vrijdag 23 juni 2023

Straattypen, baliekluivers en schoenpoetsers


In januari van dit jaar kocht ik de vrij zeldzame uitgave "Amsterdam in 55 afbeeldingen" (H.D. Tjeenk Willink, Haarlem 1883), in originele roodlinnen stempelband bij antiquariaat Brinkman in Amsterdam voor veertig euro. Op het voorplat zat een stuk gesmolten plastic dat ik er met een haarföhn gelukkig af kreeg en het boekblok (niet genaaid maar gelijmd) hing in drie losse delen in de band. Ook dat kon ik met wat boekbinderslijm en zwartlinnen tape herstellen.
Het is een boekje (VIII (inhoudsopgave) en 64 ongenummerde bladzijden in octavo) dat in het Nederlands/Frans verscheen - speciaal voor binnen- en buitenlandse toeristen - ter gelegenheid van de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling (ook wel Amsterdamse wereldtentoonstelling) van 1883.


Zoals blijkt uit reclameadvertenties verscheen de uitgave behalve in roodlinnen ook ingenaaid in slappe kartonnen/papieren band voor vijfenzeventig cent (zie illustratie hieronder). 


In "De Amsterdammer: dagblad voor Nederland" van 19 mei 1883 vond ik een korte boekbespreking: "Tegelijk met de Indische verzameling is bij denzelfden uitgever verschenen, Amsterdam in 55 afbeeldingen. Uit de reeks van schoone illustraties in 'Eigen Haard' en elders voorkomende, heeft de uitgever ook hier een gelukkige keuze gedaan. 
't Nieuwe en 't oude Amsterdam is vertegenwoordigd. Vooral langs onze grachten zijn veele schoone punten weergegeven. Voor de Amsterdammers is 't een interessante verzameling, voor den vreemdeling zal het een aangename herinnering aan onze stad zijn. 't Is jammer dat 't boekje niet wat beter is ingenaaid, - eigenlijk is 't niet ingenaaid, maar ingeplakt, zoodat vooral tengevolge der dubbele platen de bladen spoedig los laten". Dat laatste verklaart waarom niet veel boekjes de tand des tijds hebben doorstaan en waarom je de illustraties vaak los kunt aantreffen in het antiquarisch circuit.


De 55 houtgravures geven verschillende bekende Amsterdamse stadsgezichten weer, enkele standbeelden en museale objecten, en ook wat afbeeldingen van het dagelijks leven zoals "een Amsterdamse bidder en dienstmeid", "Burgerweezen" en het sfeervolle "In de Jodenbuurt" (vervaardigd door Charles Laplante (1837-1903) dat oorspronkelijk verscheen in: "Le Tour du Monde" (1878).

De laatste afbeelding trok echter het meest mijn aandacht. Vier anonieme figuren die op een balustrade zitten en wat met elkaar keuvelen. Volgens het onderschrift zijn het "Straattypen" ("Types de la rue"). Dat wil ik best geloven, maar waarom staat er "In Memoriam" boven de afbeelding? Zijn de(ze) 'straattypen' dood?


Om dit raadsel op te lossen ging ik eerst maar eens op zoek naar het tijdschrift "Eigen Haard" (dat eveneens bij H.D. Tjeenk Willink in Haarlem verscheen) en waaruit volgens het krantenbericht talrijke illustraties waren ontleend. Bijna alle jaargangen uit de periode 1875 t/m 1883 staan online.
Ik had geluk! In jaargang 1882, op bladzijde 397 vond ik de afbeelding terug met daaronder een stukje getiteld: "De balie bij de Amsterdamsche beurs". Daaruit bleek al gauw dat het In Memoriam in verband stond met het verdwijnen van hun zitgelegenheid; het hekwerk voor de Beurs van Zocher!

"Men - dat is een van de autoriteiten der hoofdstad - heeft goedgevonden de balie, waaraan wij hier een 'In Memoriam' wijden (natuurlijk niet om het stuk ijzer, maar om de baliekluivers, die er dag aan dag op zaten) te laten wegbreken. Met den tak zijn ook de vogels verdwenen. Waar vlogen ze heen? Waarschijnlijk naar een andere balie, want de gewoonte is een tweede natuur. Doch bleven ze bij mekaar? Hebben ze hun leerrijke en onderhoudende gesprekken voortgezet? Of gingen zij ieder afzonderlijk onder in een nieuwe combinatie waarin zij zich met een meer ondergeschikte rol moeten vergenoegen? 't Zou jammer wezen. Hun inzichten in de politiek van den dag en vooral in de bewegingen en schommelingen van den handel hadden een eigenaardig karakter. Hun critiek was steeds van de radicaalste soort en zij bekeken alles, vooral wanneer het stadszaken betrof, steeds van den practischen kant. Daarbij was hun levensgeschiedenis werkelijk belangwekkender dan men bij den eersten oogopslag zou menen. Ze hadden niet altijd op de balie gezeten. De oudste was zelfs in den handel geweest, al was 't maar in de vodden; en de vierden man van zijn zitplaats af, was 't aan te zien dat hij lang op zee gezwalkt had en landen en volken gezien. Van den tweede in de rij kunnen wij niet veel raden; hij heeft zijn heele leven tot nog toe op los werk geloopen, doch de derde was stellig een filosoof, een diepdenker. 't Komt ons vrij gemakkelijk voor, uit deze gegevens eenige tamelijk waarschijnlijke gissingen te maken omtrent hun maatschappelijke en huiselijke zijn. Vindt gij dit niet de moeite waard, welnu, dan zullen wij maar aannemen, dat zij bij de balie behoorden en met de balie voorgoed verdwenen zijn".
De in 1882 weggebroken 'balie' (leuning) waarvan hier sprake is, is goed te zien op oude afbeeldingen, van het in 1903 gesloopte gebouw. Het zijn de paaltjes met daartussen hekwerk ter weerszijde van de ingang.


Volgens het onderschrift bij de illustratie in "Eigen Haard" werd de oorspronkelijke tekening voor deze houtgravure (door J. van Hoof) gemaakt door J.C. Greive Jr. (1837-1891), naar een schets van L.J. Eymer (1843-1895). Greive heeft wel meer illustraties gemaakt voor Amsterdamse uitgaven maar Eymer was mij onbekend. Hij was een amateur tekenaar die opgeleid was tot ingenieur. In die laatste hoedanigheid verwierf hij enige faam door zijn ontwerp van de ijzeren overkapping van het station Amsterdam Centraal, dat onder zijn toezicht werd uitgevoerd. 

Ik besloot ook nog even de beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam te raadplegen maar vond daar mijn straattypen niet terug. Toen ik vervolgens wat verder zocht deed ik een aardige ontdekking...
Het gaat om een pentekening van "Schoenpoetsers bij de ingang van de Beurs van Zocher, Dam. Voorstudie voor illustraties in een (niet uitgekomen) boek over Amsterdam". Verder staat er (nog) geen aanvullende informatie bij, behalve een datering die waarschijnlijk circa tien jaar te laat is, maar de tekening is duidelijk door Eymer linksonder gesigneerd en rechts staat 'a.d. Beurs' (ik informeerde inmiddels de beeldbank over mijn bevindingen). Hier zien we ongetwijfeld dezelfde vier figuren als op de houtgravure.
Deze 'straattypen' en 'baliekluivers' waren dus Amsterdamse schoenpoetsers en op de tekening staan ze (met hun poetskistjes) voor de Beurs, want 'de balie' waarop ze zaten is inmiddels weg...


Er is in het stadsarchief nog een andere pentekening van Eymer bekend van een eenzame schoenpoetser bij de beurs van Zocher (met achter hem nog zichtbaar hekwerk). Het gaat om: "Figuren voor de ingang van de Beurs van Zocher, Dam 1 bij de ingang aan de rechterzijde".


Daarnaast vond ik in de beeldbank nog twee pentekeningen van hem met (volks)figuren bij de beurs.
De eerste getiteld: "Een groepje bedelaars voor de trappen van de beurs van Zocher", en de tweede: "Allerlei figuren voor de ingang en op de trappen van de Beurs van Zocher". Al deze tekeningen zijn vermoedelijk rond 1880 gemaakt. Bij een aantal staat in de beschrijving de opmerking dat het voorstudies zijn voor een (niet verschenen?) boek over Amsterdam.


Helaas vond ik daarover geen nadere informatie. Maar net als "straattypen" (waarvan geen pentekening meer bekend is) zijn deze twee tekeningen van Eymer later gebruikt als illustratiemateriaal. Ze staan samen op de onderstaande fotolitho getiteld "Amsterdam", die in 1891 werd uitgegeven door drukkerij Roeloffzen & Hübner.


Wat Amsterdamse schoenpoetsers betreft, die bevonden zich destijds op de Dam vooral rondom 'Naatje', ons eerste nationale monument. “Het monument stond midden op de Dam. De borstwering om het waterlooze waterbassin diende vele schoenpoetsers, straatbengels, en leeglopers (Amsterdamsch: kringetjespugers, vanwege de gewoonte van baliekluivers om over brugleuningen te hangen en tabakspeeksel, afkomstig van de pruimen, oftewel keezen, in het water te spuwen) tot zitplaats” (H. Polak: “Amsterdam die groote stad…” (Amsterdam, MCMXXXVI, blz. 258). Met het verdwijnen van 'de balie' bij de beurs van Zocher waren de ‘baliekluivers' dus allerminst verdwenen en de afbeelding op de litho rechtsonder bevestigt dit.


Onder de straattypen die zich daar ophielden bevond zich ook Isaac (Jitschak haLevi) Gerrit Betel (1818-1886), een destijds bekende verschijning, die als Isaäk de schoenpoetser figureert in een verhaal van Justus van Maurik (1846-1904) getiteld: "Isaäk op den Dam". Isaäk werd vereeuwigd door de bekende tekenaar Johan Braakensiek (1858-1940) en staat ook op de voorkant van de volksuitgave met verhalen van Justus van Maurik (die - vanaf 1895 - in negen delen verscheen).


Toen ik het verhaal bij Van Maurik nog eens herlas kwam ik de volgende passage tegen...
"Tusschen elf en twaalf uur heb ik 't altijd druk door heel veel klanten, die gepoetst willen wezen voor ze naar de Beurs gaan, want tegen halféén zie je al van die kleine spikkelantjes op de kleine steentjes vóór de Beurs staan. Als 't hek om één uur geopend wordt, verkas ik met mijn bak van de monument naar de Beurs. 't Is een mooi gebouw. Van voren zou je er heel veel van denken, maar op zij en van achteren, awai! 't lijkt waarachtig de ark van Noach wel. Ze schrijven in de kranten, dat er binnenkort een nieuwe beurs zal komen, altijd als er geld genoeg is". Ik vermoed dat Isaäk behalve schoenpoetser ook een ouwe baliekluiver was…

1 opmerking: