zondag 11 oktober 2009

Het Hornboek Project


Bij de stand van antiquariaat Dik Ramkema uit Overveen bereikte ik een bibliofiel orgasme met de kostbare aanschaf van een exemplaar van het adembenemende ‘Hornboek’.
Het werd uitgegeven in 2003 in een beperkte oplage van 135 exemplaren (waarvan 92 voor de verkoop, die al bij voorintekening verkocht waren). Het was een monsterproject van 26 (!) margedrukkers waarover Ronald Rijkse, conservator van de Zeeuwse bibliotheek, destijds het volgende schreef:
“Als enige van de dertien bibliotheken met een wetenschappelijke steunfunctie heeft de Zeeuwse bibliotheek vanaf de oprichting van de Stichting Drukwerk in de Marge in 1975 een speciale band met margedrukkers en hun producten en streeft zij er naar een representatief beeld van het margedrukken te geven. Zo ontstond door aankoop of schenking een collectie die duizenden boeken en talloze efemere (eenmalige) druksels omvat. In deze verzameling zijn diverse bibliofiele persen nagenoeg compleet aanwezig.


Dit margedrukwerk vergt een bijzondere behandeling wat conserveren betreft. Het is kwetsbaar en bovendien kostbaar en het vergt een speciale manier van opbergen. De Zeeuwse Bibliotheek heeft daar momenteel echter geen middelen voor; de vele noodzakelijke restauraties van het Oud Bezit slokken de beschikbare gelden op. Om deze bijzondere collectie toch op een goede manier te kunnen conserveren is vanuit de wereld van de margedrukkers zelf het Hornbook-project tot stand gekomen.
Hornbooks zijn de voorlopers van het ons vertrouwde ABC-boek en werden vanaf de Middeleeuwen tot de 18de eeuw in het onderwijs gebruikt.
Een Hornbook is in feite een rechthoekig plankje (met een handgreep) met daarop een velletje papier met het alfabet. Dat papier is bedekt met een plaatje hoorn. In 2002 zijn er 26 drukkers aan het werk gegaan om gestalte te geven aan een Hornbook ten behoeve van het project.
Het project was gecompliceerd en het aantal betrokkenen zo groot - naast drukkers waren er ook boekbinders, houtbewerkers, cassettemakers, zeefdrukkers en clichémakers bij betrokken - dat het uiteindelijke resultaat een unicum is in de Nederlandse boekgeschiedenis.

Allereerst is er een rode cassette waarin het Hornbook gestoken is. Haalt men dit eruit, dan ziet men 2 eikenhouten platten die de vorm van het oude Hornbook hebben. Tussen de platten bevinden zich achtereenvolgens een katern met het voorwerk, een leporello en een katern met het nawerk.
Een leporello is een boek waarvan de bladen uit één lange, meermalen gevouwen strook bestaan. In dit geval gaat het om een leporello met een lengte van vier meter. Daartoe zijn 13 dubbelzijdig bedrukte bladen harmonicagewijs gevouwen en aan elkaar geplakt. Op de bladen zijn door 26 margedrukkers de 26 letters van het alfabet gedrukt, voorzien van een (literaire) uitweiding en/of afbeelding. Iedere drukker was vrij om zelf vorm te geven aan zijn door loting toegewezen letter, echter binnen het overkoepelend thema margedrukken. De drukkers werkten in koppels van twee: de voor- en achterzijde van een blad moesten in onderling overleg vervaardigd worden. 



Het voorwerk is getiteld
“Van Hornbook tot ABC-Prentenboek” en bevat geïllustreerde bijdragen van John Landwehr en Frits Booy over de ontwikkeling van het hornbook tot de bekende 20ste eeuwse ABC-boekjes. Het nawerk bestaat eveneens uit 2 bijdragen.
De eerste is van Ronald Rijkse, die de kwetsbaarheid van de collectie aan de orde stelt. De tweede bijdrage betreft de verantwoording van het gehele project
”.

Het is werkelijk een onbeschrijfelijk mooi voorbeeld van kunstzinnige vormgeving en typografie en ik prijs mij dan ook gelukkig dat ik op de BOB beurs in de Leidse Pieterskerk een exemplaar kon bemachtigen.
Mijn drie fotootjes geven slechts een indruk maar als u wilt smullen en alle letters A t/m Z zelf wilt zien dan zult u toch echt op jacht moeten gaan naar een eigen exemplaar!

donderdag 1 oktober 2009

Leesboek voor ter dood veroordeelden


In Nederland werd de doodstraf in vredestijd afgeschaft in 1870. De laatste die hier krachtens een doodvonnis werd opgehangen was Johannes Nathan uit Sittard. Hij was schuldig bevonden aan de moord met voorbedachten rade op zijn schoonmoeder en werd in Maastricht op 31 oktober 1860 in het openbaar opgehangen door de laatste officiële scherprechter in Nederland; de Amsterdammer Dirk Jansen.
Tijdens mijn laatste boekenjacht in Leiden trof ik bij boekhandel De Slegte in de vitrine een curieus boekje aan met de titel: “Leesboek voor GEVANGENEN, inzonderheid die ter dood veroordeeld zijn”. Het is de vierde druk uit 1842, een uitgave van (en gesigneerd door)
M. Wijt & Zonen te Rotterdam, “drukkers van het Nederlandsche Zendeling-Genootschap”. Een eenvoudig boekje in papieren omslag dat, blijkens de achterzijde - “de prijs is 45 Cents”- , destijds te koop was. Na 167 jaar was die prijs inmiddels naar 40,- euro gestegen maar ik heb er geen spijt van, want op het alleswetende internet ben ik dit curiosum (nog) niet tegengekomen.

Het Nederlandsch Zendeling Genootschap (NZG) werd in 1797 opgericht te Rotterdam, met als zinspreuk ‘Vrede door het bloed des Kruises’, zoals ook rond het titelvignet staat.
Het doel van het NZG was niet kerkstichting, maar het brengen van individuen tot een innerlijk doorleefd christendom, gekoppeld aan beschaving. De zending vormde zeker in de 19de eeuw een belangrijke pijler. In 1951 ging het NZG op in de Zending der Nederlands Hervormde kerk. 
Uit het voorbericht blijkt dat de uitgave niet voor Jan en alleman was bedoeld maar voor “geestelijken welke de gevangene misdadigers moeten bezoeken” en voor de gevangenen zelf. Het boekje telt 20 hoofdstukjes.


Hoofdstuk I: “Hartelijk woord aan de Gevangenen” en II: “De Gevangene, welke meent dat hij onschuldig of te zwaar gevonnisd is” zijn nog weinig spiritueel van aard.
Dat verandert met hoofdstuk drie als er overdenkingen of onderwerpen met betrekking tot de verhalen in de Bijbel worden besproken zoals de tweede overdenking ‘Die zijne overtredingen bedekt zal niet voorspoedig zijn’ of hoofdstuk XI ‘De twee moordenaars, welke met Jezus zijn gekruist. Luc. XXIII: 39-43’. Wat was de bedoeling van deze uitgave? Ik citeer: “Om maar ronduit te spreken: wij wenschten welmeenend iets toe te brengen tot verzachting van uw lot, tot uwe vertroosting, en opbeuring, tot teregtbrenging en behoudenis van uwe redelijken geest, welke overblijft na de ontbinding van uw ligchaam”. 


Geestelijken die tegenwoordig de ter dood veroordeelden bezoeken in bijvoorbeeld de ‘Death row’ van een Amerikaanse gevangenis raad ik aan een andere benadering te kiezen, maar in de 19de eeuw begon het eerder gemelde ‘hartelijk woord’ met de volgende bemoedigende openingszin: “Ongelukkige medereizigers naar de eeuwigheid. Met een deelnemend, ja, diep bewogen hart treden wij uwen kerker in, en brengen u, door dit geschrift een bezoek in uwe banden”. Zo! Dat moet al een hele troost geweest zijn…

Thans spelen zaken als forensisch onderzoek, dactyloscopie en DNA-onderzoek een grote rol in een veroordeling, zeker in die gevallen waarin de doodstraf wordt geëist, maar in 1842 bestond dat allemaal nog niet. Men vertrouwde op het goede in de mens, de beschaafde maatschappij en op een rechtvaardige God. Hoofdstuk II begint dan ook met de constatering : “Zeer zeldzaam, men mag wel zeggen, zedelijk onmogelijk zijn de voorbeelden, dat iemand in eene welgeregelde maatschappij, onder eene wijze en goede regering, onschuldig ter dood veroordeeld, en ter dood gebragt wordt: evenwel natuurkundig onmogelijk is het niet dat zulks eene enkele keer geschiede”.

En mocht dat zeldzame natuurkundige verschijnsel zich toch voordoen dan was het advies aan de betrokkene: “Hij onderwerpe zich (-). Hij overwege verder, of hij niet zulk een lot, van de zijde Gods, billijk heeft verdiend..(-) Hij denke eindelijk; wie weet, waartoe ik wel zoude gekomen zijn, indien ik niet op deze tijd, en op deze wijze het leven moest verliezen..(-).
Hij blijve vrij biddend hopen op redding. Op het laatste oogenblik zou God zijne onschuld aan den dag kunnen brengen door ongeziene en ongedachte wegen”.

Johannes Nathan werd destijds in zijn laatste uren bijgestaan door paters en op het schavot door een kapelaan. Zou hij dit boekje gelezen hebben?

zondag 20 september 2009

Paus en duivel


De spotprenten van de Islamitische profeet Mohammed die op 30 september 2005 verschenen in de Deense 'Jyllands-Posten' zorgden onder veel moslims voor ophef. Over cartoonist Lars Vilks werd zelfs een fatwa uitgesproken. Het afbeelden van de Profeet (vrede zij met hem) is op zich al omstreden, maar bovendien werd hij in de tekeningen als hond afgebeeld of in verband gebracht met terrorisme; de ultieme vijand in onze moderne tijd.

Spotten is van alle tijden, spotten met iemands geloof ook.
Een goed voorbeeld daarvan trof ik aan in “Histori der Nederlandsche Vorsten, uit de Huizen van Beijere, Borgonje en Oostenrijk…” (‘s-Gravenhage 1732-1735).
De boeken zijn geschreven door Frans van Mieris 'de Jonge', kunstschilder, verzamelaar van munten en penningen en auteur van diverse historische uitgaven.
Het zijn drie kloeke folianten, ruim 1500 bladzijden, waarin hij de geschiedenis vanaf het midden van de 14de eeuw tot het overlijden van Keizer Karel V in 1558 beschreef en illustreerde aan de hand van meer dan duizend penningen (geen munten!), uit zijn eigen en diverse andere particuliere collecties.

De talloze kleine en grote penningen zijn zeer gedetailleerd afgebeeld. Dat is goed te zien als we een vergelijk maken tussen een afbeelding uit het boek, de feitelijke penning en een schilderij uit de collectie van het museum het Catharijneconvent in Utrecht.
Het gaat het om een afbeeldingen van de Paus met Pontificale Tiara die tevens, als je het beeld op zijn kop zet, de duivel met horentjes is. Deze spotafbeeldingen stammen uit de 16de eeuw toen het protestantisme stormenderhand opkwam, met dank aan verschillende kerkhervormers als Ulrich Zwingli (1484-1531), Johannes Calvijn (1509-1564) en Martin Luther (1483-1546).


De afbeelding uit het derde deel van Van Mieris (blz. 112) laat ons de voor- en achterzijde van vier verschillende penningen zien (één boven, twee midden en één onder). Het halve maantje erboven geeft aan dat de penningen van zilver zijn. Niet bepaald bedoeld voor de massa van destijds maar er waren ook goedkopere penningen van onedel metaal in omloop, zoals blijkt uit een exemplaar in de collectie van de stichting religieus erfgoed. Om aan te geven van welke collectioneur de penning was gebruikte Van Mieris letters zoals hier de M. (collectie Van Mieris) en Syp. (collectie Mr. Cornelis Ascanius van Sypesteyn, Raad en President Schepen te Haarlem).


Het is wel duidelijk dat het schilderij de belangrijkste afbeelding van de penningen toont. De keerzijde lijkt gevarieerder maar in alle gevallen gaat het om een kardinaal en (omgekeerd) een nar met bellenkap.
Op de penningen staan (van boven naar beneden en van links naar rechts) verschillende Latijnse randteksten: “REDDE RATIONUM.DE LUC I” (Geef rekenschap van Lucas 16), “STULTI VA CORA” (Zij zijn zeer dwaas in hunne harten), “ECCLESIA PERVERSA TENET FACIEM DIABOLI” (De kerk omgekeerd heeft het aangezicht des duivels), “STULTI ALIQUANDO SAPIENTES” (De gekken zijn somtijds wijzen). Van deze penning ziet u hier links ook een echt zilveren exemplaar. Vervolgens, midden rechts: “MALA OVVA MALI CORVI” (Kwade eieren, kwade raven), “ET STULTI ALIQUANDO SAPITE PSALM 94” (En gij dwazen, wanneer zult gij verstandig worden? Psalm 94).

De onderste afgebeelde penning tot slot is een variant op de voorgaande uit het kamp van de Rooms-katholieke tegenpartij. Weliswaar zijn de afbeeldingen gelijk maar het randschrift rondom de Paus en duivelkop luidt: "IOAN.CALVINUS.HERESIARCH.
PESSIMUS” (Johannes Calvijn de snoodste aartsketter). Van Mieris vond deze afbeelding in “La Science des Médailles Antiques et Modernes…” (Paris, 1692) van L. Jobert).


Of deze spotpenningen destijds ernstige consequenties konden hebben voor de vervaardiger, zoals in het geval van Lars Vilks, de verspreider of bezitter weet ik niet. Ongetwijfeld zullen er nog steeds Christenen zijn die zich ongemakkelijk voelen bij dergelijke zaken. Excommunicatie, de brandstapel of een zelfmoordaanslag uit die hoek verwacht ik echter niet; dus ik waag het er maar op.