De wereld van het antiquariaat is divers. Wie wel eens een winkel binnenloopt (hoe lang nog!), op een beurs komt, naar een veiling gaat, een boekenmarkt bezoekt of jaagt in de wereld van het boek op internet kan dat met mij beamen.
De handel varieert van zwaar beduimelde pockets, stapels ephemera, losse prenten en kaarten tot strips en oude in leer of perkament gebonden uitgaven.
Als er één onderwerp is dat zich wat meer onderscheid in deze diversiteit dan is het wel de handel in oude kaarten en prenten. Met oude kaarten bedoel ik dan geen ansicht- of prentbriefkaarten (ook dat is een wereld op zich!) maar topografische kaarten van landen, streken en steden.
Bij de prenten gaat het vaak om los illustratiemateriaal afkomstig uit boeken soms om afbeeldingen die nimmer in boeken hebben gezeten, zoals bijvoorbeeld de meeste etsen van oude meesters (‘master-prints’) als Rembrandt. Een bekende kaart- en prentenhandelaar die ik heb gekend was Simon Emmering (1914-1999) en er zijn nog steeds antiquariaten die zich hierin specialiseren, zoals ‘Dat Narrenschip’ en E.H. Ariëns Kappers. Ze kennen zelfs een aparte organisatie, de “International Fine Print Dealers Association” (IFPDA) en zijn daarvan vaak lid naast de NVvA.
Vooral in mijn eerste verzameljaren bezat ik dergelijk materiaal. Losse kaarten en prenten uit de historische werken van mijn favoriete Jan Wagenaar waren (en zijn) nou eenmaal goedkoper dan zijn complete originele uitgaven. Daarvan kon ik als tiener met een bescheiden zakgeld alleen maar dromen en pas toen die dromen veel later werkelijkheid werden heb ik, enkele uitzonderingen daargelaten, al het losse en dubbele illustratiemateriaal afgestoten. Overigens kon de ethische kant van het verhaal mij toen maar matig boeien. Ik was nog jong en naïef en dacht dat al die prenten en kaarten uitsluitend afkomstig waren uit incomplete boeken of beschadigde exemplaren. Pas later drong het tot mij door dat het vaak een puur financieel plaatje was. Zo brengen de bekende kaartjes uit de Gemeente-Atlas van Nederland (Leeuwarden, 1871) van Jacob Kuyper (1821-1908) per stuk verkocht uiteindelijk meer op dan een compleet provinciedeeltje, met als gevolg dat losse deeltjes, laat staan de complete elfdelige atlas, zeer zeldzaam geworden zijn.
Tegenwoordig interesseren die oude losse kaarten en prenten mij nog maar weinig. Wat ik daarentegen nog wel regelmatig koop zijn naslagwerken op dit gebied, zoals laatst het tweedelige “Kaarten van Amsterdam” (Amsterdam, 2013). Ook facsimile uitgaven vind ik leuk. Zo kon ik op de afgelopen Antiquarian Book Map & Print Fair in Amsterdam: “De stadsplattegronden van Jacob van Deventer. Map 3 Noord-Holland” (Weesp, 1993), voor slechts enkele tientjes, niet laten liggen. Het is een grote groenlinnen map met prachtige door cartograaf Jacob Roelofs van Deventer (ca. 1500/1505-1575) getekende minuut- en netkaarten van Noord-Hollandse steden, waaronder mijn geliefde Amsterdam. De nog spiksplinternieuwe map lag op een tafel met nog meer uitgaven van de helaas failliet verklaarde uitgeverij Canaletto. De laatste facsimile uitgave die ik zo’n vijf jaar geleden direct van Canaletto kocht was de: “Kaart van Noord-Holland door Joost Jansz. Beeldsnijder 1575/1608” (Alphen aan de Rijn, 2002).
Joost Jansz. Beeldsnijder of Bilhamer (1541-1590) was een veelzijdige figuur die behalve van cartografie ook verstand had van bouwkunst. Zijn standbeeld hierboven kunt u bewonder aan de gevel van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Van zijn kaart van Noord-Holland, één der oudste en belangrijkste monumenten uit de Noord-Nederlandse cartografie, is helaas géén origineel exemplaar uit 1575 bewaard gebleven.
Wij beschikken ‘slechts’ over herdrukken uit 1608 (uitgegeven in Amsterdam door Harmen Allertsz. van Warmenhuysen) en 1778 (door de Amsterdamse uitgevers Yntema en Tieboel).
Ik heb vele jaren geleden op één van de beursen van de NVvA in Amsterdam een exemplaar uit 1778 te koop gezien bij de roemruchte kaart- en prenthandelaar S.C. (Steef) Lemmers uit Lisse. Ik herinner me niet meer de prijs maar dat maakt niet uit. Het geld daarvoor had ik sowieso niet. Ik kreeg toen wel een ingeving en vroeg aan Lemmers of hij mij een exemplaar kon leveren van een gedeelte van die kaart waarop Amsterdam en omgeving staat. Een kopergravure met dit kaartgedeelte werd namelijk, enigszins aangepast en voor het eerst, opgenomen in de “Hantvesten, Privilegiën ende Willekeuren der Stadt Aemstelredam” (Amsterdam, 1613) maar ook, wederom wat aangepast, in de later uitgegeven: “Handvesten; ofte privilegiën ende octroyen; mitsgaders willekeuren, costuimen, ordonnantien en handelingen der stad Amstelredam” (Amsterdam, 1748). Lemmers beloofde dat hij zou kijken en al na enkele weken werd ik gebeld dat hij de kaart had. We spraken af bij hem thuis in Lisse.
Ik weet niet meer wat ik moest betalen maar desondanks herinner ik me dat bezoek nog heel goed. Ik was enigszins verbaasd over de hoeveelheid boeken die hij boven had staan, waaronder een op grond gestapelde Atlas Maior van Blaeu. Wat toen de meeste indruk op mij heeft gemaakt was wel de zelfverzekerde behendigheid waarmee hij uit een van die folianten een landkaart sneed waarin een andere aanwezige klant was geïnteresseerd.
De kaart die ik van Lemmers kocht geeft uitstekend weer waar het toen rond Amsterdam om draaide. Een drassig, bij wijlen moerasachtig, veengebied met heel veel water in de vorm van meren, rivieren en sloten. Daartussen dikke slingerende hoofdwegen die bovendien vaak dijken waren. Slechts hier en daar een dorpje weergegeven door een eenvoudig kerkje. Als amateurpsycholoog van de koude grond kan ik wel verklaren waarom juist deze kaart mij altijd heeft geboeid. Vergeleken met latere 17de en 18de eeuwse kaarten is de kaart van Beeldsnijder vrij grof getekend en weinig gedetailleerd.
Hij heeft daarom wel wat van de primitieve schatkaarten die ik als kind tekende maar dan zonder kompasroos, doodskoppen en X (‘hier ligt de schat’).
Een antiquarius over verzamelen, bibliofilie, historische objecten & cultureel erfgoed
vrijdag 1 november 2013
vrijdag 18 oktober 2013
De steen van Veleda
Tot de meest gekopieerde illustraties behoren ongetwijfeld die van de ruïnes van de Romeinse (?) vesting Lugdunum Batavorum, beter bekend als de Brittenburg, en de diverse vondsten die men aan deze plek toeschreef. De ruïnes, in zee voor de kust bij Katwijk, die in de zestiende eeuw een aantal malen zichtbaar waren moeten destijds sterk tot de verbeelding hebben gesproken. De bekende cartograaf Abraham Ortelius (1527-1598) maakte er afbeeldingen van waarvan de kaart in Lodovico Guicciardini’s “Beschryvinghe van alle de Nederlanden” een van de meest bekende is.
Van archeologie in moderne zin was destijds nog geen sprake. Het was feitelijk schatgraven en het draaide meer om de objecten dan om de vondstomstandigheden.
Het ontbrak in die tijden aan wetenschappelijke methoden, kennis en techniek en dat werkte vergissingen, vervalsingen en fantasie in de hand. Een mooi voorbeeld trof ik aan in de folio-uitgave van het boek van Gerard van Loon (1683-1758) met de lange titel: “Aloude Hollandsche histori der Keyzeren, Koningen, Hertogen en Graaven welken, sedert de komst der Batavieren in het thans genaamde Holland tot de herstelling van ’s Graaven Florents den Eerstens Zoon aldaar het Hooggebied gehad hebben. Beweezen en bevestigd door de woordlyke getuygenissen van zoodaanige Schryvers, welke in en naast die tyden geleefd hebben, als de beschreeven zaken zyn voorgevallen en voorts nog versierd en opgehelderd met de noodige Landkaarten, Geslachtlysten, Keyzer- en Koninglyke Penningen en veelvuldig andere Gedenkstukken, in die overoude tyden gemaakt” (’s Gravenhage, 1734). Over deze uitgave heb ik al eens eerder geschreven en toen een andere historische vergissing aangestipt.Toen ik deze afbeelding voor het eerst zag wekte die muurachtergrond bij mij de illusie dat het hier ging om een flinke terra sigillata plaquette van zo’n twee bij één meter. Niets is minder waar. Zoals te lezen valt in de tekst eronder ging het om een roodgebakken tegeltje met een lengte van vijf en halve duim (ca. 14 cm.) en hoogte van vier duim (ca. 10 cm.). Niet alleen vele malen kleiner dan de zandsteenblokken waarmee men in de Klassieke Oudheid muren bouwde maar zelfs kleiner dan de meeste moderne bakstenen. Volgens van Loon was het bijzondere object in het bezit van Leidse hoogleraar Sigbert, ook wel Siwart, Haverkamp (1684-1742). De tegel zou de gevangenneming van Veleda door de Romeinen afbeelden. Zij was een zieneres van een Germaanse stam (de Bructeren) en voorspelde volgens de Romeinse historicus Tacitus de overwinning van de Bataven op de Romeinen in 69 na Christus.
Vruchteloos zocht ik destijds het internet af naar meer informatie, in de verwachting en hoop dat deze bijzondere plaquette tegenwoordig ergens in een museum zou liggen. Ik vond niets en mijn belangstelling werd pas weer hernieuwd met de aanschaf van de uitgave van Hendrik van Wijn (1740-1831): “Huiszittend leeven. Bevattende eenige mengelstoffen over afzonderlijke en, voorheen, weinig of niet bewerkte onderwerpen, betreklijk tot de letter-, historie- en oudheid-kunde” (Amsterdam, 1801-1812).
Het eerste deel van Van Wijn’s publicatie bevat namelijk een kleine studie naar deze zogenaamde ‘steen van Vel(l)eda’ (blz. 517 t/m 533) inclusief een fraaie afbeelding van een soortgelijke vondst, een “Roode mopsteen. Gevonden op een zandplaat in de Rivier de Waal, beneden Nymegen”.
De frappante gelijkenis tussen de voorstelling op deze steen en die op de steen afgebeeld bij Van Loon zal u onmiddellijk opvallen.
Dat deze objecten Oud-Romeins waren werd door Van Wijn sterk betwijfeld op verschillende gronden. De afgebeelde figuren deden hem 'onromeins’ aan betreffende hun kleding, hoofddeksels en haardracht. Bijval ontving hij van de Leidse hoogleraar Jona Willem te Water (1740-1822) en de dichter en kenner van de Klassieke Oudheid Jacob Hendrik Hoeufft (1756-1843).
De eerste verhaalde van de vondst van dergelijke stenen in een zeer oude schoorsteen bij Wijk bij Duurstede, de ander had een aantal overeenkomstige stenen met Bijbelse voorstellingen gezien in de collectie van de jezuïetenpater Jozef Ghesquière (1743-1827) in Antwerpen. Daaronder zat er één met een afbeelding identiek aan de afgebeelde steen bij Van Loon.
Niet de heidense Veleda zou op de steen staan maar de kuise Susanna die valselijk beschuldigd van ontucht door de profeet Daniël werd vrijgesproken (Daniël, apocrief hoofdstuk 13). Haar belagers werden vervolgens gestenigd en we zien dan ook een klein ventje afgebeeld dat gedienstig klaarstaat met een mandje stenen. Van Wijn kwam tot de conclusie dat de stenen een Christelijke voorstelling hadden, van na 1500 moesten zijn en dat; “met hoedanige soort van steenen de Voorouders de Muuren en bijzonder de Schoorstenen (welker binnen randen men nog wel, in ouderwetsche Huizen, met gebeelde tegelen van allerleie soort gedekt ziet) zullen opgepronkt hebben”.
Van Wijn had natuurlijk gelijk. De Romeinse steen bij Van Loon is een zestiende eeuwse haardsteen (Antwerps type) die nimmer kan hebben behoord tot de strandvondsten gedaan bij de restanten van de Brittenburg. Bij archeologische opgravingen - met name in steden - worden wel vaker haardstenen gevonden. De foto hierboven toont een exemplaar identiek aan de steen afgebeeld bij Van Loon uit de ruime collectie haardstenen van het Museum Rotterdam. Een ander, eveneens identiek exemplaar, bevindt zich in de collectie van de Historische Vereniging Heemstede-Bennebroek waarover u kunt lezen op Librariana, het weblog van Hans Krol. Pikant detail; ook die werd in 1939 in eerste instantie voor Oud-Romeins aangezien.
vrijdag 4 oktober 2013
Een Chinees
Ik bezit een fraai exemplaar van J.T. Bodel Nijenhuis: “Topographische lijst der plaatsbeschrijvingen van het Koningrijk der Nederlanden”, (Amsterdam, 1862) samengebonden met: “Bibliographie der plaatsbeschrijvingen van het Koningrijk der Nederlanden. Toevoegsel”, (Amsterdam, 1868). Een redelijk schaarse uitgave, zeker met het vervolg, dat ook tegenwoordig nog onder antiquaren en bibliofielen bijzonder wordt gewaardeerd.
Het is heerlijk om in dergelijke naslagwerken te bladeren en ik doe dat dan ook regelmatig. Je wordt bevangen door de illusie dat al die bijzondere, interessante en obscure titels binnen handbereik zijn terwijl de meeste behoren tot de categorie onvindbaar, onbereikbaar of onbetaalbaar. Zo viel mijn oog al bladerend op een wel heel curieus boekje: “Amsterdam door een Chinees beschreven. Amst. 1863 8˚” (deel 2, blz. 58 (139-No. 1513c).
Zoeken op internet naar ‘Chinezen en Nederland’ leert ons dat de Chinese gemeenschap hier (met name in Amsterdam en Rotterdam) pas eind 19de eeuw, begin 20ste eeuw ontstond. Vooral na 1911 was de groei explosief omdat er in dat jaar een grote zeemansstaking uitbrak en er heimelijk vele Chinese zeelieden werden ingehuurd om de staking te breken. Vandaar dat niet lang geleden gevierd werd dat de Chinese gemeenschap in Nederland honderd jaar bestond. Er is in die tijd veel veranderd.
‘Even naar de Chinees’ behoort nu in talloze Nederlandse huishoudens tot een vast terugkerend ritueel en menigeen zal met mij kunnen beamen dat de meest Hollandse hap die er bestaat Chinees is. Daarvan was anderhalve eeuw geleden natuurlijk nog geen sprake. Een Chinees was toen, ook voor de doorsnee Amsterdammer, een exotische bezienswaardigheid uit een geheimzinnig land met een onbekende cultuur. U begrijpt nu wellicht iets van mijn nieuwsgierigheid en begeerte naar deze uitgave. Hoe keek die oosterling destijds naar Amsterdam?
Toen ik maanden later op een vrijdagavond weer eens 'at random' trefwoorden intypte bij Antiqbook en Boekwinkeltjes (ik doe dat vaker!) had ik opeens beet. ‘Chinees’ in combinatie met ‘Amsterdam’ leverde bij antiquariaat Kok in Amsterdam de volgende titel op: “Amsterdam. Impressions de voyage” (Amsterdam, 1863). Auteur: ‘Een Chinees’, 205 blz. halfleder, € 25,- euro. Alles wees er op dat dit het object van mijn begeerte was.
Na een weekend dat me niet snel genoeg voorbij kon gaan stapte ik de daaropvolgende maandagmiddag de winkel binnen met een vrolijk; ‘Goedemiddag, ik kom de Chinees afhalen’. Enige tellen later had ik de zeldzame uitgave in handen en thuisgekomen begon het uitpluizen.
Uit het ‘Nieuwsblad voor den Boekhandel’ (30ste jrg., nr. 31) van 30 juli 1863 blijkt dat het boekje destijds ƒ1,25 kostte. De uitgave begint met een korte introductie van de auteur die zich ‘Jani’ noemt: “Ik geloof dat eenig Nederlandsch recensent, na het anatomiséren van deze mijne Impressions de Voyage, het oordeel over ons, Chinezen, van Macartney, Barrow en de Guignes zal onderschrijven. Het luidt: de Chinezen zijn een zeldzaam mengsel van trots en onderdanigheid, van gekunstelden ernst en kinderlijke ligtzinnigheid, van verfijnde hoffelijkheid en eene opvallende gemakkelijkheid in den omgang, van schijnbare beschaving en de grofste onwetendheid”. Vervolgens verklaart hij de betekenis van zijn naam, “Hij beteekent zout maar tevens tabak. Ik stel mij voor: dat men mij, Jani, zouteloos en rookerig zal noemen; mijn naam geeft er de geleerden recensenten aanleiding toe”.
De onderwerpen (hoofdstukjes) waarover deze Chinees, die na een lange reis in 1843 in Amsterdam aankwam, schreef zijn: ‘Amsterdam, Vriendschap, Vrijheid, De Kunst,
Het Regt, Nieuwsgierigheid, Boeken, Kleeding, Kleeren maken den man, Vorstelijke belooning, Ik ben een Amsterdammer, Geldtrots, De Standen, De Stads-Schouwburg,
Het Klimaat, Het Onderwijs, Begrafenissen, De Vrouwen, Het Meisje, Oude Jongejufvrouwen, De Echt, De Vrouwen (nogmaals!), Geleerde Vrouwen, De oude Vrouw, Lof der Vrouwen, De Handel, Het Huwelijk, De Godsdienst, Drinken, Eten’ en tot slot, ‘Losse, laatste gedachten’.
Een enkel onderwerp daargelaten niet echt een inhoudsopgave die je in een stadsbeschrijving verwacht. Zo is er opmerkelijk veel aandacht voor het vrouwelijke geslacht! Over boeken schreef 'Jani' ondermeer: “Er wordt hier niet veel gelezen, maar nog minder goed gelezen, daar slechts de Letterzetter naauwkeurig leest, en juist hij begrijpt er niets van. Goede en slechte boeken hebben dit met de menschen gemeen, dat de laatsten doorgaans het best fortuin maken. Het meeste nieuws heb ik alhier gevonden in het adresboek en de bruikbaarste bladen waren die, welke de binder achter en voor ingebonden had. Er zijn alhier vele boekverkoopers, vele schrijvers, nog meer vertalers en boekenkoopers het minst; de grootste boekverzamelaar is des Uitgevers zolder. (blz. 30). De ellendigste uitvinding die me telkens uit mijn humeur bragt, is de leesbibliotheek. Deze is de vuilnisbak der literatuur; het volk eet het vuil tegen betaling van 5 centen per deel en de leesbibliotheekhouder moedigt het vuil maken aan” (blz. 32).
Voor zover mij bekend is slechts één keer eerder aandacht geschonken aan deze uitgave. Bijna vijftig jaar geleden verscheen: “Foei Amsterdam! De geheimen van de Hoofdstad voor de tweede maal ontsluijerd” (Amsterdam, 1964), geschreven door de Nederlandse journalist Eduard Messer (1917-2001).
Het meest pikante – dat Messer al gauw verklapt - heb ik hier even tot het laatst bewaard.
‘Jani’, beste boekenvrienden, was één van de pseudoniemen van Herman(nus) Anton(ius) Benit (1823-1864). Zijn “Amsterdam. Impressions de voyage” is geen echte stadsbeschrijving maar een 'physiologie'; een humoristische schets van het Amsterdamse volksleven in het midden van de 19de eeuw.
“Ik ben zeker dat vele Amsterdammers mij als een domme Chinees zullen uitjouwen, als zij zoovele domheden van henzelven in mijn geschrift bijeen zien. Ik twijfel er geen oogenblik aan, of ze mij het regt op eenigen naam als wijsgeer zullen betwisten; want – zij weten het niet, dat het verhaal van de zeden en dwaasheden eens volks het beter kenschetsen dan de geschiedenis zijner openbare verdragen, hoven, ministers, onderhandelingen en gezanten” (blz. 201).
Ware woorden van 'Jani', die beslist geen domme Chinees was maar een Luthers predikant. Sambalbij?
Het is heerlijk om in dergelijke naslagwerken te bladeren en ik doe dat dan ook regelmatig. Je wordt bevangen door de illusie dat al die bijzondere, interessante en obscure titels binnen handbereik zijn terwijl de meeste behoren tot de categorie onvindbaar, onbereikbaar of onbetaalbaar. Zo viel mijn oog al bladerend op een wel heel curieus boekje: “Amsterdam door een Chinees beschreven. Amst. 1863 8˚” (deel 2, blz. 58 (139-No. 1513c).
‘Even naar de Chinees’ behoort nu in talloze Nederlandse huishoudens tot een vast terugkerend ritueel en menigeen zal met mij kunnen beamen dat de meest Hollandse hap die er bestaat Chinees is. Daarvan was anderhalve eeuw geleden natuurlijk nog geen sprake. Een Chinees was toen, ook voor de doorsnee Amsterdammer, een exotische bezienswaardigheid uit een geheimzinnig land met een onbekende cultuur. U begrijpt nu wellicht iets van mijn nieuwsgierigheid en begeerte naar deze uitgave. Hoe keek die oosterling destijds naar Amsterdam?
Toen ik maanden later op een vrijdagavond weer eens 'at random' trefwoorden intypte bij Antiqbook en Boekwinkeltjes (ik doe dat vaker!) had ik opeens beet. ‘Chinees’ in combinatie met ‘Amsterdam’ leverde bij antiquariaat Kok in Amsterdam de volgende titel op: “Amsterdam. Impressions de voyage” (Amsterdam, 1863). Auteur: ‘Een Chinees’, 205 blz. halfleder, € 25,- euro. Alles wees er op dat dit het object van mijn begeerte was.
Na een weekend dat me niet snel genoeg voorbij kon gaan stapte ik de daaropvolgende maandagmiddag de winkel binnen met een vrolijk; ‘Goedemiddag, ik kom de Chinees afhalen’. Enige tellen later had ik de zeldzame uitgave in handen en thuisgekomen begon het uitpluizen.
Uit het ‘Nieuwsblad voor den Boekhandel’ (30ste jrg., nr. 31) van 30 juli 1863 blijkt dat het boekje destijds ƒ1,25 kostte. De uitgave begint met een korte introductie van de auteur die zich ‘Jani’ noemt: “Ik geloof dat eenig Nederlandsch recensent, na het anatomiséren van deze mijne Impressions de Voyage, het oordeel over ons, Chinezen, van Macartney, Barrow en de Guignes zal onderschrijven. Het luidt: de Chinezen zijn een zeldzaam mengsel van trots en onderdanigheid, van gekunstelden ernst en kinderlijke ligtzinnigheid, van verfijnde hoffelijkheid en eene opvallende gemakkelijkheid in den omgang, van schijnbare beschaving en de grofste onwetendheid”. Vervolgens verklaart hij de betekenis van zijn naam, “Hij beteekent zout maar tevens tabak. Ik stel mij voor: dat men mij, Jani, zouteloos en rookerig zal noemen; mijn naam geeft er de geleerden recensenten aanleiding toe”.
De onderwerpen (hoofdstukjes) waarover deze Chinees, die na een lange reis in 1843 in Amsterdam aankwam, schreef zijn: ‘Amsterdam, Vriendschap, Vrijheid, De Kunst,
Het Regt, Nieuwsgierigheid, Boeken, Kleeding, Kleeren maken den man, Vorstelijke belooning, Ik ben een Amsterdammer, Geldtrots, De Standen, De Stads-Schouwburg,
Het Klimaat, Het Onderwijs, Begrafenissen, De Vrouwen, Het Meisje, Oude Jongejufvrouwen, De Echt, De Vrouwen (nogmaals!), Geleerde Vrouwen, De oude Vrouw, Lof der Vrouwen, De Handel, Het Huwelijk, De Godsdienst, Drinken, Eten’ en tot slot, ‘Losse, laatste gedachten’.
Een enkel onderwerp daargelaten niet echt een inhoudsopgave die je in een stadsbeschrijving verwacht. Zo is er opmerkelijk veel aandacht voor het vrouwelijke geslacht! Over boeken schreef 'Jani' ondermeer: “Er wordt hier niet veel gelezen, maar nog minder goed gelezen, daar slechts de Letterzetter naauwkeurig leest, en juist hij begrijpt er niets van. Goede en slechte boeken hebben dit met de menschen gemeen, dat de laatsten doorgaans het best fortuin maken. Het meeste nieuws heb ik alhier gevonden in het adresboek en de bruikbaarste bladen waren die, welke de binder achter en voor ingebonden had. Er zijn alhier vele boekverkoopers, vele schrijvers, nog meer vertalers en boekenkoopers het minst; de grootste boekverzamelaar is des Uitgevers zolder. (blz. 30). De ellendigste uitvinding die me telkens uit mijn humeur bragt, is de leesbibliotheek. Deze is de vuilnisbak der literatuur; het volk eet het vuil tegen betaling van 5 centen per deel en de leesbibliotheekhouder moedigt het vuil maken aan” (blz. 32).
Voor zover mij bekend is slechts één keer eerder aandacht geschonken aan deze uitgave. Bijna vijftig jaar geleden verscheen: “Foei Amsterdam! De geheimen van de Hoofdstad voor de tweede maal ontsluijerd” (Amsterdam, 1964), geschreven door de Nederlandse journalist Eduard Messer (1917-2001).
Het meest pikante – dat Messer al gauw verklapt - heb ik hier even tot het laatst bewaard.
‘Jani’, beste boekenvrienden, was één van de pseudoniemen van Herman(nus) Anton(ius) Benit (1823-1864). Zijn “Amsterdam. Impressions de voyage” is geen echte stadsbeschrijving maar een 'physiologie'; een humoristische schets van het Amsterdamse volksleven in het midden van de 19de eeuw.
“Ik ben zeker dat vele Amsterdammers mij als een domme Chinees zullen uitjouwen, als zij zoovele domheden van henzelven in mijn geschrift bijeen zien. Ik twijfel er geen oogenblik aan, of ze mij het regt op eenigen naam als wijsgeer zullen betwisten; want – zij weten het niet, dat het verhaal van de zeden en dwaasheden eens volks het beter kenschetsen dan de geschiedenis zijner openbare verdragen, hoven, ministers, onderhandelingen en gezanten” (blz. 201).
Ware woorden van 'Jani', die beslist geen domme Chinees was maar een Luthers predikant. Sambalbij?
Abonneren op:
Posts (Atom)













