dinsdag 28 april 2009

Kapitale Hoofdletters

video

Mijn eerste zelfgemaakte filmpje...

Wat me nu eigenlijk pas opviel aan deze kleine 17de eeuwse kunstwerkjes is dat sommigen. zoals de eerste (rechtsonder), een makersmonogram vertonen ('PC').
De afbeelding bij deze letter verwijst tevens naar het bijbelboek Genesis 22, vers 11.
In andere letters staat zelfs expliciet een verwijzing naar de desbetreffende bijbeltekst (D: '1, Samuel 16', H: 'Esther 5', M: 'Exod. 3').

maandag 27 april 2009

Religie en 'Reichsheini'

Slechts eenendertig pagina’s, zeer zeldzaam, en geschreven door iemand die geen nadere introductie behoeft: Reichsführer-SS Heinrich (Luitpold) Himmler (1900-1945).
Het boekje draagt de titel: "Die Schutzstaffel als antibolschewistische Kampforganisation"
(6. Auflage. 19... Zentralverlag der NSDAP., Franz Eher Nachf., München).
Ik kocht het een paar jaar geleden op de Haagse boekenmarkt. Op boekenmarkten kom je ook nog wel eens het boek van zijn baas tegen, de bekende dictator, maar van Himmler zelf kende ik nog geen gedrukte geschriften. Bovendien ging dit boekje over de beruchte SS ("Schutzstaffel"), een organisatie die in 1925 werd opgericht en waarover 'Reichsheini' in 1929 de leiding kreeg.

Wat me opviel was dat het jaartal niet volledig is vermeld, maar de 3de oplage is van 1937 en vermoedelijk is deze oplage zo rond 1939 verschenen. Toen waren er al 115.000 exemplaren van gedrukt! Het boekje bevat een aantal hoofdstukjes: "Bolschewismus", "Unser Volk", "Der Weg zum Gehorsam" en "Die Schutzstaffel". In dat laatste hoofdstuk schetst Himmler het ontstaan van deze organisatie en legt hij een aantal van haar kernwaarden uit zoals: "Treue und Ehre" en "Blut und Boden". Opmerkelijk is het stukje over het "Ehrengesetz des SS-Mannes".

Hierin behandelt hij de eedformule van de SS-mannen die trouw zweren aan Adolf Hitler "So wahr uns Gott helfe" en het standpunt van de SS inzake religie.

Een goed SS-man is namelijk een gelovig man schrijft Himmler en, zo vervolgt hij; "Wir sind heilig davon überzeugt, daß wir nach den ewigen Gesetzen dieser Welt für jede Tat, für jedes Wort und für jeden Gedanken einzustehen haben, daß alles, was unser Geist ersinnt, was unsere Zunge spricht, und was unsere Hand vollführt, mit dem Geschehen nicht abgetan ist, sondern Ursache ist, die ihre Wirkung haben wird, die im unentwegten, unentrinnbaren Kreislauf zum Segen oder Unsegen auf uns selbst und auf unser Volk zurückfällt".

Opmerkelijke woorden van een gelovige massamoordenaar; zo leert de geschiedenis ons.

zondag 26 april 2009

Baardgroei

A(a)lbrecht van Beieren (1336-1404) was pas 23 jaar toen hij in 1358 zijn krankzinnige broer opvolgde als Graaf van Holland, Henegouwen en Zeeland en Hertog van Beieren-Straubing uit het Huis Wittelsbach.
De jonge Graaf werd (met het wapen van Holland) ruim 200 jaar later passend afgebeeld door Caspar Wachtendorp in zijn "Oude Hollandsche Geschiedenissen ofte, Corte rym-kronyck: verdeelt in XIIII Boecken, beginnende van de Suntvloet, tot den Iare 1560", (Amsterdam, Johannes Pauli, 1645).

In 1678 publiceerde Petrus Scriverius zijn "Hollandsche, Zeelandsche ende Vriesche Chronyck, ofte een gedenckwaerdige beschryvingh van den Oorsprong, Opkomst en Voortgang, der selver Landen. Soo onder de Regeeringe en Successie der Graven, wegens hare geslachte en verrichtinge, van Diederick den I. tot Philips den III", (’s Gravenhage, J. Veely and J. Doll, 1678).

Ook in zijn boek noemt hij natuurlijk Graaf Albrecht van Beieren en toont diens portret (blz. 379). Tussen de publicatie van beide 17e eeuwse boeken ligt drieëndertig jaar. Graaf Albrecht heeft zich in de tussentijd niet geschoren zou je kunnen concluderen.

Maar ook zonder bril zie je duidelijk dat de portretjes wel erg veel overeenkomsten vertonen en de waarheid is natuurlijk dat het om dezelfde afbeelding gaat.
Dat overnemen van boekillustraties gebeurde toen wel vaker. In dit geval werd gebruik gemaakt van dezelfde etsplaat die enigszins werd bijgewerkt. Het wapen van Holland werd vervangen voor het volledige wapenschild van de Graaf en hijzelf kreeg keurig een volle baard!

vrijdag 24 april 2009

Kinderzieltjes


Nergens is het getouwtrek om de tere kinderziel mooier in beeld gebracht als in:
"Het prentenboek van de kinderbiecht" en "Het prentenboek van de eerste Heilige Communie". Van de eerste bezit ik de derde druk (1928) en van de tweede de vijfde druk (1948). Beide rooms-katholieke boekjes zijn uitgegeven door de drukkerij van het R.K.-Jongensweeshuis in Tilburg en van de hand van M.C. Versteeg en versierd met platen van B. Reith.

Mijn dochter van zeven zou er nu niet meer van wakker liggen maar ik weet wel zeker dat Reiths fraai gestileerde tekeningen van brave en stoute kindertjes, engelen en de duivel, destijds bij veel jong grut een diepe indruk moet hebben gemaakt.
De verhaaltje zijn zondermeer zeer educatief.

Neem het verhaal van de vrouw (natuurlijk: ‘het is geen flinke vrouw’) die gaat biechten.
Ze heeft drie grote doodzonden en zes dagelijkse zonden als vlekjes op haar ziel.
Met uitzondering van één doodzonde biecht ze alles op. Wat is de uitkomst? ‘Eén doodzonde is er nog bijgekomen. Voor dat slechte biechten en geen enkele andere zonde is er afgegaan. Hoeveel doodzonde heeft ze nu? Vier. Wat domme vrouw toch! O.L. Heer zegt; kom mooi en goed biechten, dan maak ik je ziel helemaal schoon en zuiver. En die domme vrouw wil niet goed biechten. Ze biecht slecht’. Dit is bijna geen godsdienst meer, dit is optellen en aftrekken; vakoverstijgend onderwijs ‘avant la lettre’.


Echt moeilijk is het ook allemaal niet. Het volgende verhaaltje doet denken aan een bekende quiz.

1. De eerste jongen is een goede, beste jongen. Dat kun je wel zien aan zijn hart: ’t is zuiver, schoon; geen enkele vlek van zonde zit er op. De jongen heeft wel eens ooit kleine zonden gedaan; maar die zijn er nu af. Zie, hoe mooi zijn hart is: veel heldere stralen zijn er rondom: dat betekent, dat zijn hart zuiver en heilig is. – De jongen is blij, en voelt zich gerust en gelukkig. Ja, dat mag hij ook zijn: hij is een vriendje van O.L. Heer, een goed kind van Jezus. Dat kun je zien aan die vele stralen, die uit de hemel komen. – Je kunt ’t ook nog zien aan zijn Engelbewaarder: die is blij, dat zijn kind zoo braaf wil zijn. Hij zal ’t goed beschermen, en voor de zonde bewaren.
2. De tweede jongen, is die zoo braaf als de eerste? – Op zijn hart zien we enkele vlekjes; dat zijn de kleine zonden, die hij heeft gedaan. Zijn hart is niet meer zoo schoon, niet meer zoo heilig; daarom zijn er ook niet zooveel stralen rondom, als bij de eerste jongen. Hij is nog een vriend, een kind van God: uit de hemel komen nog stralen. Maar ’t is niet zoo’n groote vriend, niet zoo’n goed kind van God als de eerste jongen. De duivel komt dikwijls, om hem tot kwaad te brengen. Maar zijn goede Engel bewaart hem goed, en zegt dat hij braaf moet blijven. Soms luistert de jongen dan niet en doet het kwaad. Daarom steekt de Engel zijn vinger op: pas op, mijn kind, doe ’t kwade niet, luister niet naar de Duivel!



3. De derde jongen, vin je dat een goede jongen? ’t Is een stouterd, een deugniet. Zijn hart. ’t Is zwart, heelemaal zwart en leelijk; de jongen heeft groote zonden, doodzonde gedaan. Geen enkele straal is er om zijn hart. En van boven, uit de Hemel komt ook geen enkele straal: deze jongen is geen vriend van O.L. Heer, geen goed kind van God.
Zijn Engel heeft er zoo’n verdriet van. Hij probeert nog, hem beter te maken – maar de jongen luistert niet. Hij luistert liever naar de duivel, die hem ’t kwade leert, die hem tot zonde aanzet. ’t Is een jongen van de duivel!


En dan komt nu de hamvraag: ‘Wie van de drie zou ter communie mogen gaan?
Eitje toch…

donderdag 23 april 2009

Oranje boven!


Het ziet er niet zo heel bijzonder uit.
Een rond houten lijstje (8,5 cm. diameter) met horlogeglaasje gevat in een versierde koperen parelrand. Daarin op een blauwe achtergrond een zilveren afbeelding van het borstbeeld van Willem V op een sokkeltje in het gras. Links loert, om de sokkel heen, de met een sabel gewapende Nederlandse leeuw naar een klein figuurtje rechts.
Toch is dit een zeer curieus object. Het is een ‘verklikkertje’ van rond 1787. Voordat ik uitleg hoe het werkt(e), eerst even een korte opfriscursus Vaderlandse geschiedenis.

In de tweede helft van de 18de ‘zilveren’ eeuw; de pruikentijd, liepen de politieke emoties hoog op. Aan de ene kant waren er de Orangisten of Prinsgezinden, de aanhangers van Stadhouder Prins Willem V ‘Batavus’ (1748-1806). Aan de andere kant stonden de Patriotten die wars waren van het absolute gezag en meer vrijheden c.q. democratische hervormingen eisten.

Deze tegenstelling werd, net als tegenwoordig voetbal of het Koninklijk huis, gepopulariseerd als nimmer tevoren. Serviesgoed, snuif- en tabaksdozen, mesheften, waaiers, naaldenkokers, koekplanken of glaswerk, je kon het zo gek niet bedenken of het werd voorzien van een beeldmerk van één van beide partijen. Voor de Oranjefans vaak het portret van de Stadhouder (soms samen met zijn echtgenote Wilhelmina van Pruisen), voor Patriotten meestal de keeshond (verwijzend naar hun belangrijkste vertegenwoordiger Cees de Gijselaar).
In 1787 kwam het tot een botsing. Prinses Wilhelmina werd op weg naar Den Haag bij Goejanverwellesluis door Patriotten enige tijd vastgehouden en teruggestuurd. Haar broer Koning Frederik Willem II van Pruisen eiste genoegdoening voor deze belediging.
Die kwam niet en in september vielen Pruisische troepen Nederland binnen om het Stadhouderlijk gezag te herstellen.
In deze roerige tijd werd het bijzonder onverstandig om in het openbaar met je politieke overtuiging te koop te lopen. Wilde je niet de kans lopen ergens te worden gemolesteerd dan kon je maar beter niet te veel nadruk leggen op je politieke voorkeur.

De oplossing was een verklikkertje of wasmistdoosje. Achter het horlogeglaasje was een kleine hoeveelheid verdunde bruine bijenwas aangebracht. Bij lage temperaturen sloeg de was neer op de binnenzijde van het glas waardoor je de afbeelding niet direct kon zien. Wilde je de politieke kleur van iemand kennen dan nam je het doosje in je hand, of je blies er overheen met je warme adem. Daardoor werd de was doorzichtig en doemde – in dit geval – Willem V op uit de mist. Duidelijk een Oranjefan!

Er schijnen veel wasmistdoosjes te zijn vervaardigd, maar slechts enkele zijn bewaard gebleven (o.a. in museum Flehite in Amersfoort en het Rijksmuseum Amsterdam).
De politieke boodschap raakte gedateerd en de truc met het beslagen glas werkte na verloop van tijd niet meer omdat de doosjes niet luchtdicht bleven. Mijn verklikkertje moet echter nog lang zijn meegegaan. In 1794 keerde de politieke kansen. Frankrijk viel Nederland binnen en een jaar later vluchtte de Stadhouderlijke familie en ging in ballingschap.
De Bataafse tijd met zijn ‘Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap’ brak aan. Aan de Franse bezetting kwam pas een eind in 1813 met de inhuldiging in Amsterdam van Koning Willem I, de zoon van de gevluchte Willem V. Dat was aanleiding voor de toenmalige eigenaar van het verklikkertje om in de sokkel onder het borstbeeld van Willem V de volgende tekst te krassen: ‘Na agtien jare smaadt en hoon, is deeze Vorst weer op den troon’.

woensdag 22 april 2009

Huwelijksaanzoek

Worden er nog dames ten huwelijk gevraagd? Wie o wie…? Ik ben nooit verder gekomen dan een verloving (inmiddels bijna 25 jaar geleden). De meerwaarde van het huwelijk is mij altijd ontgaan, zeker gezien onze tegenwoordige tijd met zoveel andere mogelijkheden van samenzijn.

Honderd vijftig jaar geleden was het huwelijk nog een bloedserieuze zaak. Mijn overgrootouders hebben wat dat betreft niet veel keus gehad. Niks samenhokken; trouwen was de boodschap.

De 19de eeuw was een standenmaatschappij en dus diende men zich wel zeer bewust te zijn van zijn stand. De burger Jan Salie die even op de knieën gaat voor zijn aanstaande bruid om vervolgens de wederzijdse ouders te confronteren met een fait accompli was kansloos. Zijn voornemen diende hij vooreerst schriftelijk aan te kaarten en nadrukkelijk niet bij de aanstaande teerbeminde maar natuurlijk bij haar vader!
Ai!, haar ouwe heer... Lastig, lastig... Gelukkig kon Jan in deze gevoelige zaak beschikken over een handig hulpmiddel en wel het "Nieuw brievenboek voor iedereen bevattende eene menigte voorbeelden van brieven, welke in het dagelijksch leven te pas komen. Benevens voorbeelden van Requesten, Contracten, Telegrafische berigten, Advertentien, enz. enz. Een handboek tot eigen oefening" (A. van Loon. Tiel ca. 1862).
Hiermee was deze bloedserieuze aangelegenheid in een wip geklaard en kon de aanstaande schoonpapa de volgende indrukwekkende brief tegemoet zien.

"Hooggeachte Heer!
Het is reeds geruime tijd geleden, dat wij met elkander kennis maakten, en ik durf vertrouwen, dat Gij geene reden hebt, om aan mijne fatsoenlijkheid, noch aan mijne soliditeit te twijfelen.
Ik handel als opregt man, als man van eer, en kan mij daarom beroemen mijne zaken op eenen goede voet gebragt te hebben. Maar nu heb ik eene wakkere levensgezellin noodig, en ik zou mij gelukkig achten, die in Mejufvrouw Susanna, Uwe oudste dochter, te vinden. Ik heb haar toen wij onlangs in den tuin van onzen Vriend S. waren, mijnen wensch te kennen gegeven; zij scheen mij niet ongenegen, maar wees mij op haren Vader. Een uitzet wordt door mij niet begeerd, want ik heb dien, Gode zij dank niet noodig en wordt onze echt met kinderen gezegend, ook dan zullen wij in staat zijn, hen ruimschoots te verzorgen.
Ik verzoek U dus, Hooggeachte Heer, mij Uwe dochter ten huwelijk te geven: wees verzekerd, dat zij in mij een goed echtvriend zal hebben. In afwachting van gunstig antwoord blijf ik,

Hooggeachte Heer!

Ued. Dienstwillige dienaar Jan Salie"
.

Kijk, daar kun je mee voor de dag komen al weet ik wel zeker dat je met zo’n brief vandaag de dag meer indruk zou maken.
Behoorde men tot de stand van de aanzienlijke burgers, zeg maar de gegoede middenstand, dan was een zakelijk briefje aan de aanstaande nog wel mogelijk. Laten we eens kijken naar het briefje van Hendrik Braaf.

"Mejufvrouw!
Zodra ik de eer had met U kennis te maken, rees dadelijk bij mij de vurige wensch op, met U voor altijd door de heiligste banden vereenigd te worden. Wanneer Gij mij Uwe liefde onverdeeld kondet en wildet schenken, zou ik mij hoogst gelukkig rekenen. Terwijl ik Uwe hand vraag, stel ik het mij tot pligt, U te zeggen, dat mijn vermogen mij in staat stelt, U bij eene reeds goed ingerigte huishouding, een aangenaam, een onbezorgd leven te beloven. Ik maak alleen aanspraak op Uwe beminnenswaardige persoon. Uwe liefde is mij meer waard dan alle rijkdom. Beslis over mijn geluk of ongeluk. Mogt Uw antwoord gunstig zijn! Gij zoudt daardoor mijn hart met de levendigste vreugde vervullen, want niemand kan U meer eeren en beminnen, Mejufvrouw, dan

UwelEd. Dienstv. dienaar en vriend Hendrik Braaf".


Prachtig, prachtig! Een brief waarvoor elke (19de eeuwse) vrouw onmiddelijk zou vallen. Mijn dochter is pas zeven. Voorlopig dus geen brief voor mij...

zondag 19 april 2009

Bizar

Amsterdam.
Een warme zondagmiddag in juni 1979. Straatgeluiden vermengen zich hier met het zuigende en borrelende geluid van continu draaiende grondwaterpompen.
 Ik heb me door wat hekwerk gewrongen en sta nu aan de rand van een enorm gat, meer dan tien meter diep. Met behulp van een paar houten trappen daal ik af en sta vervolgens op de bodem.
Het ruikt er naar modder, bedompt grondwater en motorolie van de pompen en graafmachines.
De koppen van betonnen heipalen steken her en der uit de drassige bodem.
Binnenkort wordt hier de fundering gestort voor Metrostation Nieuwmarkt (uitgang Oude Hoogstraat en Snoekjessteeg).

Ik kijk omhoog langs de wand van de bouwput en zie de vroeg 17de eeuwse Zuiderkerk hoog boven me uitsteken. Als ik me omdraai naar de andere kant valt me iets vreemds op. Daar, in de aarden wand, zitten kris kras op verschillende hoogten telkens twee planken. Ik tel er op een bepaalde plek wel vijf paar boven elkaar. Als ik de onderste twee aan een nadere inspectie onderwerp wordt het me al snel duidelijk. Natuurlijk! Ik sta hier op de plaats waar lang geleden het Zuiderkerkhof lag.

Eeuwen lang is hier begraven. De boven en onderkant van de houten grafkisten zijn door de tijd en de druk van de grond op elkaar geperst. Tussen elke twee planken zitten botresten, met recht een dodelijke sandwich! Als ik verder kijk zie ik al gauw her en der menselijke botten liggen. Vlakbij steekt een stuk uit de wand.
Ik trek er voorzichtig aan. Het zit in de kleiige grond vast. Plots valt het hele stuk op de bodem. Tussen de brokstukken ligt een schedel. Hoeveel eeuwen zou die hier al liggen, denk ik. Het bot is vlekkerig zwart verkleurd. Het gebit is opmerkelijk gaaf, slechts één voortand ontbreekt. In een plastic zak neem ik de schedel mee.

Ik ben op de fiets en moet een flink eind trappen. Ik ben nu vlakbij huis en rij over de Boelelaan. Wat vermoeid richt ik mijn blik op de ronddraaiende trappers. In een flits schiet er wat onder mijn fiets door en trap ik op de rem. Als ik een paar meter verder tot stilstand kom, draai ik me om en kijk. Ik stap af en loop langzaam terug, mijn ogen gericht op het donkere asfalt. Dat kan toch niet waar zijn? Ik buk me om het op te rapen.

In mijn hand ligt een voortand!!!

Thuisgekomen pak ik de oude schedel. De voortand past precies in de open tandkas... Sprakeloos staar ik naar het grijnzende doodshoofd.

Van mij!

Als je - zoals ik - veel oude boeken antiquarisch koopt dan zitten daar ook exemplaren bij die de eigenaar heeft gemarkeerd hetzij door zijn naam erin te zetten, hetzij door een ex-libris of een supralibros (latijn voor ‘op boeken’) in de vorm van een wapenschild of monogram op de boekband. Dat heeft zijn charme en roept vragen op over de herkomst en zwerftocht van het boek door de eeuwen heen. Een mooi voorbeeld hiervan zit in mijn collectie.

Het gaat om een exemplaar van de bekende Latijnse kroniek van Johannes de Beka en Wilhemus Heda: ‘De episcopis Ultraiectinis, recogniti et notis historicis, recogniti et notis historicis illustrati ab Arn. Buchelio Batavo I.C. Accedunt Lamb. Hortensii Montfortii Secessionum Ultraiectinarum libri, et Siffridi Petri Frisii Appendix ad historiam Ultrajectinam’. Uitgegeven in Utrecht door Jan Everdsen van Doorn (en gedeeltelijk gedrukt door Aegidius Roman) in 1642-1643.

Het boek is prachtig gebonden in een blind gestempelde contemporaine perkamenten band met aan beide zijden een huismerk (een soort 4 op driepoot geflankeerd door de initialen C.E.) als supralibros. Op de binnenzijde van de band staat in 19de eeuws handschrift: ‘A. de Vries ex. bibliotheca Boschiana’. Daartegenover op het eerste schutblad zit een ex-libris van Mr. W.C. Baert de Waarde.

Het huismerk moet van de eerste koper zijn die het boek liet binden in perkament. Zijn (het was ongetwijfeld een man) huismerk werd door de binder verwerkt in de blindstempeling. De welgestelde eigenaar C.E moet iemand geweest zijn die vermoedelijk een bibliotheek had (het supralibros kwam in zwang tijdens de Renaissance toen ook grote bibliotheken ontstonden), geletterd was (Latijn!) en belangstelling had voor de middeleeuwse geschiedenis van het bisdom Utrecht.

Met behulp van de heraldische collecties van het Centraal Bureau voor de Genealogie moet ik nog eens proberen na te gaan wie hij was. Mocht ik de eigenaar identificeren dan is dat stof voor een volgende blog!

Van de 17de eeuw gaan we naar de 18de eeuw. Toen werd het boek deel van de bibliotheek van ene Bosch ('Boschiana’). Na enig gepuzzel kwam ik erachter dat het hier moest gaan om de beroemde letterkundige Jeronimo de Bosch (1740-1811). Hij werd 1ste klerk ter secretarie in Amsterdam na de dood van zijn voorganger, de bekende Amsterdamse historicus Jan Wagenaar. Jeronimo was 'gelijk elk weet, een rijk bezitter van eene overheerlijke en allerkeurigste boekverzamelinge, in welke niet alleenlijk voorhanden zijn zeer vele zeldzame boeken en kostbare afdruksels der oude Grieksche en Latijnsche schrijvers, maar ook eene meenigte van derzelver vroegste en eerste uitgaven, welke in de vijftiende en zestiende eeuwen te voorschijn kwamen'. (Uit: ‘Handelingen der jaarlijksche vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leyden, Gehouden den 3. van Hooimaand 1811’. Toespraak van de voorzitter J.W. Water).

Met zijn dood belanden we in de 19de eeuw. Zijn bibliotheek werd van 13 tot 23 april 1812 geveild in Amsterdam. In de bijzondere collecties van de Universiteit van Amsterdam vond ik de veilingcatalogus. Kavel 395 was mijn boek. Voor één gulden (jawel!) verkocht aan A. de Vries. Zeer waarschijnlijk gaat het om de doopsgezinde predikant, boekenverzamelaar en Coster deskundige dr. Abraham de Vries (1773-1862).

Het vroeg 20ste eeuwse ex-libris is van de, in Zwitserland overleden, jurist Wilhelm Cornelis Baert, heer van Waarde (1864-1951). Hij was een kleinzoon van Wilhelm Cecilius Baert (1806-1867) ambachtsheer van Waarde (thans een dorp in de Zeeuwse gemeente Reimerswaal) gehuwd met Cornelia Maria vrouwe van Waarde Burgerhoudt.
Onbekend is hoe en wanneer hij aan het boek kwam maar mogelijk kocht ook hij het op een boekenveiling.

Ergens rond 1980 werd het boek in Duitsland opnieuw geveild. De Nederlandse koper belandde enige tijd later voor zijn werk in Indonesië waar hij twintig jaar woonde. Na zijn pensionering keerde hij terug naar Nederland. In oktober 2008 - we zijn in de 21ste eeuw - verkocht hij het boek aan mij.

vrijdag 17 april 2009

Jeugdsentiment

Bijna elke boekenliefhebber heeft wel een stapeltje jeugdsentiment. Boeken die je als kind las en die een bijzondere indruk hebben gemaakt. Voor mij zijn dat allereerst de zes leesboekjes (4de druk 1968/1969) van M.B. Hoogeveen, Jan Ligthart en H. Scheepstra (Hoogeveens leesmethode). Hiermee heb ik leren lezen en schrijven. Deze lesmethode stamt uit 1910! (nee, zo oud ben ik nog niet). Welk schoolboekje gaat tegenwoordig nog zo lang mee? Uiteraard bezit ik ook het daarbij behorende ‘Aap, Noot, Mies…’ leesplankje met letterdoosje, waarvoor thans behoorlijke bedragen worden betaald.

Mijn liefde en latere studiekeuze voor geschiedenis is rechtstreeks terug te voeren naar ‘Wat het hunebed vertelde’, twee deeltjes geschreven door S. van der Werff en S.H. Woudsma en uitgegeven door J.B. Wolters in Groningen eind jaren ’50. In de vorm van een doorlopend verhaal met gefingeerde personen ‘wier handelingen in verband staan met historische gebeurtenissen’ werd het verhaal verteld van vijf vriendschapsringen die telkens werden doorgegeven aan een andere persoon en zo door de Nederlandse geschiedenis reisden. Het verhaal stond in mijn geheugen gegrift. Jarenlang heb ik naar deze boekjes gezocht. Uiteindelijk vond ik ze terug in een verlaten schoolgebouw waarvan de inventaris op de vuilnisman wachtte.

Mijn laatste portie jeugdsentiment kocht ik twee weken geleden.
Op 25 maart 2009 overleed Aernout Koffij (Martin Brozius), de poortwachter en sleutelmaker van Hamelen. Herinneringen aan Gruizelgruis, Bertram Bierenbroodspot, Lidwientje Walg en Hildebrand Brom borrelden op.


Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, meneer?’ (totaal 45 afleveringen tussen januari 1972 en mei 1976) heb ik met vele leeftijdgenootjes ademloos gevolgd.
De serie was mateloos populair maar in tegenstelling tot veel andere jeugdseries van toen (zoals de Fabeltjeskrant, Swiebertje of Pipo de Clown) is er maar weinig aan merchandising gedaan. Er verschenen twee rijk geïllustreerde fotoboeken. Deel 1 in 1975 met het verhaal van de eerste 21 afleveringen en deel 2 in 1976 met de afleveringen 22 t/m 39. Helaas en vreemd genoeg is de serie dus nooit compleet in boekvorm verschenen. Beiden boekjes worden op de bekende veilingsites nog regelmatig aangeboden.

Over populaire TV-series gesproken. Zouden er soms ook boekjes zijn van Catweazle en Q en Q?

woensdag 15 april 2009

Proost!

Als kind van een jaar of acht wilde ik later Indiaan worden (ik stond in die tijd zwaar onder invloed van mijn favoriete Winnetoufilms). Een paar jaar later - zo rond mijn tiende levensjaar - werd het archeoloog. Als jong jochie werd ik daardoor wel een Einzelgänger, want mijn leeftijdgenootjes speelden vaak voetbal terwijl ik op de lege dijklichamen zwierf (pijpenkoppen zoeken) waarop vele jaren later de Amsterdamse Ring (de A10 zuid) zou worden aangelegd.
Toen ik een aantal jaren ouder was heb ik een tijd lang intensief aan amateur-archeologie gedaan. Als schatgraver in Amsterdam beerputjes leegscheppen en later ook wel in georganiseerd verband met de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland (AWN).

Tot het vondstenrepertoire behoorde vaak gebroken gebruiksglas van met name 17de en 18de eeuwse flessen en glazen. Van dat broze groene glas dat door zijn lange ondergrondse verblijf en de inwerking van veenzuren (irisatie) zo prachtig alle kleuren van de regenboog vertoonde. Compleet vond ik nooit wat, alleen van de stevige delen zoals bij wijnflessen de ingestulpte onderkant, de zogenaamde ziel, waar de ponti had gezeten (een ijzeren staaf die de geblazen bol van de blaaspijp overneemt om de fles aan de bovenkant af te werken) of de hals met de gedraaide glasdraad ter versteviging bij het afsluiten door een kurk. Van de zeer breekbare drinkglazen vond ik vaak alleen de halzen van Roemers met de bekende braamnoppen nog min of meer compleet.

In 1978 werd de rivier de Amstel tussen Amsterdam en Ouderkerk a/d Amstel uitgebaggerd, de beschoeiing vernieuwd en een wandelpad aangelegd. Ook daar heb ik heel wat uurtjes in de bagger lopen zoeken en graven. De machinist van de baggerschuit zag ik regelmatig zijn baggermachine stilzetten om de grote bak aan een nadere inspectie te onderwerpen. Die vond natuurlijk ook van alles en vaak liet hij dat na afloop van de dag gewoon op de boot achter met als natuurlijk gevolg dat zijn vondsten de volgende dag weg waren...

Dankzij die grote bak bleef er toch ook wel het een en ander achter dat langs de kant werd gestort en zo vond ik daar (eindelijk) mijn eerste gave bolvormige 18de eeuwse fles (die nog steeds bij mijn moeder thuis staat). Van de kort daarop gevonden volgende twee exemplaren heb ik er één aan een antiquair verkocht en een ander gehouden.
Het vinden van een complete Roemer is altijd een illusie gebleken. Een aantal jaren terug kocht ik een fraai 18de eeuws exemplaar (via Marktplaats).
Zo af en toe drink ik er wijn uit... en denk aan mijn vroege archeologische expedities
Wel oppassen natuurlijk want gebroken exemplaren heb ik genoeg gezien.

Leporello's

Het woord is eigenlijk een naam en wel die van de knecht van Don Giovanni uit de gelijknamige 18de eeuwse opera van Wolfgang Amadeus Mozart.
Deze knecht Leporello pocht over de amoureuze prestaties van zijn baas Giovanni. Hij doet dat aan de hand van een namenlijst van zijn veroveringen. Die namen staan op een aantal kaartjes die met de onderkant en bovenkant aan elkaar vastzitten en als een soort harmonica zijn gevouwen. Vandaar dus...


Ik wil het hier hebben over oude fotoleporello's met op dik karton geplakte kabinetfoto's (ze werden thuis bewaard in het kabinet!). Kabinetfoto's werden pas in 1867 in Nederland geïntroduceerd (NB. de oudste Nederlandse foto is van 1839). In het laatste kwart van de 19de eeuw werden deze ‘Photographieën’ dermate goedkoop dat toeristen die Nederland aandeden dergelijke ansichtkaartboekjes massaal kochten. Ze werden niet kant en klaar verkocht maar bevatten de selectie die de koper zelf maakte.
Elke leporello is dus weer anders. Ik bezit er een aantal van met fraai versierde kaften en heerlijk gedateerde afbeeldingen van/uit het Nederlandse Fin de siècle (1890-1914).

Souvenir d’Amsterdam’ geeft al aan dat het hier gaat om foto’s van Amsterdam voor de Franse toerist. De foto’s (met Nederlandse onderschriften!) zijn van de bekende boekhandelaar en uitgever Andries Jager (1825-1905).
Deze leporello bevat 24 stadsgezichten waarvan één met ‘Het paleis van Z.M. de Koning’ (Koning Willem III, die in 1890 overleed) oftewel het stadhuis op de Dam.

De dochter van Koning Willem III werd acht jaar later in de hoofdstad ingehuldigd. Ter gelegenheid daarvan verscheen ‘Amsterdam september 1898’. Een leporello met 12 foto’s van Andries Jager die een beeld geven van de Amsterdamse stadsversieringen en inhuldiging (op 6 september) van de toen achttienjarige Koningin Wilhelmina.


Costumes de la Hollande’ is weer voor de Franse toeristenmarkt gemaakt (rond 1890) en gezien het stempeltje achterin verkocht bij de ‘Gebr. Douwes atelier, Warmoestraat 73, Amsterdam’. De koper schreef erbij: ‘souvenir de votre cousin Aug. Fuchs, Amsterdam 6/10 ‘97’. Deze leporello bevat 12 foto’s van klederdrachten die gedeeltelijk met de hand werden ingekleurd. Eén ervan toont ‘Sa Majesté la Reine des Pays-Bas’, de tienjarige Prinses Wilhelmina in Friese klederdracht.

Het is natuurlijk persoonlijk maar ik vind het niet makkelijk om fraaie en in goede staat verkerende leporello’s te vinden. Het waren echte verbruiksartikelen, gemaakt voor de toerist en al snel gedateerd. Van veel aangeboden exemplaren liggen de foto’s los of zijn er andere gebreken. Uiteraard is daarom de staat waarin een leporello verkeert bepalend voor de prijs.

Mijn onvergetelijke vriend Geoffrey Gill, 'den beroemden Engelschen detective'


Ik kwam als kind (met bus 8) veel bij mijn grootouders in de Watergraafsmeer.
Mijn grootvader las erg veel, onder andere detectives. Hij verzamelde een tijdje de Nederlandse uitgaven van Maigret, de politiecommissaris uit de detectiveromans van Georges Simenon. Begin jaren ’70 trof ik detectiveboekjes bij hem aan van Ivans, pseudoniem van Jakob van Schevichaven (1866-1935), met de avonturen van de Engelse detective Geoffrey Gill (G.G.) en zijn Nederlandse vriend Mr. Willem (Willy) Hendriks.

Totaal zouden er vijftien avonturen als pocket bij Bruna tussen 1973 en 1980 verschijnen. De originelen werden al voor de Tweede Wereldoorlog gepubliceerd en Ivans werd er beroemd mee. Ik heb ze alle vijftien verslonden en meer dan één keer gelezen. Na de dood van mijn grootvader in 1995 heb ik ze overgenomen. Toen ontstond ook de interesse in het verzamelen van de originele uitgaven. Dat verlangen werd aangewakkerd door de ontdekking dat er destijds veel meer avonturen (totaal 44) waren geschreven dan door Bruna waren uitgegeven.
Ik specialiseerde mij in het verzamelen van de lijvige Ivans-omnibussen die rond 1936/1937 verschenen, telkens met drie romans. Inmiddels bezit ik ze alle twaalf.

Wat maakt de gedateerde avonturen van Geoffrey Gill en mr. Willy Hendriks zo aantrekkelijk?
Welnu dat wordt goed verwoord in het boek van Kees de Leeuw ‘Een nuchtere romanticus. Leven en werk van Ivans. Jakob van Schevichaven 1866-1935’ (Soesterberg, 2004). Het is de couleur locale, de romantische verwikkelingen, de blik op een ‘verloren wereld’ (het authentieke tijdsbeeld van Nederland en Europa aan het begin van de 20ste eeuw), maar ook het milieu en de omgeving waarin het (spannende) verhaal zich afspeelt. Er wordt nog vaak met koets, boot en trein (en soms ook te paard en te voet) gereisd.


Wat ik persoonlijk erg aangenaam vind aan de originele uitgaven is de oude ‘Nederlandsche’ spelling en de inleiding door Mr. Willem Hendriks (de ik-figuur), die als biograaf van zijn vriend Geoffrey Gill diens interessante avonturen ‘experimenten’ aan ons verteld. Juist deze twee elementen waren er bij de bewerking van de Bruna heruitgaven door Edith Visser uitgehaald zodat de nieuwe lezers "geen hinder meer zullen ondervinden van enige wijdlopigheid of verouderd taalgebruik". Jammer.

Plotseling stond hij stil en keek strak in de greppel, die links van ons langs den weg liep. ‘Wat ligt daar in Godsnaam?’ zeide hij. Ik zag iets, dat er uit zag als een hoop hakhout, daar snel neêrgegooid, zonder iets van systematische regelmaat, die zoo kenmerkend is voor de exploitatie van deze uitgebreide bosschen. Naderbij tretend zag ik nog iets anders, dat G.G. reeds van uit de verte gezien had: een laars, die uit den hoop hout te voorschijn stak. In een oogwenk stonden wij in de greppel en de stukken hout vlogen rechts en links. Het is een van de meest afschuwelijke sensaties geweest, die ik ooit ondervonden heb, toen wij langzamerhand het lichaam van een mensch bevrijdden van onder den last van hout, die erop gerust had. Wij waren bij de voeten begonnen en het hoofd kwam het laatst voor den dag. Maar aan den klêeren hadden wij reeds lang vermoed, wat dat gelaat ons leeren zou”. (Uit: ‘De Man op den Achtergrond’, 1918)

Met zo’n boek in bed ben ik in één klap mr. Willy Hendriks en terug in de tijd!

dinsdag 14 april 2009

Graveur Jan Willem Caspari (1779-1822)

Als klein kind tekende ik graag (dinosaurussen, kastelen, stripfiguren enz.). Het is echter nooit een hobby geworden zoals bij mijn vader. Die heeft een tijd lang veel getekend maar ook gefotografeerd en geschilderd (vooral natuurtafereeltjes a la Rien Poortvliet).
Zijn teken-, schilder en fotowerk heeft op verschillende verkoopexposities gehangen. Waar komt dat talent vandaan, zo vroegen wij ons weleens af. Toen ik mij twintig jaar geleden ging verdiepen in de geschiedenis van onze familie werd die vraag voor mij beantwoord. Mijn overgrootmoeder Sophia Geertruda Caspari (1875-1966) bleek een kunstzinnige overgrootvader te hebben gehad (genealogisch mijn oud-grootvader) die van beroep graveur was.

Beroemd is hij niet geworden deze Jan Willem (Jean Guillaume) Caspari. Hij werd in Amsterdam gedoopt op 25 november 1779 en overleed daar, net geen 43 jaar oud, op 10 september 1822. Zijn broer Hendrik Willem (1770-1829) was eveneens kunstgraveur en werkte soms met hem samen. Hendrik Willem liet een vrij groot oeuvre na, Jan Willem iets minder. Beiden worden genoemd in het 'Biographisch woordenboek van Noord Nederlandsche Graveurs' (F.G. Waller, heruitgave 1974) en natuurlijk in 'Nederlandse Beeldende kunstenaars 1750-1950' van P.A. Scheen (1969).

Als bibliofiel (en genealoog) werd het mijn heilige plicht om (zoveel mogelijk) origineel graveerwerk van deze kunstzinnige voorvader in handen te krijgen. Dat bleek niet al te makkelijk, hij was immers niet beroemd en vrij jong gestorven. Eerst moest ik vaststellen wat er bekend was over zijn oeuvre. Met behulp van de 'Beschrijvende catalogus van 7000 portretten van Nederlanders en van buitenlanders, tot Nederland in betrekking staande' van de befaamde Frederik Muller (heruitgave 1972) en het aanvullende vervolg daarop door Van Someren ('Beschrijvende catalogus van gegraveerde portretten van Nederlanders'. 1888) kon ik vaststellen dat hij in ieder geval een kleine dertig portretten van tijdgenoten had gegraveerd, alsmede een prachtige zeldzame gravure van de 110 jarige Jacob Janse (1698-1808), naar een tekening van B.C. van Ranswijk, uitgegeven door H. van Aken te Zaandam.


De portretjes (stippelgravures) zijn destijds vaak gebruikt als illustratie in bijvoorbeeld de literair belangrijke 19de eeuwse Nederlandsche Muzenalmanak. Ik bezit er inmiddels drie. Het gaat om de afbeeldingen van de Nederlandse dichter E.A. Borger, Dominee J. Scharp en de Haagse predikant B. Verweij. Leuk is dat alle drie zijn gegraveerd ('sculp.') door J.W. Caspari naar schilderijen van zijn broer H.W. Caspari ('pinxit').

In 2007 vond ik wat bijzonders bij mijn lijfantiquariaat Van der Steur in Haarlem. Een boekje van Anna Maria Moens getiteld: 'Tafereelen van eene christelijke opvoeding, in briefwisseling tusschen moeder en dochter. Vertaald uit het Engels. Benevens brieven aan Emilia' (1822). Wat deze moralistische beschouwing in briefvorm, deels door Moens uit het Engels vertaald, deels door haar zelf geschreven, voor mij zo bijzonder maakt is dat de titelgravure alsmede de vier paginagrote illustraties zijn gegraveerd door Jan Willem Caspari. Geen portretjes ditmaal maar tafereeltjes. Dat kon ik voor zestig euro toch niet laten liggen.

donderdag 9 april 2009

Behalve die ene...


Een klein jaar geleden op een boekenmarktje in Bergen (Noord-Holland). Redelijk weer maar toch af en toe wat spetters en dus zeiltjes, plastic en paraplu's. Schuifelen maar. Kraampje in, kraampje uit. Een boekenmarkt (groot of klein) ga ik altijd een paar keer over.
Ik begin met een rondje snel 'scannen' d.w.z. welke kraampjes vallen direct af en welke moet ik zo meteen aan een inspectie onderwerpen. De afvallers zijn voor mij o.m. de kraampjes met moderne pockets, strips etc.
Bij de tweede ronde bezoek ik de interessante kraampjes,soms met vitrinekastjes,waarin het oude, zeldzame of kostbare werk staat te pronken. De derde ronde tot slot (en als er tijd over is) is de snuffelcategorie; de kraampjes met ongesorteerd goed, waartussen mogelijk interessant materiaal schuilt.

Eén van die ongesorteerde kraampjes trok mijn aandacht. Er lagen verspreid wat boekjes over en uit de Tweede Wereldoorlog voor € 1,- euro per stuk en daartussen de tweede (geïllustreerde) druk van "Ook Gij behoort bij ons. Nederlanders bij het NSKK"
(Nationaalsozialistisch Kraftfahrkorps) geschreven door Alex Dekker (2007). Het was zelfs één van de 50 door hem gesigneerde exemplaren (nr. 28).
Een gesigneerd exemplaar probeerde ik al een tijdje te krijgen.
Ik bladerde wat door het boekje en trof voorin een papiertje aan met de cryptische mededeling "Pas op. Dit is die ene...!"

Aan één van de twee mannen die achter het kraampje stonden vroeg ik langs mijn neus weg wat het boekje moest kosten ("ook 1,- euro?", probeerde ik nog, tegen beter weten in...).
De man keek me aan, zei niets maar wees met zijn grote duim naar het achterzeil van de kraam waarop een groot vel papier hing, dat ik toen pas zag. Met grote letters stond daar: 'Alle boeken één euro, behalve die ene...'
"En dat'', zei hij, en hij wees naar het boek in mijn handen, "is die ene. Kost je 28,- euro!"
Lachen..... "Zitten in al je boeken soms dergelijke blaadjes?", vroeg ik nog.
De andere verkoper was er bij komen staan en zei: "Het is mijn laatste gesigneerde exemplaar. Ik ben Alex Dekker".

Strontfolklore


Ik had eerst als titel: 'Scatologie' staan, maar strontfolklore klinkt een stuk vrolijker en bovendien weet iedereen dan meteen waarover dit stukje zal gaan (toch?).

Voor alle duidelijkheid; ook ik trek het liefst zo snel mogelijk door...Mijn belangstelling voor poepen, piesen, winden etc. beperkt zich tot de papieren weerslag ervan, niet op het WC-papier, maar in de vorm van de boeken die erover geschreven zijn.
En dat alles heb ik te danken aan mijn leermeester op dit gebied: Gerrit Komrij. Ere-Voorzitter van het Genootschap 'De Bataafsche Krijgstrompet', Buitenlid van de Orde van de Bruine Boon, Schrijver van 'De Idylle van de Achterpoort', Emeritus Dichter des Vaderlands, enz. enz'. Zijn magnum opus is natuurlijk 'Komrij's Kakafonie oftewel Encyclopedie van de Stront' (2006). Als rechtgeaard bibliofiel beschik ik over een heel bijzonder exemplaar van dit werk. Het is namelijk één van de 12 Romeins genummerde exemplaren, luxueus gebonden (in poepbruin leer) door Pau Groenendijk/Mooie boeken, Amsterdam, naar een ontwerp van Piet Schreuders. Mijn exemplaar draagt het Romeinse nummer IV en werd door Gerrit Komrij toepasselijk gesigneerd op een blaadje Lotus Professional WC-papier.
Zo'n boek moet je koesteren... Een enkele keer lees ik er wat uit en dan natuurlijk bij voorkeur op het toilet (ik ben een echte bed en toiletlezer).

De Kakafonie werd in 2006 bij de De Slegte gepresenteerd tegelijk met de start van de tentoonstelling van enkele Scatologische boeken uit de collectie van Gerrit Komrij (van 23 maart - 22 april in Antwerpen en van 28 april - 26 mei in Amsterdam). Er verscheen ook een kleine catalogus (die nog steeds verkrijgbaar is bij De Slegte in Antwerpen) met een toelichting op de tentoongestelde 44 bibliofiele nummers.
Helaas heb ik de tentoonstelling toen gemist, maar de catalogus doet mij watertanden. Vrijwel allemaal moeilijk verkrijgbare, soms zeer zeldzame en vaak ook kostbare boeken en boekjes.

In mijn boekencollecties zitten er maar een paar. 'Banaal Alfabet' (1996) van Komrij en geillustreerd door Joseph Kerff is er één van. Een exemplaar met opdracht: 'Voor Ewoud Sanders, met groet!'.
NB. Ewoud Sanders (1958) is Nederlands historicus, journalist en lexicograaf (is/was), een vaste medewerker van het NRC Handelsblad, de Staatscourant en het tijdschrift Onze Taal. Onder de letter D en E lezen we:

'Zijn Dichtwerk Drukt de Drekpoëet
Direct in Dundruk uit zijn reet.

Eet hardgekookte Eieren
En Extra zult u beieren'.

Dat brengt me meteen naar een ander boekje van Komrij dat ik bezit (ook gesigneerd) en wel 'De Drekpoeëeten' (2002). Het is een kleine bloemlezing uit het werk van 'Salomon van Rusting, Jan Goeree, Hermanus van den Burg en consorten'. Leuk! en dat voor slechts 16,- euri (inclusief verzendkosten) bij De Slegte in Antwerpen en naar ik meen nog steeds daar verkrijgbaar.

Niet van Komrij en wat moeilijker verkrijgbaar zijn de oudere Scatologische uitgave in mijn collectie. Daar is allereerst wat Komrij noemt als de bijbel van het Genootschap van Coprofagen, waarvan hij de eer heeft lid te zijn 'en wel het Non Olet van de Keulse sigarenhandelaar Feinhals, die dit boek over de orbis cacatus schreef onder de naam Collofino, de verlatijnsing van zijn naam, en het zéér privé uitgaf in 1939. Het werk is uitermate zeldzaam en telt 1103 (elfhonderddrie) bladzijden, waaronder duizenden literatuuropgaven. In de vorm van vrolijke tafelgesprekken, waarop ons genootschap zich steeds weer inspireert, komt de hele beestenbende ter sprake, je kunt het zo gek niet bedenken'.
De volledige titel luidt: 'Non Olet oder die heiteren Tischgespräche des Collofino über den Orbis Cacatus nebst den neuesten erkenntnistheoretischen Betrachtungen über das Leben in seiner phantastischen Wirklichkeit erzählt von ihm selbst'. Het tweede blad verduidelijkt: 'Orbis Cacatus das ist Umständlicher Bericht über die Beschissene Welt mit schönen Kupfern geziert, für den Gebrauch in Familien hergerichtet, aus heiteren Tischgesprächen mit Fleiss gesammelt und erstmals in solchem Umfang ans Licht gestellt von Collofino Mitglied der Neuen Fruchtbringenden Gesellschaft'.


Inderdaad een dikke pil maar niet zo zeldzaam als Komrij ons wil laten geloven. Hier en daar worden nog exemplaren aangeboden (vooral in het buitenland maar ook één bij De Slegte in Amsterdam).
Een ander oud Duits boekje in mijn collectie is 'Ka-Pi-Fu und andere verschämte Dinge. Ein fröhlich Buch fur stille Orte' (van Franz-Maria Feldhaus, 1921). Ka-Pi Fu staat voor Kakken, Pissen, Furzen (winden). Behalve over van alles en nog wat (anekdotisch dan wel wetenschappelijk) over de stoelgang gaat dit boek ook in op het fenomeen kuisheidsgordels. Echte toiletliteratuur zoals de titel benadrukt. Het boekje komt overigens niet voor in de eerdergenoemde catalogus van Komrij, wel in diens Kakafonie.

Tot slot mijn 'Bibliotheca Scatologica ou Catalogue raisonné des livres traitant des vertus, faits et gestes de tres noble et tres ingeniéux Messire Luc (a rebours seigneur de la chaise et autre lieux (etc.)'. Helaas niet het origineel, want onbetaalbaar, maar de fotomechanische herdruk ervan (zie afbeelding) door het Zentralantiquariat der Deutschen Demokratischen Republik, Leipzig (1972). Een bibliografie van 262 titels over dit onderwerp. Het merendeel geschreven in het Latijn en Frans.

Werd er dan helemaal niets over in het Nederlands geschreven? Jawel maar niet erg veel. Bekend is 'Lof der Stront' een anoniem scatologisch gedicht van 300 strofen van 8 regels, geschreven in 1829-1830 en in 1882 in beperkte oplage gepubliceerd in Zuid-Afrika. Het werd in 1998 door Gerrit Komrij teruggevonden in de bibliotheek van Kaapstad (en opnieuw uitgegeven door de Carbolineum Pers in 2000).
Uit de middeleeuwen kennen we een half bewaard blad met een gedicht dat de titel draagt ‘Dit es van den scijtstoel’. Voor zover leesbaar gaat het hoofdzakelijk om de vraag waarmee men zoal zijn gat kan afvegen (met hooi, een sneeuwvlok, een mosselschelp, etc.).

Ik sluit af met de mooi uitgegeven anale rijmen in 'Stronte-gedans' uitgegeven te Lulbroekerstront (1994) door drs. Dirk Rol, waarvan het eerste couplet luidt:

'Eens waarender vier strontjes
Die maakten eenen dans:
De eerst woog zeven-pontjes,
En hieten daarom Hans.
Wel, was dat niet een groote stront!
Nu vat het endetje in u mont
En dat al in de Maye,
Van hompelde-pomp, de keutel is rond.
Kust ghy me de poort, ik kus u de mond,
Soo kussen wy allebeye'.

Perkamentus antiquarius

Moet je eerste blog niet een beetje over jezelf gaan, zo vroeg ik mij vannacht af? Wat voor liefhebber is Perkamentus eigenlijk?
Welnu wie P.J. Buijnsters: "Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat" bezit moet even op pagina 22 lezen wat hij schrijft over 'de liefhebbers van oudheden' oftewel de antiquariï. Daarin herken ik mij volkomen.


Ik ben van kinds af aan verzamelaar geweest. Ik heb het ook allemaal wel korte of lange tijd gehad; speldjes, sleutelhangers, schelpen, fossielen en mineralen, munten, stickers, verzamelplaatjes, postzegels en eerste dag enveloppen, sigarenbandjes, dierenschedeltjes (!), pijpenkoppen, oude munitie en ga zo maar door. Pas in de tijd dat ik Geschiedenis studeerde kwam de liefde voor het oude boek opzetten. Voor het snuffelen in archieven en bibliotheken. Kortom voor 'papieren' schatten.

Als ik kijk wat ik nu aan deelverzamelingen bezit dan zijn dat: een verzameling 12de/13de eeuws proto-steengoed uit Brunnsum/Schinveld, een kleine verzameling (meest 19de eeuwse) zilveren gebruiksvoorwerpen, een verzameling archiefstukken (17de t/m 20ste eeuw), een verzameling lakenloodjes (17de en 18de eeuw), een verzameling topografische prenten en kaarten (meest 17de en 18de eeuw), een grote genealogische collectie betreffende mijn familie (30 ordners en 4 dozen met materiaal), een incomplete collectie Nederlandse munten vanaf 1948 (die ik van mijn grootvader erfde), een aantal losse historische objecten en een flinke collectie boeken, waaronder mijn 'perkamenten bandjes'.

Nog steeds schiet ik af en toe uit en koop iets dat niet van papier is, dat geen connectie heeft met boeken (maar wel met geschiedenis!) en dat een bijzondere aantrekkingskracht op mij heeft. Een goed voorbeeld daarvan is een dubbel profaan (tinnen) Middeleeuws draaginsigne van rond 1400. Wie meer wil weten over deze insignes (waaronder ook talloze pelgrimsinsignes) moet eens kijken op Kunera

Toen ik in 2006 deze bodemvondst (volgens de verkoper gevonden in Delft) voor een luttel bedrag kocht dacht ik wel te weten wat het voorstelde. Een gekroonde papegaai aan twee hand- of kruisbogen met een hangoog (ter bevestiging op kleding of hoed). Dat moest natuurlijk een insigne zijn van het schuttersgilde.
De Middeleeuwse schutterij (hand-, voetboog of kloveniersschutters) organiseerde jaarlijks het papegaaischieten. Er werd dan door de leden geschoten op een houten vogel hoog in een mast. Wie het laatste stukje van de vogel eraf schoot werd een jaar lang Koning en mocht het Koningszilver dragen (waarvan een zilveren vogel/papegaai vaak onderdeel was). Met deze wetenschap meldde ik mijn insigne dus in Nijmegen bij Kunera aan.
Ik kreeg al gauw bericht dat het (helaas) niet ging om wat ik dacht. Inderdaad het was een gekroonde vogel aan ketting, mogelijk een papegaai en ook het draagoog was onmiskenbaar. Maar het waren geen hand- of kruisbogen die daartussen zaten maar een Middeleeuwse handhaspel!

Net gesponnen vochtig garen krult op en trekt samen. Om dat te voorkomen werd de wol met de hand op dergelijke haspels gewikkeld die uit twee haaks op elkaar staande armen bestonden. Oké, een haspel dus. Maar wat is in hemelsnaam de betekenis van deze combinatie dan? Wat wilde iemand die dit insigne droeg daarmee zeggen? Het garen spinnen en verwerken was toen zo typisch vrouwelijk en het vogelschieten zo typisch mannelijk.
Welke symboliek gaat er schuil achter twee zo verschillende objecten? Overigens vond ik in Kunera, tussen de meer dan 15.000 geregistreerde insignes, geen andere dubbel insigne zoals dat van mij.
Een mysterie dus, maar wel één dat mij als antiquarius ontzettend boeit.

woensdag 8 april 2009

Marktplaats


Soms raak ik geïrriteerd, vaak wind ik mij op. Soms ook moet ik gewoon lachen. Ik heb het over het fenomeen Marktplaats en mijn bibliofiele zoektocht op deze en meer van dergelijke veilingsites.
De vele verkopers die het zoveelste 'zeldzame' boekje aanbieden (wat het niet is), die een 'uniek' boekje voor veel geld aanbieden waaraan slecht een enkele bladzijde ontbreekt.
De verkopers die een beschrijving van de site van een antiquariaat overnemen en bij hun aanbieding plakken, want het is toch hetzelfde boekje (?). De talloze particulieren die denken dat ze dezelfde vraagprijs kunnen vragen als bij een gerenommeerd antiquariaat, want die vraagt dat toch ook (?).

En aan de andere kant zijn er de kopers, De stakkers die denken dat ze voor de prijs van een krentenbol een 'Rembrandt' kunnen kopen. Het houd niet op en er is dus kennelijk (Markt)plaats voor. Een enkele keer ben ik ook zo'n stakker en trap ik erin. Gelukkig steeds minder (u weet wel: een ezel stoot...). Ik wil het er maar liever niet over hebben. Gelukkig maken de succesjes de miskopen goed.
Zo kocht ik in 2006 'Het grachtenboek. Amsterdamse grachten in beeld gebracht'
(P. Spies e.a. 1991/1992) twee delen in cassette voor slechts 30,- euro!
Dat scheelde een dikke 300,- euro met het exemplaar dat in de etalage stond van antiquariaat A. (Ton) Kok in Amsterdam. De dame van wie ik het kocht wist dus niet wat ze verkocht. Daar zit vaak het probleem. Velen verdiepen zich niet in wat ze verkopen en kopen. Dat gebrek aan kennis maakt het (financiële)voordeel uit van de verkoper of koper.

Ook via Marktplaats gekocht (voor 300,- euro) is mijn 'Groot A/B/C/Boek' uitgegeven vlak na 1800 door David le Jolle in Amsterdam (zie onderstaande afbeelding). Een fraaie aanschaf en niet duur want dergelijke gebruiksboekjes zijn zeldzaam en moeten thans al gauw een veelvoud opbrengen. Zo werd eenzelfde exemplaar ooit aangeboden door antiquariaat Forum in 't Goy/Houten voor een dikke 1.000,- euro meer (maar die staat dan ook niet bekend als de goedkoopste!). Een bijzonder boekje dat helaas net buiten de periode valt van het standaardwerk hierover van P.J. Buijnsters en L. Buijnsters-Smet: 'Bibliografie van Nederlandse school- en kinderboeken 1700-1800' (Zwolle, 1996).


Niet dat ik ABC-boekjes specifiek verzamel maar onlangs kocht ik op Marktplaats voor 20,- euro het 'ABC voor Politiek Analphabeten met 28 rijmprentjes van Daan Duuk' (wie is Daan Duuk?), uitgegeven door NENASU (de uitgeverij van de NSB) rond 1938. Destijds te koop voor 25 cent! Volgens de verkoper 'gruwelijk' zeldzaam en inderdaad... zeer zeldzaam.
Ik vond alleen een exemplaar in de collectie Landwehr-Vogels (in de Koninklijke Bibliotheek) en, na lang gezoek, een exemplaar dat in Amerika te koop werd aangeboden voor 255 US-dollar! Een 'Rembrandt' voor de prijs van een krentenbol. Het kan nog steeds, maar pas op... ze worden steeds zeldzamer.