donderdag 28 mei 2026

Het kalligrafisch talent van Christiaan Sepp Jansz.


De familienaam Sepp roept bij veel liefhebbers van oude natuurhistorische prachtuitgaven warme gevoelens op. Wie van hen kent niet de serie "Nederlandsche vogelen..." (Amsterdam 1770-1829, vijf delen) en "Flora Batava..." (Amsterdam 1800-1934, 28 delen), om maar eens twee uitschieters te noemen. Ook onder historisch cartografen geniet de familie faam als uitgever van verfijnde landkaarten, met de "Nieuwe Geographische Nederlandsche Reis- en Zak-Atlas" (Amsterdam, 1773) als bekend voorbeeld.
Dat het werk van Sepp ook vandaag de dag nog zeer geliefd is, blijkt uit de facsimile uitgaven die op de markt zijn gebracht. Zo verschenen bij de Belgische uitgeverij Lannoo, in samenwerking met de Koninklijke Bibliotheek (in 2014 en 2023) beide natuurhistorische prachtwerken opnieuw op de markt.


De drijvende kracht achter de oorspronkelijke uitgaven — die thans antiquarisch vrijwel onbetaalbaar zijn — was Johan (Jan) Christiaan Sepp (1739-1811). Deze veelzijdige ondernemer was naast boekhandelaar, ook een kundig natuurvorser. Net als zijn vader Christiaan Sepp (1710-1775), die oorspronkelijk uit het Duitse Goslar kwam, beschikte hij bovendien over kunstzinnige talenten als tekenen en graveren. Over de schitterende natuurhistorische en cartografische werken die zijn boekhandel uitgaf is al veel geschreven; dat behoeft hier geen herhaling.

Johan (Jan) Christiaan Sepp (Anoniem. Collectie Rijksmuseum Boerhave)

Ik moet bekennen dat ik als bibliofiel verzamelaar nooit een uitgesproken liefhebber van natuurhistorische uitgaven ben geweest, mijn passie ligt bij geschiedenis en topografie. Toch vond ik in mei een handschrift dat nauw verbonden is met deze beroemde uitgeversfamilie en dat ik - ondanks de grote naam van Sepp - voor een betrekkelijk bescheiden bedrag kon verwerven.

Het is een bruilofts- of huwelijksgedicht van negen ongenummerde bladzijden (23 cm. x 19 cm). In de zeventiende - en achttiende eeuw waren dergelijke gelegenheidsgedichten een wijdverspreid fenomeen binnen hogere sociale kringen, zoals de regentenstand en de gegoede burgerij. De inhoud was gebonden aan strikte literaire conventies; zo bevatten de verzen steevast lofzangen op de deugden van het bruidspaar. Alhoewel dergelijk efemeer drukwerk in grote hoeveelheid is gemaakt, is veel daarvan in de loop der tijd verdwenen. Sommige bruilofts- of huwelijksgedichten die bewaard bleven, getuigen van grote luxe: ze werden gestoken in prachtig bedrukt sits- of sierpapier, andere werden gebonden in kostbare leren banden, rijkelijk bestempeld en soms voorzien van fraai geborduurde sluitlinten.
Wat dat betreft oogt mijn aanwinst in zijn eenvoudige papieren omslag wat eenvoudig. Desondanks is het uniek want het werd volledig gekalligrafeerd en geïllustreerd met twee grisaille-tekeningen

Dit eerbetoon werd geschreven voor het zilveren huwelijk van Jan Christiaan Sepp en Wichertje Wichers Kruys (1755-1823), die in 1773 in het huwelijk traden. Samen kregen zij elf kinderen, maar opmerkelijk genoeg was het niet één van hen die zijn artistieke talenten botvierde. De maker was Christiaan Sepp Jansz. (1773-1835), de oudste en enige overlevende zoon uit Jan Christiaans eerste huwelijk met Sara Focking (1745-1773).
Zijn kalligrafische huzarenstukje (in diverse rijmschema's) was waarschijnlijk een gift aan zijn vader en stiefmoeder, ter herinnering aan hun zilveren huwelijksdag. Ik geef het hier pagina voor pagina weer.


1. De zorgvuldig getekende titelpagina vermeldt binnen een sierkader in fraaie letters: 
"By gelegenheid der Vijf en Twintig Jaarigen Bruijloftsdag, van myne waarde & geliefde Ouderen Die Verscheenen is den VIden en Gevierd den IXden December, Anno MDCCXCVIII. Worden deeze volgende Blyken van Dankbaare Hoogachting met Eerbied opgedragen door Hunnen Liefhebbende en Oudste Zoon.", (later?) gesigneerd: 'C. Sepp Jansz.'.


2. "By gelegenheid der Vijf en Twintig Jaarigen Bruyloftsdag, van myne waarde & geliefde Ouderen.

Wanneer 't aandagtig Oog, op't Menschlijk leeven ziet,
En op het Wisslend Lot, dat ons deez' Aarde bied;
Dan moet een Zilver Feest, ons Hart verwondring baaren.
Den snellen Stroom des Tijds, die onophoud'lijk vloeijd,
Die alles met zig voerd, die zelfs de Eeuwen boeijd,
Schonk aan Uw Echt den reeks van Vijf en Twintig Jaaren.

Toen Gij Uw Huwelijkse zon vol Vrolijk, klimmen zag,
Hoe diep was toen 't geheim of Gij deez Bruijlofts-dag?
Omringd van zoveel Kroost, te zaamen zoud beleeven?
Dan hoe ook 't woen des Tijds verganglijkheeden zaaijd.
Hoe ook den Schigt des Doods, in 't Menschlijk leeven maaijd;
Uw wierd, O' dierbaar Paar, ook deezen Dag gegeeven. 


3. Een Talrijk Huijsgezin, Een waarde Vriendenrij,
Zit met genoegen aan, verheugd zig aan Uw zij'',
Hoe Schoon is dit Tafreel van 't zalig Huwlijks-leeven.
Geluk met deezen dag, door d'almagt Uw bereid,
Hij rekke Uw Levens draad, Hij schenke Uw zaligheid
En doe Uw in zijn Gunst naar hooger Feest-dag streeven.


4. Aan Myn Waarde Vader in't Byzonder.

Mijn Vader Uw bekroonde Echt,
Doet thans mijn dicht-vuur tint'len, vloeijen,
De Krans voor Hart en Hand gevlegt,
Mogt Vijf en Twintig Jaaren groeijen.
Geluk met zo veel Zegening,
Hoe dankbaar ziet Herinnering
Op 't Pad van d' afgeloopen Kringen,
Schoon soms de toekomst Zorgen baard,
Gods Gunst, die op het Menschdom staard,
Zal ook in verd'ren Loop, Uw Liefderijk omringen.

Zaagt Gij Uw eerste Huwelijks-band,
Door d' IJzre Arm des Doods verbreeken?
Daar Telgen uit dien Echten-stand,
Ook voor zijn wreeden Dolk bezweeken.
De Alwijsheid, die in d' Eeuwen ziet,
Verliet ook toen Uw toestand niet,
Maar zag vol Liefde, en Goedheid neder;
Uw Ega steeg bij haar gezin,
Den blijden zaal'gen Hemel in,
En Gij ontfingt een Gade, en Ik een Moeder weder.


5Hoe dankbaar slaat het zuchtend Hart!
Voor zo veel Troost, bij 't angstigst treuren,
Mogt Gij na zulk een Fellen Smart,
Het Hoofd weer vrolijk opwaards beuren?
Thans zij mijn Dank Uw toegewijd
Die mijne Jeugd, met Zorg, en Vlijt:
Aan 't Snoer der Deugd hebt willen binden,
Uw zij, O' dierbre Man, het Loon;
Van een volmaakter Huwelijks-Kroon,
Van een vol zaalgen Echt, van 't Lot der Deugdgezinden.

Nu ziet Gij vrolijk om Uw heen,
Mijn Kroost, Uw dart'lend tegen treên,
Mijn Kroost, uit Uwen Stam gesprooten.
Hoe streelend is die Aardsche Vreugd,
Daar zij het Ouder-Hart verheugd,
En 't waar genoegen kan vergrooten.
Uw Leeven zij nog lang gespaard,
Zo doen Uw Telgen op deez Aard'',
Uw reeds een Bron van Heil ontspringen,
En smaak in 't eijnd de groote Schat,
Die d' Eeuwigheid in zig bevat,
Waar't ongestoordst Geluk, Uw eijnd'loos zal omringen.


6. Aan Myne Geliefde Moeder in't Byzonder.

Daar thans Uw Echt
Heeft afgelegd
Ruim Vijf en Twintig Kringen
Zo wil mijn Geest
Uw Zilver Feest
Met Dankbaarheid bezingen

Dit Vrolijk Uur
Doet 't Liefde-Vuur
In mijne Borst ontsteeken
Ja deeze Stond
Doet mijne Mond
Van waare Erkentnis spreeken

Zaagt Gij mijn Jeugd
Haar grootste Vreugd
Een dier'bre Moeder derven?
Zag ik het Licht,
Toen mijn Gezicht,
Ook zag mijn Voedster sterven?


7. Dit was mijn Lot
Maar; dank zij God!
Zijn Raad had Hulp gevonden,
Er wierd een Vrouw,
Door nieuwe Trouw,
Aan't Vader-Hart verbonden.

Zo zag ik weer,
Gelijk wel-eer,
Een lieve, en trouwe, Hoeder,
Gij wierd, Vriendin!
In vollen Zin,
Mij dus ten Tweede-Moeder.

Uw Vlijt en Zorg,
Was mij ten Borg,
In 't klimmen mijner Jaaren,
Hoe bleef Uw Deugd,
Mijn ted're Jeugd,
Voor Ramp, of Leed, bewaaren.

Ja menigmaal,
Heeft Uwe Taal,
Mij voor gevaar beveiligd.
Uw Naam, O' Vrouw,
Blijft met Uw Trouw,
Altoos voor mij geheiligd.


8. Hebt Gij verrigt;
Een's Moeders Pligt?
Welk denkbeeld voor mijn Zinnen!
Die weldaad wagt,
Dat mijn Geslagt,
Uw Kinderlijk zal minnen.

Uw zij het Loon,
Dat Uwen Zoon,
Steeds voor Uw af zal smeeken,
Zo zal Uw Hart,
Bevrijd van Smart:
Een waar genoegen kweeken.

Tot dat den Tijd,
Die 't Leeven slijt,
Uw Hemelwaards zal leiden,
Daar blijft met Vreugd,
Mijn's Moeders Deugd,
Uw Zusterlijk verbeiden.


9. Tot Besluit van het Voorgaande.

Zo vlogt den Tijd een Krans van Vijf en Twintig Jaaren,
Thans klinke ons Vrolijk Lied, verheugen w'onzen Geest,
Als God mijn Wensch verhoord, zal Hij Uw leeven spaaren,
Dan vieren w'ook verheugd Uw Goude Bruijlofts-Feest.

En als in't eijnd de Dood Uw van ons af moet scheiden,
Dan staar' Uw Liefd'rijk Oog, nog op Uw Kind'ren neer,
O' dan zult Gij, bij God, gezaligd, ons verbeiden,
Daar zien wij ons vereend, als Hemellingen weer."

De twee grisaille-tekeningen van Christiaan, waarschijnlijk (net als de titelpagina) pas later gesigneerd met 'C. Sepp Jz. inv.' betreffen allegorische voorstellingen. De eerste toont twee putti in een arcadisch landschap, die het bruidspaar weergeven. Achter hen staat een huwelijksaltaar met twee, door een pijl getroffen, brandende hartjes (symbool van hun vurige liefde). Vadertje Tijd, afgebeeld met vleugels en een zandloper op zijn hoofd, reikt hen een krans "voor Hart en Hand gevlegt" voor hun zilveren (25-jarig) huwelijk.
In de tweede grisaille loopt hij met de krans weg. De tijd vliedt! Ondertussen richten de twee putti hun pijlen op het gouden huwelijksjubileum (50 jaar), in het verschiet, tussen de wolken.


De achttiende eeuwse conventies schreven een dergelijk kunstzinnig eerbetoon vrijwel dwingend voor, inclusief de voordracht door Christiaan Sepp Jansz. op de feestdag zelf.
Het moet voor zowel het jubilerende echtpaar als voor Christiaan een emotioneel moment zijn geweest.
Zijn eigen moeder, Sara Focking, was, zo lezen wij, kort na zijn geboorte in het kraambed overleden, waarna Wichertje Kruys de moederlijke taken vrijwel direct en met verve had overgenomen. Dat zij zeer geliefd was bij haar (stief)kinderen blijkt niet alleen uit dit gedicht maar ook uit een uitgave die kort na haar dood verscheen: "Ter nagedachtenis van Jan Christiaan Sepp en Wichertje Wichers Kruys" (z.p., 1823), waarin zij uitvoerig wordt gememoreerd, ondermeer met een "Uitboezeming" van Christiaan Sepp Jansz. 
Hoewel Christiaan ook enige tijd bij zijn vaders boekhandel betrokken was lag zijn talent meer op het vlak van de schone kunsten, met name taal en letteren. Dit gekalligrafeerde huwelijksgedicht voor zijn ouders is daar een fraai voorbeeld van.

donderdag 14 mei 2026

Het jaar geboekt, april 2026

In 'Het jaar geboekt, [maand en jaar]' houd ik bij wat ik gedurende een maand bij elkaar verzamel inclusief 'de cijfers', soms met toelichting en/of opmerkingen. Ik begon hiermee in 2018, aanvankelijk als aparte rubriek (onder een eigen tabblad). Met ingang van 2024 publiceer ik mijn maandoverzichten direct op de 'homepage'. Na afloop van het jaar geef ik een totaaloverzicht in '[Jaar] geboekt. Een jaar in feiten en cijfers'.

April 2026; de cijfers...

Totaal aantal objecten: 6.

Gekocht: 6.

Totaal uitgegeven: € 228,- euro (incl. verzendkosten).
Gedeeld door 6 is gemiddeld: € 38,- euro per object.

Via kringloopwinkel: 1 (4).
Via boekenmarkt: 1 (6).
Via (online) antiquariaat: 4 (1, 2, 3, 5).

Modern: 2 (4, 5).
Old & rare: 4 (1, 2, 3, 6).

April 2026: de aanwinsten...

Bij antiquariaat Goltzius in Lisse kocht ik deze maand verschillende interessante manuscripten (1, 2 en 3) voor in totaal € 180,- euro.

1. "De Duivekater. - het Brood, sprekende ingevoerd" (z.p., december 1828). Manuscript (gelegenheidsgedicht), gesigneerd 'GVV'. Ik schreef hierover een uitvoerig blog: "De sprekende Duivekater".

2. "By gelegenheid der Vijf en Twintig Jaarigen Bruijloftsdag van myne waarde & geliefde Ouderen Die Verscheenen is den VIden en Gevierd den IXden December, Anno MDCCXCVIII. Worden deeze volgende Blyken van Dankbaare Hoogachting met Eerbied opgedragen door Hunnen Liefhebbende en Oudste Zoon." (z.p. [Amsterdam], 1798). Manuscript (huwelijksgedicht), Gesigneerd: 'C. Sepp Jansz.'. Over dit bijzondere gelegenheidsmanuscript schreef ik in: "Het kalligrafisch talent van Christiaan Sepp Jansz.".

3. Negentiende eeuwse papieren omslag: "Schendstukken, enz. 18e eeuw", met vijf handgeschreven paskwillen/spotversjes voor verschillende gebeurtenissen. Ook hierover zal t.z.t. een blog verschijnen: "Vijf schendstukken".


4. R. Bessem: "Oorkondenboek van het Karthuizerklooster St.-Andries-ter-Zaliger-Haven bij Amsterdam (1352) 1392- 1579 (1583)" ( Amsterdam, 1997). Belangrijke bronnenpublicatie voor de geschiedenis van Middeleeuws Amsterdam. Gekocht bij mijn kringloop voor € 5,50 euro.

5. D. McKitterick: "The Invention of Rare Books. Private interest and Public Memory 1600-1840" (Cambridge, 2018). Voor mijn collectie boeken over boeken. Gekocht bij antiquariaat Brinkman voor € 40,- euro.

6. Portretgravure van de dichter en toneelschrijver Pieter Langendijk met gedicht van D. Smits (1750) door J. Houbraken (1752). Het portret heb ik toegevoegd aan mijn exemplaar van zijn bekende werk: "De graaven van Holland in jaardichten beschreven..." (Haarlem, 1755). Gekocht bij antiquariaat De Uilenspiegel (Eric Klee) voor € 2,50 euro.

donderdag 23 april 2026

De sprekende Duivekater

De Leidse bakker Arent Oostwaard en zijn vrouw Catharina Keizerswaard (schilderij van Jan Havicksz. Steen, 1658). Rechtop tegen de muur een rijkversierde duivekater.

Bij het doorsnuffelen van de website van antiquariaat Goltzius kwam ik een opmerkelijk manuscript tegen getiteld: "De Duivekater. - het Brood, sprekende ingevoerd". De auteur, die ondertekende met de initialen GVV, schreef het bijna twee eeuwen geleden op, in december 1828. Het is een half vel papier, 8º (formaat 29.9 cm. breed en 19 cm. hoog), dubbelgevouwen, met het watermerk van Van der Ley., een van de oudste papierfabrikanten in de Zaanstreek (*). Op de eerste twee bladzijden staat een gedicht in een duidelijk leesbaar handschrift van in totaal 48 dichtregels (28 recto en 20 verso, exclusief titel, signatuur en onderschriften). 


Wie er schuil gaat achter GVV bleef lange tijd onduidelijk. Uiteindelijk zou het onderzoek naar de papierfabrikant Van der Ley het raadsel oplossen! Op de website van de Historische Vereniging Koog-Zaandijk wordt in de rubriek 'Achter de deur' (onder Zaandijk) ook de geschiedenis uit de doeken gedaan van het pand Lagedijk 96 (aan de Zaan direct tegenover de Zaanse Schans). De bouwer daarvan was de papiermaker Aris van der Ley (1707-1800). In 1776 trad bij hem zijn veertienjarige aangetrouwde neef in dienst; Jan (Adriaansz.) van Vleuten (1762-1835). Hij erfde van oom Aris in 1800 de papiermolen. Voor de geschiedenis van de Zaanstreek was Jan een belangrijk nauwgezet chroniqueur (er is een straat naar hem vernoemd). Hij heeft een schat aan historische gegevens achtergelaten in de vorm van notities en dagboeken die de gehele periode vanaf de Bataafse Republiek, de Franse Tijd en verder beslaan (zie hier, nr. 385). Hij was bovendien burgemeester van Zaandijk en in 1788 medeoprichter en secretaris van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, departement Koog Zaandijk. In 1784 trouwde hij met Aagje Jansdr. Honig (1762-1807). Het doopsgezinde echtpaar kreeg vijf kinderen: Maartje, Guurtje, Adriaan, Lijsje en Trijntje.
En daarmee belanden we bij de hoogstwaarschijnlijke schrijfster van dit gedicht: Guurtje van Vleuten (1786-1865). Een geletterde welopgevoede dame, in goede doen, die nimmer zou trouwen en samen met haar eveneens ongehuwde zuster Trijntje na haar vaders dood in het ouderlijk huis bleef wonen. De zussen bleken niet alleen erfgenamen van zijn bezit, maar ook van zijn intellectuele nieuwsgierigheid: zij zetten de uitgebreide annotaties in vaders notitieboeken voort tot aan de dood van Trijntje in 1868 (**).

Guurtje van Vleuten (foto: St. Archief Honig(h)).

De Zaanse duivekater ('deuvekater'), een zoet wit vloerbrood, behoort samen met bijvoorbeeld de Deventer Koek en de bruine kroeg tot het Nederlands immaterieel erfgoed. Over dit bijzondere feestbrood is al een en ander geschreven, zowel over zijn etymologie en geschiedenis, als receptuur. 
Ik las ergens dat vooral begin negentiende eeuw het zogenaamde katerbrood mateloos populair moet zijn geweest, maar vond niet direct historische bronnen die dat beeld bevestigen. Honderd jaar later, rond 1900, komt met name bakker Anton Kroes daarmee in het nieuws. Zijn bakkerij ‘De Duivekater’ was tot 1974 gevestigd op de Nieuwendammerdijk 301 (Amsterdam-Noord). Hij heeft zijn specifieke receptuur voor duivekater later verkocht zodat de befaamde 'Kroes Duivekater' nog steeds verkrijgbaar is.


Betrouwbare bronnen voor de Zaanse geschiedenis, folklore en tradities verschenen vanaf het midden van de 19de eeuw, zoals het werk van de historicus Jacob Honig Janszoon (1816-1870) en dat van de taalkundige Gerrit Jacob Boekenoogen (1868-1930). Vooral Boekenoogens: "De Zaansche volkstaal. Bijdrage tot den kennis van den woordenschat in Noord-Holland" (Leiden, 1897) bevatte waardevolle informatie voor dit artikel. 
In Noord-Hollandse archieven en bibliotheken online vond ik geen andere voorbeelden van vergelijkbare (gelegenheids)poëzie. Vrijwel zeker is dit het oudst bekende gedicht over deze Zaanse broodspecialiteit. Het handschrift is daarom als unieke vroege bron voor de Zaanse volkscultuur van cultuurhistorisch belang. Omdat het nimmer in druk is verschenen geef ik de tekst hier integraal weer, voorzien van noten met mijn op- en aanmerkingen (onderaan). 


Manuscript (recto).

"De Duivekater. - 
het Brood, sprekende ingevoerd (1)

------------------------------------------

Wel Duivekaters dat heet reizen (2)
In't hartje van de winter tijd, (3)
En dat, om Rotterdam te toonen,
Hoe ik worde aan de Zaan bereid. 4)
In grote hitte pas geboren,
Moest ik al schielijk in de kou,
(Ik) lag juist van 't zweet erg (nog) uit te dampen, (5)
En hoopten men mij sparen zou,
Maar, 't was voort! voort! in open water
Hij moet gauw scheep naar Rotterdam, (xx)
Ik weet niet hoe ik mij gevoelde,
Toen ik zoo eenklaps buiten kwam,-
'k Ben dan behouden aangekomen,
Wat wacht mij hier? een blij genot?
Heb ik te hopen, of te vrezen?
Ach! - overdenk ik zelf mijn lot
Dan is voor mij geen heil te wachten,
Al kom ik in de beste kast,
Al worde ik nog zoo lief bejegent,
Nog zoo zorgvuldig opgepast,
Mijn aanzien, ja, kon 't langst dan duren,
Maar, al waardeerd men mij zeer hoog,
'k Heb eindlijk toch deez schimp te vrezen,
'Gij wordt zoo Duivekaters droog' - (6)
Krijg ik mijn woonplaats in een kelder, (7)
Dan staan ik voor een uitslag bloot,
Dat 'k (hun) hen, die 'k eerst moogt welkom wezen
Een afschrik word, o bittre nood"

xx. "Gezonden volgens vroeger afspraak en beloften aan
goede vrienden aldaar" (8)


Manuscript (verso).

"Wat is er dan van mij te wachten? (voor mij te wenschen?)
Terug te keeren naar de Zaan?
Dat baat mij niks, 'k weet, mijn bestemming
is, kort na 't worden te vergaan. -
Wil dan genadig met mij handlen,
Neem 't scherp niet dagelijks in uw hand, (9)
Dan heb ik, ach! zoo veel te lijden,
Neen, maak mij liever snel van kant -
Hier mee, zult gij mij gunst betonen,
Neem éénmaal 't mes slechts voor mij op
Schenk mij wat koemelk tot verzachting,
Berei mij, zoo gij lust, tot sop - (10)
Eet dan, mij arme mij arme Duivekater
Met boter, zuiker en kaneel, (11)
Kunt gij mij alzoo smakelijk vinden?
Help mij dan spoedig door de keel,
Vind gij mij duivekater lekker,
'k Heb niet vergeefs de reis gedaan,
Wanneer gij slechts niet gaat vergeten,
Hoe 't Kersgebak is, aan de Zaan. (12)

GVV 

December 1828

Vroeger was aan de Zaan algemeen het gebruik op Kersdagsmiddags (13)
te eten brood en melk bereid genaamd sop, of brood sop. Het word (14)
nog door velen gedaan, en hier voor werd beregen brood bezonder (15)
bestemt. - (naams oorsprong onbekend). - (16)


De Zaanse duivekater.

Noten.

(*) Tot diep in negentiende eeuw was origineel zeventiende eeuws papier gemaakt door Van der Ley beschikbaar (zie hier, nr. 498).
(**) Guurtje van Vleuten hield wel van dichten. Aan haar wordt ook een verslag op rijm toegeschreven van een reisje dat zij in 1808 met familie maakte naar Dordrecht (zie hier, nr. 478).

1. 'het Brood'. Het woord werd ook als krachtterm gebruikt zoals in de eerste dichtregel.
Het sprekend opvoeren van een brood c.q. duivekater is een retorische stijlfiguur waarbij een afwezig, overleden of imaginair persoon, abstract begrip of levenloos object wordt voorgesteld als een sprekend wezen ('Prosopopoeia').
2. 'Wel Duivekaters'. Deksels, drommels, potjandorie! ('Wat Duivekater', is een bastaardvloek)! 'Duivekaters!' is een van de 385 unieke krachttermen uit het repertoire van Kapitein Haddock in de strips "De avonturen van Kuifje" (Hergé).


'dat heet reizen'. Met de nadruk op 'dat' is wellicht een knipoog naar de bij duivekater cruciaal lange voorrijs van het brooddeeg.
3. 'winter tijt'. Duivekater werd als delicatesse- of feest-brood behalve tijdens de Paasdagen ook in de periode tussen Sint-Nicolaas en Driekoningen gegeten.
4. 'aan de Zaan'. Kennelijk genoot de Zaanse duivekater toen al enige faam en stond de Zaanstreek bekend als producent van deze broodspecialiteit. Overigens bestaan er verschillende vormen en varianten zoals de Zaanse duivekater met een rechte, langgerekte vorm en voorzien van een 'Franse knip' bovenop. Ook kennen wij de Broekse duivekater, uit Broek in Waterland, herkenbaar aan een Chinese ruitvorm, de Nieuwendamse duivekater afkomstig uit Nieuwendam met de vorm gebaseerd op een scheenbeen en tot slot de krentenkater, een variant, vaak gevonden in Roelofarendsveen, met een vorm die verwant is aan de Nieuwendamse duivekater. Uit deze zin blijkt overigens ook dat de Rotterdamse bakkers geen duivekaters volgens Zaans recept bakten (vermoedelijk in het geheel geen duivekater!).
5. De oorspronkelijke zin was dus: "Lag juist van 't zweet erg uit te dampen" en werd: "Ik lag juist nog uit te dampen". Deze aanpassing evenals die in de eerste zin op de versozijde en enkele andere kleine correcties doen vermoeden dat het hier om een afschrift/kladversie gaat (zie ook noot 8).
6. 'Gij wordt zoo Duivekaters droog'. Zo droog als een duivekater klinkt bijna als een gezegde, maar verwijst vermoedelijk naar het vroegere gebruik om de duivekater eerst een paar dagen te laten besterven alvorens te consumeren. De duivekater werd dan na een dag of vijf in dunne plakken gesneden en kon worden gedoopt in thee of melk. 
7. Het bewaaradvies voor de duivekater is nog steeds 'droog' bewaren (bijvoorbeeld in een kast, zie regel 18 (recto): 'in de beste kast', en dus niet in een vochtige kelder!
8. Deze toevoeging/verklaring onderaan suggereert dat het om een persoonlijk (gelegenheids)gedicht gaat dat samen met de desbetreffende duivekater werd verstuurd, bijvoorbeeld per trekschuit. Dit gedicht kan dan een afschrift zijn, bewaard door de afzender ter herinnering. De duivekater was destijds nog een specifiek streekproduct. Tegenwoordig is de duivekater vrij algemeen bekend en zelfs een bescheiden exportproduct. Bakkerij 'De Duivekater' in Purmerend bakte en verkocht er rond december (2019) meer dan 6000 en verstuurde o.a. naar Engeland, Canada, en Australië. 
9. ''t scherp', het mes.
10. 'Sop' of soep (zie ook noot 14).
11. 'Met boter, zuiker en kaneel'Boter en suiker, en vooral kaneel waren destijds luxeproducten.
12. Zie ook noot 3. Hier wordt specifiek naar de Kerstperiode verwezen. Het gedicht is ook gedateerd "december 1828". De winter van 1828/1829 was streng en een voorbode van de uiterst strenge winter het jaar daarop.
13. 'Kersdagsmiddags'. Volgens de taalkundige G.J. Boekenoogen was broodpap het middagmaal op tweede Kerstdag ("De Zaansche volkstaal. Bijdrage tot den kennis van den woordenschat in Noord-Holland" (Leiden, 1897, blz. 144/145, 'Deuvekater').
14. 'Sop, of brood Sop'. Het eten van 'sop' c.q. broodpap, gemaakt van duivekater, met Kerstmis is dus een oud gebruik. In Noord-Hollandse dorpen riep de jeugd met Kerstmis: "Kerstdag – Lukas II – Sop!", verwijzend naar het Lucasevangelie dat tijdens de kerkdienst werd voorgelezen, waarna thuis de sop op tafel kwam (in Jo. de Vries (red.): "Los en Vast" (Leiden, 1876, blz. 396).


15. 'beregen' of besprenkeld (met in dit geval koemelk).
16. '(naams oorsprong onbekend)'. De naamsoorsprong (etymologie) is sindsdien verschillende malen onderwerp van nader onderzoek geweest. Lees meer over de duivekater hier, hier en hier). Ook culinair historica Lizet Kruyff (die zo vriendelijke was om het concept van dit blog door te lezen) heeft in december 2008 op haar weblog drie stukjes geschreven over de duivekater.

vrijdag 10 april 2026

Het jaar geboekt, maart 2026

In 'Het jaar geboekt, [maand en jaar]' houd ik bij wat ik gedurende een maand bij elkaar verzamel inclusief 'de cijfers', soms met toelichting en/of opmerkingen. Ik begon hiermee in 2018, aanvankelijk als aparte rubriek (onder een eigen tabblad). Met ingang van 2024 publiceer ik mijn maandoverzichten direct op de 'homepage'. Na afloop van het jaar geef ik een totaaloverzicht in '[Jaar] geboekt. Een jaar in feiten en cijfers'.

Maart 2026; de cijfers...

Totaal aantal objecten: 10.

Gekocht: 10.

Totaal uitgegeven: € 206,30 euro (incl. verzendkosten).
Gedeeld door 10 is gemiddeld: € 20,63 euro per object.

Via kringloopwinkel: 1 (1).
Via Boekwinkeltjes: 3 (2, 3.a., 3.b.).
Via boekenmarkt: 6 (4.a., 4.b., 4.c., 4.d., 4.e., 4.f.).

Modern: 2 (1, 2).
Old & rare: 8 (3.a., 3.b., 4.a., 4.b., 4.c., 4.d., 4.e., 4.f.).

Maart 2026: de aanwinsten...

1. P. Brandon e.a. (red.): "De slavernij in Oost en West. Het Amsterdam onderzoek" (Amsterdam, 2020). Uitgebreid onderzoek - waaraan veertig experts deelnamen - over de rol van de gemeente Amsterdam in de slavernijgeschiedenis. Gekocht bij mijn kringloopwinkel voor € 3,- euro.


2. A. Hanou [E. Wolff-Becker]: "De Onveranderlyke Santhorstsche Geloofsbelydenis. In rym gebragt door eene zuster der Santhorstsche gemeente" (Leiden, 2000). Teksteditie met commentaar en inleiding door André Hanou. Gekocht via Boekwinkeltjes voor € 13,95 euro (incl. verzendkosten).


3.a. [E. Wolff-Becker]: "De Onveranderlyke Santhorstsche Geloofsbelydenis. In rym gebragt door eene zuster der Santhorstsche gemeente" (z.p., z.j. [1772]). Originele uitgave in negentiende eeuwse kartonnen omslag beplakt met sierpapieren. Hiervan bestaan verschillende edities. Mijn exemplaar is gelijk aan STCN ID 163075557 samen met:
3.b.  W. Bilderdijk: "Opschrift voor de koepel aan de nieuwe afzanding, op Schapenbosch, van den hoog ed. gestrengen heer mr. Johan Valckenaer; te Bennebroek, buiten Haarlem" (z.p., z.j. [1818]). Plano. Gekocht via Boekwinkeltjes voor € 39,35 euro (incl. verzendkosten).


Op de Amsterdamse Spui boekenmarkt kocht ik bij antiquariaat De Uilenspiegel (Eric Klee) voor € 150,- euro een convoluut met uitgaven over de Amsterdamse stadshistoricus Jan Wagenaar (1709-1773). Ik laat het door mijn boekbinder Hans Pieterse in een nieuwe prachtband zetten.


4.a. P. Huisinga-Bakker: "Het leeven van Jan Wagenaar benevens eenige brieven van en aan denzelven" (Amsterdam, 1776). Met het portret van Jan Wagenaar door J. Houbraken (1767). Met:
4.b. J.L.F.v.B. (Johannes le Franq van Berkheij): "Klinkdicht op het afsterven van den beroemde heere Jan Wagenaar..." (z.p.[], z.j. [1773]). Met:
4.c. A. Deken: "Lykzang, op het afsterven van den heere Jan Wagenaar...". (z.p [Amsterdam], z.j. [1773]). Met:
4.d.  J. de Kruyff: "Grafschrift op den heer Jan Wagenaar" (z.p [Leiden], z.j. [1774]). Met: 
4.e. J. van den Toorn: "Geslachtboom van alle de mannelyke nakomelingen uit het oud adelyk stamhuis der heeren van Brederode..." (Amsterdam, 1788). Met uitslaande stamboom. Met:
4.f. M. Siegenbeek: "De eer van Jan Wagenaar als historie schrijver en die van Jacoba van Beijeren tegen Mr. W. Bilderdijk, in zijne geschiedenis des Vaderlands, verdedigd..." (Haarlem, 1835). 
Ik schrijf er binnenkort over in: "Rouwbeklag, lijkzang, grafdicht, grafsteen?".

vrijdag 27 maart 2026

Verplichte aanwinsten


Tijdens mijn eerste bezoek in 2026 aan de Amsterdamse Spui boekenmarkt vond ik enkele bijzondere uitgaven bij Axe van Maanen (van antiquariaat Klikspaan uit Leiden). Daaronder Pieter Burman's Neolatijnse lofdicht op de 'Grote Geus' Hendrik van Brederode (1531-1568): "Brederodius, seu libertatis Batavae secularia altera, in nonas Apriles anni MDCCLXVI incidentia. Carmine elegiaco celebrata in Illustri Amstelaedamensium Athenaeo D. XX. Octobris, ejusdem anni" (Amsterdam, 1766) alsmede de één jaar later verschenen Nederlandse vertaling: "Brederode of het tweede eeuwgetyde der Nederlandsche vryheid, verschenen den vyfden van april MDCCLXVI, in de doorluchtige schoole te Amsterdam den 20sten october deszelfden jaars met een' feestzang gevierd" (Amsterdam, 1767). De boekjes waren uiteraard apart geprijsd maar stonden gebroederlijk naast elkaar en daarom voelde ik mij min of meer verplicht ze beide aan te schaffen.


De auteur Pieter Burman (junior) oftewel Petrus Burmannus secundus (1713-1787) was vanaf 1742 werkzaam aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre als hoogleraar welsprekendheid. Vanaf 1744 kwamen daar 'oosterse' talen en poëzie bij en in 1767 volgde vaderlandse geschiedenis. De Nederlandstalige uitgave werd gemaakt door Burmans vaste vertaler Antoni Hartsen (1719-1782), van beroep toneelschrijver en lid van het leesgezelschap 'Diligentiae Omnia'. Hartsen vertaalde niet alleen de tekst, hij schreef er ook een 'drempeldicht' bij. De uitgave wordt besloten met een lofdicht geschreven door P.A. Pla: "Op de dichtmatige redevoering, Brederode, ter vieringe van het tweede eeuwfeest der Bataafsche Vryheid, door den welëd. hooggeleerden heer Mr. Pieter Burman uitgesproken den 20sten van Wynmaand, 1766, te Amsterdam". De keuze voor de vrijwel onbekende Pieter Adriaan Pla (1738-1776) is merkwaardig. Pla verdiende zijn geld als koopman bij de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC), was geen schrijver of letterkundige maar meer een hobbyist/gelegenheidsdichter.
De STCN kent slechts twee afzonderlijke publicaties (gedichten) van hem. Hoe dan ook, Hartsens vertaling viel bij Burman in de smaak, zozeer zelfs dat deze hem als dank een door Govert Flinck geschilderd portret van Vondel cadeau gaf. Aardig detail van de vertaling van Hartsen vind ik de tekstopmaak. De uitgever/boekverkoper liet de Nederlandse vertaling per bladzijde, zin voor zin, gelijk lopen met de oorspronkelijke Neolatijnse uitgave. Je kunt beide teksten naast elkaar leggen en makkelijk vergelijken. Tot slot nog iets over de illustraties.
In de Neolatijnse uitgave is het titelvignet het stadswapen van Amsterdam.
In de Nederlandse vertaling daarentegen is het de afbeelding van een daalder van Hendrik van Brederode, geslagen in Vianen (1556-1568), getekend en gegraveerd door N.(Noach) van der Meer jr. (1721-1822). De enig illustratie die in beide uitgaven te vinden is, is een (zilveren) geuzenpenning gegraveerd door 'J.v.S.' (Jacobus van (der) Schley); deze werd voor de Nederlandstalige uitgave bijgewerkt met de later aan dergelijke penningen toegevoegde bedelnap en kalebasflesjes.


Beide uitgaven zijn door de vorige eigenaar voorzien van een nieuwe (half)perkamenten band. De Neolatijnse uitgave uit 1766 prijkt bovendien nog in zijn oorspronkelijke sitspapieren omslag.
Als nieuwe eigenaar voelde ik mij natuurlijk verplicht om daaraan de portretgravure toe te voegen van Petrus Burmannus Secundus door J. Houbraken (gedateerd 1759), naar een schilderij van J.M. Quinkhard uit 1758, met daaronder een Neolatijns gedicht van Janus Grotius (Jan de Groot). 


Er bevindt zich voorin nog een andere toevoeging (van de vorige eigenaar?). Het is een groot kennelijk los uitgegeven plano (32.4 cm. breed en bijna 41 cm. hoog) eenzijdig bedrukt met een Italiaans lof-sonnet (Petrarca-sonnet) op Burmans 'Brederodius', waarvan de tekst zich ook onder de andere loftuitingen in deze uitgave bevindt. Het is - voor zover ik kon nagaan - een uniek exemplaar en opmerkelijk bovendien want alle overige veertien lofdichten achterin (blz. 59 t/m blz. 100) zijn in het Neolatijn! Zijn daarvan destijds ook apart losse exemplaren op dit formaat uitgegeven? Wie het weet mag het zeggen...


Wat het sonnet zelf betreft vallen twee dingen op. Ten eerste zit er een woordverschil in de tekst tussen beide. Op de plano luidt de eerste zin: "Dell' astuto (slimme/sluwe) Filippo allor che in cuore", maar in de uitgave staat: "Del' Macedon (Macedonische) Filippo allor che in cuore"... Ten tweede is dit sonnet, anders dan alle overige Neolatijnse lofdichten, niet voluit door de auteur ondertekend maar alleen met diens (vermoedelijke) initialen 'D.M.G' (D.D., direct daaronder, zal wel staan voor 'Donum Dedit' wat 'ten geschenke gegeven' betekent). De grote vraag is natuurlijk wie D.M.G., de auteur van dit Italiaanse buitenbeentje, was?


Ik raadpleegde mijn bibliotheek, internetbronnen en via de mail verschillende deskundigen (Ton Jongenelen en Cor de Vries) maar vond en kreeg helaas geen antwoord. De auteurs van de overige veertien lofdichten zijn min of meer bekend. Zij waren nauw met elkaar verbonden door vriendschap, studie en/of literair genootschap. Het zijn:

1. Adrianus van Royen/Adriaan van Royen (1704-1797). Arts, botanicus, hoogleraar aan de Leidse Universiteit (tijdelijk rector magnificus in 1770).
2. J. Schrader/Johannes Schrader (1721-1783). Leerling van Pieter Burman, Praelector in de Geschiedenis en welsprekendheid later hoogleraar aan de Universiteit van Franeker.
3. Janus Grotius/Jan de Groot (1713-1784). Advocaat van het Hof van Holland in Den Haag. Santhorster Kring.
4. Carolus Antonius Wetstenius J.C./Carel Antoni de Wetstein (1742-1797). Neolatijns letterkundige en Leids rechtsgeleerde.
5. Henricus Verheyk/Jan Hendrik Verheijk (1725-1784), Rector van de Latijnse school in Amsterdam,
6. A. Kluit/Adriaan Kluit (1735-1807). Hoogleraar geschiedenis, staathuishoudkunde en taalkunde aan de Leidse Universiteit.
7. Isaacus de Leeuw/Izaack de Leeuw (1740-1775). Predikant.
8. Petrus Dausy (1732-1785). In 1769 aangesteld als rector van de Latijnse school in Gouda. (ca. 50 leerlingen) en daarna vanaf 1784 in Amsterdam.
9. Henricus Bolt (1740-17(90?)). Praeceptor der Latijnsche school eerst te Haarlem, later in Amsterdam.
10. Laurentius van Santen/Laurens van Santen (1746-1798). Leerling van Pieter Burman, Classicus en rechtsgeleerde. Lid van 'Diligentiae Omnia'. Santhorster kring.
11. Gerardus/Gerrit Hooft junior (1750-1768). Leerling van Pieter Burman. Stadssecretaris van Amsterdam. Latijns dichter. Santhorster Kring.
12. H.Z. Couderc/Henrij Zacharia Couderc (1748-1826). Leerling van Pieter Burman. Leids rechtenstudent.
13. Lambertus Schepper (midden 18de eeuw). Leerling van Pieter Burman. Latijns dichter. De STCN kent van hem twee publicatie's uit 1763 en 1768.
14. D.M.G.?
15. Janus Helvetius F.R.S./Johannes Helvetius (1722-1772). Rechtsgeleerde. Lid van 'Diligentiae Omnia'. Santhorster Kring.

Zoals u kunt zien behoorden verschillende van hen tot de zogenaamde Santhorster Kring die (zo blijkt uit documenten in het archief Van Lennep) rond 1751 werd opgericht. Dit was een netwerk van vrienden, politieke en literaire geestverwanten (Neolatijnse poëzie!) rondom Pieter Burman. De leden kwamen regelmatig bijeen op zijn buitenplaats Santhorst bij Wassenaar (afgebroken in 1869).


"Op Santhorst werden geregeld bijeenkomsten georganiseerd ter herdenking van ijkpunten der vaderlandse vrijheid. Bij deze gelegenheden maakten de Santhorsters gelegenheidsgedichten die soms (anoniem) naar buiten werden gebracht. De wijze waarop de republikeinse vrijheid werd opgehangen aan historische figuren (Bredero, Vondel, De Groot) of gebeurtenissen (de inname van Den Briel) stuitte bij de Oranjepartij en de gereformeerde kerk op veel weerstand. Het burgerlijke vrijheidsideaal werd in hun uitingen veel breder uitgemeten dan de politieke correctheid toestond. De Santhorsters ontleenden hun voorstellen niet alleen aan de vaderlandse geschiedenis, maar ook aan de actualiteit.
Zij herkenden hun eigen idealen in de ter dood veroordeelde Franse protestant Jean Calas, in de Corsicaanse vrijheidsstrijder Pascal Paoli en in George Washington, de leider van de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog. In deze gedichten is vrijwel altijd sprake van vrijheid en tolerantie op geloofsgebied, en van verzet tegen iedere inperking van de politieke vrijheid. Dat lijkt weinig schokkend, maar in de toenmalige verhoudingen betekende het een controversieel pleidooi voor deelname van alle niet-gereformeerde geloofsgroepen aan het bestuur. Santhorst verkreeg landelijke bekendheid als dé plek waar met een beroep op oude republikeinse waarden en ‘De Vrijheid’ het bestaande bestel onder vuur werd genomen. Santhorsters stonden een staatsgezinde politiek voor zoals die in hun ogen gestalte had gekregen in het zeventiende eeuwse Amsterdam. Alleen een politiek systeem dat alle burgerlijke vrijheden waarborgde was voor hen de moeite waard. [-] Aan regels had het gezelschap een broertje dood. Er was geen vaste genootschapsdag en een statuut, manifest of reglement ontbrak" (C. de Vries: "Laurens van Santen: de vrijheid beminnen op Santhorst" in: "Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman", jrg. 35, 2012). 

De enig bekende regel die men naleefde (volgens Burman zelf) was dat men een toast uitbracht op de vijf V's; Vaderland, Vrijheid, Vriendschap, Vrede, Verdraagzaamheid.
In 1772 viel er steen in de V van vijver... Een steen in de vorm van een anoniem pamflet:
"De onveranderlyke Santhorstsche geloofsbelydenis. In rym gebracht door eene zuster der Santhorstsche gemeente." (z.p., z.j. [1772], waarvan de auteur niemand anders bleek te zijn dan de bekende Nederlandse schrijfster Elisabeth (Betje) Wolff-Bekker (1738-1804).
Opeens stond die besloten en geheimzinnige Santhorster kring (overigens tot groot ongenoegen van Pieter Burman) volop in de schijnwerpers. Het pamflet veroorzaakte grote opschudding en lokte hevige reacties uit van orthodoxe zijde. Zozeer zelfs dat Betje's echtgenoot, dominee Adrianus Wolff, op alle commotie reageerde met een "Brief over de Santhorstsche geloofsbelydenis (Hoorn/Amsterdam, 1772) en duidelijk partij koos voor zijn in opspraak geraakte vrouw.


"De onveranderlyke Santhorstsche geloofsbelydenis" moet een populair stukje zijn geweest want er bestaan diverse edities van. De tekst werd uitgegeven met twee andere stukjes van haar hand; "De menuet en de domineespruik" en "Vergeefsche Raad", die verder niets met elkaar te maken hebben. In openbare (universiteits)bibliotheken zijn de diverse edities goed vertegenwoordigd maar antiquarisch is het schaars goed. Toevallig werd er op internet één exemplaar aangeboden door een antiquariaat in Groningen en dat buitenkansje verplichtte mij dit (volgens de schrijfster) "badinant stukje" van haar te kopen voor mijn bibliotheek.
Over dit geruchtmakende pamflet (vormgeving en inhoud) en de Santhorster kring is door literatuurhistoricus André Hanou (1941-2011) geschreven in: "Wolff in schaapsvel; de onveranderlyke Santhorstsche geloofsbelydenis" (in: "De achttiende eeuw, Documentatieblad van de werkgroep achttiende eeuw", jrg. 35, 2000). Bijzonder interessante historisch-letterkundige kost die iedereen die dat interesseert verplicht om de in datzelfde jaar bij uitgeverij Astraea (Leiden) verschenen, moderne teksteditie aan te schaffen (met uitvoerige inleiding en commentaar van Hanou). Intussen ben ik alweer naarstig op zoek naar nieuwe 'verplichtingen' c.q. bibliofiele avonturen waarvan ik u deelgenoot kan maken door er over te schrijven op mijn blog. Ik hoop dat u ze welwillend en met genoegen zult lezen (maar voel u vooral niet verplicht).

vrijdag 6 maart 2026

Het jaar geboekt, februari 2026

In 'Het jaar geboekt, [maand en jaar]' houd ik bij wat ik gedurende een maand bij elkaar verzamel inclusief 'de cijfers', soms met toelichting en/of opmerkingen. Ik begon hiermee in 2018, aanvankelijk als aparte rubriek (onder een eigen tabblad). Met ingang van 2024 publiceer ik mijn maandoverzichten direct op de 'homepage'. Na afloop van het jaar geef ik een totaaloverzicht in '[Jaar] geboekt. Een jaar in feiten en cijfers'.

Februari 2026; de cijfers...

Totaal aantal objecten: 8.

Gekocht: 7.
Gekregen: 1.

Totaal uitgegeven: € 150,25 euro (incl. verzendkosten).
Gedeeld door 7 is gemiddeld: € 21,46  euro per object.

Via kringloopwinkel: 3 (1, 2, 3).
Via (online) antiquariaat: 2 (5.a., 5.b.).
Via boekenmarkt: 2 (6, 7).

Modern: 5 (1, 2, 3, 6, 7).
Marge & klein bibliofiel drukwerk: 1 (4).
Old & rare: 2 (5.a., 5.b.).

Februari 2026: de aanwinsten...

Bij mijn lokale kringloop kocht ik deze maand drie uitgaven (1, 2, 3) voor in totaal € 5.25 euro.

1. Ch.N. Martin: "Heeft het UUR H voor de wereld geslagen?" (Haarlem, 1955). Charles Noël Martin (1923-2005) was een frans nucleair fysicus die verschillende publicaties op zijn naam heeft staan waaronder: "L'Heure H a-t-elle sonnė pour le monde?". Het bleek een bestseller die binnen een jaar in veertien talen werd vertaald (in het Nederlands door dr. R. van Campen). Er verscheen zelfs een tweede druk in 1957, echter... noch de eerste, noch de tweede druk, wordt antiquarisch aangeboden.


2. C. Lustig: "Botshollers gezocht. Bewoningsgeschiedenis van een klein stukje Botshol" (Abcoude, 2006).
Samen met de volgende aanwinst voor mijn plankje lokale geschiedenis/Amstelland.


3. P. van Schaik: "Ouder-Amstel. De oostkant van de Amstel in de stroom van de tijd" (Ouderkerk aan de Amstel, 2007).

4. G. Bomans: "25.000 boeken" (Tilburg, 2026). Uitgave van de Desideratum-Pers. Oplage 100 met de hand genummerde exemplaren in grijze omslag. Perkamentus ontving nummer 22. "Discussies met 'huisgenoten' over de hoeveelheid boeken, zal menig lezer van dit verhaal niet onbekend voorkomen. Het is met name voor hen dat deze tekst opnieuw is uitgegeven".


5.a. Portretlitho van J. Koning door H.J. Backer en 
5.b. Portretgravure van Petrus Burmannus Secundus (met Neolatijns gedicht) door J. Houbraken (1759). De portretlitho heb ik toegevoegd aan nr. 1 en de portretgravure aan nr. 4 van mijn januari-aanwinsten 2026. Beide gekocht bij antiquariaat Goltzius voor totaal € 110,- euro. 


Op de Amsterdamse Spui boekenmarkt kocht ik bij het Leidse antiquariaat Klikspaan twee moderne uitgaven (6 en 7) voor bij elkaar € 35,- euro.

6. D. Wouts: "De Librije van Enkhuizen" (Amsterdam, 2025). Tweedelige gebonden uitgave (met stofomslag). Deel één over de geschiedenis van de bibliotheek en deel twee de uitgebreide (bibliotheek)catalogus. Gekocht omdat ik sinds 2017 een exemplaar bezit van de zeldzame (tweede) bibliotheekcatalogus uit 1761 waarover ik schreef in "Bibliotheca Enchusana". Wouts vermeldt dat de rekening voor het drukken van deze achttiende eeuwse catalogus door Jan van Giessen bewaard is gebleven. Daaruit blijkt dat hij maar 50 exemplaren drukte. Wouts vond daarvan nog zeven exemplaren in diverse instellingen en één in particuliere bezit (Deel 1, blz. 150, noot 12 en 14). Mijn (achtste) exemplaar is aan haar aandacht ontsnapt. Jammer, maar zo begrijpt u meteen waarom het ook voor boekhistorici loont regelmatig kennis te nemen van mijn onvolprezen blog...


7. Willem Procurator: "Kroniek" (Hilversum, 2001). Vertaling uit het Latijn door M. Gumbert-Hepp en J.P. Gumbert van deze vroeg veertiende eeuwse kroniek (1262-1332). Het middeleeuwse manuscript verscheen voor het eerst in druk in de kroniekenserie van Antonius Matthaeus III (1635-1710): "Veteris aevi analecta seu vetera monumenta hactenus nondum visa...". Uiteraard staat die serie (de herdruk uit 1738, gebonden in perkament) ook in mijn bibliotheek, naast tal van andere Nederlandse kronieken. Ik verzamel al geruime tijd dergelijke Middeleeuwse bronnen voor de Nederlandse geschiedenis, zowel de eerste gedrukte edities uit de 17de, 18de en 19de eeuw, alsmede de moderne wetenschappelijke heruitgaven.