vrijdag 25 december 2015

De veiling van een winkeldochter


Voor en na de prijsuitreiking van de Best Beschreven Boeken, zondag 15 november, bezocht ik natuurlijk ook de boekenmarkt in de Amsterdamse Hallen om te snuffelen en te sneupen.
Al kuierend en drentelend kwam ik langs de kraam van veilinghouder Vincent Zwiggelaar die mij de catalogus voor zijn decemberveiling in handen drukte. Altijd leerzaam en leuk leesvoer voor aan het einde van de dag, om thuis op de bank achteloos door te bladeren. Ik zag verschillende interessante kavels maar één daarvan trok mijn bijzondere aandacht.

Het was kavel nr. 396: “Spiegel Historiael of Rijmkronijk van Jacob van Maerlant met aanteekeningen door Mr. Jacob Arnout Clignett en Mr. Jan Steenwinkel, compleet in 4 delen. Leiden, Amsterdam, Frans de Does, M.F. Pieper, G. van Teyn, 1784-1849, uniform gebonden, half linnen.


Ik heb u wel eens verteld dat de heruitgaven van middeleeuwse kronieken en geschriften die vooral in de zeventiende en achttiende eeuw verschenen één van mijn verzamelgebieden is.
Jacob van Maerlant (ca. 1235- ca. 1300), de ‘vader der Dietse dichtren algader’, stond daarom al lange tijd op mijn verlanglijstje met zijn magnum opus; de ‘Spiegel Historiael’.
Het is de allereerste wereldgeschiedenis (ruim 90.000 verzen) in onze volkstaal, een bewerking van het ‘Speculum Historiaele’ van Vincent van Beauvais (ca. 1190-1264).
Maerlant heeft dit werk niet helemaal kunnen voltooien. Opvolgende bewerkers waren Filips Utenbroeke (ca. 1300) en Lodewijk van Velthem (ca. 1260/1275-na 1317). Van de laatste had ik al de voortzetting voor het eerst uitgegeven in 1727 door Isaac le Long.


De Koninklijke Bibliotheek bezit het enige complete en geïllustreerde exemplaar van Maerlants’ ‘Spiegel Historiael’ (met 19 gehistoriseerde initialen en 43 miniaturen).
Dit handschrift vervaardigd rond 1330, werd in 1782 gekocht op een boekenveiling in Gent door Jacob Aernout Clignett, over wie straks meer, en geldt als topstuk in de collectie (signatuur KK XX).

Wie meer wil weten over Jacob van Maerlant en de tijd waarin hij leefde kan ik van harte het bekende werk van Frits van Oostrom aanbevelen; “Maerlants Wereld” (Amsterdam, 1996) dat antiquarisch overvloedig tegen kleine prijzen beschikbaar is.


Dat geldt niet voor de uitgave van de ‘editio princeps’ van Maerlants ‘Spiegel Historiael’ waarmee werd begonnen aan het einde van de achttiende eeuw. Sporadisch worden nog wel eens de eerste twee delen aangeboden (op Antiqbook vond ik één exemplaar in nieuwe banden voor € 90,- euro) maar de complete serie is zeldzaam (en daarom kostbaar).
Dat komt vooral omdat er een grote tijdspanne zit tussen de verschijning van de eerste twee delen (1784/1785), deel drie (1812) en deel vier (1849). Dat verschijnsel doet zich wel vaker voor bij oude seriewerken.
Lees bijvoorbeeld het verhaal over mijn achttiende eeuwse stadsbeschrijving van Amsterdam door Jan Wagenaar (1709-1773), met het vaak ontbrekende vierde deel of over die prachtige ‘boekwinkeltjesvondst’, een originele Engelse uitgave van Carter en Mace: “The Tomb of Tut-Ankh-Amen”, waarvan deel drie schaars is (en nimmer werd vertaald in het Nederlands).

Voor zover ik wist bood alleen antiquariaat Forum (het duurste antiquariaat van Nederland) een complete vierdelige set aan van de ‘editio princeps’. Die vond ik daar al ruim drie jaar geleden voor de topprijs van € 1250,- euro (exclusief 6 % btw)!
Onbereikbaar voor mijn portemonnee toen en nu.
De richtprijs bij Zwiggelaar bedroeg slechts een luttele € 80,- tot € 160,- euro (exclusief veilingkosten). Dergelijke bedragen heb ik graag over voor deze serie en dus besloot ik een schriftelijk bod uit te brengen van maximaal € 180,- euro.
Daarna begon een periode tussen hoop en vrees.
Gelukkig staan de opbrengsten nog tijdens de veiling op internet en constateerde ik tot mijn grote vreugde dat ik voor € 120,- euro (met veilingkosten € 150, - euro) eigenaar was geworden!
Die vreugde hoef ik u niet uit te leggen, dat begrijpt elke boekenliefhebber wel. Maar het muisje had inmiddels een onverwachts staartje gekregen!


Ondertussen was ik namelijk op de website van antiquariaat Forum tot de verbijsterende ontdekking gekomen dat hun set identiek is aan mijn nieuwe aanwinst! De enige complete en uniform gebonden serie die antiquarisch werd aangeboden had bij hen al die jaren blijkbaar geen koper gevonden en was - gedegradeerd tot winkeldochter - naar de veiling gebracht. Op die manier kwam ik dus via Zwiggelaar auctions in het bezit van deze fraaie serie voor nog maar een tiende van de oorspronkelijke vraagprijs!

Er valt meer over deze uitgave te vertellen dan binnen één blog past, dus ik zal mij beperken.
Al vanaf 1782 konden geïnteresseerden op de ‘Spiegel Historiael’ intekenen. De eerste twee delen kostten na verschijning in 1786 ruim zeven gulden. In het eerste deel zat de enige illustratie, een “pourtrait van den ouden dichter”. Het is een fantasie portret van Leendert Brasser (1727-1793) dat teruggaat op een afbeelding op een balksleutel in de vierschaar van het stadhuis te Damme (België), gemaakt door beeldhouwer Wouter van Inghen in 1465.


Over de bewerkers van de eerste twee delen, Jacob Arnout Clignett (1756-1827) en Jan Steenwinkel (1754-1812) staat uitgebreide informatie in een interessant artikel door Jos van Heel: “Jacob Arnout Clignett en Jan Steenwinkel als verzamelaars van Middelnederlandse handschriften” ( in: “Jaarboek van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen 2010”, blz. 137-171).
Beiden – zo lees ik daar – waren afgestudeerd in Leiden als jurist en sinds 1782 lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.


Clignett zou zich ontpoppen als boekendief. Hij ‘leende’ belangrijke middeleeuwse handschriften uit de bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde met de bedoeling ze uit te geven. Vaak zette hij zijn handtekening er in en nummerde hij de pagina’s zodat hij zijn aantekeningen naar een bladzijde kon laten verwijzen. Na verloop van tijd beschouwde hij ze min of meer als zijn persoonlijk eigendom en werden uiteindelijk zelfs enkele kostbare handschriften ter veilingen aangeboden!
Toen de Maatschappij zover was om hem als lid te royeren hield Clignett de eer aan zichzelf en vertrok.
Steenwinkel zou vele jaren later ook de bewerking van deel drie voor zijn rekening nemen. Dat zag met veel moeite het licht in 1812 vlak nadat Steenwinkel zich had opgehangen in zijn bibliotheek. Hij bleek gelden waarover hij als vrederechter van het kanton Harderwijk ambtshalve de beschikking had voor eigen gebruik te hebben aangewend.
Deel vier ten slotte verscheen uiteindelijk pas in 1849. De bewerker daarvan was Joost Hiddes Halbertsma (1789-1869) die twee jaar later nog een aanvullend deel publiceerde: “Aanteekeningen op het vierde deel van den Spiegel Historiael van Jacop van Maerlant” (Deventer, 1851).


Tussen 1857 en 1879 verscheen er een nieuwe bewerking van dr. M. de Vries en dr. E. Verwijs in vier delen bij uitgeverij Brill in Leiden. Van deze uitgave is in 1982 nog een anastatische herdruk uitgekomen bij Hes-De Graaf publishers, destijds onderdeel van antiquariaat Forum en sinds 2014 in handen van Koninklijke Brill N.V. Ook die ooit zo prijzige herdruk blijkt een winkeldochter te zijn, die antiquarisch al opduikt voor prijzen rond de vijftig euro.

vrijdag 11 december 2015

Dresseren en beschaven


Op het Amsterdamse Spui kocht ik bij antiquaar Marc van Dijk een 18de eeuwse brochure in rood gespikkeld papier getiteld: “Bijdragen ter aankweeking van Eendracht, Stad- en Vaderlandliefde…” (Leiden, 1786). Aan de verso zijde van het titelblad is de uitgave onder een spreuk van Montesquieu (1689-1755) gesigneerd.
Dat hoort, zo blijkt uit de slotmededeling achteraan op bladzijde 68, want “Geene Exemplaren worden voor Echt erkend, dan die door den tegenwoordigen Voorzitter der Vergadering, P. van Ameiden, achter de tijtel zijn getekend”.
De brochure – geschreven door en voor leden van het Leidse Patriotten exercitiegenootschap - begint met een drempelvers: “Aan den edelen manhaften krijgsraad” en bevat na het voorbericht een aantal interessante afzonderlijke artikelen (totaal 68 bladzijden).

Marc wist wat hij verkocht (want hij is zelf afgestudeerd op een onderwerp uit deze roerige periode) en de brochure stond al enige tijd bij hem op Boekwinkeltjes te koop voor zestig euro! Aanvankelijk aarzelde ik nog even. Niet vanwege de prijs, die op de boekenmarkt overigens was gezakt naar vijfentwintig euro (!), maar omdat het titelblad vermeldt: ‘No. 1’. Kennelijk had men het voornemen een soort reeks op te bouwen maar ik vermoedde géén of zeer weinig vervolgnummers. Het Stadhouderlijk gezag werd immers door Pruisische troepen een jaar later met harde hand hersteld.
Toen ik thuis de STCN en Knuttel (nr. 21413) raadpleegde bleek mijn vermoeden juist; er waren nimmer vervolgnummers verschenen.
Over Prins- of Oranjegezinden, Patriotten (‘Kezen’), Goejanverwellesluis en exercitiegenootschappen (vrijkorpsen) weet ik wel het een en ander. Best mogelijk dat dit bij u wat is weggezakt dus kijk even naar het onderstaande korte filmpje of lees mijn stukje “Oranje boven!”.


Toen ik het bundeltje wat doorbladerde was ik toch enigszins verrast door de inhoud en de onderwerpen die ter sprake kwamen. Waarom?
Welnu, ik had mij altijd voorgesteld dat het destijds populaire tijdverdrijf van de gemiddelde Patriot; deelname aan het plaatselijke vrijkorps, niet veel meer was dan exerceren en het oefenen met wapens. Dat beeld bleek in ieder geval voor de Leidse schutters in 1786 niet te kloppen.
Natuurlijk! De verschillende exercitiegenootschappen hadden elk hun eigen wetten en reglementen ( “18. Elk der Leden zal in de Vergadering mogen drinken ’t geen hij begeerd: doch iemand der Leden verkiezende Wijn te drinken zal niet meer vermogen te gebruiken dan één Pint Wijn, op een boete van twintig Stuivers”.). Ook kenden ze allemaal hun eigen uniformen (de drie tekeningen tonen de Leidse schuttersdracht in 1787 en komen uit de collectie van het Rijksmuseum). Ze vergaderden regelmatig, oefenden met wapens, paradeerden en exerceerden maar het Leidse vrijkorps wilde en deed meer.


In Leiden hadden ze namelijk al gauw door dat hun vrijkorpsleden – afkomstig uit diverse beroepsgroepen en alle lagen van de bevolking – er evenzoveel verschillende ideeën, meningen en vragen op na hield. Die gemêleerde groep ‘manhafte heeren’ kneden en vormen – het militair dresseren - door exercitie en paraderen was één ding; iets heel anders was het om ook op het gebied van politiek en ideologie de neuzen dezelfde kant op te laten wijzen. Daaraan viel nog veel te (be)schaven en dat is precies wat ze beoogden met hun “Plan tot bevordering van eene nuttige en aengenaeme bezigheid in de vergaderingen” (4 augustus 1785), één van de opgenomen stukjes in deze brochure. Voortaan zou men volgens dit plan na de reguliere vergadering waarin huishoudelijke zaken werden besproken ook telkens een lid de vrijheid geven om een verhandeling of vraagstuk voor te lezen (niet langer dan een half uur) waarna de aanwezigen de gelegenheid kregen daarover vragen te stellen en te discussiëren.

Een aantal van die beschavende vraagstukken spreekt mij bijzonder aan.
Twee daarvan zijn: “Verhandeling over eenige noodzakelijke vereischten in een dienstdoend schutter” (Blz. 24), en: “Verhandeling, over het geen een patriot thans moet beoögen” (blz. 54).
Wat de schutter betreft. Die moet in zijn huiselijk leven naarstig en zuinig zijn maar bovendien een goed bestuurder van zijn gezin. In het maatschappelijke leven moet hij gehoorzamen aan de billijke bevelen van zijn wettige regenten of representanten. Daarnaast moet hij alles doen om de welstand van de maatschappij te bevorderen en alles wat in zijn vermogen ligt om het land en zijn woonplaats te verdedigen en te beschermen.
Bij de Patriot draait het om ongeveer hetzelfde. Die moet volgens de schrijver in hoofdzaak het welzijn en de verheffing van het volk nastreven.
Maar als stok achter de deur vereist dat drie dingen die in grondwetten moeten worden aangenomen: “Het eerste is, het vaststellen dier stemgerechtigdheid en de daar aan verknogte regten. – Het tweede de vrijheid der drukpers, om zoo ras aan die regten de minste aanranding geschiede, zulks daadelijk ter kennisse van geheel de Burgerij te kunnen brengen. – en ten derde de algemeene burgerwapening, op dat de Burgerij in zich zelve het vermogen zoude bezitten, om ten alle tijde zich tegen de geweldige indragten op deeze hare regten, met hoop van goed succes en kragtdadig te kunnen verzetten” (blz. 66).


Ik denk dat de Patriot van toen tevreden kan zijn. Maatschappelijk welstand, verheffing van het volk, omkaderde politieke machtsverhoudingen, dat alles is in de eeuwen daarna aangepakt, veranderd en verbeterd. De vrijheid van drukpers (en meningsuiting) is zelfs opgenomen in de grondwet.
Blijft over burgers en wapens... Burgerbewapening; iedereen zijn eigen wapen...
Waar dat incidenteel toe kan leiden weten ze beter in Amerika. Hier zijn we er maar niet aan begonnen.

In de eeuwen daarna zijn nog boekenkasten vol geschreven over de roerige tijd van de Patriottenbeweging, hun ideeën en doelstellingen. Een flink aantal publicaties daarover staat ook in mijn bibliotheek. In deze brochure echter zijn tijdgenoten zelf aan het woord. En ook al is het allemaal niet wereldschokkend of geheel nieuw, een directer antwoord op de vraag wat nou eigenlijk een (goed) schutter of patriot is, een beter contact met die tijd is nauwelijks denkbaar.
Al met al voldoende reden om dit pamflet aan mijn collectie toe te voegen.