maandag 2 april 2012

Leerzaam wandelen

Een liefhebber van sport ben ik nooit geweest. Als kind las ik liever een boek dan dat ik buiten voetbalde. Alleen wandelen en fietsen deed doe ik graag. Vooral historische dorps- en stadswandelingen (in binnen- en buitenland) vind ik erg leuk.
Te voet en al dan niet gewapend met een gidsje is er geen betere manier om de lokale geschiedenis te ontdekken en je te realiseren hoe snel alles in de loop der tijd veranderd. 

In mijn bibliotheek staan verschillende oude wandelgidsjes waaronder de bekende serie van J. Craandijk (1834-1912):
Wandelingen door Nederland” (Haarlem, 3de druk, 1887-1888), totaal negen delen met een aparte atlas van wandelkaarten.
Een ander is: “Wandelingen in en om Heerlen met geschiedkundige aanteekeningen” (Heerlen, 1919) van de P.J.M. Peeters (1865-1940). Zowel Craandijk als Peeters waren onderwijzer (geweest) al schreven zij hun boekjes niet specifiek voor schoolkinderen.
Wel specifiek voor deze doelgroep is de eind negentiende eeuw verschenen: “Gids voor schoolwandelingen door Amsterdam en omstreken” (Amsterdam, 1898).

Ik bemachtigde onlangs het eerste (en enige) deel dat over ‘de stad’ gaat. Het geplande tweede deel zou gaan over de omgeving van de stad en tevens de stadsparken en -plantsoenen behandelen. Eén van de medewerkers aan het eerste deel was Eli Heimans. Aan deel twee zou zijn vriend Jac. P.Thijse hebben meegewerkt ware het niet dat het, om onduidelijke redenen, nooit is verschenen.

Uit de inleiding blijkt dat deze gids is ontstaan dankzij een verzoek in 1894 van de ‘Vereeniging van Hoofden der Openbare Lagere Scholen’ aan het Amsterdamse stadsbestuur om met leerlingen ‘schoolwandelingen’ te mogen maken.
Het aanschouwelijk onderwijs middels een leerzame wandeling was iets nieuws en de gemeente ging akkoord, mits het maar één dagdeel in beslag nam, en alleen in het kader van de aardrijkskundeles (In 1901 werd de toestemming wat verruimd).

De uiteindelijk in 1898 verschenen gids bevat geen uitgewerkte stadswandelingen noch stadsplattegronden maar een beschrijving van de wetenswaardigheden in de volgende ‘afdelingen’.
  1. Amsterdam begrensd door Heerengracht en Prins Hendrikkade.
  2. Amsterdam begrensd door Heerengracht en Singelgracht met ‘de nieuwe stad’ (de vergroting van 1658 en daarna).
  3. De haveninrichtingen en het Centraal Station.
  4. De Noord-Westelijke en Noord-Oostelijke uithoeken der stad.
  5. Het Stedelijk- en Rijksmuseum en wat daar per zaal is te zien, en
  6. Aanhangsel met diverse interessante onderwerpen, anno 1898, zoals dierentuin Artis, de brandweer, bestratingswerken, de stadsreiniging, ‘de Amsterdamse Omnibus Maatschappij’ (A.O.M.) en de gemeentetelefoon. 

    De opbouw van de eerste vier is systematisch. Eerst wordt een algemeen overzicht gegeven van de straten en grachten in het desbetreffende stadsdeel. Sommige daarvan zoals de ‘Verbindingsweg’, die toen de huidige Rustenburgerstraat verbond met de Van Baerlestraat zijn alweer onder bebouwing verdwenen, anderen namen zoals ‘De gracht’ (de Nieuwevaart) zijn in onbruik geraakt.
    Van een aantal straten wordt zelfs de lengte vermeld, waarschijnlijk om de leraar een idee te geven van de afstand en dus tijd die voor een bepaald traject nodig was.
    Veel historische informatie is overgenomen van de Amsterdamse onderwijzer Jan ter Gouw (1814-1894) die al eerder over de herkomst van talloze Amsterdamse straatnamen had gepubliceerd. Na het algemene gedeelte volgt een beschrijving van de voornaamste gebouwen en bezienswaardigheden in het stadsdeel. Gewapend met deze kennis moesten de onderwijzers vervolgens zelf hun wandelingen uitstippelen.

    Van enkele instellingen komt de toegang ter sprake.
    Zo weten we dat het Paleis op de Dam toegankelijk was met kaartjes die bij verschillende boekhandelaren konden worden gekocht; “Echter heeft H.M. (Hare Majesteit) herhaaldelijk aan scholen etc. vergunning verleend om het Paleis kosteloos te bezichtigen. Daartoe hadden belanghebbenden zich dan schriftelijk (niet per rekwest) tot H.M. gewend”.
    Een bezoek aan het Stedelijk – en Rijksmuseum was gratis maar dierentuin Artis kostte toen tien cent per kind.
    Dat was voor de meeste ouders van toen een grotere hobbel dan de ruim vijftien euro die nu moet worden betaald!

    Geen opmerkingen:

    Een reactie posten