Op 8 april 2009 startte Perkamentus zijn onvolprezen (we)blog met het stukje ‘Marktplaats’.
Ik ga hier niet herhalen wat ik toen schreef maar aan mijn mening destijds over het fenomeen Marktplaats als verzamelplek van geleerden en dommen, kennis en onkunde, schatten en troep, geluk en oplichting is sindsdien niets veranderd.
Ik heb in de loop der tijd naast boeken allerlei verzamelwaardige items gekocht voor weinig. Mijn vorige stukje ‘Clichés’ is daar een voorbeeld van en wie verder door dit blog bladert komt verschillende andere voorbeelden tegen.
Slechts één keer werd ik belazerd door een verkoper die mij een boek verkocht waaruit alle illustraties waren gesneden (en ‘vergat’ om dat in zijn advertentie te vermelden). Verlies: vijfentwintig euro.
Een enkele keer volgt er op een vondst/aankoop een bijzonder onderzoekavontuur.
Dit verhaal is daar een mooi voorbeeld van. Het begon allemaal met deze Marktplaatsadvertentie.
Het kostte mij geen vijf minuten om uit te vinden dat A: de beschrijving niet juist is (met uitzondering van de woorden 'zeldzaam' en 'zelden') en B: wat het wel is. Ik bood direct vijftien euro en ontving enkele minuten later bericht dat de verkoper akkoord ging. Een week later lag het object op mijn bureau.
Nou bent u natuurlijk nieuwsgierig naar hoe dat bij mij werkt en wat het dan wel is?
Welnu; bij Marktplaats doorloop ik regelmatig de rubriek ‘Antiek/Boeken en Bijbels’. Daar kwam ik dus die advertentie tegen. Tip 1. Snuffel en sneup.
Vervolgens de kop van de advertentie; ‘18de eeuws broodzegel’. Dat trok meteen mijn aandacht. Nooit van gehoord. Wat is dat? Tip 2. Wees nieuwsgierig.
Toen de blik op de afbeelding. Die leerde mij dat het geen 18de eeuws zegel was maar een middeleeuws zegeltype. Dat is een oordeel gebaseerd op aanwezige kennis die gevormd is door studie, belezenheid en interesse. Die kennis heb je, of niet, maar in principe zou je ook zonder aanwezige kennis al heel ver komen als je je (als verkoper of koper) verdiept in het object. Zo valt er al veel over te leren door het lezen van het lemma ‘Zegel (oorkonde)’ op Wikipedia. Tip 3. Wees onderzoeksmatig.
De volgende stap was mijn bibliotheek. Daarin staat ondermeer de tweedelige uitgave van J.G. Kruisheer: “De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299”
(’s-Gravenhage-Haarlem, 1971). Deel één bevat een hoofdstuk (III) over ‘De zegels’ met een beschrijving van de zegeltypen (3, blz. 52-54), en deel twee ‘afbeeldingen en beschrijvingen van de zegels’. Kruisheer onderscheidt de volgende vijf zegeltypen:
1. Ridderzegel en jachtzegel,
2. Troonzegel,
3. Het staande-figuur type,
4. Zegel met afbeelding van de zegelaar op zogenaamde fantasiewijze,
5. Het heraldisch zegel.
Het gaat volgens zijn omschrijving om het eerste type. Middeleeuwse ridders werden vaak weergegeven in volle wapenuitrusting met lans of geheven zwaard op een galopperend paard. In dit geval zit de zegelaar op een stappend paard met op zijn linkerhand een valk waaruit de conclusie valt te trekken dat het om een jachtzegel gaat. De volgende vraag is van wie? Tip 4: Blijf vragen stellen, daag jezelf uit.
Kruisheer geeft de namen van een aantal hoogadellijke vrouwen en mannen die zo zegelden en daarmee gewapend zocht ik in deel twee op afbeelding.
Handig ter identificatie is voorts dat van het dekkleed van het paard vier slippen onder de paardenbuik zichtbaar zijn. Het randschrift is grotendeels verloren gegaan maar ter hoogte van het paardenhoofd staan duidelijk nog de letters 'IS'.
Het kost dan niet veel moeite meer om te achterhalen dat het gaat om het zegel, in witte was, van Gravin Aleidis van Holland (1228-1284) die tussen 26 maart 1258 en 22 januari 1263 als ruwaardes (tutrix, baus) van Holland en Zeeland optrad voor haar neefje, de onmondige Graaf Floris V (1254-1296).
De grafelijke hof chroniqueur Melis Stoke (ca. 1325-ca. 1305) schreef daarover het volgende in zijn rijmkroniek :
"Doe si haren lieve broeder
Hadde begraven / nam si in hant
Haren Neve / eň al sijn lant;
Want si de naeste was gheboren:
En berechte / al wijt horen /
T Graeffscap / eň dat jonghe kint /
Daer wonder of ghesciede sint".
De eerdergenoemde letters 'IS' zijn van het woord ‘COMITIS’ en het volledige randschrift luidde: “+ ALEIDIS : SORORIS : WILLI : COMITIS HOLENDIE”.
Aan de achterzijde is de afdruk zichtbaar van het tegenzegel (met het vrijwel onleesbare randschrift: “CLAVIUS SIGILLI”).
Overigens verwijst Kruisheer regelmatig naar: “Historia Critica Comitatus Hollandiae et Zeelandiae ab Antiquissimis Inde Deducta Temporibus” (Middelburg 1777-1782). van Adriaan Kluit (1735-1807), waarover ik eerder schreef, en die een mooie uitvouwbare illustratie bevat (Tom II. pars II, tabula XIV) met daarop, geheel links, het bewuste zegel van Aleidis aan een streng of koord.
U verbaast er zich wellicht over dat iets dergelijks los door het handelscircuit zwerft?
Ik niet.
In het verleden zijn lak- en waszegels veelvuldig legaal dan wel illegaal van brieven en oorkonden geknipt en verzameld (net als handtekeningen en ex-libris!).
Grote gevolgen in dit opzicht had de val van het zogenaamde ancien régime, eind achttiende eeuw, toen talloze kloosters en abdijen werden opgeheven en gesloten en hun bibliotheken en archieven werden opgedoekt, verkocht en verspreid raakten.
Eind negentiende eeuw verscheen er zelfs een handleiding, speciaal voor jongeren geschreven, van de Amsterdamse stadsarchivaris Mr. N. de Roever Az. (1850-1893):
“Het verzamelen van zegels. Handboek voor het aanleggen van eene zegelverzameling”
(Leiden, z.j.).
Mede dankzij deze - thans wat ongewone - verzameldrift beschikken diverse instellingen zoals het Centraal Bureau voor Genealogie en het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap over ruime collecties losse lak- en waszegels.
Als we er van uitgaan dat mijn zegel ooit gehangen heeft aan één van Aleidis' oorkonden die Kruisheer beschrijft welke komen dan in aanmerking?
Van de zesentwintig oorkonden (nummers 357 t/m 382) zijn er dertien origineel, de rest afschriften of concepten (waaraan nimmer een zegel heeft gehangen). Van die dertien zijn er vier waarvan het zegel mist. Twee daarvan vallen af.
Eén (nr. 370) heeft ooit met een streng of koord aan de oorkonde gehangen en de ander (nr. 361) hing ooit aan een dubbele perkamenten strook (Kruisheer, blz. 486, bevestigingstype 10). Door het restant van mijn zegel loopt echter duidelijk een enkele strook perkament (bevestigingstype 13), die ter hoogte van de breuk ca. 11 mm breed is. Blijven over de nummers:
- 366 (oorkonde d.d. 30 januari 1260, origineel Rijksarchief te Antwerpen; archief Sint Bernardsabdij te Hemiksem) en
- 371 (oorkonde Middelburg d.d. 15 december 1260, origineel Archief Grootseminarie te Brugge; archief Ten Duinen-Ter Doest, charter nr. 352).
De volgende stap was het inwinnen van informatie over deze twee oorkonden bij de desbetreffende archieven, in het bijzonder over de bevestigingsstroken (ook wel de 'zegelstaart' genoemd), of wat daarvan over is. In mijn e-mail schreef ik ook dat ik voornemens was om het zegel te schenken aan die archiefinstelling waar de oorkonde berust waar ze ooit aan heeft gehangen. Uiteraard onder mijn gebruikelijke voorwaarde bij dergelijke schenkingen, namelijk een vermelding in hun periodiek.
Tip 5. Wees je bewust van je bezit maar wees niet bezitterig.
Behalve dat het waszegel kwetsbaar is en geconserveerd moet worden (er is een breuk) is het logisch om het te bewaren bij de oorkonde die het ooit bekrachtigde. Los heeft het geen betekenis en is het niets anders dan een curiosum zonder historische context, ontoegankelijk in een particuliere verzameling.
Al vrij spoedig na het versturen van mijn e-mail ontving ik de gewenste informatie van
dr. Michel Oosterbosch van het Rijksarchief te Antwerpen en van drs. Kurt Priem, archivaris van het Grootseminarie in Brugge. Daaruit bleek dat mijn zegel ooit moet hebben gehangen aan de oorkonde die berust in Antwerpen. De schuine breuk komt overeen evenals de dikte van de afgebroken strook.
U ziet hier een afbeelding van de desbetreffende oorkonde zonder het zegel dat (volgens het “Oorkondenboek der abdij van S. Bernaarts op de Schelde” (Brussel, 1911-) van P.J. Goetschalckx en B. van Doninck) in 1911 al niet meer aan deze oorkonde hing.
Ter vergelijking er onder een afbeelding van een andere oorkonde in het Rijksarchief Antwerpen waar eenzelfde zegel nog wel aanwezig is.
Inmiddels is Aleidis van Holland weer thuis om de oorkonde waaraan ze ooit hing opnieuw te bezegelen. Een mooie bekroning van dit onderzoekavontuur dat op een sombere zaterdagmiddag begon.
Een antiquarius over verzamelen, bibliofilie, historische objecten & cultureel erfgoed
vrijdag 13 maart 2015
zondag 1 maart 2015
Clichés
Het was bij toeval dat ik tijdens mijn speurtochten op internet (digitaal sneupen!) een advertentie tegen kwam waarin een aantal eind negentiende eeuwse lijnclichés werd aangeboden.
Het zijn kleine blokjes hout (circa 5 x 7 cm.) met daarop vastgespijkerd een metalen plaatje waarop een afbeelding (metaalkopie) in spiegelbeeld staat geëtst. Dat blokje hout (ca.2 cm. hoog) zorgde ervoor dat de illustratie op gelijke hoogte kwam met de letterstaafjes c.q. de tekst.
Dergelijk materiaal met een relatie tot de boekdrukkunst heeft altijd mijn interesse en ik kocht ze omdat ze al redelijk op leeftijd waren en de afbeeldingen mij intrigeerden.
Vooral het cliché met de afbeelding van de apostel Paulus compleet met aureool, zwaard en boven zijn hoofd enkele rondvliegende bijen trok mijn aandacht want het was onmiskenbaar een kopie van een illustratie uit een (post)incunabel. Daarnaast was er een cliché met de afbeelding van een rond zegel met wederom de apostel Paulus, ditmaal met zwaard en Bijbel, en rondom de vreemde tekst: “dit es der malen segel va wede ende va emmiglaar”.
De overige drie leken bij elkaar te horen en waren anders. Met ‘anders’ bedoel ik dat de etslijnen van de afbeeldingen veel fijner waren en dat komt omdat het kopieën zijn van tekeningen en niet van gravures.
Terwijl de clichés met de post onderweg waren naar mijn collectie begon ik met het zoeken naar achtergrondinformatie op internet. Hoe oud waren ze precies? Wat stelden ze voor? En voor welke publicatie waren ze gebruikt? Dat waren de vragen waarop ik een antwoord probeerde te vinden.
Ik begon met het zegelcliché. Het intypen van de raadselachtige tekst op Google leverde direct resultaat op. Het gaat om het oude zegel van het College van de Malen op het Hoogland (nabij Amersfoort).
Wulfred Hofland, de huidige bode van dit college reageerde verrast toen ik hem, per e-mail, benaderde om nadere informatie en vroeg of ik wellicht bereid was om dit curiosum af te staan aan het Archief Eemland of Museum Flehite. Perkamentus is de beroerdste niet en dus antwoordde ik positief met als voorwaarde dat er een publicatie aan zou worden gewijd zoals dat ook eerder is gebeurd met de clichés die ik schonk aan de Vereniging Historisch Amstelveen (VHA). Wordt dus te zijner tijd vervolgd.
Dan het cliché met de afbeelding van de apostel Paulus. Deze heeft als enige nog het oorspronkelijke papiertje van de zetterij op het houtblokje zitten met een aanduiding: “Vorsterman, Anvers, XXIII, 118”.
Het gaat dus hoogstwaarschijnlijk om een kopie van een houtsnede uit een publicatie van de Zuid-Nederlandse drukker Willem Vorsterman (14..-1543). Het Romeinse cijfer is vermoedelijk het hoofdstuk en het Arabische cijfer het bladnummer van de uitgave waarvoor dit cliché werd gebruikt.
Maar welke uitgave en door wie opnieuw uitgegeven eind negentiende eeuw?
Het zijn kleine blokjes hout (circa 5 x 7 cm.) met daarop vastgespijkerd een metalen plaatje waarop een afbeelding (metaalkopie) in spiegelbeeld staat geëtst. Dat blokje hout (ca.2 cm. hoog) zorgde ervoor dat de illustratie op gelijke hoogte kwam met de letterstaafjes c.q. de tekst.
Dergelijk materiaal met een relatie tot de boekdrukkunst heeft altijd mijn interesse en ik kocht ze omdat ze al redelijk op leeftijd waren en de afbeeldingen mij intrigeerden.
Vooral het cliché met de afbeelding van de apostel Paulus compleet met aureool, zwaard en boven zijn hoofd enkele rondvliegende bijen trok mijn aandacht want het was onmiskenbaar een kopie van een illustratie uit een (post)incunabel. Daarnaast was er een cliché met de afbeelding van een rond zegel met wederom de apostel Paulus, ditmaal met zwaard en Bijbel, en rondom de vreemde tekst: “dit es der malen segel va wede ende va emmiglaar”.
De overige drie leken bij elkaar te horen en waren anders. Met ‘anders’ bedoel ik dat de etslijnen van de afbeeldingen veel fijner waren en dat komt omdat het kopieën zijn van tekeningen en niet van gravures.
Terwijl de clichés met de post onderweg waren naar mijn collectie begon ik met het zoeken naar achtergrondinformatie op internet. Hoe oud waren ze precies? Wat stelden ze voor? En voor welke publicatie waren ze gebruikt? Dat waren de vragen waarop ik een antwoord probeerde te vinden.
Ik begon met het zegelcliché. Het intypen van de raadselachtige tekst op Google leverde direct resultaat op. Het gaat om het oude zegel van het College van de Malen op het Hoogland (nabij Amersfoort).
Wulfred Hofland, de huidige bode van dit college reageerde verrast toen ik hem, per e-mail, benaderde om nadere informatie en vroeg of ik wellicht bereid was om dit curiosum af te staan aan het Archief Eemland of Museum Flehite. Perkamentus is de beroerdste niet en dus antwoordde ik positief met als voorwaarde dat er een publicatie aan zou worden gewijd zoals dat ook eerder is gebeurd met de clichés die ik schonk aan de Vereniging Historisch Amstelveen (VHA). Wordt dus te zijner tijd vervolgd.
Dan het cliché met de afbeelding van de apostel Paulus. Deze heeft als enige nog het oorspronkelijke papiertje van de zetterij op het houtblokje zitten met een aanduiding: “Vorsterman, Anvers, XXIII, 118”.
Het gaat dus hoogstwaarschijnlijk om een kopie van een houtsnede uit een publicatie van de Zuid-Nederlandse drukker Willem Vorsterman (14..-1543). Het Romeinse cijfer is vermoedelijk het hoofdstuk en het Arabische cijfer het bladnummer van de uitgave waarvoor dit cliché werd gebruikt.
Maar welke uitgave en door wie opnieuw uitgegeven eind negentiende eeuw?
Van de drie bij elkaar horende lijnclichés vond ik het antwoord op mijn vragen vrij eenvoudig.
In de afbeelding van een lezende man die ondertussen aan het draaien cq. malen is meende ik een tekening te herkennen van Hans Holbein de Jonge (1497/98-1543).
Inderdaad bleek het één van de tweeëntachtig tekeningen te zijn (een godgeleerde die woorden verdraait) die Holbein maakte in een exemplaar van Desiderius Erasmus (1466/67 of 1469-1536): "Lof der Zotheid", uitgegeven in 1515 door de Bazelse drukker Johann Froben (1460-1527). Ook de andere twee clichés, een vorst met kroon (koning Salomo?) wijzend op een boek en een grijzaard met stok, zijn afbeeldingen hieruit afkomstig.
Het originele boekje, ooit in het bezit van de Bazelse schoolmeester Oswald Myconius (1488-1552) die er in de marges ook zijn eigen commentaar aan toevoegde, bevindt zich thans in Zwitserland in de collectie van het Kupferstichkabinett van het Kunstmuseum Basel (inv.nr. 1662. 166).
Nu bleef alleen nog de vraag over voor welke negentiende eeuwse uitgave deze drie clichés waren gemaakt. Na enig gezoek bleek het te gaan om de “Stultitiae Laus”
(’s-Gravenhage, 1898) uitgegeven door Martinus Nijhoff in Den Haag (‘insertae sunt figurae Holbeinianae’) en gedrukt bij de Zuid-Hollandsche Boek- en Handelsdrukkerij.
Deze nieuwe veelgeprezen, herziene en geannoteerde Latijnse uitgave werd verzorgd door mr. dr. Johannes Benedictus Kan Sr. (1831-1902), rector van het Erasmiaans Gymnasium te Rotterdam, Erasmuskenner en -liefhebber bij uitstek.
Zijn editie verscheen volgens het colofon in een beperkte oplage (twee op perkament, veertig op Japans papier en zevenhonderd vijftig op Engels papier). Mijn drie clichés zijn gebruikt op bladzijde 55, 142 en 168.
Kan’s uitgave vormde decennia lang het uitgangspunt voor vertalingen zoals de nieuwe Nederlandse vertaling, waaraan hij werkte, maar die pas na zijn dood in 1909 bij De Wereldbibliotheek verscheen en verzorgd werd door zijn zoon dr. A.H. Kan (1875-1951).
Zelf bezit ik de zesde druk (Amsterdam, 1939, 14de duizendtal) met bandontwerp van Albert Hahn jr. (1894-1953), een foto van het geschilderde portret van Erasmus door Holbein en diens tekeningen in de marge. Het is slechts één, maar niet de minste, van de vele herdrukken die in overvloed te koop zijn in het antiquarisch circuit.
Voor een origineel exemplaar van de Latijnse uitgave uit 1898 zult u meer moeite moeten doen maar uiteraard staat in mijn bibliotheek inmiddels één van de zevenhonderd vijftig op Engels papier in cassette.
Heel cliché, maar u kent me inmiddels wel.
Inderdaad bleek het één van de tweeëntachtig tekeningen te zijn (een godgeleerde die woorden verdraait) die Holbein maakte in een exemplaar van Desiderius Erasmus (1466/67 of 1469-1536): "Lof der Zotheid", uitgegeven in 1515 door de Bazelse drukker Johann Froben (1460-1527). Ook de andere twee clichés, een vorst met kroon (koning Salomo?) wijzend op een boek en een grijzaard met stok, zijn afbeeldingen hieruit afkomstig.
Het originele boekje, ooit in het bezit van de Bazelse schoolmeester Oswald Myconius (1488-1552) die er in de marges ook zijn eigen commentaar aan toevoegde, bevindt zich thans in Zwitserland in de collectie van het Kupferstichkabinett van het Kunstmuseum Basel (inv.nr. 1662. 166).
Nu bleef alleen nog de vraag over voor welke negentiende eeuwse uitgave deze drie clichés waren gemaakt. Na enig gezoek bleek het te gaan om de “Stultitiae Laus”
(’s-Gravenhage, 1898) uitgegeven door Martinus Nijhoff in Den Haag (‘insertae sunt figurae Holbeinianae’) en gedrukt bij de Zuid-Hollandsche Boek- en Handelsdrukkerij.
Deze nieuwe veelgeprezen, herziene en geannoteerde Latijnse uitgave werd verzorgd door mr. dr. Johannes Benedictus Kan Sr. (1831-1902), rector van het Erasmiaans Gymnasium te Rotterdam, Erasmuskenner en -liefhebber bij uitstek.
Zijn editie verscheen volgens het colofon in een beperkte oplage (twee op perkament, veertig op Japans papier en zevenhonderd vijftig op Engels papier). Mijn drie clichés zijn gebruikt op bladzijde 55, 142 en 168.
Kan’s uitgave vormde decennia lang het uitgangspunt voor vertalingen zoals de nieuwe Nederlandse vertaling, waaraan hij werkte, maar die pas na zijn dood in 1909 bij De Wereldbibliotheek verscheen en verzorgd werd door zijn zoon dr. A.H. Kan (1875-1951).
Zelf bezit ik de zesde druk (Amsterdam, 1939, 14de duizendtal) met bandontwerp van Albert Hahn jr. (1894-1953), een foto van het geschilderde portret van Erasmus door Holbein en diens tekeningen in de marge. Het is slechts één, maar niet de minste, van de vele herdrukken die in overvloed te koop zijn in het antiquarisch circuit.
Voor een origineel exemplaar van de Latijnse uitgave uit 1898 zult u meer moeite moeten doen maar uiteraard staat in mijn bibliotheek inmiddels één van de zevenhonderd vijftig op Engels papier in cassette.
Heel cliché, maar u kent me inmiddels wel.
vrijdag 13 februari 2015
Fragmentologie
Als bestuurslid, redactielid en webmaster van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen (NGB) is Perkamentus ook wel eens aan het vergaderen. Daar is niks mis mee, want die extra betrokkenheid bij het Genootschap vind ik behalve plezierig ook nuttig en heeft bovendien zo zijn voordelen.
Eén daarvan is dat ik regelmatig in aanraking kom met diverse uitgaven die aan het NGB ter kennisname worden verstuurd. Dat varieert van folders van antiquaren en uitnodigingen voor tentoonstellingen tot tijdschriften en boeken van zusterorganisaties.
Zo trof ik laatst op ‘de bestuurstafel’ weer een exemplaar aan van de tweejaarlijkse nieuwsbrief van “The fellowship of American bibliophilic societies” (FABS) waarbij ons Genootschap is aangesloten als ‘international affiliate’.
Omdat ik na de vergadering toch altijd een klein uurtje kwijt ben met het openbaar vervoer naar huis, besloot ik ditmaal de FABS-nieuwsbrief (winter 2014, volume XIX, number 1) mee te nemen om de tijd op een aangename manier te doden. Mijn aandacht ging al gauw uit naar een bijzonder interessant artikel van Eric.J. Johnson, ‘Curator of Early Books & Manuscripts at The Ohio State University’s Rare Books & Manuscripts Library’ getiteld: “Reconstructing the medieval past, one fragment at a time…” (blz. 5-11).
Daarin gaat het over de vele tienduizenden middeleeuwse losse manuscriptbladen (en fragmenten zoals maculatuur) die wereldwijd niet alleen in talloze bibliotheken liggen maar ook in groten getale zwerven door het antiquarisch circuit of bij particuliere verzamelaars worden bewaard.
Afgaande op de hoeveelheid moeten er in de loop der eeuwen ontzaglijk veel middeleeuwse boeken zijn gefragmenteerd. Voor de hand liggende boosdoeners zijn natuurlijk oorlogen, brand en andere rampspoed maar ook simpel financieel gewin heeft een ruim aandeel. De verkoop van losse bladen bracht (en brengt) vaak meer op dan het complete boek in één keer.
Op Marktplaats, Ebay of de Catawiki-veilingen worden regelmatig bladen en fragmenten aangeboden die, anders dan complete middeleeuwse manuscripten, nog enigszins betaalbaar zijn. Ze zijn stuk voor stuk uniek en hebben, los van de tekstuele informatie, een zekere artistieke en decoratieve charme die het goed doet aan de muur in de woon- of studeerkamer.
Trouwens, ook Perkamentus bezit een aantal losse bladen die hij kocht in zijn bibliofiele beginperiode ruim dertig jaar geleden. Tegenwoordig gaat mijn interesse meer uit naar gedrukte en complete boeken maar desondanks heb ik die middeleeuwse bladen als curiosum bewaard en gebruik ik ze nu als illustratie voor dit artikel. Normaal gesproken zien ze zelden het daglicht en liggen ze in een zuurvrij mapje te verstoffen.
Het gaat (van boven naar beneden) om een blad perkament met gotisch schrift (littera textualis) uit een Graduale, met gregoriaanse muziek (op een notenbalk van vier lijnen in kwadraatnotatie). Het formaat is circa 23 x 30 cm. (de randen zijn helaas afgesneden).
In de bruinrode hoofdletters heeft een ijverige scribent gezichten (tronies of grotesken) getekend. Het is een gedeelte van de ‘Missam in Vigilia’, die begint met “Hodie scietis…”. Nieuwsgierig naar hoe dat ongeveer klinkt? Luister dan even naar de onderstaande opname.
Vervolgens twee bladen perkament (8 x 11.7 cm) met gotisch schrift (littera textualis) uit een Latijns getijdenboekje met een fraaie randversiering van penwerk, florale motieven en bladgoud. Ter hoogte van de miniatuur (een aantal biddende nonnen in een poortje) begint de tekst van het “Stabat mater dolorosa…”.
Dan twee bladen perkament (8 x 11.7 cm) met gotisch schrift (littera textualis) uit een Frans getijdenboekje waarin de naam van de heilige Andreas en van de heilige Jacobus de Meerdere voorkomt en tot slot twee bladen papier (10 x 14 cm. octavo formaat) uit een eind vijftiende eeuws Nederlands getijdenboekje.
In deze tekst geschreven in littera hybrida staan twee sierhoofdletters in blauw, groen en geel waarboven in rood de titel of inhoud staat van het hoofdstuk. Het gaat om de geboorte van Christus “Eyn schoen vȃ der geborte unsr here” en een stukje over Goede vrijdag “Op den guden vrijdach…“. Pikant detail is de zichtbare fout die de schrijver maakte. Hij schreef ‘bekand’, streepte dat met rood door en vervolgde de regel met ‘bekenȇ’.
Terug naar Eric.J. Johnson. Zou het niet fantastisch zijn, betoogt hij, als er een database is waarin al die wereldwijd verspreid liggende losse bladen en fragmenten worden geregistreerd en beschreven zodat we uiteindelijk in staat zijn om weer de oorspronkelijk boeken te reconstrueren? Wat mij betreft (en dat geldt vermoedelijk voor vele bibliofielen) een retorische vraag. Gelukkig heeft Eric goed nieuws want die database is sinds kort actief en heet Manuscriptlink.
Manuscriptlink, bedacht door professor Scott Gwara van de 'University of South-Carolina', is een ambitieus project met verregaande gevolgen op het gebied van middeleeuwse (manuscript) geschiedenis of zoals Eric schrijft: “This project will recover and reconstruct a lost library of medieval texts, an exceptionally important result considering that each represents a unique witness to a particular textual an codicological instantiation of a work”.
Ik kan hier natuurlijk kort zijn artikel samenvatten maar nog beter is het om hem zelf aan het woord te laten met zijn presentatie: “From Fragmentation to Reaggregation: Revealing a ‘Virtual’ Medieval Library with Manuscriptlink” die u hieronder aantreft.
Overigens is van Nederlandse zijde boekhistoricus Erik Kwakkel betrokken bij dit project. De meeste bibliofielen, zoals ik, kennen zijn (Engelstalige) blog wel of volgen hem via Twitter (@erik_kwakkel).
Het is uiteraard zaak dat zoveel mogelijk instellingen deelnemen aan Manuscriptlink en hun losse middeleeuwse bladen en fragmenten laten registeren (werk voor jaren!), maar Eric J. Johnson doet ook een uitdrukkelijk beroep op handelaren en verzamelaars!
“Together, collectors, curators, dealers, and donors around the world can help undo the damage done by natural and manmade catastrophes, the well-intentioned attention of generations of readers, and the fiscally-inspired manipulations of modern biblioclasts. While Manuscriptlink’s mission is rooted in the legacy of book-breaking, its ultimate goal is to foster widespread book-(re)making. Join us in our journey of reconstruction and rediscovery!”.
Spannend!
Eén daarvan is dat ik regelmatig in aanraking kom met diverse uitgaven die aan het NGB ter kennisname worden verstuurd. Dat varieert van folders van antiquaren en uitnodigingen voor tentoonstellingen tot tijdschriften en boeken van zusterorganisaties.
Zo trof ik laatst op ‘de bestuurstafel’ weer een exemplaar aan van de tweejaarlijkse nieuwsbrief van “The fellowship of American bibliophilic societies” (FABS) waarbij ons Genootschap is aangesloten als ‘international affiliate’.
Omdat ik na de vergadering toch altijd een klein uurtje kwijt ben met het openbaar vervoer naar huis, besloot ik ditmaal de FABS-nieuwsbrief (winter 2014, volume XIX, number 1) mee te nemen om de tijd op een aangename manier te doden. Mijn aandacht ging al gauw uit naar een bijzonder interessant artikel van Eric.J. Johnson, ‘Curator of Early Books & Manuscripts at The Ohio State University’s Rare Books & Manuscripts Library’ getiteld: “Reconstructing the medieval past, one fragment at a time…” (blz. 5-11).
Daarin gaat het over de vele tienduizenden middeleeuwse losse manuscriptbladen (en fragmenten zoals maculatuur) die wereldwijd niet alleen in talloze bibliotheken liggen maar ook in groten getale zwerven door het antiquarisch circuit of bij particuliere verzamelaars worden bewaard.
Afgaande op de hoeveelheid moeten er in de loop der eeuwen ontzaglijk veel middeleeuwse boeken zijn gefragmenteerd. Voor de hand liggende boosdoeners zijn natuurlijk oorlogen, brand en andere rampspoed maar ook simpel financieel gewin heeft een ruim aandeel. De verkoop van losse bladen bracht (en brengt) vaak meer op dan het complete boek in één keer.
Op Marktplaats, Ebay of de Catawiki-veilingen worden regelmatig bladen en fragmenten aangeboden die, anders dan complete middeleeuwse manuscripten, nog enigszins betaalbaar zijn. Ze zijn stuk voor stuk uniek en hebben, los van de tekstuele informatie, een zekere artistieke en decoratieve charme die het goed doet aan de muur in de woon- of studeerkamer.
Trouwens, ook Perkamentus bezit een aantal losse bladen die hij kocht in zijn bibliofiele beginperiode ruim dertig jaar geleden. Tegenwoordig gaat mijn interesse meer uit naar gedrukte en complete boeken maar desondanks heb ik die middeleeuwse bladen als curiosum bewaard en gebruik ik ze nu als illustratie voor dit artikel. Normaal gesproken zien ze zelden het daglicht en liggen ze in een zuurvrij mapje te verstoffen.
Het gaat (van boven naar beneden) om een blad perkament met gotisch schrift (littera textualis) uit een Graduale, met gregoriaanse muziek (op een notenbalk van vier lijnen in kwadraatnotatie). Het formaat is circa 23 x 30 cm. (de randen zijn helaas afgesneden).
In de bruinrode hoofdletters heeft een ijverige scribent gezichten (tronies of grotesken) getekend. Het is een gedeelte van de ‘Missam in Vigilia’, die begint met “Hodie scietis…”. Nieuwsgierig naar hoe dat ongeveer klinkt? Luister dan even naar de onderstaande opname.
Vervolgens twee bladen perkament (8 x 11.7 cm) met gotisch schrift (littera textualis) uit een Latijns getijdenboekje met een fraaie randversiering van penwerk, florale motieven en bladgoud. Ter hoogte van de miniatuur (een aantal biddende nonnen in een poortje) begint de tekst van het “Stabat mater dolorosa…”.
Dan twee bladen perkament (8 x 11.7 cm) met gotisch schrift (littera textualis) uit een Frans getijdenboekje waarin de naam van de heilige Andreas en van de heilige Jacobus de Meerdere voorkomt en tot slot twee bladen papier (10 x 14 cm. octavo formaat) uit een eind vijftiende eeuws Nederlands getijdenboekje.
In deze tekst geschreven in littera hybrida staan twee sierhoofdletters in blauw, groen en geel waarboven in rood de titel of inhoud staat van het hoofdstuk. Het gaat om de geboorte van Christus “Eyn schoen vȃ der geborte unsr here” en een stukje over Goede vrijdag “Op den guden vrijdach…“. Pikant detail is de zichtbare fout die de schrijver maakte. Hij schreef ‘bekand’, streepte dat met rood door en vervolgde de regel met ‘bekenȇ’.
Specialisten op het gebied van middeleeuwse manuscripten kunnen vaak aan de boekverluchting, het penwerk en de sierletters zien in welke streek of atelier het boek werd geschreven. Ik heb daar zelf weinig verstand van en ook een exacte datering durf ik niet aan mijn fragmenten te geven, al vermoed ik dat ze allemaal van vóór 1500 zijn.
Enfin, de expert die het beter weet moet vooral reageren!Manuscriptlink, bedacht door professor Scott Gwara van de 'University of South-Carolina', is een ambitieus project met verregaande gevolgen op het gebied van middeleeuwse (manuscript) geschiedenis of zoals Eric schrijft: “This project will recover and reconstruct a lost library of medieval texts, an exceptionally important result considering that each represents a unique witness to a particular textual an codicological instantiation of a work”.
Ik kan hier natuurlijk kort zijn artikel samenvatten maar nog beter is het om hem zelf aan het woord te laten met zijn presentatie: “From Fragmentation to Reaggregation: Revealing a ‘Virtual’ Medieval Library with Manuscriptlink” die u hieronder aantreft.
Overigens is van Nederlandse zijde boekhistoricus Erik Kwakkel betrokken bij dit project. De meeste bibliofielen, zoals ik, kennen zijn (Engelstalige) blog wel of volgen hem via Twitter (@erik_kwakkel).
Het is uiteraard zaak dat zoveel mogelijk instellingen deelnemen aan Manuscriptlink en hun losse middeleeuwse bladen en fragmenten laten registeren (werk voor jaren!), maar Eric J. Johnson doet ook een uitdrukkelijk beroep op handelaren en verzamelaars!
“Together, collectors, curators, dealers, and donors around the world can help undo the damage done by natural and manmade catastrophes, the well-intentioned attention of generations of readers, and the fiscally-inspired manipulations of modern biblioclasts. While Manuscriptlink’s mission is rooted in the legacy of book-breaking, its ultimate goal is to foster widespread book-(re)making. Join us in our journey of reconstruction and rediscovery!”.
Spannend!
Abonneren op:
Posts (Atom)













