dinsdag 24 mei 2011

Nieuwe oude aanwinsten

Afgelopen zondagmorgen, ‘boeken op de Dam’, weer even heerlijk rondgesnuffeld. Bij Max van Til lagen diverse stapels oud materiaal die ik onmiddellijk herkende als een gedeelte afkomstig uit een door mij (ruim een jaar geleden) gesorteerde grote partij.
Daar zaten, zo herinnerde ik mij, bijzondere dingen bij al liet de kwaliteit vaak te wensen over (ik stel hele hoge eisen!).
Desondanks trof ik in een stapeltje drie boeken aan die ik de moeite waard vond en in een voor mij acceptabele staat verkeerden. Voor slechts veertig euro wisselden ze van eigenaar en groeide mijn bibliotheek, sectie oud en zeldzaam.
Bijzonder in mijn nopjes ben ik met een in halfleer gebonden exemplaar van: “Historische en letterkundige Avondstonden…” (Amsterdam, 1800) door de historicus Hendrik van Wijn (1740-1831). Van Wijn’s boek bevat een nieuwe Nederlandse vertaling van “De origine et situ Germanorum“ (of "Germania"), rond het jaar 98 geschreven door de Romeinse historicus Publius Cornelius Tacitus (ca. 56-117) evenals een schets in dialoogvorm over de woonplaatsen, het voedsel, de vermaken en de kleding vanaf de Romeinse tijd tot de zestiende eeuw in Nederland. Het meest beroemd echter werd hij met zijn eveneens hierin opgenomen dialoog: “Schets van den Stand der Nederduitsche Dichtkunde sedert de vroegste, byzonderlyk de Frankische, tyden, tot aan het begin der zestiende eeuwe“.
Het is het eerste overzicht van de Nederlandse letterkunde in onze geschiedenis, waarin hij bovendien als eerste een samenvatting gaf van het bekende Middelnederlandse epos “Karel ende Elegast”. Momenteel wordt op internet één vergelijkbaar exemplaar aangeboden voor honderd twintig euro.

Eveneens in halfleer gebonden is: “Verspreide bijdragen” (Den Haag, 1849) door de waterbouwkundige Frederik Willem Conrad (1800-1870). Niet echt mijn verzamelgebied maar een fraai boekje, antiquarisch onvindbaar en bovendien curieus gesigneerd
‘Conrad’. De bijdragen gaan over Nederlandse onderwerpen zoals de eerste sluizen in Holland, over duinen en stranden en de droogmaking van de Haarlemmermeer.
Des te opmerkelijker is zijn laatste bijdrage getiteld: “Nota over de doorgraving van de landengte van Panama”. In die tijd werd nog nagedacht over een doorsnijding die veel noordelijker lag en wel bij de meren Managua en Nicaragua.(beiden in Nicaragua). Conrad's aspiraties strekten zich niet alleen op papier uit tot over de landsgrenzen - en hij moet op zijn gebied toch een expert zijn geweest - want tussen 1855 en 1865 was hij direct betrokken bij de aanleg van het Suezkanaal.

De laatste aanwinst - in originele kartonnen platten - is een brochure getiteld: “Wat een Utrechtenaar zag en hoorde bij de beurs-inwijding te Amsterdam en vervolgens te Kampen, Zwolle, Deventer, Zutphen en Arnhem” (Kampen, 1846).
Een soort reisverslagje, eerst te koop (zie advertentie), maar een jaar later gratis bij jaargang 1847 van het blad 'De Tijdkorter’. Vermoedelijk zal de oplage destijds wel aanzienlijk zijn geweest maar thans is de uitgave antiquarisch onvindbaar.
Hoewel het anoniem verscheen, is bekend dat het werd geschreven door de journalist Harm Boom (1810-1885). De Amsterdamse beurs die hierin ter sprake komt is niet de huidige maar diens voorganger de Beurs van Zocher waarop nogal wat kritiek was en die uiteindelijk in 1903 zou worden gesloopt om plaats te maken voor De Bijenkorf.
De opening door Koning Willem II en zijn zonen schijnt een nogal koele aangelegenheid te zijn geweest. “O, die morgen van den 10den September 1845 gaf een bitter oogenblik in ons leven, toen Neerlands Koning tot het feest der inwijding opgegaan, met een stilzwijgen werd ontvangen, dat helaas, zoo veel kan betekenen! Dikwijls hebben wij Willem I in zijne hoofdstad zien komen, en elke reis derwaarts was ook een triomftogt. Meermalen zagen wij Willem II als kroonprins en Koning te Amsterdam, en ’t was aandoenlijk en verrukkend tevens, de genegenheid des volks te zien, die zich altijd in hartelijke luidruchtigheid openbaarde. En nu?
Terwijl duizende en duizende Nederlanders een vrolijk feest in de Amstelstad zouden vieren, verschijnt Willem II die met zijne zonen begeerd had, getuige te zijn van eene aan den handel zoo eigenaardige gebeurtenis, te midden der Natie, en de Natie – zwijgt!
”.

Thuisgekomen met mijn nieuwe oude aanwinsten viel mijn oog op een kleine bibliofiele uitgave die ik zaterdag in Utrecht had gekocht. “Tegen Bibliofilie” (Leiden, 1991) door Seneca.
Het lezen ervan heeft niet geholpen…

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen