woensdag 22 april 2009

Huwelijksaanzoek

Worden er nog dames ten huwelijk gevraagd? Wie o wie…? Ik ben nooit verder gekomen dan een verloving (inmiddels bijna 25 jaar geleden). De meerwaarde van het huwelijk is mij altijd ontgaan, zeker gezien onze tegenwoordige tijd met zoveel andere mogelijkheden van samenzijn.

Honderd vijftig jaar geleden was het huwelijk nog een bloedserieuze zaak. Mijn overgrootouders hebben wat dat betreft niet veel keus gehad. Niks samenhokken; trouwen was de boodschap.

De 19de eeuw was een standenmaatschappij en dus diende men zich wel zeer bewust te zijn van zijn stand. De burger Jan Salie die even op de knieën gaat voor zijn aanstaande bruid om vervolgens de wederzijdse ouders te confronteren met een fait accompli was kansloos. Zijn voornemen diende hij vooreerst schriftelijk aan te kaarten en nadrukkelijk niet bij de aanstaande teerbeminde maar natuurlijk bij haar vader!
Ai!, haar ouwe heer... Lastig, lastig... Gelukkig kon Jan in deze gevoelige zaak beschikken over een handig hulpmiddel en wel het "Nieuw brievenboek voor iedereen bevattende eene menigte voorbeelden van brieven, welke in het dagelijksch leven te pas komen. Benevens voorbeelden van Requesten, Contracten, Telegrafische berigten, Advertentien, enz. enz. Een handboek tot eigen oefening" (A. van Loon. Tiel ca. 1862).
Hiermee was deze bloedserieuze aangelegenheid in een wip geklaard en kon de aanstaande schoonpapa de volgende indrukwekkende brief tegemoet zien.

"Hooggeachte Heer!
Het is reeds geruime tijd geleden, dat wij met elkander kennis maakten, en ik durf vertrouwen, dat Gij geene reden hebt, om aan mijne fatsoenlijkheid, noch aan mijne soliditeit te twijfelen.
Ik handel als opregt man, als man van eer, en kan mij daarom beroemen mijne zaken op eenen goede voet gebragt te hebben. Maar nu heb ik eene wakkere levensgezellin noodig, en ik zou mij gelukkig achten, die in Mejufvrouw Susanna, Uwe oudste dochter, te vinden. Ik heb haar toen wij onlangs in den tuin van onzen Vriend S. waren, mijnen wensch te kennen gegeven; zij scheen mij niet ongenegen, maar wees mij op haren Vader. Een uitzet wordt door mij niet begeerd, want ik heb dien, Gode zij dank niet noodig en wordt onze echt met kinderen gezegend, ook dan zullen wij in staat zijn, hen ruimschoots te verzorgen.
Ik verzoek U dus, Hooggeachte Heer, mij Uwe dochter ten huwelijk te geven: wees verzekerd, dat zij in mij een goed echtvriend zal hebben. In afwachting van gunstig antwoord blijf ik,

Hooggeachte Heer!

Ued. Dienstwillige dienaar Jan Salie"
.

Kijk, daar kun je mee voor de dag komen al weet ik wel zeker dat je met zo’n brief vandaag de dag meer indruk zou maken.
Behoorde men tot de stand van de aanzienlijke burgers, zeg maar de gegoede middenstand, dan was een zakelijk briefje aan de aanstaande nog wel mogelijk. Laten we eens kijken naar het briefje van Hendrik Braaf.

"Mejufvrouw!
Zodra ik de eer had met U kennis te maken, rees dadelijk bij mij de vurige wensch op, met U voor altijd door de heiligste banden vereenigd te worden. Wanneer Gij mij Uwe liefde onverdeeld kondet en wildet schenken, zou ik mij hoogst gelukkig rekenen. Terwijl ik Uwe hand vraag, stel ik het mij tot pligt, U te zeggen, dat mijn vermogen mij in staat stelt, U bij eene reeds goed ingerigte huishouding, een aangenaam, een onbezorgd leven te beloven. Ik maak alleen aanspraak op Uwe beminnenswaardige persoon. Uwe liefde is mij meer waard dan alle rijkdom. Beslis over mijn geluk of ongeluk. Mogt Uw antwoord gunstig zijn! Gij zoudt daardoor mijn hart met de levendigste vreugde vervullen, want niemand kan U meer eeren en beminnen, Mejufvrouw, dan

UwelEd. Dienstv. dienaar en vriend Hendrik Braaf".


Prachtig, prachtig! Een brief waarvoor elke (19de eeuwse) vrouw onmiddelijk zou vallen. Mijn dochter is pas zeven. Voorlopig dus geen brief voor mij...

Geen opmerkingen:

Een reactie posten