Posts tonen met het label Scriverius. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Scriverius. Alle posts tonen

vrijdag 8 juni 2012

Verzamelen, net als ik


Als boekenliefhebber bent u natuurlijk, net als ik, gek op boeken over boeken.
Maakt niet uit of het gaat over de geschiedenis van het antiquariaat, bibliofilie of bibliotheken of over de belevenissen van al die boekengekken die daarin figureren.
En wellicht vind u, net als ik, dat er wat dat betreft maar weinig in het Nederlands is geschreven. Gelukkig, voor u en mij, valt er op Engelstalig gebied een hoop meer te beleven, lezen en verzamelen.

Net als ik beschikt de ware bibliofiel natuurlijk over een paar klassiekers zoals: “The book about books. The anatomy of bibliomania” van Holbrook Jackson en “The enemies of books” van William Blades, naast het “ABC for book collectors” van John Carter en Nicolas Barker.
En net als ik heeft u een voorkeur voor bepaalde auteurs of genres zoals in mijn geval de boeken van Nicholas Basbanes, waarvan er drie in mijn boekenkast staan (“A Gentle Madness”, “Patience and Fortitude” en “Among the Gently Mad”).
Het is alweer enige tijd dat geleden ik ze (net als u?) met veel plezier las en de eerste titel liet ik destijds nog uit Amerika overkomen omdat er in Nederland geen gebonden exemplaar werd aangeboden. Vermoedelijk geeft u, net als ik, de voorkeur aan gebonden boeken boven pocketuitgaven (?).


Basbanes publicaties, over bibliofielen, antiquaren, handelaren, veilinghouders, bibliotheken, en verzamelingen, zijn goed leesbaar, leerzaam en geven een schat aan informatie gelardeerd met talrijke ‘petit histoires’ uit de boekenwereld. Het is interessant om te lezen, wat door wie en op welke wijze werd en wordt verzameld en hoe grote privé- en openbare collecties zijn ontstaan. Menige openbare (universiteits) bibliotheek heeft zijn oorsprong te danken aan particulier initiatief.

Misschien leest u, net als ik, ook graag boeken met avonturen van verzamelaars zelf. Vlot geschreven zijn de boeken van het Amerikaanse echtpaar Lawrence en Nancy Goldstone; “Used and Rare. Travels in the book World” (New York, 1997) en het vervolg: “Slightly Chipped. Footnotes in booklore” (New York, 1999).
Toen ik laatst de enthousiaste reactie van Sneuper las over het eerste boek realiseerde ik mij dat ik beiden weliswaar in de kast had staan maar nog steeds niet had gelezen. Uw verbaasde ‘waarom, oh waarom’, vraagt om een korte explicatie.
Omdat, beste lezer, ik al geruime tijd vermoed dat in verreweg de meeste gevallen de Amerikaanse verzamelaar een liefhebber is van ‘modern firsts’, liefst met spiksplinternieuwe stofomslag. De Goldstone’s hebben me in dat vermoeden niet teleurgesteld.


Niet dat het lezen van hun avonturen daarom een straf is; geenszins.
De ontwikkeling die de Goldstone’s doormaken; van geïnteresseerde lezers naar verzamelaars en de situaties waarin zij belanden in boekwinkels en op veilingen is herkenbaar. Om die reden vond ik beide boeken plezierig leesvoer, maar…..
Wellicht bent u, net als ik, geen verzamelaar van ‘modern firsts’ en kunt u zich dus, net als ik, weinig voorstellen bij hun typisch Amerikaanse verzamelobsessie. In dat geval raad ik u aan om dit weblog eens goed door te lezen en te (blijven) volgen. Weinig over ‘modern firsts’, wat meer over 'used books' ‘old and rare’.

Mijn laatste veilingaanwinst is een uitgave die ik al een paar jaar op het oog had. Een exemplaar van Petrus Scriverius (1576-1660) “Beschrivinge van Out Batavien met de Antiquiteyten van dien.” (Amsterdam, 1646). Verkrijgbaar bij diverse antiquariaten, maar ik zocht naar een onbetaalbare ‘fine copy’, compleet (inclusief 62 portretten), goed gebonden in perkament met ruime marges en weinig verkleuring van het papier.


'Old and rare' en 'modern firsts'. Uiteindelijke maakt het niet uit wat onze obsessie is. "Collect what you like". Waar het bij serieus verzamelen om gaat zijn kennis, ervaring en 'de regels van het spel' en die vind u, net als ik, in boeken over boeken.

 “Perfection is everything. Book collecting is about the search for perfection, to get as close as you can to one-of-a-kind” (“Used and Rare”, blz. 190).

maandag 18 oktober 2010

Fantasie met iets te veel testosteron

Wij kennen het ware gelaat van de Hollandse graven en gravinnen niet. Tot de oudste afbeeldingen behoort de omstreeks 1490 geschilderde serie gravenportretten in het Haarlemse stadhuis. De meesten van hen waren toen al zo’n twee eeuwen dood en hoewel de geschilderde figuren allen individuele kenmerken hebben, zowel in gelaat als (fantasierijke) kleding, zijn het geen van allen portretten naar het leven getekend. Wie daarover meer wil lezen kan ik het interessante boekje van W. van Anrooij (red.) aanraden: “De Haarlemse gravenportretten” (Hilversum, 1997).

Kern van mijn oude boekencollectie ‘perkamentjes’ vormen de in de 17de en 18de eeuw uitgegeven middeleeuwse kronieken waarin deze graven en gravinnen van Holland (Zeeland en Friesland) een belangrijke rol spelen.
De boeken werden vaak geïllustreerd met hun afbeeldingen (soms van top tot teen, soms alleen hoofd en schouders c.q. portretbustes). Iconografisch zijn de afbeeldingen allemaal terug te voeren naar de Haarlemse serie gravenportretten.
Dat de afbeeldingen vaak op elkaar lijken is dus geen verrassing. Daarover wordt in het eerdergenoemde boekje (door Jan de Jong) uitvoerig geschreven en ook ik publiceerde geruime tijd geleden op dit weblog hierover een stukje getiteld ‘Baardgroei’.
Daaruit bleek dat het portret van Albrecht van Beieren (1336-1404) zoals Petrus Scriverius ons geeft in zijn: “Hollandsche, Zeelandsche ende Vriesche Chronyck, ofte een gedenckwaerdige beschryvingh van den Oorsprong, Opkomst en Voortgang, der selver Landen. Soo onder de Regeeringe en Successie der Graven, wegens hare geslachte en verrichtinge, van Diederick den I. tot Philips den III” (’s Gravenhage, J. Veely and J. Doll, 1678) erg veel lijkt op het 33 jaar daarvoor gepubliceerde portret van Albrecht in het boek van Caspar Wachtendorp: “Oude Hollandsche Geschiedenissen ofte, Corte rym-kronyck: verdeelt in XIIII Boecken, beginnende van de Suntvloet, tot den Iare 1560” (Amsterdam, Johannes Pauli, 1645).


Opmerkelijker echter is dat een aantal portretten in het boek van Scriverius om voor mij duistere redenen totaal afwijken van eerdere afbeeldingen met als klap op de vuurpijl het portret van gravin Ada van Holland (1188-1223). Nou is de levensgeschiedenis van deze Ada op zich al geen rozengeur en maneschijn. Nadat haar vader Graaf Dirk VII in 1203 was overleden werd zij als vijftienjarige door haar moeder Aleid van Kleef uitgehuwelijkt aan Lodewijk II van Loon. Het huwelijk werd snel voltrokken nog voordat haar vader begraven was en zorgde voor een schandaal met politieke gevolgen, de zogenaamde Loonse oorlog (1203-1206). Haar oom Willem I (1165-1222) betwistte de opvolging en eiste het Graafschap Holland voor zichzelf op. Ada werd belegerd in Leiden, verbannen naar Texel en later zelfs naar Engeland. Uiteindelijk stierf zij kinderloos op jonge leeftijd en werd zij in de abdij van Herkenrode (Hasselt/België) begraven. Ook geschiedschrijvers hadden het moeilijk met haar. Sommigen rekende haar wel, andere weer niet tot de graven c.q. gravinnen van Holland.

De onbekende etser die de portretten in het boek van Scriverius voor zijn rekening nam was, zo merkte Jan de Jong al op, een middelmatig vakman die vooral niet bedreven was in het weergeven van de ogen. Zijn afbeeldingen geven daardoor nogal eens de indruk dat eenieder die graaf van Holland werd onmiddellijk door een vreselijke oogafwijking werd getroffen. Helaas trof onze gravin Ada een veel ernstiger lot. Van het lieflijke en vrouwelijke gelaat in het eerder verschenen boekje van Wachtendorp is niets meer over. 


Zijn verbeelding van de gravin doet mij eerder denken aan een 17de eeuwse travestiet verkleed als Ada inclusief het karakteristieke hoofddeksel.
Welke van de twee afbeelding haar het meest recht doet is onbekend maar het volgende pleit niet in haar voordeel.

In juni 1950 onderzocht dr. B.K.S. Dijkstra een aantal menselijke skeletten opgegraven op het terrein van de voormalige abdijkerk van Rijnsburg.
Zijn taak bestond erin om deze stoffelijke resten die zeer waarschijnlijk toebehoorden aan een aantal graven en gravinnen uit het Hollands Huis, familie dus van onze Ada, te identificeren. In 1979 verscheen hierover zijn publicatie: “Graven en gravinnen van het Hollands Huis. Onderzoek van de stoffelijke resten, opgegraven op het terrein van de voormalige abdijkerk te Rijnsburg” (Zutphen, 1979).

Een van de gevonden skeletten was dat van een dochter van eerdergenoemde Willem I, een volle nicht dus van onze Ada. Ook zij droeg de naam Ada van Holland (1208-1258) en was vanaf 1239 abdis van de Abdij in Rijnsburg. Aan haar schedel te zien was het bepaald geen schoonheid. Een slecht gebit met een flinke overbeet. Haar botten waren soms ‘eerder mannelijk dan vrouwelijk’. Dijkstra’s eindconclusie onder het kopje ‘geslachtsbepaling’ (blz. 57) is dan ook: “Vrouw, die waarschijnlijk nooit kinderen heeft gebaard, met lichamelijk mannelijke trekken”.


Die etser kon met zijn fantasieportret, met iets te veel testosteron, nog wel eens dichter bij de waarheid hebben gezeten dan wij denken!

zondag 26 april 2009

Baardgroei

A(a)lbrecht van Beieren (1336-1404) was pas 23 jaar toen hij in 1358 zijn krankzinnige broer opvolgde als Graaf van Holland, Henegouwen en Zeeland en Hertog van Beieren-Straubing uit het Huis Wittelsbach.
De jonge Graaf werd (met het wapen van Holland) ruim 200 jaar later passend afgebeeld door Caspar Wachtendorp in zijn "Oude Hollandsche Geschiedenissen ofte, Corte rym-kronyck: verdeelt in XIIII Boecken, beginnende van de Suntvloet, tot den Iare 1560", (Amsterdam, Johannes Pauli, 1645).

In 1678 publiceerde Petrus Scriverius zijn "Hollandsche, Zeelandsche ende Vriesche Chronyck, ofte een gedenckwaerdige beschryvingh van den Oorsprong, Opkomst en Voortgang, der selver Landen. Soo onder de Regeeringe en Successie der Graven, wegens hare geslachte en verrichtinge, van Diederick den I. tot Philips den III", (’s Gravenhage, J. Veely and J. Doll, 1678).
Ook in zijn boek noemt hij natuurlijk Graaf Albrecht van Beieren en toont diens portret (blz. 379). Tussen de publicatie van beide 17e eeuwse boeken ligt drieëndertig jaar. Graaf Albrecht heeft zich in de tussentijd niet geschoren zou je kunnen concluderen.

Maar ook zonder bril zie je duidelijk dat de portretjes wel erg veel overeenkomsten vertonen en de waarheid is natuurlijk dat het om dezelfde afbeelding gaat.
Dat overnemen van boekillustraties gebeurde toen wel vaker. In dit geval werd gebruik gemaakt van dezelfde etsplaat die enigszins werd bijgewerkt. Het wapen van Holland werd vervangen voor het volledige wapenschild van de Graaf en hijzelf kreeg keurig een volle baard!