maandag 19 december 2011

Vagevuur en aflaat

Op een van onze zomervakantiedagen bezochten we Eisenach in Thuringen.
Ik kende de stad alleen uit de verhalen van een inwoner die ik ruim twintig jaar geleden sprak.
Dat was in een andere tijd (het IJzeren Gordijn was er nog) en in een andere vakantie. Destijds was het beeld dat wij van Eisenach kregen dat van een grauwgrijs typisch Oost-Duits industriestadje. Mogelijk was dat ook ooit zo maar daar was dan in de zomer van 2011 niets meer van te merken. Integendeel. Wie zijn ogen in Eisenach de kost geeft ontdekt al gauw dat de stad aan de voet ligt van een berg met op de top een imposante burcht.

Dit is niet zomaar een kasteel maar de Wartburg, een van de best behouden en mooiste wereldlijke gebouwen in laat-romaanse stijl ten noorden van de Alpen.
Zijn bekendheid ontleend de burcht aan verschillende legendarische en historische gebeurtenissen zoals de sage van de ‘Sängerkrieg’ die later door Richard Wagner (1813-1883) werd verwerkt in zijn romantische opera “Tannhäuser” (1845).
Verreweg het meest bekend is de Wartburg als de plaats waar Maarten Luther (1483-1546), bijna een jaar, in ballingschap verbleef nadat hij in 1521 in de ban was gedaan.

Tijdens een hevige regenbui namen wij daar deel aan een rondleiding en uiteraard heb ik toen ook een foto genomen van de ‘Lutherstube’, het werkkamertje waar Luther het Nieuwe Testament in het Hoogduits vertaalde dat alle Duitsers konden lezen. Het is dus een misverstand dat Luther de Bijbel voor het eerst in het Duits vertaalde. Tenminste achttien vertalingen gingen aan de zijne vooraf, zoals de ‘Mentelin-Bibel' (1466) en de ‘Otmar-Bibel’ (1507 en 1518).

Ook voor boekengekken is de Wartburg een goede plek want ze beschikken daar over een slotwinkeltje met diverse interessante uitgaven.
Zo kocht ik onder andere een facsimile van de vijfennegentig stellingen (anoniem gedrukt rond de jaarwisseling van 1517/1518 in Leipzig, Neurenberg en Bazel) die Luther volgens de legende op 31 oktober 1517 op de deuren van de slotkapel in Wittenberg zou hebben geplakt.

In Luther’s befaamde stellingen draait het om vergeving en met name de praktijken rond de aflaat waarin een levendige handel bestond en waaraan de Rooms-katholieke kerk grof geld verdiende. Met een gedeeltelijke of volle aflaat werd de koper zondaar gedeeltelijk of geheel verlost van zijn tijdelijke straffen en zonden die hij in het vagevuur moest uitzitten.
Aflaten worden nu nog steeds verstrekt al bestaan daarvoor allerlei regelingen en voorwaarden. Aangezien geen mens zonder zonde is, zelfs Perkamentus niet, besloot ik enige tijd geleden om eens op zoek te gaan naar iets wat mijn tijd in het vagevuur kan bekorten.


Weliswaar ben ik niet echt religieus (wel gedoopt) maar ook geen volslagen atheïst en je weet maar nooit… Voor dergelijke zaken moet je zoeken ‘beneden de grote rivieren’, in Brabant bijvoorbeeld of Limburg, maar Marktplaats werkt ook goed.
Na enig gesnuffel kocht ik voor een paar euri een officieel ‘ootmoedig verzoek aan de voeten van de Heilige Vader’ om een volle aflaat.
Niet duur”, hoor ik u zeggen maar het is dan ook een ‘tweedehandsje’. Mogelijk dus niet meer zo krachtig, maar er staat geen houdbaarheidsdatum op dus ik gok het maar.

Het fraai gekalligrafeerde blad werd uitgegeven door het Vaticaan in 1924 onder het pontificaat van Paus Pius XI (1857-1939) die in volle glorie staat afgebeeld en inmiddels, voor wat betreft het hiernamaals, zelf ervaringsdeskundige is.
De handgeschreven tekst eronder bevestigd dat het verzoek genadelijk door de heilige Vader wordt erkend (“Sanctissimus Dominus benigne annuit precibus. Dat. ex aedibus Vaticanis die 15 sept.1924”). Het geheel is voorzien van het pauselijke zegel in preegdruk en officieel ondertekend door Carolus Cremonesie, aartsbisschop van Nicomedia.

Zorgvuldig is de naam (een zondaar die het vagevuur al enige tijd geleden heeft verlaten) verwijderd zodat ik te zijner tijd op de lege plaats mijn eigen naam kan invullen. Daarmee wacht ik nog even want volgens de gebruiksaanwijzing wordt de volle aflaat pas verleend “in het stervensuur, mits tot biechten of communiceeren niet meer in staat zijnde…”.
Nog even geduld dus, maar deze zondaar is tenminste voorbereid!

maandag 12 december 2011

Zeurkous

Ik stel te hoge eisen hoor ik wel eens.
Vooral bij de aanschaf van modern bibliofiel drukwerk laat ik me leiden door teveel een aantal criteria wensen.
Allereerst moet de inhoud me aanspreken en passen bij mijn belangstelling. Maar behalve als informatiedrager zie ik het boek ook als esthetisch object.

De vormgeving vind ik belangrijk en het gekozen lettertype, de illustraties (al zijn die niet per se noodzakelijk), het materiaalgebruik (papier en band). Soms erger ik me aan kleine details en denk ik ‘hadden ze maar dit of dat’. In gesprek met mede verzamelaars hoor ik dan wel eens ‘je stelt te hoge eisen’, of erger ‘zeurkous’. Maar is dat ook werkelijk zo?

Neem nou de lezing van Gerrit Komrij: “De crisis in de bibliofilie” (Den Haag, 2011) uitgegeven door Museum Meermanno. Wat is daar mis mee? Wel, dat ze de oplage (250 exemplaren, waarvan vijftig voor de verkoop) niet hebben genummerd en gesigneerd, daar kan ik nog wel mee leven (zij het moeizaam).
Maar ik ben het helemaal eens met de opmerking van Occy die schrijft: “Stel u bij de bibliofiele uitgave overigens niet al te veel voor: de uitvoering is vanzelfsprekend verzorgd, maar geniet – & dat is altijd een tegenvaller.
Bij dergelijk klein bibliofiel drukwerk verwacht je toch een cahiersteek? 

Ander voorbeeld.
Het vrijwel onvindbare: “Iets over boek en prent in Japan” (Lelystad-Haven, 1989), een met de hand gezet, gedrukt en gebonden boekje uitgegeven door De Watersnip Pers in een oplage van 50 genummerde exemplaren. Ik heb ooit nummer 26 kunnen kopen en toen ik het las viel mij op dat er met geen woord werd gerept over de typische Japanse boekbind-techniek. Daar kan ik nog wel mee leven (zij het moeizaam) maar het stoort mij wel dat een dergelijk boekje in een groenlinnen band zit. Je verwacht bij dit onderwerp dat ze het passend, dus op Japanse wijze, binden.

En? Stel ik te hoge eisen en/of ben ik een zeurkous?

Mijn laatste aanwinst pronkt inmiddels tussen zijn bibliofiele broeders en zusters.
Het gaat om een exemplaar (nummer 51 van de 100) van: “Raccolta Pornografica” (Tilburg, 2010). In feite een fotocatalogus van de meest sprekende objecten uit de verzameling erotica van Ronald en Mitzi Peeters.


Een smakelijke inhoud met prachtige, soms ‘verborgen’, foto’s (van Jan Stads) en een fantastische vormgeving (door Hans Lodewijkx). Handgebonden, Japans geknoopt met rood garen, notarissluiting met grijs garen.
Dat alles opgeborgen in een fraaie rood zwarte opbergcassette.
Raccolta Pornografica” is daardoor meer dan alleen maar een fraai vormgegeven stapeltje papier. Het is “zelf een begeerlijk en verleidelijk kunstvoorwerp geworden.


Woorden van Ed Schilders, waar ik me graag bij aansluit want, geef toe, ook als je geen erotica verzamelt en niet Akim heet kan je als boekenliefhebber toch grenzeloos genieten van dergelijk zorgvuldig en smaakvol uitgegeven drukwerk.
Ze hadden het alleen nog kunnen signeren… 

… maar nu ben ik zeker een zeurkous.

maandag 5 december 2011

Goedkoop en bijzonder, bijzonder goedkoop

Voor bibliofiel drukwerk slaag ik de laatste tijd goed bij antiquariaat Kok in de Amsterdamse Oude Hoogstraat.
Toen ik daar vorige week weer eens de stapels ‘klein maar fijn’ doorploegde vond ik twee interessante uitgaven waarvoor ik slechts vijftien euro betaalde.

Het eerste dat ik tegenkwam was een bibliofiel dundrukje getiteld: “Wulpse verzen” (z.p., 1986), van uitgeverij ‘Extrapotent’, gedrukt in een oplage van 115 stuks (‘dit is nummertje XIX’). Het zijn een aantal homo-erotische verzen van Jos Mastro die ook de toepasselijke vignetten tekende. Niet dat ik van de mannenliefde ben, maar leuke bibliofiele boekjes in een beperkte oplage laat ik nu eenmaal niet gauw liggen. Voorbeeldje?

Een mooie grote jongen die ik uitverkoos
Zei: Goed, ik ben altijd gereed voor wat gevoos
Mijn lul is zwaar als lood, als ook mijn billen
En mijn zak is helemaal niet meer te tillen;
Die komt iets later aan, met Van Gend en Loos.

De tweede die ik uit het stapeltje hengelde was:
Het versleten corset van de Nederlandse Letteren. Scheld- en bijnamen van en voor Nederlandse schrijvers, uitgevers en zo” (Amsterdam, 1994). Het boekje werd in een eenmalige oplage van 750 exemplaren uitgegeven door Uitgeverij Thomas Rap voor vrienden en relaties.
Het is niet door de samenstellers, Arendo Joustra en Jaap Scholten, gesigneerd maar door uitgever Thomas Rap (1933-1999): “Alle goeds, Thomas”.
Omwille van de signatuur en de vermakelijke inhoud  (“Thomas Rap is een fatsoenlijke jongen maar begrijpt nergens iets van“, Gerrit Komrij) onmiddellijk gekocht.
Een paar voorbeeldjes.
Koningin Wilhelmina bestond voor het oog uit een gevederde pothoed, gestut door een kennel bontvossen” (Adriaan Roland Holst).
Over Huub Oosterhuis; “Copywriter van de firma Christus & Co.”, alweer van Komrij, die als “Nederlands dichter en kankerdoos” (Jeroen Brouwers) maar liefst vijfentwintig keer als bijnaamgever en vijf keer als -ontvanger voorkomt in dit boekje.

Blij met deze twee aanwinsten uit de categorie ‘goedkoop en bijzonder’ vervolgde ik mijn tocht naar huis via de Amsterdamse Kalverstraat. Uiteraard passeerde ik boekhandel De Slegte niet zonder even naar binnen te wippen.
Ik hoefde niet ver te kijken, want vlakbij de ingang lag een grote stapel van het boek van P.J. Buijnsters en
L. Buijnsters-Smets
: “Papertoys. Speelprenten en papieren speelgoed in Nederland (1640-1920)” (Zwolle, 2005).
Een mooi gebonden en geïllustreerd boek over een leuk onderwerp, zeker als je – zoals ik - van waardevol oud bedrukt papier houdt. Bovendien een mooie aanvulling op mijn bibliotheek waar ook al beide andere boeken staan die het echtpaar Buijnsters over het oude school- en kinderboek schreef.

En nu we toch zijn aangeland bij de categorie ‘bijzonder goedkoop’, voor een echt fantastische ramsj aanbieding moet u gauw naar een Libris boekhandel. Daar vond ik afgelopen vrijdag twee dikke gebonden uitgaven van Charles Darwin (1809-1882):
De reis van de Beagle” en “Het ontstaan van soorten” (Amsterdam/Antwerpen 2009).
Toen ik nieuwsgierig naar de prijs van deze prachtig geillustreerde boeken keek kon ik mijn ogen niet geloven. Negen euro vijfennegentig (€ 9,95) per stuk!
Mijn ongeloof en verbaasde gemompel over deze belachelijke en onwaarschijnlijke lage prijzen moet de toevallig passerende verkoper hebben gehoord; “Een mooie vangst mijnheer. Ik ben nog steeds bang dat ik bericht krijg van uitgeverij Atlas dat het een vergissing is”. Gauw betalen en wegwezen...

maandag 28 november 2011

Vuur!

Het was er uit voor ik het wist…

Op 28 februari 2011 bespraken we in de monumentencommissie de reconstructie van Post 12. Deze aarden wal is een van de weinig overgebleven verdedigingswerken van de zogenaamde ‘Posten van Krayenhoff’.
De post maakte ooit deel uit van een oude linie rond Amsterdam, een directe voorganger van de Stelling van Amsterdam die sinds 1996 op de wereld erfgoedlijst van UNESCO staat. De aanleg van de oude linie vond begin 19de eeuw plaats onder leiding van C.R.T. baron Krayenhoff (1758-1840).


De verzakte aarden wal zou weer op de juiste hoogte worden gebracht. De sloot ervoor werd aangepast en uitgediept en erachter – op het bedrijventerrein - kwam een soort halfrond theater met zitplaatsen. Het leek  architect P.A.M. Hersbach leuk als er ook een informatiebord met enige uitleg zou komen. De inhoudelijke informatie konden wij wel verstrekken, geen probleem.
‘Maar eh’… zei ik, nog leuker zou het zijn als er ook een origineel 19de eeuws kanon wordt geplaatst, “zal ik eens op zoek gaan naar een kanon?”. Het was er uit voor ik het wist.

Er werd naar mij gekeken en vriendelijk geglimlacht en ik wist wel ongeveer wat ze dachten; ‘doe je best’ en ‘dat lukt ‘m nooit’. Toegegeven ook ik had mijn twijfels maar na enig heen en weer gebel vond ik via de Bataviawerf in Lelystad toch een echte negentiende eeuwse voorlader bij Stichting Herstelling.
Toen ik op het bedrijventerrein in Amsterdam-Zuidoost ging kijken schrok ik. Dit was geen kleintje, maar een gietijzeren bakbeest van ruim drie duizend kilo. Optimistisch gaf ik door aan de gemeente Amstelveen dat ze het gevaarte met een ‘bakkie en knijper’ konden ophalen, maar dat bleek een misvatting. Er moest speciaal vervoer worden geregeld.


En toen was het mijn beurt om te glimlachen. Oeps! We hebben een kanon! Maar nu?
Er moest nog wel even een rolpaard worden gebouwd waarop het gevaarte kon rusten. Bovendien moest de locatie worden gefundeerd. Het is gelukkig allemaal goed gekomen.

Op vrijdag 25 november jl. is ‘mijn’ kanon met rolpaard door de Amstelveense wethouder drs. J.W. Groot op zijn plek gehesen. Samen met het informatiebord is weer een prachtig stukje geschiedenis en cultuur tastbaar gemaakt.

VUUR!

maandag 21 november 2011

De verzamelaar(s)

De verzamelaar anno 2011 heeft het maar makkelijk.
Jong en oud kan zich aansluiten bij verenigingen.
Op haast elk gebied zijn er interessante handleidingen en/of specifieke publicaties en het regent het hele jaar door kleine en grote verzamel(aars)beurzen.
De meeste verzamelaars beschikken over voldoende vrije tijd en geld en dankzij internet is de hele wereld jachtterrein geworden en kan een collectie snel worden opgebouwd en uitgebreid.

Dat alles schoot door mijn hoofd bij het doorbladeren en lezen van het “Handboek voor den verzamelaar. Een praktisch boek, leerende het aanleggen, in orde maken en onderhouden van alle soorten van verzamelingen” (Leiden, 1880), geschreven door Tiberius Cornelius Winkler (1822-1897), die vanaf 1864 conservator was van Nederlands eerste en oudste museum; het Teylers museum in Haarlem.

Het boekje verscheen destijds bij de gerenommeerde Leidse uitgever A.W. Sijthoff in afleveringen en omvat zeven delen; (I) De kever-, vlinder- en rupsenverzameling, (II) De planten-, varens-, mos-, korstmos-, paddestoel- en bladerverzameling, (III)
De mineralenverzameling, (IV) De schelpenverzameling, (V) De schedelverzameling, (VI) De eierenverzameling en (VII) Het aquarium, terrarium en insectarium.
Allemaal traditionele verzamelgebieden waarvan de objecten tot in de 18de eeuw vaak werden opgeborgen in het naturaliënkabinet om mee te pronken.


Feitelijk was dit de eerste verzamelaars handleiding voor jongens jongeren die in Nederland is verschenen. Winkler’s handboek is thans gezocht maar zeker in goede staat, schaars en duur goed. Op de afgelopen Dordtse boekenmarkt zag ik voor het laatst een exemplaar liggen in originele uitgeversband. Het was duidelijk intensief gebruikt en dat is niet zo verwonderlijk want ik vermoed dat veel jonge verzamelaars van toen met het boek in de hand de natuur introkken om hun collectie te starten. Goed voor de verzameling, niet zo goed voor het boek. Desondanks werd voor dit exemplaar toch nog honderd vijftig euro gevraagd.

Winkler’s handboek was geen uitgesproken kinderboek ook al richt hij zich in zijn voorwoord tot ‘de jonge lezers van dit boek’. In zijn biografie over uitgever Sijthoff noemt, de in de boekenwereld bekende, R. van der Meulen het: “een eigenaardige uitgaaf, die, hoewel voornamelijk voor de jeugd bestemd, toch ook personen van elke leeftijd goede diensten kan bewijzen”. Mogelijk daarom werd het geen bestseller. Er verscheen maar één editie en het restant daarvan lag een paar jaar later voor spotprijzen in de ramsj zoals blijkt uit diverse krantenadvertenties.

Helemaal begrijpen doe ik dat niet, want Winkler’s boek is boeiend geschreven en bevat sfeervolle en instructieve illustraties. Deze waren overigens, samen met het idee voor deze uitgave, overgenomen van de Duitse uitgeverij Velhagen & Klasing. Bij hen verscheen enkele jaren eerder: “Das Buch der Sammlungen. Praktische Anleitung zum Anlegen, Ordnen und Erhalten aller Arten von Sammlungen, überhaupt zur Unterstützung naturwissenschaftlicher und geschichtswissen-schaftlicher Liebhabereien.
Für die deutsche Jugend
” (Bielefeld/Lpz., 1873).
In Duitsland kende het boek wél een redelijke mate van populariteit gezien de verschillende bijgewerkte edities die tot 1890 verschenen. Er verscheen ook een Engelse vertaling: “The Home Naturalist; With Practical Instructions for Collecting, Arranging and Preserving Natural Objects” (Londen, ca. 1880).


Van alle illustraties geniet die van ‘de verzamelaar’ tegenover de titelpagina wellicht de meeste bekendheid.
De zonderlinge wat verstrooide figuur met zijn insectenhoed doet ons meer denken aan Mijnheer Prikkebeen dan aan een adolescent uit de beoogde doelgroep. Dat was toen ook al zo en daarom gaf de schrijver in zijn voorwoord een uitvoerige verklaring, typisch voor zijn tijd: “Wat ’n rare vent! Zult gij misschien zeggen. Raar, ja zeker, raar wil zeggen zeldzaam, het is het fransche woord rare, dat wij in onze taal hebben overgenomen, maar daaraan de betekenis hebben gegeven van wonderlijk. Raar of zeldzaam is het zeker dat een oude heer zich zóó wil opschikken. En toch….. ik wensch u toe dat gij eens zulk een ‘rare oude heer’ moogt worden. Immers als gij zóó wordt, zijt gij ten 1sten oud, en dus niet jong gestorven, wat een geluk is. Ten 2den hebt gij nog krachten genoeg om tochtjes naar buiten te maken, en zijt gij dus niet zwak of gebrekkig, maar gezond, wat ook een geluk is. Ten 3den hebt gij lust om de natuurlijke historie van dieren en planten te bestudeeren, en hebt gij dus uwen geest geoefend in aangenamer en zielverheffender bezigheden, dan, bij voorbeeld, coupon-knippen. Ten 4den hebt gij tijd om verzamelingen aan te leggen en te onderhouden, en dus geen zorgen voor het dagelijksche brood, en dat alles is ook een geluk. Als ik u dus toewensch eenmaal zulk een rare oude heer te worden, wensch ik u geluk, en dat zult gij mij zeker niet kwalijk nemen.”.

De titelprent wordt voorafgegaan door een paginagrote vooraankondiging van de uitgever dat er al een vervolg op de pers lag.
Het ging om een deel geschreven door de Amsterdamse stadsarchivaris Mr. N. de Roever Az. (1850-1893): “Het verzamelen van Handschriften. Handboek voor het aanleggen van eene verzameling van handschriften” (Leiden, z,j,). Het zou evenals dat van Winkler een ‘praktisch boek’ worden ‘voor jongelui bewerkt’.
Uiteindelijk verscheen het samen met: “Het verzamelen van zegels. Handboek voor het aanleggen van eene zegelverzameling” (Leiden, z.j.). Bovendien verscheen vrijwel gelijktijdig het door zijn Leidse collega Mr. Ch. M. Dozy (1852-1901) geschreven: “Het verzamelen van munten en penningen. Handboek tot het aanleggen van eene munt- en penningverzameling” (Leiden, z.j.).

Hoe interessant ook, men kan toch nauwelijks volhouden dat deze verzamelgebieden voor Nederlandse jongens jongeren van toen makkelijk toegankelijk waren. De door Sijthoff geformuleerde termen ‘praktisch’ en ‘voor jongelui bewerkt’ komen in de titel niet meer terug en terecht want de inhoud is, anders dan Winkler’s boek, nog maar weinig op deze doelgroep gericht.

Het zal dan ook geen verwondering wekken dat ook van deze verzamelaars handboeken maar één editie verscheen die al spoedig in de ramsj lag, naast het boekje van Winkler. De delen van De Roever worden antiquarisch nog wel eens aangeboden maar dat van Dozy’s moet vrij zeldzaam zijn (er verscheen een herdruk in 2005) en daarom ontbreekt het nog in mijn collectie. Tips aan deze verzamelaar zijn welkom!

maandag 14 november 2011

Het 'volkomen gelijkende' portret

Na lange tijd werd mij onlangs weer een gravure aangeboden gemaakt door mijn verre voorvader Jan Willem Caspari (1779-1822), naar een tekening van zijn broer Hendrik Willem Caspari (1770-1829). Het gaat om een portret (aquatint) uit een serie door hem vervaardige zogenaamde protestantse portretten en stelt de Nederlandse predikant Hermannus Pauw (1770-1856) voor. Er onder staat een zwierig gedicht door ene ‘H’. Tevens staat er rechtsonder (in de plaat) ‘proefdruk’, wat zou betekenen dat dit een (af)druk is door de kunstenaar gemaakt vóór de voltooiing van de plaat, ter controle van zijn werkzaamheden. Maar enige argwaan dienaangaande is op zijn plaats, want ik ken van deze prent geen exemplaren zonder deze aanduiding.


Wat mij opviel toen ik het blad ontving (octavoformaat met een gedeelte van een watermerk linksboven) was dat de royale marges rond de afdruk nu eens niet afgesneden waren. Vermoedelijk is het blad afkomstig uit een negentiende eeuwse portrettencollectie want het is aan de voor- en achterzijde voorzien van wat biografische aantekeningen betreffende Pauw.
Altijd leuk om eens uit te pluizen en dit onderzoekje zou mij al gauw leiden naar interessante informatie over de afbeelding zelf .

Aan de voorzijde onderaan staat gekrabbeld: “n. 1765 (65 doorgestreept) 71/70. April 1792 Pred. te Renkum…. 1814 te Brussel. Emer. 1830 te Breda + 1856. 23 feb.
Deze aantekeningen, een aantal hoogtepunten uit het leven van Pauw, behoeven geen bijzondere toelichting. Op een aangeplakt strookje aan de achterzijde staat: “12 apr. (2e Paaschdag) 52 Ds. Pauw, nu te Kampen woonachtig vierde heden gedachtenis van zijn, vóór 60 jaren, aanvaard leeraars ambt. Hoe?
De berigtgever noemt het ‘eene hoogst zeldzame plegtigheid’ dus denkelijk openlijk, in eene Godsdienstoefening’". Ook dit is wel duidelijk en Pauw's jubileumviering in 1852 in Kampen is ook terug te vinden in biografische naslagwerken.


Vervolgens staat daaronder in een andere hand: ”Navorscher VII vraag 50 vraagt naar een portret van hem.” Het is deze, voor velen wellicht wat cryptische opmerking, die interessante informatie zou opleveren.
Hiermee werd verwezen naar het bekende genealogische blad ‘De Navorscher’, jaargang VII (1857), waarin ene heer ‘T’ de volgende vraag (nr. 50) stelde:
Bestaat er ook een portret in plaat van den Hervormden Leeraar H. Paauw (onlangs te Breda overleden), den voornamen bewerker van de bevrijding van den Briel van de Franschen in 1818?”.
Nog in dezelfde jaargang vinden we het antwoord van een zoon van Hermannus Pauw.
Volgaarne beantwoorde ik de vraag van T. en berigt hem: Dat er onderscheidene portretten in plaat van wijlen mijn geliefden vader, den Wel-Eerw. heer Hermannus Pauw, overleden te Breda, 23 Febr. 1856, bestaan. Daaronder herinner ik er mij althans één dat mijns inziens, afschuwelijk leelijk, - in gelijkenis en gravure, - heeten mag. Maar het laatste (behalve het wel bekende gesteendrukte silhouët door wijlen den heer Barbiers, dat ook zeer gelijkt, en mijn vader voorstelt op 75 of 76 jarigen leeftijd) en, zoo veel mij heugt en anderen verzekerden, volkomen gelijkende, is dat geteekend door H.W. Caspari, gegraveerd door J.W. Caspari, en uitgegeven bij J.v. Ledden Hulsebosch, Amsterdam, 1809. Mijn vader was toen 39 jaren oud. Onder dat laatste staat het volgend bij schrift door H.

"Dit’s Pauw, die zwier van taal, die roerende gebaaren
Met Godgeleerdheid , smaak, en oordeel weet te paaren
Breda. vereert dit beeld, om zijn vertrek benard
Op dat hij in haar oog steeds blijve, als in haar hart."

‘t welk ik ook dáárom mededeel, omdat, gelijk mijn vader mij dikwerf heeft verteld, die H. niemand anders was dan de, als Latijnsch, dichter zeer bekende (ik meen zelfs beroemde) nu wijlen heer Hoefft, tot zijn dood toe vriend mijns vaders, en, vroeger, insgelijks te Breda overleden. Ook herinner ik mij, uit den mond mijn vaders, dat genoemd bijschrift het éénige Hollandsche vers was, ooit door den heer Hoefft vervaardigd, en dat de nederige geleerde dáárom alleen er zijn’ naam niet voluit onder plaatste. Die bijzonderheden mij ooit onder geheimhouding verteld zijnde, en nu tot de geschiedenis behoorende, meende ik ze openbaar te mogen maken, of ze iemand belang inboezemden. Is T. welligt een geacht verzamelaar van portretten, en stelt hij er prijs op ‘t bovenbedoelde van mijn geliefden vader te bezitten, hij gelieve zich tot mij te wenden, die misschien in de gelegenheid ben er hem een exemplaar van te schenken, en zulks dan gaarne doen zal.
De thans éénige zoon des overleden Evangelie-Predikers,

J.M. Zwanenbeek Pauw.
gepd. le Kapn. der Genie.


Dankzij deze ingezonden brief werd de identiteit van geheimzinnige ‘H’ onthuld.
Het ging om de letterkundige en Latijns dichter Jacob Hendrik Hoeufft (1756-1843). Persoonlijk nog leuker vind ik de lovende woorden over de graveerkunsten van mijn genealogische oud-grootvader. Door deze postume 'veer in zijn kont' weet ik nu zeker dat hij een uitstekend vakman was!

maandag 7 november 2011

Geduld, toeval en snuffelen


De afgelopen maanden was het een vast ritueel. Even naar de bekende antiquariatensites om daar in het zoekscherm telkens dezelfde twee titelwoorden te typen. Tot voor kort was het resultaat een blanco scherm, ‘er zijn geen titels gevonden met…’ of een ander - ongewenst - resultaat.

Internet is handig als je een specifieke titel zoekt, maar die moet dan wel net aangeboden worden en dat is bij mij meestal niet het geval. Vaak heeft dat te maken met twee factoren; mijn dure exclusieve smaak en/of mijn excentrieke onderwerpskeuze.
In dit geval was het een combinatie van beiden want het ging om een boekje geschreven door Ed Schilders en uitgegeven voor vrienden en kennissen, in een beperkte oplage van tweehonderd exemplaren, getiteld “De Pelle Humana. Boeken gebonden in mensenhuid” (Tilburg, 1994). Het is een verzameling citaten met betrekking tot dit bizarre onderwerp, zoals het volgende voorbeeldje duidelijk maakt:


"65    Er zijn bibliomanen - tegelijk erotomanen - die een bepaald soort boeken hebben laten binden in vrouwenhuid, in het bijzonder die welke ontleend is aan de borsten, en wel zo dat de tepels op de platten karakteristieke kussentjes vormden. De uitgever Isidore Liseux bevestigde dat hij ooit een op deze wijze gebonden exemplaar in de handen heeft gehouden van het beroemde Justine van de markies de Sade, en wel de eerste druk in één deel in-octavo (1793). dr. G. Witkowski".

Voor de liefhebbers is de tekst hier integraal te lezen. Degenen die zich afvragen waarom ik dan toch per se deze uitgave zocht en kocht (voor elf euro en een paar centen) zijn beslist géén bibliofielen!
Boeken in mensenhuid zijn zeldzaam maar bestaan werkelijk zoals hier en hier is te lezen en zien.

Ongezocht en toevallig gevonden bij de opening van antiquariaat Don Quichot, is een vergelijkbare bibliofiele uitgave van de journalist, dichter en schrijver Hans van Straten (1923-2004): “Met het mes tussen de ribben” (Utrecht, 1987). Deze werd uitgegeven in een oplage van slechts zestig exemplaren voor familie en kennissen.
Ook dit is een verzameling citaten maar dan van ‘moordenaarskritieken’.
Kritieken waarin, zoals Van Straten schreef, “met één sabelhouw, met één goedgerichte messteek, met één revolverschot straight-from-the-hip een boek of een komplete schrijverspersoonlijkheid wordt afgeslacht”.


De aller-kortste (volgens Van Straten vaak de beste) trof hij aan in het boek “Schrijvers op de rand van ‘80” (Amsterdam, 1979) van Frank van Dijl:

Humbüch.

Ondanks de kleine oplage vreemd genoeg goed verkrijgbaar bij Boekwinkeltjes voor bedragen tussen de tien en vijftien euro. In mijn exemplaar staat een uitvoerige opdracht:

Natuur heeft al haar kinderen een levenstaak toegekend:
Wie als schrijver mislukt kan zich nog verhuren als recensent.
(vrij naar James Russell Lowell).

Voor Lucas Ligtenberg, groot voorvechter van klein drukwerk.
Hans van Straten.
Utrecht, 15 april 1988
”.

Bij het doorsnuffelen van klein drukwerk bij antiquariaat Kok vond ik voor een paar euro: “Priaap ontknoopt” (Oosterbeek 1984), uitgegeven in een oplage van honderd vijftig exemplaren.
Het is nummer 69 (hoe toepasselijk!) in de ‘Privaat-Domein’ serie. Een verzameling onverbloemde erotische poëzie ‘van eigentijdse gerenommeerde auteurs’, zoals deze limerick van A. Roland Holst (1888-1976):

Ik zag professor Van Moerkerken
Meer dan een uur op een hoer werken.
’t Was een oud lijk weliswaar
Maar toch kwam hij klaar.
Je kon het aan de vlek op de vloer merken.


Zo maar een paar bibliofiele verzamelbundels. De moraal van dit verhaal?
Het is een misverstand dat leuke bibliofiele uitgaven in een beperkte oplage per definitie duur zijn. Toegegeven, een grote portemonnee is soms handig maar zeker niet noodzakelijk.
Verzamelen is vooral een mix van geduld, een beetje toeval en veel snuffelen.

zondag 30 oktober 2011

Teleurstelling en geluk

Natuurlijk was Perkamentus ook dit jaar weer op de 32ste Antiquarian Book, Map & Print Fair 2011, in de Amsterdamse PTA.
Dat wordt steeds meer een ‘feest der herkenning’ met een sfeer die nog het meest doet denken aan een reünie van oude bekenden en vrienden. Over het algemeen ben ik dus meer tijd kwijt met praatjes hier en daar over oude boeken dan het werkelijk zoeken naar oude boeken.

Zo sprak ik ondermeer met NGB-medelid J.A. Brongers (alias ‘Sneuper’ en niet te verwarren met de ‘Boekensneuper’) over de stand van zaken betreffende zijn binnen afzienbare termijn te verschijnen, herziene, aangevulde en geïllustreerde uitgave van het “ABCDarium voor de boekensneuper”.
Een voor de bibliofielen onmisbaar lexicon, waarvan de laatste smaakvolle uitgave onder de titel “Boekwoordenwoordenboek. Rondgang door de boekenwereld” (Amsterdam, 1996) verscheen bij uitgeverij De Buitenkant.

Waar ik reikhalzend naar had uitgekeken was het boek van John LandwehrMijn herinneringen aan de wereld van het oude boek“ (z.p., 2011), dat vrijdag 28 oktober door hem werd gepresenteerd en gesigneerd. Aangezien ik zaterdag pas naar de beurs ging, en de oplage van het boek beperkt is (‘privately printed’), had ik voor alle zekerheid gevraagd voor mij een gesigneerd exemplaartje te reserveren. Uitgaven met herinneringen en ervaringen van verzamelaars en antiquaren zijn redelijk zeldzaam en ik verwachtte een groot inhoudelijk spektakel van deze, volgens P.J. Buijnsters, “op afstand de beste en belangrijkste Nederlandse boekverzamelaar uit de periode 1950-2010”.

Ik zal het maar meteen verklappen.
Het is één grote teleurstelling.

Dat het een uitgave is in slappe kaft en dat de illustraties niet altijd even duidelijk zijn, waardoor het geheel lijkt op een wat veredelde gekopieerde ‘reader’ uit mijn studietijd, is de ware bibliofiel al een gruwel.
Veel erger is dat er vrijwel geen herinneringen noch ervaringen in staan! Het voorwoord stemt nog hoopvol maar uiteindelijk is het niet meer geworden dan een beschrijving en bespreking van diverse uitgaven van zijn hand en van de boeken die hij ooit verzamelde, kocht en verkocht.
Enigszins onbegrijpelijk is dat wel, want er gaan veel verhalen rond over John Landwehr in 'het wereldje' en ik had nu wel eens zijn eigen verhaal willen lezen in plaats van deze opsomming van boeken, boekjes en reeds lang bekende feitjes. Wie P.J. Buijnsters “Geschiedenis van de Nederlandse Bibliofilie” (Nijmegen, 2010) er op na slaat kan daarin op zeven pagina's (121-128) heel wat meer vinden over de verzamelaar John Landwehr dan in zijn eigen, 175 pagina's tellende, ‘herinneringen’!

Of ik nog wat bijzonders heb gekocht? Ja, maar heel bescheiden.
In de stand van de Amsterdamse De Slegte vond ik een exemplaar van het boek van Boudewijn Büch (1948-2002): “Geluk. Een vertoog over reizen, bibliotheken en heel veel geld” (Amsterdam, 2000).


Ondanks het feit dat deze uitgave destijds niet in de handel verscheen is het boekje antiquarisch ruimschoots verkrijgbaar voor prijzen rond de vijfentwintig euro.
Ik zocht echter al heel lang naar een gesigneerd exemplaar en deze is door Büch, heel ferm, op blz. 4 gesigneerd en gedateerd (10-3-2001). Met wat vriendenkorting betaalde ik vijftig euro.

maandag 24 oktober 2011

Een fiasco in prachtband


De boekenliefhebber die op 26 maart 1852 de nieuwe Rotterdamsche courant las kon de grote advertentie niet zijn ontgaan:
A.C. Kruseman, te Haarlem, heeft de uitgave ondernomen van een belangrijken letterarbeid. Hij stelt zich voor, achtereenvolgens ter perse te leggen eene reeks van nieuwe, zuivere, onverminkte Hollandsche overzettingen van de meesterstukken der nieuwere, en welligt der oudere litteratuur.
Dit plan is gegrond op de volgende overwegingen:
Dat het al meer en meer behoefte wordt voor ieder, die op eenige kennis en beschaving aanspraak wil maken, met de buitenlandsche kunstschatten op 't gebied der letteren bekend te zijn;
Dat het niet ieders zaak is om een schrijver in de oorspronkelijke taal te lezen, goed te verstaan, en in al zijne verdiensten te waarderen;
Dat er van velen dier meesterstukken geene, of dikwijls slechts zeer gebrekkige overzettingen bestaan, en anderen verouderd of uit den handel zijn;
Dat er in de voornaamste landen van Europa eene dergelijke reeks van vertalingen, met de meest naauwlettende zorg bijeengebragt, en door het publiek naar waarde geschat, bestaat;
Dat, eindelijk, ook Nederland hierin niet achter mag blijven en er ook prijs op zal stellen, tegen geringe geldelijke opoffering zich in het bezit te stellen van die werken van hooge waarde, die de proef van den tijd hebben doorgestaan en tot modellen zijn geijkt
”.

Men kon direct intekenen op één of meerdere delen van deze serie buitenlandse klassieken waaronder het boek van Laurence Sterne (1713-1768): “The life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman” (London, 1759-1767).
Vertaald door Mark Prager Lindo (1819-1877) verscheen het onder de titel: “Het leven en de gevoelens van den heer Tristram Shandy“ in afleveringen van: “telkens vier vellen druks in 12°. , te zamen 96 bladzijden, die den tekst bevatten van een honderd en vijftig gewone groot 8°. pagina's. Elke aflevering van 96 bladzijden zal slechts 60 cent kosten”. Zodra alle afleveringen van een deel waren verschenen konden de intekenaren apart een in staal gegraveerd titelvignet kopen à 10 cent.
Kruseman’s uitgave van Tristram Shandy omvatte uiteindelijk 652 bladzijden (in twee delen, 340 en 312 bladzijden) die ieder naar zijn eigen smaak en portemonnee kon laten inbinden.


Toen ik onlangs bij De Slegte in Utrecht een exemplaar kon kopen in een fraaie negentiende eeuwse industriële uitgeversband heb ik niet lang geaarzeld.
Blijkens een klein boekbindersetiketje aan de binnenzijde is deze prachtband van de ‘Gebr. Van den Heuvel, hofboekbinders, ’s Hage’.
Mooi donkerrood linnen met een blinde reliëfpersing op het voor- en achterplat en bovendien op het voorplat en de rug bedrukt met florale motieven in goudbestempeling.
De rug vermeldt naast de auteur en titel ook de uitgever.
Een identiek exemplaar bevindt zich, heel toepasselijk, in de collectie van de Laurence Stern Trust.

Daarnaast vond ik een zwart-wit afbeelding in het boekje van Fons van der Linden (1923-1998): “In linnen gebonden. Nederlandse uitgeversbanden van 1840 tot 1940” (Veenendaal, 1987, blz. 80).
Daarin staat deze band naast een Engelse band die in goud- en blindstempeling veel overeenkomsten vertoont. Van der Linden schreef hierover:
Contemporaine uitgeversbanden uit het buitenland krijgen hier soms een getrouw evenbeeld, zonder dat het op dit moment al mogelijk is de toedracht bij zo’n reproductie te reconstrueren.” Als voorbeeld daarvan noemt hij ondermeer: “de door A.C. Kruseman te
’s-Gravenhage
(?) uitgegeven serie klassieken [Tasso, 1856 enz. gebonden door de Gebroeders Van den Heuvel te ’s-Gravenhage] vertoont opmerkelijke gelijkenis met de delen van ‘Routledge’s British Poets’ [ Milton, 1855 enz.).
Van navolging c.q. kopieergedrag is hier onmiskenbaar sprake, maar door wie? Uitgever Routledge werd pas in 1851 opgericht en de Nederlandse uitgave van Tristram Shandy in deze boekband is van begin 1852.


Ondanks Kruseman’s ‘overwegingen’ liep diens project uit op een financieel fiasco, want in 1859 waren er nog maar 77 intekenaren. De serie werd in 1863 van de hand gedaan, opnieuw uitgebracht onder een andere naam ('de meesterstukken der buitenlandsche letterkunde') en ging in de uitverkoop.
Uiteindelijk kon men bijna tien jaar later Sterne’s Tristram Shandy in vergulde linnen prachtband voor slechts twee gulden en vijfenzeventig cent kopen. Mocht u een dergelijk fraai exemplaar zoeken vinden dan moet u thans rekenen op een bedrag rond de honderd vijfentwintig euro.

maandag 17 oktober 2011

Gek geworden


Voetstappen buiten… de deurbel… kippenvel.
Verwachtingsvol loop ik naar de deur. Mijn pakketje uit België.
Of ik even wil tekenen? “Nou dolgraag!”, en iets te uitbundig voor het digitale apparaat dat mij onder de neus wordt gehouden (de helft komt niet over) krabbel ik mijn handtekening. Het gaat om de eerste Nederlandse vertaling van het boek van Richard de Bury: “Philobiblon” (Kalmthout, 2006), uitgegeven door de Carbolineum Pers.

Met de hand gezet, in perkament gebonden en gedrukt op geschept papier in een oplage van vijf en zeventig exemplaren, gesigneerd door de illustrator (Bram Malisse) en vertaler (Wim Devriendt). Er zit zelfs een stofomslag om en het boek zit in een cassette. Driedubbele luxe dus waarvoor, u vermoedde het al, diep in de buidel moest worden getast. Maar ja… dergelijke uitgaven behoren nu eenmaal tot de primaire levensbehoefte van de ware bibliofiel!

Het handschrift van Richard de Bury (1287-1345), het oudst bekende tractaat over de liefde voor boeken, werd voor het eerst gedrukt in Keulen in 1474. Overigens was de inhoud mij al wel bekend want in mijn bibliotheek staat “Das Buch vom Buch” (Bremen, 1962) van Helmut Presser “mit einer übersetzung des Philiobiblons von Lutz Mackensen und einer bibliographie von Hans Wegener”. Een paar jaar geleden voor een paar euri op de Haagse boekenmarkt gekocht.

Philobiblon” was niet mijn eerste kennismaking met de Carbolineum Pers; een echte Vlaamse private press. Geruime tijd geleden vond ik bij Minotaurus al “De Bibliomaen” (Kalmthout, 2010). Het is een gedichtje van de Gentse stadsarchivaris en dichter Prudens Van Duyse (1804-1859) gepubliceerd in het Gentse tijdschrift "De Eendragt", in 1858. Het bibliofiele kleinood (oplage slechts vijfenvijftig exemplaren, waarvan nummer vijfentwintig in mijn bezit) bevat ook een fotoportretje van Van Duyse en kostte slechts vijftien euro. Blindelings en zonder aarzeling meteen gekocht!


Philobiblon” was ook niet mijn laatste kennismaking met de Carbolineum Pers.
Ik ben (zoals u inmiddels wel weet) gek op dergelijke gelimiteerde prachtuitgaven. Bij het doorbladeren raak ik vaak in een staat van opwinding die uiterst gevaarlijk is voor mijn financieel welbevinden. Ook ditmaal…Voor ik het wist stuurde ik met bibberende vingers een e-mail naar antiquariaat Fokas Holthuis:

"Waarde Fokas, Paul en Nick,
Ontving vandaag De Bury' s 'Philobiblon', van Boris Rousseeuw. Ben onder de indruk van dit prachtig uitgegeven boek van de Carbolineum Pers en vroeg mij af of jullie vinden dat ik dan ook maar Komrij's 'Lof der Stront' (book 21593 op Antiqbook) moet aanschaffen? Ik hoor graag nader.

Als verslaafde hoop je op een beetje compassie van die jongens. Dat ze je tot bezinning brengen, je wijzen op je onredelijke hebzucht en de bibliomane koorts temperen door te schrijven dat ze dit prachtboek (oplage zestig genummerde en gesigneerde exemplaren) liever zelf houden, dat je nog zoveel andere leuke dingen van dat geld kunt doen of dat het - jammer maar helaas - net is verkocht.

Hartelijk dank voor het bericht. Boris Rousseeuw maakt inderdaad schitterend drukwerk, in een eigen en herkenbare stijl, en schuwt het handzetten niet. Bovendien is zijn tekstkeuze ijzersterk. Vanzelfsprekend zijn wij van mening dat niets de aanschaf van Komrij’s vermakelijke Lof der Stront in de weg staat. Onze vraagprijs is € 300,- maar we zijn in dit geval bereid om 10% korting te geven.

Welja! Korting geven en vervolgens nog eens kosteloos opsturen ook!
Zijn ze daar soms helemaal gek geworden?

maandag 10 oktober 2011

Noodzakelijk wereldhaten

Regelmatig kijk ik in de boeken-
kraam van Marieke Lont op de Amsterdamse Spui boekenmarkt. Marieke behoort tot de handelaren die zich hebben gespecialiseerd in een specifiek boekgenre dat niet direct mijn belangstelling heeft; in dit geval kinderboeken. Desondanks bekijk ik ook haar aanbod want je weet immers nooit…

Geheel onverwachts trof ik daar laatst een stapeltje pamfletjes, almanakken en ander oud drukwerk aan waaruit ik een curieus zeventiende eeuws literair werkje viste in een eenvoudig papieren omslag.
Wat mij onmiddellijk opviel was het formaat en de typografie.
Papier was in de zeventiende eeuw duur (de voornaamste kostenfactor bij de boekproductie) en vrij veel drukwerk uit die tijd bestaat dan ook uit kleine formaatjes, vaak ook gedrukt in een ouderwets zwaar gotisch lettertype. Deze uitgave - groot kwarto formaat - met zijn allegorische titelprent en zijn romeins/romeins cursief lettertype straalde een zekere luxe uit.
Maar er was meer dat mij intrigeerde, zoals die vreemde titel: “Noodsakelyck wereld-haten op de woorden Christi.” (Amsterdam, 1634), de fraaie gebruikte ‘head- en tailpieces’ die mij zo bekend voorkwamen, het geschreven ex-libris en ‘last but not least’ de auteur die niet op de titelpagina maar pas aan het eind, op pagina zestig, tekent met ‘J. Krul’. Voor maar vijfentwintig euro dorst ik het avontuur wel aan!

Thuisgekomen begon het grote feest! Lekker uitpluizen en snuffelen in mijn bibliotheek en op internet. Eerst de Short Title Catalogue Netherlands (STCN) geraadpleegd.
De uitgave bleek goed vertegenwoordigd in openbare collecties. Zo beschikt Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam over maarliefst vijf exemplaren en de Koninklijke Bibliotheek heeft er drie.
Niet zo verwonderlijk.
De overlevingskansen van dergelijk luxe drukwerk door de eeuwen heen waren altijd al groter dan die van eenvoudig populair drukwerk, zoals bijvoorbeeld almanakken.

De Nederlandse rooms-katholieke auteur Jan Hermansz. Krul (ca. 1602-1646) kende ik nog niet. Krul moet een kleurige veelzijdige persoonlijkheid zijn geweest. Lieddichter, toneelschrijver, ijzer- en boekhandelaar (!) en ook nog eens in 1633 geportretteerd door niemand minder dan Rembrandt.
Op de titelpagina staat in een leesbaar handschrift: “Ex. Libris P.J. Versturme-Roegiers”.
Dit moet de Gentse kunstverzamelaar en bibliofiel Pierre Joseph Versturme-Roegiers (1777-1846) zijn. Waarom deze boekenliefhebber de ene keer zijn boeken voorzag van een dergelijk handgeschreven eigendomskenmerk en de andere keer gebruik maakte van zijn gedrukte heraldisch ex-libris (zoals we dat terugvinden in een laatmiddeleeuws getijdenboek uit zijn collectie dat thans berust in de British Library) is mij onduidelijk.

Dan de fraaie gebruikte ‘head- en tailpieces’, die bijdragen aan de luxe uitstraling van deze uitgave. Ze kwamen me bekend voor en al gauw vond ik ze terug in diverse andere contemporaine uitgaven zoals J. de Beka’s: “De episcopis Ultraiectinis” (Utrecht, 1642/1643).
Maar ook, zoals de afbeelding geheel onderaan laat zien, onder elkaar als een enkel ‘tailpiece’, in P.C. Hooft’s “Neederlandsche Histoorien” (Amsterdam, 1642) en Chr. Schotanus a Sterringa’s “De Geschiedenissen Kerckelyck ende Wereldtlyck van Friesland Oost ende West” (Franeker, 1658). Drukkersgereedschap al dan niet geleend, gekocht, geërfd of anderszins overgenomen zwierf wel vaker rond.

Krul’s “Noodsakelyck wereld-haten op de woorden Christi.” blijkt te zijn uitgegeven in een verzamelwerk: “Eerlycke tytkorting bestaende in verscheyde rymen” (Amsterdam, 1634) dat uit elf afzonderlijke publicaties bestaat, ieder met zijn eigen titelblad en paginering. Op de titelpagina van deze verzameluitgave staat zijn naam wel vermeldt, op de afzonderlijke titelpagina’s dus niet.
Een wat eigenaardige constructie; was er een intentie om de delen ook afzonderlijk uit te gegeven?
De boekdrukker is Pieter Jansz. Slyp die veel werk van Krul heeft gedrukt.
Zijn bedrijf was gevestigd "op de Nieuwe-zijdsachter Borch-wal, in de Goude Knoop". Grappig; want thans is dit de Spuistraat, die aan de zuidzijde eindigt op het Spui, de plek waar ik dit drukwerkje – na bijna vier eeuwen en vermoedelijke vele omzwervingen - kocht.

Krul heeft veel zorg besteed aan zijn werk. Dat blijkt naast de vormgeving ook uit de diverse kanttekeningen in de tekst uit de Bijbel en Kerkvaders.
De uitgave bestaat uit verschillende onderdelen. Een “In-leydingh” (blz. 1-6), vervolgens een “Corte vraegh, ende antwoort over de plaghen Godes, in dese eeuwe tot ons” (blz. 7/8) dan het “Noodsakelyck wereld-haten op de woorden Christi.” (9-37) en tot slot een “Noodsakelyck vermaeningh” (38-60).
Het gehele werk is doortrokken van Krul’s lijfspreuk “Gedenck te sterven”.
Anders dan bijvoorbeeld tijdgenoot Joost van den Vondel schreef Krul nadrukkelijk voor "'t ghemeene volck". Veel verbeeldingskracht heeft men dan ook niet nodig bij zijn opmerkelijke niet mis te verstane en onverbloemde dichttrant. In dit geval over alle wereldse ondeugden en verleidelijkheden, zoals ijdelheid:

Wat baet het sneeu-wit vel, verciert met bloosde kaecken?
Wat baet dan schoonheyts-lof, daer men veel moet op draeght?
Ken’t schoon, van schoonheyts-lof, met glory yets vermaecken
Als van ’t geworremt ons het vleesch werd af-geknaeght?”


De onbezonnen jeugd:

"Nu koom ick eens tot die, die gaerne hare Ieught
Gebruycken in de lust van Wereldlijcke vreught,
Al waer dat men den buyck ghelijck een Afgod eeren,
Met lecker spijs of dranck, wellustigh banqueteeren:"


En natuurlijk vrouwen:

“Geen Mensch begrijpen ken de list der geyler Vrouwen,
Die zy (in schijn van heyl) verborghen keunen houwen.”


Praalzucht, rijkdom, overvloed, wellust, drank en andere wereldse zaken. Ze leiden af van de weg die leidt naar Gods genade en dus dichtte Krul:

“Leert (ô Mensch!) ’t noodsaeck’lijck haten,
Werelds-lusten te verlaten.
’t Vyer van u begeerten blust,
Leert, ey! Leert begeerte sterven
En het vleesch zijn wellust derven
Dat in sachte pluymen rust.”


donderdag 6 oktober 2011

Reclame voor Don Quichot!

Op mijn blog zult u (nog) geen reclameboodschappen en irritante pop-up’s aantreffen. Je schijnt er geld mee te kunnen verdienen (al heb ik geen flauw idee hoeveel) maar ik vind ze over het algemeen niet fijn, opdringerig en oninteressant.
Het zou al een stuk aangenamer worden als het reclame betrof van antiquariaten en boekwinkels (tipje?).
Aan dat laatste voldoet onderstaande berichtgeving en daarom maak ik graag - geheel belangeloos natuurlijk - een uitzondering op de openingszin.

Afgelopen zaterdagmiddag was ik bij de feestelijke opening van antiquariaat Don Quichot in de Amsterdamse Oudemanhuispoort (kast 5).

Don Quichot (geopend dinsdag t/m zaterdag van 11.00 uur tot 17.00 uur) is een initiatief van de boekhandelaren Max van Til (links) en Arnoud Bosch (rechts), die zich respectievelijk in kast 3 en 4 hebben genesteld. Beiden staan overigens ook op de vrijdagse boekenmarkt op het Spui die een voorname voedingsbron is voor de stukjes op dit blog en dit jaar alweer twintig jaar bestaat!

‘De Poort’ heeft een lange traditie en geschiedenis in de wereld van het boek. Wie de oude foto’s en verhalen van vroeger kent werd de afgelopen decennia bij zijn of haar wandeling door de kale en tochtige gang met een enkele boekverkoper wel eens bevangen door weemoed naar vroeger.

We weten allemaal dat het niet zo best gaat in ‘de wereld van het boek’. Het aantal winkelantiquariaten neemt af en snuffelen en sneupen via internet is – wat mij betreft - de dood in de pot. Laten we het hopen dat de oude tijden weer herleven. ‘De Poort’ verdient een wederopleving en ik wens Don Quichot dan ook heel veel klanten toe en nog meer succes!

zaterdag 1 oktober 2011

Bij het graf van Charles Nypels

Vrijdag, een week geleden.
Langzaam kuierend, met een sigaartje, over de boekenmarkt op het Amsterdamse Spui passeerde ik de kraam van het Leidse antiquariaat Klikspaan.
Ik heb weer nieuwe boeken over typografie” zei Axe van Maanen tegen me.
'Zo, zo', dacht ik, zo langzamerhand beginnen ze me hier te kennen.
Nieuwsgierig dook ik zijn kraam in. Inderdaad vond ik wat smakelijke uitgaven waaronder een exemplaar van: “In Memoriam Charles Nypels 1893-1952”, (Amsterdam, 1953).

Na het overlijden van de grote typograaf, drukker, uitgever en auteur gedrukt door de N.V. Lettergieterij ‘Amsterdam’ voorheen N. Tetterode waar Nypels destijds onder begeleiding van de eveneens befaamde Sjoerd H. de Roos (1877-1962) het vak leerde. Een uitgave niet in de handel maar bestemd “voor de vrienden van Charles Nypels en de minnaars van het schone boek”. Dat moeten er nogal wat geweest zijn want de oplage bedroeg maarliefst 2000 exemplaren!

De overigens smaakvolle, naar een typografisch ontwerp van eerder-
genoemde De Roos, uitgegeven brochure is dan ook antiquarisch bepaald niet schaars.
Alleen al op boekwinkeltjes.nl staan zo’n vijftien exemplaren voor prijzen van € 5,- tot € 95,- euro.
Ik betaalde voor mijn exemplaar € 25,- euro, maar deed dat meer om de bijlagen, dan om de brochure zelf.

Wat hier namelijk los bijzat was de originele aanbiedingsbrief die voor zover ik kan nagaan vrijwel altijd ontbreekt (Antiquariaat Fokas Holthuis bood in zijn nieuwsbrief 278, 15 oktober 2008 een exemplaar aan met deze aanbiedingsbrief voor € 15,- euro). Nog belangrijker was een andere losse toevoeging die vermoedelijk veel zeldzamer geworden is.

Het gaat om een kopie van een getypte brief van Aldert (Maria) Witte (1916-1974) typograaf en auteur van het opgenomen artikel “Meester-drukker” waaruit blijkt dat het slot van zijn bijdrage ‘abusievelijk’ niet werd afgedrukt!
De opmerking in potlood onderaan de brief “niet voor publicatie!” maakt het geheel nog raadselachtiger.

Hoe dan ook, als we het slot van de bijdrage van Aldert Witte lezen valt het niet eens op! De laatste zin is hoogstens wat onbevredigend omdat ze niet ten hemel prijst maar een kritische noot bevat:
Hij (Nypels) wist daarbij, veelal met bereidwillige medewerking van sierkunstenaars en illustrators, zijn vaak gedurfde oplossingen tot werkelijkheid te brengen en de tekst op geheel oorspronkelijke en aantrekkelijke wijze tot een boek te maken, zij het echter niet steeds in een het lezen bevorderende vormgeving.”, was getekend ‘Aldert Witte’.

Uit de brief blijkt nu dat de juiste slotzin had moeten zijn: “De liefde voor het boek die hij mede door zijn geestdriftig woord in anderen wist los te slaan of te stimuleren, het vele schoons en in anderen zin het gedurfde en ongekende hetwelk hij ons heeft nagelaten, doen ons hem met dankbaarheid een blijvende plaats geven in de geschiedenis van de herleving der boekdrukkunst in Nederland.

Niet alleen Aldert Witte moet zich flink hebben geërgerd. Als het bij deze typografische halfgoden, de betreurde overledene incluis, ergens om draaide in hun glorieuze carrière dan was het wel de tekstverzorging. Maar er is meer rampspoed...


Want behalve het flinke onbedoelde tekstverlies is er die opzichtige fout op de voorkant en titelpagina van deze brochure.

Charles Nypels werd niet in 1893 maar in 1895 geboren…

Wat zouden al die talloze 'vrienden van Charles Nypels en minnaars van het schone boek' daarvan hebben gevonden?

Het is bijna middag als ik mij op de laatste septemberdag meld bij de RK-begraaf-
plaats aan de Kerklaan in De Bilt. "Loopt u maar mee" zegt ze en samen met een oudere dame van de administratie loop ik naar een eenzame monumentale steen
(rij 1, nr. 2). Geen twijfel mogelijk; hier ligt - ver verwijderd van zijn Limburgse geboortegrond - de enigszins vergeten 'meester drukker'.
'In deo vivas' lees ik en geknield maak ik een paar foto's. Verbaasd over zoveel eerbiedige belangstelling mompelt de dame: "U bent op tijd. De grafrechten verlopen volgend jaar, dan zal het graf wel worden geruimd...".

De zon schijnt uitbundig en ik staar peinzend voor me uit. Zouden er nog 'vrienden van Charles Nypels en minnaars van het schone boek' zijn die daar wat om geven?