woensdag 8 juni 2011

Al wat rest

‘Antiquarius met een voorliefde voor het bibliofiele, zeldzame en in perkament gebonden boek’, maar ik heb er natuurlijk geen bezwaar tegen als oud perkament niet als kaftmateriaal werd gebruikt maar als schrijfmateriaal.

Deze oude handgeschreven koopakte op perkament van de hofstede Brantwijk uit 1778 met uithangende complete waszegels van de Nieuwer-Amstelse schepenen Jan de Bruijn en Pieter van der Honte behoort alweer twintig jaar tot mijn bescheiden collectie lokale archivalia. Het stuk werd destijds eerst aangeboden aan het toen nog bestaande Amstelveense gemeentearchief maar de archivaris beschikte niet over de financiële middelen voor aankoop en maakte mij erop attent. Inmiddels zijn beiden, archivaris en oud archief, wegbezuinigd en moet de lokale geschiedenis worden opgezocht in het Amsterdamse stadsarchief.

Brantwijk was een van de talloze buitenplaatsen langs de rivier de Amstel. Terwijl de meesten aan de drukke westzijde lagen, bevond Brantwijk zich aan de stille oostzijde van de rivier, pal tegenover het voormalige raadhuis van Nieuwer-Amstel (waarin tussen 1914 en 2007 het Amsterdamse Gemeentearchief zat). Dergelijke buitenplaatsen, door tijdgenoten ook wel aangeduid als ‘lusthof’, ‘maison de campagne’ en ‘maison de plaisance’ werden vooral vanaf de tweede helft van de 17de ‘Gouden’ eeuw gebouwd.
De eigenaren waren Amsterdamse patriciërs die door de bloeiende handel rijk waren geworden. In de winter verbleven ze in de stad en in de zomer trok de hele familie naar de buitenplaats waar het, mede dankzij de aanwezigheid van prachtige siertuinen, voor menig rijke Amsterdammer aangenaam vertoeven was.

Op kunstzinnige tijdgenoten heeft de rijkdom en grandeur langs de Amsteloever(s) grote indruk gemaakt. Vele landhuizen zijn in schilderijen, tekeningen en prenten afgebeeld of beschreven en bezongen.
Een bekend ‘onroerend goed’ boek uit die tijd is: “Hollands Arcadia of de vermaarde Rivier Den Amstel…” (Amsterdam, 1730) waarvan ik een luxe facsimile uitgave bezit, die door Kruseman’s uitgeversmaatschappij N.V. in Den Haag in 1968 werd uitgegeven in een gelimiteerde oplage (mijn exemplaar is nr. 553). Het boek begint met een lofzang van
G. Tysens op de buitenplaatsen die men toen, al varende over de rivier van Amsterdam naar Ouderkerk aan den Amstel, passeerde.
Over Brantwijk, rond 1730 bewoond door de heer Daniel Marsenier, lezen we:

“‘k Zie Brantwyk reeds van verre, en nader ’t schoon gestigt;
Het voerd zyn brede kruin vol luister in het ligt,
En steekt drie spitsen op, die ons naauwkeurig tonen,
Waar heen Eölus vliegt met zyn gezwinde zonen…

En even verder:

De Zomerhuisjes zyn aan myn gezigt meêr waardig,
Die langs den ryweg, op den hoek des hofs, zo aardig,
Vierkant zyn opgebouwd, zig spieg’lende in de vliet,
Waar door heer Marssenier vaak zynen lust geniet.
Vaar wel! Ô Brandwyk! ‘k ga, om meer vermaak te aanschouwen”.

Bijna een halve eeuw later, op 6 april 1778, werd mijn koopakte opgemaakt.
De tekst bleef ook bewaard bij de notaris wiens protocollen thans berustten in het Noord-Hollands Archief in Haarlem. De originele oorkonde was voor de huiseigenaar en behoorde tot het huisarchief.

De erfgenamen van Ester Senior Coronel, weduwe van Jacob Saportas dragen dan de buitenplaats over aan Sara Eastwood, huisvrouw van Anthony Fothergill voor 11.000 gulden. Uitvoerig werd beschreven wat voor moois zij daarvoor kreeg: “Een Buijtenplaats genaamt Brandwijk, met zijn huijzinge, Koetshuijs, Stallingen, Coepels, en verdere getimmertens, mitsgaders Kassen, Broeikassen met derzelver Lessenaars, Krebben, glasen, matten, thuijnbanken, een marmere tafel met eenige Stoelen, Staande in de Agterkoepel, een Schuijt met zijn Toebehooren en de tuijnmansgereedschappen”.

Eind achttiende eeuw stonden er nog tientallen kleine en grote buitenplaatsen tussen Amsterdam en het dorp Ouderkerk aan den Amstel maar vooral begin 19de eeuw raakten ze door de toenemende economische recessie steeds meer in verval. Bij bosjes vielen ze in handen van slopers die de huizen afbraken en het bruikbare bouwmateriaal doorverkochten. Op de vrijgekomen plekken keerde vaak het boerenbedrijf terug. Uiteindelijk zijn slechts drie buitenplaatsen langs de Amstel bewaard gebleven; Amstelrust (gemeente Amsterdam), Wester-Amstel en Oostermeer (gemeente Amstelveen).

Brantwijk werd tussen 14 juli en 27 oktober 1796 gesloopt en is uit het geheugen verdwenen. Een dikke vijftig jaar geleden, op 29 april 1957, nam de toenmalige gemeente Nieuwer-Amstel (thans Amstelveen) een raadsbesluit om ‘Brantwijk’ op te nemen in de straatnaamgeving.
Wat archiefstukken, mijn perkamenten koopakte en een straatnaambordje.
Dat is al wat rest.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen