”.
Vele tienduizenden Joden leefden, woonden en werkten er.
De dagelijkse werkelijkheid daar was een stuk minder romantisch dan De Hond beschreef. Talrijke gezinnen, jong en oud, woonden in kelder- of krotwoningen, vaak in donkere vochtige stegen, waar het grauwe wasgoed van gevel tot gevel hing, en het verschrikkelijk kon stinken. Men leefde in of op de rand van diepe armoede. In de talrijke vuilnishopen speelden kinderen. Loslopende honden, katten en ratten zochten er naar etensrestanten. Overdag vulden de straten zich met een druk gekrioel. Handelend, schreeuwend en bedelend volk, op weg naar huis, de sjoel of werk.

Uitzoeke maar!
Zoo je maar biedt!!
Als ik maar cente zie!!
Zoo krom ken je niet bieje!!
Kijk uit je oogen, dan raak je niet bedroge!!
Rommele maar, rommele maar, rommele maar!!
Je mot ze maar proeve!!
’t Binne de laatste!!
Weg d’r mee!!


Men wist niet beter of het zou altijd zo blijven…


Het Waterlooplein anno 2017.
Het plat-Amsterdamse straatgeroep heeft plaatsgemaakt voor het Engels van toeristen op zoek naar het Rembrandthuis. De sfeer wordt bepaald door winkelketens, in de Jodenbreestraat, de rommelmarkt op het Waterlooplein en de megalomane bebouwing van het Amsterdamse stadhuis, de Stopera.
Het Amsterdamse getto is weg, haar voormalige inwoners opgeslokt door de Duitse concentratiekampen en de oude bebouwing geheel (Vlooienburg) of grotendeels gesloopt.
Slechts enkele gebouwen zoals de Portugese Synagoge met zijn beroemde bibliotheek Ets Haim getuigen nog van een roemrijk Joods verleden alsmede vergeelde afbeeldingen en stemmen van ver weg op papier.


Stemmen zoals die van Meijer de Hond die in september 1942 zestig werd en het jaar daarop in juli met zijn vrouw en kinderen vanuit kamp Westerbork op transport ging naar de Duitse vernietigingskampen. Na drie dagen bereikte hij zijn dodelijke eindbestemming, Sobibór (Polen), ver van zijn geliefde Mokumse getto.

Zijn ‘Kiekjes’ ligt hier open voor me.
Of ze bekeken zullen worden? Door hen, die het ghetto niet vergeten willen met liefde. Door hen, die het willen leeren kennen, met nieuwsgierigheid. En als de laatsten meer zullen zijn dan de eerste, dan zullen zij, die zich voor hun ghetto schamen, ze ook weer gaan bekijken, met spijt over zichzelf en naar ik hoop met… bekeering!”.

Ik lees en herlees.
Vaak uit nieuwsgierigheid, soms met schaamte, soms met spijt maar altijd met… liefde.