Ik was op weg naar de Summerschool in het Allard Pierson Museum en passeerde antiquariaat Brinkman op het Singel waar Frank zojuist de stoep had geschrobd. Volgens mijn horloge had ik nog voldoende tijd en daarom besloot ik om even binnen te wippen voor een praatje en te kijken of er nieuwe aanwinsten op de planken stonden. In de kleine wandvitrine met glazen schuifdeurtjes ontwaarde ik een fraai geperst zwartlinnen bandje waarvan de platten met sierkaders in goud waren bedrukt en het boekblok aan alle zijden was verguld. Een presentexemplaar?
Het bleek te gaan om twee ingezonden antwoorden op een prijsvraag die werd uitgeschreven door de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels ('de vereniging met de lange naam'), naar aanleiding van haar vijfentwintigjarig bestaan.
Ik bladerde en las wat en ontdekte aan het einde van de bijdrage van Fuhri een ongewone bijlage (G) bestaande uit facsimile's van twee achttiende eeuwse satirische pamfletten.
De ene getiteld: "Lees-Cedul om in staatsie en goede ordre te volgen het Lyk van Wylen den door Schrik Versturven Heere [...] De Ouderwetse Nederlandsche Patriot" (z.p., z.j. [1781]) en de ander in de vorm van een eenzijdig bedrukt oblong begrafenisbriefje: "In 's Gravenhage, Anno 1781. Tegens Maandag, den 31sten December, werdt UE: ter begravinge verzogt, met het zoo ongelukkig door de Schrik van een Advertentie van den 17den Dito, gesneuvelde lyk van De Ouderwetsche Nederlandsche Patriot, [...]" (z.p., z.j. [1781]).
Die heb ik ook! - dacht ik - en tegelijkertijd vroeg ik mij af wat ze in dit boekje deden...
Om maar met het laatste te beginnen. Fuhri beschrijft op bladzijde 12, 41 en 42 de prullen die in het vorige tijdvak (de 18de eeuw) verschenen en hoe hij daarvan eens zestig pakketten tegenkwam. "Eene baal niet te tillen", van geschiedkundige, staatkundige, godsdienstige stukken, paskwil- en twistgeschriften uit de periode 1778-1793 afkomstig uit de nagelaten bibliotheek van de jurist Daniël François (1781-1840), die op 21 september 1840 in Den Haag werd verkocht bij Thierry en Mensing.
"Gij klaagt over blaauwboekjes en twistgeschrijf, waardoor gij uwe handel vaak onteert ziet; maar het tijdperk, uit hetwelk 'onze voornaamste firma's ontsproten', was daarin zoo rijk, dat gij, als ge toen geleefd hadt, niet zoudt gezegd hebben, dat de Boekhandel verviel, maar dat die ten grave gedaald was. Ik heb het u reeds gezegd; ik zag eens zestig pakken daarvan bijéén, als het resultaat van vijftien jaren (*); ik zag ze zoo vuilaardig, persoonlijk en gemeen, dat onze minste stalletjes-man er zich nu voor schamen zou". En in een noot (*) daaronder: "Maar de boekhandel van het hier behandelde tijdvak geneerde zich toen vrij algemeen met de uitgave van zulke hatelijke en zoutelooze libellen, als waarvan ik er u hier een doe kennen. Hartstogt gaf ze in de pen, winzucht deed de uitgaaf ondernemen, en het kan niet missen, of onder zulk eene gesteldheid van zaken moest de solide Boekhandel wel treuren". De facsimile's dienden dus als voorbeelden van afkeurenswaardig drukwerk dat in grote hoeveelheden in de 18de eeuw (maar ook daarvoor al) was verschenen.
Ik pakte mijn telefoon erbij om het facsimile van het begrafenisbriefje te vergelijken met mijn exemplaar. Onder de aanwinsten van januari 2023 vond ik die terug. Nu werd meteen duidelijk dat ze inhoudelijk verschillend waren. Plots herinnerde ik mij dat ik mijn aanwinst op de dag dat ik het op de Spui boekenmarkt had gekocht aan Joanna (Frank's compagnon) had laten zien. Ik vertelde Frank dat we hadden gelachen om de pamflettist die over een onuitputtelijke hoeveelheid scheldnamen en beledigingen bleek te beschikken. En passant had Joanna toen opgemerkt dat zij toevallig ook zo'n quasi begrafenisbriefje te koop hadden!
Frank, die had geluisterd, ging meteen op zoek in zijn database. Inderdaad... en niet veel later stond ik met hun exemplaar in mijn handen en konden we constateren dat die in ieder geval wel identiek was aan het facsimile. Ik besloot om beide (boekje en begrafenisbriefje) te kopen om er eens nader onderzoek naar te doen.
Begrafenisbriefjes werden in de achttiende eeuw direct na een overlijden door aansprekers rondgebracht bij familie en vrienden aan de hand van 'leesceelen'. Dat zijn rollen, soms wel enkele meters lang, met de namen van allen die voor de begrafenis werden uitgenodigd.
In de 17de, 18de en 19de eeuw moeten er vele honderdduizenden begrafenisbriefjes zijn gedrukt. Zoveel dat in Amsterdam de stedelijke overheid verordonneerde dat voor elke honderd er één gulden aan het aalmoezeniersweeshuis moest worden betaald met een minimum van drie gulden. Bovendien werd in 1676 bepaald dat het formaat van het begrafenisbriefje niet groter mocht zijn dan een 'quarto ordinaris schrijfpapier' (oblong, ca. 25 cm breed en 20 cm hoog).
Ze kenden een redelijk gelijkvormige inhoud. De kop vermeldde plaats, datum en jaar. Vervolgens in groot kapitaal de naam van de overledene al dan niet met zijn beroep, soms bijnaam en eventuele kwalificaties. Tot slot het adres (sterfhuis) waar men zich verzamelde voor de uitvaart en naar welk kerkhof het lichaam werd gedragen. Een enkele keer veroorloofd men zich bij dergelijk drukwerk frivoliteiten zoals een bericht op rijm.
Satirische begrafenisbriefje in de achttiende eeuw verschenen vooral tussen 1780 en 1790 toen de politieke spanning tussen Prinsgezinden en Patriotten toenam. Ze imiteren met hun vormgeving de werkelijkheid en ook de inhoudelijke opmaak sluit nauw aan bij de gebruikelijke/normale begrafenisbriefjes. Anders dan de laatste werden ze natuurlijk niet gratis verspreid, maar verkocht. Eveneens afwijkend is het feit dat ze niet alleen melding maken van de dood van personen (die soms nog niet eens overleden waren!), maar ook van 'overleden' voorwerpen c.q. kranten!
Gedurende deze periode verscheen overigens veel meer satirisch efemeer drukwerk rondom al dan niet overleden politieke tegenstanders, zowel visueel (spotprenten) als verbaal (denk aan gefingeerde testamenten, spotliedjes en kluchtspelen zoals de '
schertsbegrafenis').
Ik laat deze hier verder buiten beschouwing met uitzondering van de vaak bij het begrafenisbriefje apart verschenen opsomming/beschrijving van alle deelnemers aan de begrafenisstoet (veelal 'lees-cedul' genoemd). Daarmee kon de satire en hoon worden doorgetrokken naar andere politieke tegenstanders die in relatie stonden met de overledene.
Dat begrafenisbriefje en cedul vergelijkbaar zijn blijkt uit het feit dat beide soms hetzelfde 'echtheidsteken' droegen (zoals een gefingeerd heraldisch wapen). Dit is bijvoorbeeld het geval bij nummer 1 (2) en 3 in de onderstaande lijst. Ook komt het voor dat op het cedul wordt verwezen naar het begrafenisbriefje (zoals bij nr. 4 in de lijst, hieronder afgebeeld).
Aan de hand van gegevens uit de STCN, de pamflettencatalogi van W.P Knuttel en L.D. Petit alsmede enkele andere online bronnen kon ik het volgende overzicht maken van satirische begrafenisbriefjes verschenen tussen 1781 en 1787 (plus eventueel 'cedul').
Compleet zal dit overzicht vermoedelijk niet zijn. Daarbij moet worden opgemerkt dat dergelijk efemeer drukwerk niet alleen grotendeels is verdwenen maar zich bovendien ook vaak bevindt in (familie)archieven die nog niet zijn ontsloten zoals (bijzondere) bibliotheekcollecties door de STCN. Antiquarisch worden ze maar zeer zelden aangeboden. Toevallig kon ik - terwijl ik dit blog schreef - nummer 3 (met cedul) bemachtigen bij antiquariaat Goltzius in Lisse.

2. De Ouderwetse Nederlandsche Patriot (1782). Knuttel nr. 20267. Cedul 20268. Anders dan bij nr. 1 gaat het hier feitelijk om een uitnodiging voor de uitvaart-diensten!
3.
Johan Barueth (1708-1782). Vurig Orangistisch predikant. Knuttel nr. 20244. Cedul 20245. Zijn begrafenisstoet telt 22 deelnemers.
5. Pierre Frederik Gosse(n) (1751-1826). Knuttel nr. 20440. Cedul 20441. Haags courantier. Hij was uitgever-distributeur van de nrs 1 t/m 17 van De Ouderwetse Nederlandsche Patriot (zie nr. 1 en 2). De daaropvolgende nummers 18 t/m 27 verschenen bij de Rotterdammers Charles Richard Hake & Lambert Bennet. Op het begrafenisbriefje nr. 2 worden de laatsten genoemd onder hun verbasterde namen 'Haalna' en 'Goednet'. Bij Gosse verscheen eveneens de 's Gravenhaagsche alias Hof Courant (nr. 4).
6. Hendrik Kannegieter Jansz. (1722-1783). Knuttel nr. 20540. Cedul 20541. Orangist en
oud-doelist (1748). Overigens verscheen van zijn politieke medestander Christiaan Teepken (17..-1748) al veel eerder een dergelijk begrafenisbriefje (
Knuttel 18077.a.) evenals van
Daniël Raap (1703-1754), Knuttel nr. 18422 en 18423. De tekst van het briefje van Teepken is later opgenomen in de serie: "
Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen" (Emden, 1748-1754, deel II, blz. 237). Twee satirische begrafenisbriefjes van Raap zijn hierin als facsimile opgenomen (deel VI).
8.
Nikolaas Francois Hoefnagel (1735-1784). Patriotische querulant en pamflettist. Niet in Knuttel. Exemplaar uit 1784 in Utrechts archief (signatuur: PK: VII D I nr. 22).
De begrafenisstoet telt 12 nummers.
10.
Kees Salm (Frederik III van Salm-Kyrburg 1745-1794). Militair in stadhouderlijke dienst, bevelvoerend verdediger van Utrecht. Knuttel nr. 21634. Cedul 21634 (zie voetnoot). De begrafenisstoet telt 32 nummers. Gedrukt naar aanleiding van zijn smadelijke vlucht op 15/16 september 1787 uit Utrecht bij het naderen van de Pruisische troepen.
Opmerkelijk is dat de helft van bovenstaande lijst (nrs. 1 t/m 5) wordt toegeschreven aan de politieke pamflettist
Nikolaas Francois Hoefnagel (1735-1784) over wie de Nederlandse literatuurhistoricus
Andre Hanou (1941-2011) veel heeft geschreven. Hoefnagel is daarmee de onbetwiste specialist in dit genre. Hij kreeg na zijn dood - heel toepasselijk - een koekje van eigen deeg.