vrijdag 25 mei 2018

Bier met vrouwen


Op de eerste warme dag van het jaar, 7 april, zat ik op een overvol terras met een halve liter koel pils, vers van de tap, in mijn hand. Ik leste mijn dorst en monsterde de bedrijvige bediening die vooral bestond uit jonge meisjes. Door het geroezemoes om mij heen en het komen en gaan van de bezoekers van een grote boekhandel naast mijn terras verzonk ik in gepeins en gingen mijn gedachten als vanzelf naar mijn bibliotheek...

Niet zo lang geleden kocht ik voor nog geen twee euro: "Gerard Heineken. De man, de stad en het bier" (Amsterdam, 2014) geschreven door Annejet van der Zijl. Ook de bierhaters onder ons zullen het merk in ieder geval kennen. Stamvader is Gerard Adriaan Heineken (1841-1893) die in de zomer van 1863 'De Hooiberg' kocht, een oude brouwerij in Amsterdam, achter het Paleis op de Dam.

Wat veel kroegtijgers zich waarschijnlijk niet realiseren is dat het bier dat hij destijds brouwde, evenals dat van andere brouwerijen, een totaal ander bier was dan wat u en ik tegenwoordig kennen als een 'pilsje'.
Dat pils(je) is hier pas rond 1866 als Beiers (Duits) bier geïntroduceerd.
Deze ondergistende (lager)biersoort schuimde beter, was lichter van smaak en bovendien langer houdbaar. Het nieuwe bier werd een rage schreef Annejet van der Zijl: "Op de Internationale Nijverheidstentoonstelling die deze zomer (1869) voor het eerst in het Paleis voor Volksvlijt plaatsvond, bleef het akelig stil bij het stalletje met Hooiberg-bier, terwijl het publiek zich verdrong rondom de biertent van een Weense concurrent die Beiers bier verkocht" (blz. 68). Die grote toeloop bij de buitenlandse concurrent van vooral jonge mannen had behalve het smakelijke bier ook nog een andere oorzaak, maar daarover straks meer.
Feit is dat vanaf dat moment Gerard Heineken overschakelde op het brouwen van wat u en ik tegenwoordig uit de tap krijgen en waarmee het bedrijf uiteindelijk wereldwijd bekend werd.

Hoe vlot geschreven ook, in de biografie van Annejet van der Zijl miste ik vooral de interessante informatie die een aantal contemporaine publicaties geven over het ontstaan van onze moderne kroeg.
Wie uit eerste hand wil weten wat Amsterdammers toen aten en dronken doet er goed aan op zoek te gaan naar: "Eten en drinken in Amsterdam" (Amsterdam, 1898), geschreven door 'Jantje van Leyden' het pseudoniem van de thans geheel vergeten toneelspeler George Charles Verenet (1865-1927).


Er bestaat helaas geen herdruk van en de uitgave is antiquarisch tamelijk schaars maar uiteraard bevat de bibliotheek van Perkamentus een exemplaar zodat ik u kan vertellen dat er maar liefst drie hoofdstukken over bier, met name pils, gaan. Hoofdstuk XV, 'De geïmporteerde Biertjes en 'Gretchen's", hoofdstuk XVI: 'Het modebier' en hoofdstuk XVII: 'Ons nationaal gerstenat'. Ook heeft Jantje uitgebreide aandacht voor brouwerij 'De Hooiberg' die, na een flinke verbouwing, in 1870 onder de nieuwe naam 'Die Port van Cleve' openging en door de gebroeders Hulscher van Gerard Heineken werd gepacht.
Men kon er trouwens vanaf 1874 ook goed eten: "Wie heeft zich nooit te goed gedaan, ja zich misschien wel eens bijna ongansch gegeten, aan de beroemde erwtensoep met worst, of de heerlijke biefstukken met gebakken aardappelen, en wie heeft den, helaas zoo vroegtijdig afgestorven kellner Johan niet gekend, waarvan Jan Veth (1864-1925) in het 'groene weekblad' zoo'n prachtig gelijkende reproductie heeft gemaakt!" (blz. 218).

Jantje van Leyden had trouwens gelijk; met het nieuwe populaire modebier waren ook de 'Gretchen's' geïmporteerd. Bier met vrouwen!
Maar als het over hun komst gaat en over de oorsprong van de 'kellnerin' in Amsterdam moet ik uit mijn bibliotheek een andere uiterst zeldzame uitgave pakken die ik een aantal jaren geleden kocht bij antiquariaat Fokas Holthuis. Het gaat om: "Ervaringen en onthullingen van een middernachtzendeling te Amsterdam". (Amsterdam, z.j. [1890]).

Daarin staat op bladzijde 56 het volgende: "... moeten wij een ernstig afkeurend oordeel uitspreken over die koffiehuishouders onzer stad, die thans de kellners door kellnerinnen hebben vervangen. 
Reeds sedert jaren bestaat deze toestand, terwijl hij zich gaanderweg uitbreidt, zoodat men er thans zeker van kan zijn, als drie nieuwe zaken kort na elkander openen er eene bij is, waar de bediening door vrouwen wordt waargenomen, wat dan als een soort aanbeveling geannonceerd wordt.
Wij zeiden, dat deze toestand reeds sedert jaren bestaat, en toch is het niet moeielijk den oorsprong na te gaan, d.w.z. dat wij ons nog zeer goed herinneren in welk jaar en in welke inrichting dezer stad voor het eerst door vrouwen werd bediend.
Dat was in 1869 tijdens de tentoonstelling in het Paleis voor Volksvlijt, waar een ondernemer, door de ervaring in het buitenland opgedaan, blijk gaf, dat hij de lusten van het publiek wist te streelen. In het sousterrein van een der zijvleugels van het gebouw had hij een 'brasserie' geopend, waar het publiek, dat op een enkele uitzondering na geheel uit mannen en meest jonge bestond, door meisjes in Elzasser kleederdracht bediend werd. De toeloop was groot, de meisjes, die bedienden, hadden voor iederen bezoeker een welwillend glimlachje over, dat tot aanmoediging met een ruime fooi betaald werd. De stoot was gegeven, maar toch duurde het nog enkele jaren voor het merkbaar werd, dat in Amsterdam de bediening in koffiehuizen door vrouwen plaats heeft. Thans is evenwel de gewoonte zoo algemeen geworden, dat in een onlangs gehouden vergadering van kellners, enz. ten einde over de middelen tot een lotsverbetering te spreken, door verscheidene sprekers geklaagd werd over de concurrentie, die het vrouwelijk personeel, dus de kellnerinnen hun aandoen".

Het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt was dus de geboortegrond voor de thans zo gewone vrouwelijke terras-, bar- en kroegbediening en nu weet u meteen waarom het nieuwe Beiers bier daar in 1869 zo bijzonder goed in de smaak viel. Het oog wil ook wat, nietwaar? Heel toepasselijk vind ik daarom deze illustratie van Johan C. Braakensiek (1858-1940) die ik tegenkwam in de 'feestwijzer' getiteld "Jaarmarkt in het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam, 17, 18, 19 februari 1887, ten voordeele van de gezondheids- en vacantie-colonies" (Amsterdam, 1887).

Ondertussen maakte onze anonieme middernachtzendeling zich grote zorgen omtrent de jonge meisjes. Immers: "De schoonste, de lieftalligste, de gedweeste - dat is meest slaafsche kellnerin kan altijd zeker zijn, dat aan haar de meeste vertering wordt aangeboden of het meeste verval te goede komt". Ook de kroegbaas was niet gek: "De wijze, waarop de kellnerinnen dan ook geworven worden, bewijst, dat vooral op het uiterlijk door de patroons het meest wordt gelet. De overige hoedanigheden komen eerst in de tweede plaats in aanmerking, daar hij een meisje, dat in de oogen der bezoekers niet voldoet, spoediger ontslaat, dan hij er toe is overgegaan haar aan te nemen".

Wie de kranten uit deze periode er op na slaat ziet inderdaad talloze advertenties maar onze middernachtzendeling waarschuwt vooral krachtig voor de zedelijke valstrik! "Gewoonlijk worden de meisjes per advertentie met het hoofd 'Fatsoenlijke Kellnerinnen gevraagd' opgeroepen, haar diensten aan te bieden en ofschoon de redactiën der bladen, die dergelijke advertenties gretig opnemen, zeer goed weten, wat voor de meesten ten slotte de toekomst is, aarzelen zij nooit door de plaatsing dier advertenties aan den val van zooveel ongelukkigen mede te werken" (blz. 58-60).

Had hij gelijk? Ik vrees van wel want sinds kort bezit ik een tweede contemporaine bron die zijn verhaal bevestigt en geschreven werd door een toen nog jonge Amsterdamse student.
Het gaat om: "Een uitzondering op den regel (een Amsterdamsche zedenschets" (Amsterdam, 1890), door 'Gynaecofilus' een alias van Ferdinand (J.A.M) Wierdels (1862-1935), de latere Amsterdamse wethouder van arbeidszaken en directeur van het katholieke dagblad 'De Tijd'. Het is een zeldzame overdruk uit de Amsterdamse Studenten-Almanak voor 1890, gedrukt door 'J. Clausen, drukker van het Amsterdamsche studentencorps', één van mijn aanwinsten in maart 2018.

Wierdels begint zijn kennelijk populaire novelle als volgt: "Nog niet zoo heel lang is het geleden, - het zal een vijftien jaren zijn -, dat de halve Liters, spottend met alle Hollandsch bier, waarvoor zij hun deksels niet zouden openen, in Amsterdam hun macht zijn komen uitoefenen. Door lieve dochters van Germanje geleid, hebben zij voor hun Duitschen inhoud met kracht en ijver den weg gezocht naar de magen van zoo veel mogelijk Amsterdammers, en zij zochten met sukses".

De hoofdpersoon in Wierdels verhaal is oud-student Frits van Beeck die na enige tijd in het buitenland te zijn geweest terugkeert naar Amsterdam. Frits is zijn oude vrienden, kroegen en lieve 'kellnerinnetjes' nog niet vergeten. "Een belangrijk deel van de ongeveer honderd jonge dames, die geregeld avond aan avond in Amsterdam bier ronddragen, beduidt op het gebied, dat men gewoonlijk zedelijk noemt, juist niet zoo heel veel".
Op een bepaald moment echter ontmoet hij het jonge Duitse kellnerinnetje Wanda. Zij lijkt in niets op de kellnerinnen die Frits kent of gekend had. Wanda, ontdekt Frits, heeft eigenlijk spijt van haar beroepskeuze omdat "die Herren in Holland so ungezogen sind". Frits gaat zich voor haar interesseren en na enige tijd wint hij haar vertrouwen. Hij toont respect (wat van vele kroeggangers niet kan worden gezegd) en ontfermt zich vaderlijk over haar. Nadat zij hem over haar achtergronden heeft verteld (ze is min of meer abrupt vertrokken uit de huishouding van haar rijk getrouwde oudere zuster) lukt het hem uiteindelijk het contact tussen Wanda en haar Duitse familie te herstellen. Wanda keert terug naar Duitsland en ontloopt zodoende het lot dat voor de meeste meisjes in het Amsterdamse kroegenwereldje was weggelegd. Wanda kortom, is de spreekwoordelijke uitzondering op de regel.


Belangrijker dan de eigenlijke 'zedenschets' is de uitvoerige informatie die Wierdels geeft over de karakteristiek van de (verschillende) Amsterdamse bierhuizen. Dat begint al met hoofdstuk IIII 'Algemeenheden over Amsterdamsche Bierhuizen' waarin we het volgende lezen:
"Zeer vele huizen in het Oude Amsterdam hebben een binnenplaatsje, dat dikwijls met een 'lantaarn' overdekt, het voorhuis met het achterhuis vereenigt. Zoo'n lantaarnkamer is dan gewoonlijk ingericht voor keukentje. Wat bij het bouwen niet in de breedte gezocht werd, werd gevonden in de diepte. Bij voorkeur worden zulke diepe huizen uitgekozen als er weer een nieuwe bierkneip moet worden gebouwd. Gelijkvloers met de straat, breekt men dan alle tusschenmuur en tusschenschot zooveel mogelijk weg en over de volle diepte van het huis wordt één zaal ingericht. Die zaal krijgt de vorm van een doosje voor domino-steenen".


In het daaropvolgende hoofdstuk 'Meer bepaalde klassifikatie en andere wetenswaardigheden over bierhuizen' (hoofdstuk IV) schrijft Wierdels: "Men zou bij zoo'n klassifikatie te letten hebben op de plaats, waar het huis staat, op het uiterlijke van het gebouw, op den voorgevel, meer nog op de inwendige inrichting, op het bier, dat er gedronken wordt, op de menage, op den kapitein en op heel de equipage, op de soort vrouwelijke bedienden, en als het maatstaf kan ook worden aangenomen de prijs, die gevraagd wordt voor het bier.

Waar alles Duitsch is, kastelein, kellnerinnen, bier, waar de halve Liters in aarden pullen of in bedekselde glazen wordt afgestaan voor twintig cents, daar zetelt de aristokratie der Amsterdamsche bierdrinkerij. Gegoede burgerij zou men kunnen noemen dien kring waar de kastelein Duitscher is met eene Hollandsche echtgenoote of omgekeerd, waar altijd of dikwijls de kellnerinnen niet anders dan Hollandsch spreken en waar het Duitsche bier gedronken wordt uit glazen zonder deksel, die voor hun inhoud maar vijftien cents pretendeeren.
De eerste van deze beide nettere standen heeft nooit 'Vergunning', en zou die ook niet willen hebben. De tweede heeft ook niet het recht sterken drank te verkoopen in het klein, maar neemt wel eens het air aan, alsof men daar op het verkrijgen van zulk recht gesteld zou wezen. Bij beide wordt het bier getapt, versch van het vat, dat, als het wordt leeggedronken, voor ieders oog zijn geduldig bestaan voert. 
Naast deze leeft de burgerstand, die meest op het Damrak woont of wat 'verder op' in de Warmoesstraat. Bier van de Amstel, van Heineken of van Deli, twaalf cents per glas. Duitschland is er in 't geheel niet vertegenwoordigd, of zeer zwakjes in de persoon alleen van een enkele verdwaalde, reeds Hollandsch sprekende kellnerin of van een kastelein, wiens Duitschheid alleen merkbaar is aan het accent, waarmee hij Hollandsch spreekt, Hollandsch dat hij leerde in de Nederlandsche koloniën. (-) 
De geringe stand eindelijk verkoopt het bier voor minder dan tien cents, maar is meer gediend van grokjes, die worden geoffreerd. Daar wil men weer uitsluitend van vrouwelijke bediening weten. Zelfs kent men er niet eens een manlijken Kastelein. Terwijl hier weinig Duitsch wordt gesproken, kan men zich er des te meer oefenen in de Fransche, in de Engelsche en in de Deensche taal.
De meeste dezer holen liggen nog wat verder Noord-Oostelijk dan de Warmoesstraat, ook om de Oude Kerk heen, veel in het kwartier de Nes, een paar aan de stille zijde van het Damrak, en aan de Prins Hendrik-kade"...

Verhip! Mijn glas leeg... Geen nood er zijn altijd wel wat 'kellnerinnetjes' in de buurt die mij een tweede 'pintje' willen brengen! Proost alvast!

zondag 6 mei 2018

De antiquaar, de bibliofiel en de 'ontsluijerde' auteur

Er klonk gestommel en een luide bons... "Gaat het?", riep Joanna naar boven. Gemompel...
De smalle houten trap begon te kraken terwijl Frank voorzichtig afdaalde met een oude kartonnen doos geklemd tussen beiden armen, "Ik weet niet of je dit al hebt gezien?".
We hadden gesproken over het verzamelen van folders en brochures en natuurlijk ook over Putman wiens winkelvoorraad na zijn overlijden bij diverse handelaren terecht was gekomen, waaronder antiquariaat Brinkman.

Ik slurpte mijn laatste restje koffie op en begon vol verwachting naar de inhoud te graaien. Na een paar brochures wist ik het zeker: "Nee, deze doos ken ik nog niet" zei ik, terwijl ik een zeldzame toeristische "Gids naar Aalsmeer en omstreken" (Amsterdam, 1900) bewonderde, uitgegeven door Stoomboot-Maatschappij Carsjens.

Naarmate de bodem naderde vormde zich naast mijn lege koffiekopje een stapeltje dat me interessant leek. Binnen een kwartier was de complete inhoud door mijn handen gegaan en begon ik de doos weer netjes te vullen. Frank en Joanna waren druk met elkaar in gesprek en dat kwam mooi uit want het stapeltje naast mij schreeuwde om meer aandacht.
Ik bekeek nogmaals de titels, en scande de inhoud en conditie.
Op een enkele uitzondering na stonden er nog geen potloodprijsjes in. Verdorie.... daar zaten toch weer pareltjes tussen...

"Wat wil je hiervoor hebben?" vroeg ik, terwijl ik de stapel aan Frank gaf. Frank ging zitten en liet ze stuk voor stuk door zijn handen gaan. "Ik heb het eigenlijk allemaal nog niet eens goed bekeken", prevelde hij, en na enkele brochures "Jeetje... Je weet wel wat je er uit haalt".
Nou komt het dacht ik...
Natuurlijk, zo goedkoop als bij Jos Albers op het Waterlooplein zou ik het niet krijgen...
Frank keek me peinzend aan: "Het gaat je wel geld kosten...". In stilte gokte ik op honderd euro maar ik schrok toen hij het dubbele vroeg.
"Dat doe ik niet", sputterde ik, "Dat is meer dan ik nu kan uitgeven"!
Frank veranderde in één klap van antiquaar in financieel adviseur en bracht me op de hoogte van de langdurige kredietmogelijkheden en gunstige betalingsvoorwaarden van het gerenommeerde antiquariaat Brinkman. Verzet hielp niet, ik was omver...
"Ik hou niet van schulden", stamelde ik pro forma terwijl ik de helft pinde. Geen probleem verzekerde Frank, die me zalvend toesprak "De rest komt wel op een ander tijdstip..." en wat nadrukkelijker "maar wel graag binnen een jaar!".
De stapel nieuwe aanwinsten werd verpakt in neutraal pakpapier en nog geen tien minuten later verliet deze bibliofiel opgewekt zijn weldoener, diens lieftallige assistente en het antiquariaat.
Op weg naar de metro bezocht ik eerst maar eens de firma Vlieger waar ik twee zuurvrije kartonnen dozen kocht. Zo langzamerhand - dacht ik tevreden - beschikt mijn 'private library' over een behoorlijke sectie bijzondere folders en brochures.

"Wat heb je nu weer uitgegeven?", vroeg ze.
Ik zat achter mijn bureau mijn boekenschat nogmaals te bewonderen en voelde de schuldbekentenis in mijn achterzak branden. Mompelend: "Uhhhm... ik heb honderd euro betaald!". Ze schrok zichtbaar en keek me onthutst aan. Geen woord van gelogen, dacht ik, en glimlachte stoïcijns.
Nadat de huiselijke rust was wedergekeerd begon ik eerst maar eens te 'dokteren'... Met een gum verdwenen wat oude potloodaantekeningen, streepjes en vlekjes. Ezelsoren werden teruggevouwen en losse papieren omslagen of onderdelen daarvan met wat boekbindersstijfsel vastgezet. Enkele al te opdringerige papierscheurtje herstelde ik met Aslantape. Na afloop constateerde ik tevreden dat eigenlijk alle brochures in goede staat verkeerden en geen ernstige gebreken vertoonden. Dat is toch altijd weer bijzonder voor dergelijk oud efemeer drukwerk dat er niet op was gebouwd om lang te overleven, gekoesterd en bewaard te worden. Toen ik mijn aanwinsten toetste aan de hand van de bekende websites (Boekwinkeltjes, Antiqbook en WorldCat) bleek dat momenteel geen enkele brochure antiquarisch wordt aangeboden en sommigen ook nauwelijks aanwezig zijn in openbare (universiteits)bibliotheken.

In het stapeltje zat ook een oude witpapieren omslag. Die bevatte het eerste nummer van een mij onbekend feuilleton met een prikkelende titel, een kleine uitgeknipte krantenadvertentie d.d. 17 januari 1890 met bericht van overlijden van de advocaat Mr. S. Katz (u ziet hem hier links) en een door hemzelf geschreven kaartje.
Die notitie van Katz had ik bij Brinkman nauwelijks bekeken; het leek me een soort ontvangstbevestiging van een proefnummer. Frank had het drukwerkje in handen gehad. "Is dat niet zo'n schandaalblaadje waarmee toen bekende en minder bekende gegoede Amsterdammers werden afgeperst?".
Hij doelde daarmee op de destijds verschenen 'Physiologieën' of 'lilliputterweek-blaadjes' (klein drukwerk dat door zijn formaat vrijgesteld was van belasting).

Toen ik het nummer thuis op mijn gemak las bleek mij echter dat het eerste deel, "De Nachthuizen of Venus-Tempels", van de "Ontsluijerde geheimen der stad Amsterdam" (Amsterdam, 1862) inhoudelijk meer lijkt op het dertig jaar later verschenen "Ervaringen en onthullingen van een middernachtzendeling te Amsterdam" (Amsterdam, z.j. [1890]). De lezer wordt vakkundig rondgeleid in nachthuizen en bordelen, en geïnformeerd over de meisjes, bezoekers, taal- en omgangsvormen.


Vervolgens richtte mijn aandacht zich op de notitie van Katz. Die bevatte inderdaad een ontvangstbevestiging maar vormde tegelijk een onthullende bekentenis.
"Ontvangen van den Heer J.A. Schuurmans de somma van vijf gulden voor aan ZEd geleverd een stukje getiteld de Nachthuizen bestaande uit den inhoud van pag 3 tot de helft van pag 6 in de eerste aflevering van de Ontsluijerde geheimen van Amsterdam aangekondigd in het Algemeen Handelsblad van 21 mei 1862 met het regt om dat stukje te doen drukken en uitgeven. Amsterdam 12 juni 1862 /get./ S. Katz Jzn.".

Het kaartje moet afkomstig zijn uit de bedrijfsboedel van de boekhandelaar en uitgever J.A. Schuurmans. Diens zaak zat destijds op het adres Bloemstraat 229 in Amsterdam. Kennelijk probeerde Schuurmans een graantje mee te pikken van de populariteit van dergelijke sensatielectuur toen. Bij hem verschenen in dezelfde periode wel meer obscure (anonieme) publicaties zoals: "Een makelaar in menschenvleesch, bedrogen door een pillendraaijer: eene hoogst belangrijke brochure voor alle ongehuwde dames, die iets te verliezen hebben" en "Amor in zijn lustpriëel: beschrijvende het schoon' der vrouwen- en maagdenboezems: opgesteld tot verbetering van alle vrouwenhatende creaturen, en tot aangename verpozing in spoortrein, trekschuit, slaapkamer, etc. etc. etc.".















Door hun vermoedelijk bescheiden oplage, efemere karakter en ondeugende inhoud thans stuk voor stuk uiterst zeldzame titels en dat geldt in het bijzonder voor de "Ontsluijerde geheimen der stad Amsterdam". Van dit "hoogst belangrijk tijdschrift" verschenen slechts vijf afleveringen van tien cent per stuk. In 1865 werd het restant voor de helft van de prijs door Schuurmans verramsjt.












Slechts één unieke serie, nummers 1 t/m 5, doorstond de tand des tijds. Die ligt in de Leidse universiteitsbibliotheek. Aangezien het Nederlands Genootschap van Bibliofielen (NGB) daar op 28 april jl. haar ledenvergadering hield verzocht ik conservator Mart van Duijn, met wie ik in de redactie van ons jaarboek zit, om het voor mij uit het depot te halen zodat ik het kon fotograferen en bestuderen.

Elk deel bestaat uit een katern van 8 bladzijden (totaal dus 40). Zoals de foto's laten zien wijkt de opmaak van de (titel)pagina van het eerste deel af van die van de vervolgdelen.
Deel twee begint met een kort vervolg op 'De Nachthuizen' (blz. 9/10). De rest bestaat uit verschillende verhaaltjes die veelal in verband staan met prostitutie alsmede een aantal ingezonden lezersbrieven. Eén van de inzenders vraagt zich af wat voor een soort blaadje de uitgever eigenlijk voor ogen stond.
Die antwoordde: "Ons werkje; 'Ontsluijerde geheimen enz. enz.' is evenmin een weekblad als een maandwerk. - Naar gelang der stof, die wij voor hetzelve bezitten, of door belangstellende inzenders bekomen, zal het om de acht, veertien dagen of drie weken in het licht verschijnen. - Wij hebben ons ten leus gesteld: liever niets geleverd, dan prullaria". (deel 2, blz. 13). Het tweede deel besluit met correspondentie beantwoording en dat geldt ook voor de daaropvolgende delen. Deze manier van werken/uitgeven is identiek aan de manier waarop eerder de "Waarachtige physiologie van Amsterdam, en van de meest bekende van Amstels ingezetenen“ (Amsterdam, 1844) was verschenen, het beruchte schandaalblaadje geschreven door P.J.W. de Vos (1805-1866).

Anders dan het eerste deel waarin één verhaal wordt gepresenteerd ('De Nachthuizen of Venus-Tempels') bevatten de overige deeltjes korte verhalen en ingezonden stukjes met diverse onderwerpen zoals bijvoorbeeld 'De Amsterdamsche Slavinnenmarkt' (deel 4, blz. 28/29) en 'Eene ernstige spookhistorie', over een klein smal gebouw op de derde Bloemgracht waar het zou spoken (Deel 5, blz. 37/38).


Alhoewel het vijfde en laatste nummer eindigt met correspondentie opmerkingen die verwijzen naar nummer zes staat onderaan met pen geschreven: "Met dit no. is de uitgave gestaakt. J.A. Schuurmans". Waarschijnlijk zorgde een gebrek aan succes voor dit abrupt vroegtijdig einde.
De uitgave werd daarna geheel vergeten om pas een eeuw later kort te figureren in het boekje van E. Messer: “Foei Amsterdam! De geheimen van de hoofdstad voor de tweede maal ontsluijerd” (Amsterdam, 1964). Messer maakte voor zijn publicatie gebruik van de collectie 'Amstelodamica' van A.M. van de Waal (1890-1968), die momenteel opnieuw wordt geïnventariseerd, en waarin zich in ieder geval een los (eerste) deel bevindt van de "Ontsluijerde geheimen der stad Amsterdam".

Tot slot; wat weten wij nog van Katz, de auteur van 'De Nachthuizen of Venus-Tempels', die volgens de krantenadvertentie zo jong overleed? Er bestaat een uitstekende biografie van hem geschreven door Bauke Marinus (één van mijn oud-docenten geschiedenis aan de V.L.V.U., de lerarenopleiding) en Natascha Tuinhout voor het Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland. Daaruit blijkt dat hij behalve als jurist ook journalistieke en letterkundige arbeid verrichtte. Zo debuteerde hij in het verschijningsjaar van de "Ontsluijerde geheimen der stad Amsterdam" met een historische roman gemodelleerd naar het werk van Alexandre Dumas: "Remus di Sivaldi, de rooverhoofdman in de Ardennen" (Amsterdam, 1862).
Die roman is online beschikbaar en aandachtig las ik de inleiding waar Katz uitvoerig ingaat op zijn debuut, voor wie en hoe hij wenst te schrijven.
"Ik heb mij geenszins voorgenomen, zedelijke denkbeelden, doeleinden, principen, in een romantisch kleed gehuld, te behandelen; - mijne gedachten daaromtrent is, dat hij, die voor de verpoozing van een 'voor nuttige bezigheden verloren stonde', een roman in handen neemt, niet altijd gaarne eene reeks van morale lessen, herkauwd ziet. Daarenboven schrijf ik niet voor kinderen, ik schrijf voor volwassenen".

Bij die laatste zin moest ik even grinniken! Katz schreef de waarheid zo weten wij anderhalve eeuw later, maar wel op basis van een ander debuut waaronder deze weledelgestrenge heer liever niet zijn naam zag staan!

dinsdag 1 mei 2018

Het jaar geboekt, april 2018

In de rubriek 'Het jaar geboekt' (zie tabblad bovenaan) houd ik bij wat ik gedurende het lopende jaar bij elkaar verzamel. Per maand verplaats ik dat gedeelte naar de homepage en geef ik 'de cijfers'. In de rubriek blijft het lopende jaar intact. Pas bij de start van het nieuwe jaar zullen daar alleen nog hyperlinks naar het desbetreffende maand(blog) verwijzen. Een en ander komt de leesbaarheid van de rubriek ten goede die anders op den duur uit een ellenlange opsomming zou bestaan.

April 2018; de cijfers...

Totaal aantal objecten: 21 (nr. 1 bevat 4 uitgaven).
Gekocht: 18.
Gekregen: 3.

Totaal uitgegeven: € 141,04 euro (incl. verzendkosten).
Gedeeld door 18 is gemiddeld: € 7,84 euro per object.

Via Boekwinkeltjes: 4 (1, 2, 5, 6).
Via boekenmarkt: 3 (10, 11, 12).
Via Marktplaats: 1 (9).
Via kringloop: 4 (3, 4, 5, 6).
Via Bol.com: 2 (13, 14).
Koningsdag vrijmarkt: 1 (15)

Modern: 3, 4, 5, 6, 10, 13, 14, 15, 16
Old & rare: 1, 2, 5, 6, 9, 11, 12, 17, 18

April 2018: de aanwinsten...

1. Het is alweer een aantal jaren geleden dat ik drie stukjes schreef over de opmerkelijke 19e eeuwse serie "Curiositeiten van allerlei aard". In het eerste deel ging het over de uitgever, in het tweede deel over de verschijningsvorm en opbouw en in het derde deel gaf ik aan de hand van wat voorbeelden een indruk van de inhoud.

Mijn laatste vier aanwinsten uit deze serie kocht ik onlangs via Boekwinkeltjes, uit de collectie van Ed Schilders (NB. gelijk met nr. 2 voor in totaal € 47,25 euro (incl. verzendkosten)).
Het zijn de themanummers:
a. 'Anecdoten' (nr. 4),
b. 'Voorbeelden van verstrooidheid' (nr. 16),
c. 'Dwergen' (nr. 35/36) en
d. 'Hofnarren' (nr. 41/42).
Vooral de laatste twee zijn erg moeilijk te vinden.
Het derde blogdeel wordt trouwens besloten met een naschrift waarin ik bijhoud welke deeltjes ik nog mis. Attentie dus beste antiquaren en boekhandelaren onder de lezers!

2. Max (A.P.L. van der Sanden): "Maria Monk de zwarte non – Tehuis voor gevallen vrouwen" (Amsterdam, z.j. [1918]). 'Maria Monk' schreef: "Awful Disclosures of Maria Monk: or, The Hidden Secrets of A Nun’s Life in a Convent Exposed" (Manchester, [1836?]).
Er verschenen tal van vertalingen over haar schokkende kloosterervaringen. Daarnaast werden verschillende publicaties geschreven die haar persoon en levensgeschiedenis in twijfel trokken zoals deze zeer zeldzame katholieke repliek. Vooral de tekening op de voorzijde met de tekst 'Tehuis voor gevallen vrouwen' gesigneerd G. Westermann, 1880-1971 (en gedateerd '18) vind ik bijzonder.

Bij mijn kringloop vond ik twee leuke boekjes voor weinig geld (totaal € 3,- euro).
3. J. van Maurik: "Versch drinkwater voor de hoofdstad" (Amsterdam, 1993). Drinkwater, riolering, armoedebestrijding en dergelijk in Amsterdam hebben altijd mijn bijzondere interesse gehad. Op dat gebied heb ik al aardig wat oude en nieuwe boekjes in mijn 'private library' staan!


4. A. Bonnett: "Off the Map" (London, 2015). "In the world of Google Earth, it is easy to believe that every discovery has been made and every adventure had. Off the Map is a stunning testament to how mysterious our planet still is. It takes us into uncharted territory, to places found on few maps and sometimes on none". Lijkt me gewoon een leuk boekje!

In mijn omgeving bevinden zich drie kringloopwinkels. Onlangs bezocht ik die in Uithoorn (kwalitatief de minste) en die in Aalsmeer (Dorcas). Bij de laatste kocht ik twee boekjes voor € 3,50 euro.


5. H. Voorn: "Wonen in papiermakersland" (Zutphen, 1991), over de papiermolens in Velp, Laag-Soeren en Rozendaal.

6. "100 jaar polderleven" (z.j./z.p. [Aalsmeer, 1969]). Zeer schaars gedenkboekje uitgegeven door het polderbestuur over de Oosteinderpoelpolder die in 1868 werd drooggemalen. Een gedeelte daarvan behoorde tot de gemeente Nieuwer-Amstel (thans Amstelveen). Ik woon er praktisch naast en de geschiedenis van de polders onder Amsterdam heeft mijn warme belangstelling.

Via Boekwinkeltjes en wederom uit de collectie van Ed Schilders, voor € 16,25 euro (inclusief verzendkosten), komen de nummers 7 en 8.
7. P. Potters: "De boekenwet" (den Bosch, 1921). Heldere uitleg over de katholieke Boekenwet en verboden teksten en uitgaven door katholieke drukkers. Aanvulling op de boekjes die ik hierover al heb verzameld (zie ook: "Verboden boeken").


8. J. Hillegeer: "De deugd der ouders" (Den Bosch, 1857). Pleidooi voor goed onderwijs door ouders maar ook voor uiterste waakzaamheid van deze Gentse Jezuïet. Hillegeer (1805-1883) was een veelschrijver en ik heb al verschillende titels van hem hier staan (zie ook onder de aanwinsten van februari 2018).

9. Edmond (bewerker/pseudoniem): "Groot Hindoe-droomboek (volledig droomboek). Bevat de uitlegging van alle Droomen en Droomgezichten" (Amsterdam, z.j. [1917]).
Via Marktplaats voor € 16,95 euro (incl verzendkosten).


Op een zonovergoten dag kocht ik op de Amsterdamse Spui boekenmarkt de volgende drie boekjes (nr. 10 en 11 bij antiquariaat Max van Til en nr. 13 bij antiquariaat De Boekerij v.o.f. van Paul Gaemers).
10. E. Cockx-Indestege (et al. eds.): "Sierpapier & marmering. Een terminologie voor het beschrijven van sierpapier en marmering als boekbandversiering" (Den Haag/Brussel, KB, 1994). Oplage 800 exemplaren.
Voor € 5,00 euro een koopje en ik hou wel van sier- en marmerpapier.

11. E. de la Fontaine Verwey & L. Brummel: "Boekbanden in de Nationale Bibliotheek. Tentoonstelling 8-27 september 1941" ('s-Gravenhage, 1941). De eerste uitgave van de Koninklijke Bibliotheek over haar boekbandenbezit.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog moest het 'Koninklijke' plaatsmaken voor 'Nationale'. Dit exemplaar zit vol met potloodaantekeningen (inclusief een aan de binnenzijde van het voorplat vastgeplakte envelop met losse aantekeningen; 'lijst van de nummers van de banden in de vitrines').
Op de envelop staat o.m.: "Vlg. Anita van Elferen (Antiq. Frits Knuf) E. de la Fontaine Verwey's own copy with her annotations in pencil". Exemplaar dus met een interessante provenance! Voor € 10,00 euro.

12. [P. Leigh]: "The comic English grammar; a new and facetious introduction to the English Tongue" (London, 1851). Gekocht voor € 6,00 euro. Voor het eerst verschenen in 1840, er bestaan ook moderne herdrukken van. De tekeningen zijn van John Leech (1817-1864). Dit is een bijzondere uitgave die verscheen in de 'Bentley's Railroad Library' (prijs 1 shilling). Treinlectuur in optima forma dus, die uiteraard verkrijgbaar was op alle treinstations! Ook al zal de oplage vrij groot zijn geweest; deze 'railway-edition' uit 1851 staat niet in WorldCat! Ik een fan van dergelijke taalboekjes (zie ook mijn "Linguistic adventures").


Over de geschiedenis van onze hoofdstad heb ik hier al veel staan omdat die mij - als geboren Amsterdammer - altijd zeer heeft geïnteresseerd. Via Bol.com kocht ik twee boekjes met de nieuwste inzichten over de oergeschiedenis en oorsprong van de stad, gebaseerd op archeologische vondsten die vooral de laatste decennia zijn gedaan. Samen voor € 32,89 euro (geen verzendkosten):


13. T. Toebosch: "De Nieuwezijds Kolk en de Nieuwendijk in dertiende-eeuws Amsterdam. Een archeologische speurtocht" (Amsterdam, 2011).

14. J. Gawronski (e.a.): "Oeroud Amsterdam. een zoektocht naar de vroegste geschiedenis van de stad" (Amsterdam, 2018).


15. V.M. Straka (J.J. Abrams & D. Dorst): "Ship of Theseus" (New York, 2013). Dit is de eerste Engelse editie van het boek waarvan ik in 2014 de Nederlandse uitgave kocht.
Ik schreef er over in: "Waarom 'S'? Daarom 'S'!". Gekocht op Koningsdag 2018 bij een mevrouw die er € 0,10 eurocent voor vroeg! Ik had niet kleiner dan € 0,20 eurocent, dus betaalde ik het dubbele!


Na een geslaagde jaarvergadering van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen in de Universiteitsbibliotheek Leiden keerde ik weer huiswaarts met drie verschillende titels. Nummer 17 en 18 nam ik mee uit de doos met gratis (afgeschreven) boeken, catalogi e.d.

16. "Jaarboek van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen 2017" (Amsterdam, 2017). Als lid, redactielid (en ditmaal ook auteur ) meerdere exemplaren gekregen.

17. "Das Braunbuch. Hakenkreuz gegen Österreich" (Wien, 1933). Eerste editie van deze brochure over nationaal-socialistische aanslagen en terreurdaden in Oostenrijk, evenals illegale activiteiten van de voormalige Oostenrijkse NSDAP. Het boekje besluit met de opmerking: "Für die Zukunft besteht keinerlei Grund zu einer Besorgnis: Österreichs Regierung führt mit starker Hand; der Erfolg ist nicht ausgeblieben. Der Enderfolg ist gesichert". Wij weten inmiddels beter!

18. "Beiträge zur Vorgeschichte und Geschichte der Julirevolte" (Wien, 1934).