maandag 1 november 2010

'Fac-similes' uit de IJzeren kapel

Op 7 april 1848 benoemde de Amsterdamse gemeenteraad dr. Pieter Scheltema (1812-1885) tot haar eerste stadsarchivaris. Scheltema, die in 1836 in Amsterdam promoveerde, was korte tijd leraar in Middelburg maar keerde in 1844 terug naar de hoofdstad om zich aan wetenschappelijk historisch onderzoek te wijden. Zodoende kwam hij al in juni van dat jaar in aanraking met het nog ongeordende stadsarchief en begon hij met het opstellen van een voorlopige inventarisatie die uiteindelijk resulteerde in zijn, voor die tijd uitstekende, driedelige: “Inventaris van het Amsterdamse archief” (Amsterdam, 1866-1874).

De kersverse archivaris had toen al over diverse historische onderwerpen Amsterdam rakende geschreven en dus was de driedelige inventaris niet zijn eerste publicatie. Het was zelfs niet zijn eerste gepubliceerde archiefinventarisatie. Die was al in 1850 verschenen onder de titel: “Het archief van de IJzeren kapel in de Oude of Sint Nikolaas kerk te Amsterdam, beschreven door P. Scheltema, archivaris der stad Amsterdam”.
Hierin beschreef hij de vaak op perkament vastgelegde overeenkomsten c.q. privilegiën, handvesten, (gift)brieven en oorkonden (charters) die door keizers, koningen en andere landsheren tussen 1275 en 1650 waren geschonken aan Amsterdam.
Het was aan deze activiteit en daaruit volgende publicatie te danken dat hij voortaan bekend stond onder de bijnaam ‘Piet Perkament’ (geen familie!).


Met de IJzeren kapel in de Oude- of Sint Nikolaaskerk te Amsterdam werd het ‘secreet vertrek’ bedoeld. Deze enigszins verborgen ruimte is toegankelijk via de Sint-Sebastiaanskapel.
Daar, op bijna vijf meter boven de grond en dus alleen met een trap bereikbaar, bevindt zich in de wand een witgekalkte zware ijzeren deur met een slot. Erachter zit een tweede versterkte eikenhouten deur, eveneens met een slot. De deuren geven toegang tot een klein, nagenoeg vierkant, kamertje met getralied venstertje dat uitziet op de zuidzijde van het Ouderkerksplein. In één van de wanden zitten twee nissen. In de grootste nis bevond zich een met metaal beslagen en drie sloten beveiligde houten charterkast met vijfenveertig laden waarin 290 door Piet Perkament beschreven archiefstukken waren opgeborgen. De unieke vijftiende eeuwse kast inclusief haar ‘perkamenten’ inhoud bevindt zich sinds 1892 in het Amsterdamse stadsarchief.

Scheltema behoorde tot de zeer, zeer weinigen die (onder toezicht) tot het archief van de IJzeren kapel werden toegelaten. Voor hem waren er slechts enkele bezoekers geweest, waaronder op 13 oktober 1761 de stadshistoricus Jan Wagenaar (1709-1773).
Zijn nauwkeurige inventarisatie (met korte inhoudsweergave van de stukken) was echter niet de eerste publicatie over deze merkwaardige en geheime bewaarplaats.

Al dertig jaar daarvoor was een boekje verschenen, dat ik onlangs heb gekocht, getiteld: “De merkwaardigste stukken uit de oudste archieven van Amsterdam aangaande de vroegere privilegiën van deszelfs poorters en inwoners. Met platen en fac-similes der oorspronkelijk handschriften” (Amsterdam, 1821).
Het bestaat uit drie hoofdstukken:
1. Verslag van de Kommissie der Tweede Klasse van het Kon. Nerl. Instituut, omtrent de ijzeren Kapel in de Oude Kerk te Amsterdam. 
2. Iets over de Keur van Gui van Henegouwen, aan den stad Amsterdam door den Heer H. van Wyn.
3. Eenige bedenkingen over de Poorterijen en de vergunning dier regten aan Amsterdam, door den Heer Mr. D.J. Meijer
”.

Dit is de eerste min of meer wetenschappelijke publicatie over de IJzeren kapel (Het eerste hoofdstuk was een half jaar daarvoor gepubliceerd in de verhandelingen van de eerdergenoemde 'Kommissie').
Ook is het - voor zover mij bekend - het eerste Nederlandse boekje met ‘Fac-similes’ (etsen) van archiefstukken. In 1824 verscheen een tweede druk.
Als boekillustratie waren facsimile's sowieso vrij zeldzaam, pas vanaf het tweede kwart van de negentiende eeuw komen ze vaker voor, eerst lithografisch en aan het eind van de 19de eeuw fotografisch. De schriftelijke inhoud van de gereproduceerde archiefstukken was weliswaar al langer bekend maar als autograaf (inclusief de nog aanwezige zegels) waren ze nog nooit eerder afgebeeld. Ze konden nu niet alleen in hun oorspronkelijke middeleeuwse spelling en schrijfwijze worden bestudeerd maar bovendien toonden ze aan dat in de vele publicaties waarin ze waren aangehaald fouten stonden omdat de auteurs (waaronder ook Wagenaar) gebruik hadden gemaakt van latere onnauwkeurige afschriften.

Naast dit alles was er echter een andere dwingende reden die mij ertoe verleidde het boekje aan te schaffen.
Ruim een half jaar terug kwam ik namelijk al een beduimeld exemplaar tegen in een grote boekencollectie. Ik bladerde er wat doorheen en bestudeerde de twee platen, waaronder één met het interieur van de IJzeren kapel (waarin zich kennelijk ook een eenzame stoel bevond) en de acht fraaie uitslaande facsimile’s.


Voor zover ze van een signatuur waren voorzien bleken de handgeschreven teksten te zijn nagetekend door ene J. Koning (‘del.’). De twee platen zijn gegraveerd door D. Veelwaard (‘sculp.’). In de kwaliteit van de afgebeelde zegels zit een duidelijk verschil.
De minder goed gegraveerde zegels (facsimile’s B, D, E en G) zijn niet gesigneerd.
De best gegraveerde zegels (facsimile’s H, I en K) zijn gesigneerd zowel door de graveur, D. Veelwaard, als de tekenaar naar wiens  voorbeeld de gedetailleerde afbeelding tot stand kwam. Die tekenaar bleek mijn verre voorvader, de kunstgraveur J.W. Caspari, te zijn!


Uiteraard moest en zou ik een exemplaar van dit boekje kopen maar dan wel het mooiste dat er te krijgen is tegen de beste prijs. Dat exemplaar, gekocht voor slechts € 70,- euro bij antiquariaat Gemilang in Bredevoort en gebonden in halfleer met kartonnen platten (door J.J. Lalau, boekbinder in 'Leijden'), bevindt zich thans in mijn collectie!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen