Posts tonen met het label Pamfletten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Pamfletten. Alle posts tonen

vrijdag 14 augustus 2026

Stapels en dozen, de Deventer boekenmarkt 2026


Mijn eerste aanwinst op de 36ste Deventer boekenmarkt kocht ik al rond negen uur 's morgens. Uit een doos met vooral Deventer overheidspublicaties uit de 18de en 19de eeuw trok ik: "Postwagen tusschen Amsterdam en Deventer, vice versa" (Amsterdam, z.j. [1820]). Een ordonnantie en reglement met goedkeuring van Koning Willem I voor een postkoets-verbinding tussen beide steden, onderhouden door de Amsterdamse stalhouder Lucas van Koppen en zijn Deventer collega Gerrit Jan van Koningsveld. Terwijl ik de brochure doorbladerde stond mijn eigen koets inmiddels al een half uur (gratis) geparkeerd op de Beestenmarkt. Destijds - zo las ik - kostte de reis heen en terug zestien gulden en verliep de route van Amsterdam via Muiden, Naarden, Emmenes (Eemnes), Soestdijk, Amersfoort, Voorthuizen en Apeldoorn naar Deventer. Tien tot twaalf uur was je onderweg, tot een maximum van vijftien uur anders kreeg de vervoerder een boete! Of en hoelang de onderneming heeft gefloreerd is mij niet geheel duidelijk. Gerrit Jan overleed in 1837 en zijn compagnon volgde hem vijf jaar later, in 1842. 


Een beetje onverwachts liep ik dit jaar, net als in 2024 en 2025, toch weer over de Deventer boekenmarkt. Het zou warm en druk worden en dus was ik zomers gekleed. Slenterend in mijn korte broek (en met petje op) liep ik uiteindelijk bijna acht uur langs de eindeloze rijen met boekenkramen. Dat de dag zou eindigen aan een cafétafeltje, met een tas vol kleine en curieuze publicaties geplukt uit stapels en dozen, kon ik nog niet bevroeden. 


Ook dit jaar waren weer tal van bekende antiquariaten aanwezig. Goltzius uit Lisse en Klikspaan uit Leiden ontbraken echter, maar die zie al regelmatig de rest van het jaar. Nieuw voor mij was de kraam van het Haagse antiquariaat Colette & Co., waar ik de enige twee moderne boeken van die dag kocht. Uiteraard hun eigen boek geschreven door
J. Daggers & M. Versteegh: "Hier wil ik wonen. Het vrolijk bestaan tussen boekenbergen" (Den Haag, 2025) en ook - voor luttele euro's - Henri Havard's: "Pittoreske reis langs de dode steden van de Zuiderzee" (Amsterdam, 2012). Een vertaling door Lex Wapenaar van de bekende Franse uitgave uit 1874. Gekocht omdat ik de eerste druk in zijn originele uitgeversband vorig jaar september aan mijn bibliotheek kon toevoegen (zie mijn aanwinstenlijstje van die maand, nr. 7).


Inmiddels was ik ook al de eerste bekenden tegengekomen, Gouwenaar Paul Abels natuurlijk met zijn vrouw Christa die ik ditmaal nadrukkelijk heb begroet! David Coppoolse uit Amersfoort (die ik anders vrijwel nooit zie en nu in Dordrecht en Deventer) en later op de IJsselkade Leids boekhistoricus en boekenjutter Garrelt Verhoeven. Ongetwijfeld zullen er meer bekenden hebben gelopen en ongetwijfeld zal ik door anderen zijn gespot maar mijn neus zit op zo'n markt in de boeken en aandacht voor mijn omgeving is er dan vrijwel niet.


Het grootste gedeelte van de buit die dag lag verstopt in stapels en dozen bij verschillende kramen langs de IJsselkade.
Het begon met twee bibliofiele moderniteiten (margedrukwerk). De eerste kreeg ik geheel gratis en voor niets van Peter IJsenbrant, die samen met zijn echtgenote en kompaan Martin Hulsenboom de bemanning vormde van de kraam van de Stichting Desiderata (nr. 363). Het gaat om een gedicht van Pieter Boddaert jr. (1766-1805), alias 'vieze Pieter', getiteld: "De houten beenen", opnieuw gezet en gedrukt door de Desideratum-Pers uit Tilburg in een oplage van 57 met de hand genummerde exemplaren, met fraaie linosnede van Ivo van Leuven. Ik ontving nr. 9, gedrukt op mijn naam!


De tweede kostte me serieus geld, maar dat had ik er graag voor over. Dertig euro betaalde ik voor de feestrede van Piet Verkruijsse (1943-2012) getiteld: "Bibliograafwerk in de marge". Een toespraak die hij hield bij de opening van de tentoonstelling "Pastei en Hoerenjong" in de Zeeuwse bibliotheek te Middelburg (6 oktober 1995). Een 'Bibliofiele uitgave, voer voor bibliografen' uitgegeven door de 'Eikeldoorpers' (Doortje de Vries) te Apeldoorn. Oplage 55 exemplaren: gevouwen, gestoken, beplakt met gelukspapier, voorzien van een druksel, genummerd (ik kocht nr. 6) en gesigneerd! Erg fraai uitgevoerd margedrukwerk van een pers die ik dankzij mijn overleden boekenvriend Jos Swiers (1943-2022) leerde kennen en waarover ik eerder schreef (hier).
 

Daarna zouden er alleen nog maar curiositeiten en rariteiten volgen. Op de eerste doos die ik tegenkwam stond met viltstift geschreven 'één voor drie en vier voor tien euro'. Na een half uurtje graaien tussen de brochures en pamfletten, wikken en wegen (waarbij ik ondertussen - zonder dat ik het merkte - werd gefilmd!), had ik er vier in mijn hand en rekende af. In mijn maandoverzicht van augustus 2026 kunt u ze allemaal terugvinden dus ik beperk mij hier tot twee items. Als eerste de enige buitenlandse uitgave van de vier, gebonden in een eenvoudig kartonnen bordeauxrood bandje.


Dankzij verificatie middels mijn mobieltje kwam ik erachter het een publicatie is toegeschreven aan F.M. Mayeur de Saint-Paul. De titel luidt: "Le banquier Peixotte et la dervieux. Histoire peu morale, extraite du parc aux cerfs (avec figure fac-similée sur celle de 1790. Afgeplakt met een strookje papier!) Suivi de L'Autrichienne en goguette ou l'orgie royale, opera proverbe" (z.p. [Brussel?], z.j. [1867?]). Het gaat om een anoniem verschenen negentiende eeuwse herdruk (waarvan nog één ander exemplaar bekend is in de British Library) van twee revolutionaire satirische en pornografische teksten uit 1790. De eerste gaat over het roemruchte 'parc aux cerfs', het hertenpark waar de Franse Koning Lodewijk XV een bordeel had met 'hertjes' c.q. zijn geheime minnaressen. Bij de originele 18de eeuwse uitgave hoort een erotisch getinte gravure, maar die ontbreekt vaak in de nog bekende exemplaren. Omdat in de titel van mijn herdruk juist dat afgeplakte zinnetje naar deze afbeelding verwijst vermoed ik dat deze geen deel heeft uitmaakt van de herdruk! 


De tweede vondst is een: "Catalogus Bibliotheek voor de leerlingen der Hervormde Kweekschool te Amsterdam 1938" (Amsterdam, 1938). Het boekje werd gekaft en op voorzijde staat 'H.C. ten Have'. Dit blijkt een studente te zijn die hier in 1940 haar onderwijsakte behaalde. Deze Hervormde kweekschool (voorloper van de Pedagogische Academie) zat destijds aan de Plantage Middenlaan te Amsterdam in het pand waarin thans het Nationaal Holocaustmuseum (Amsterdam) is gehuisvest. De catalogus (vermoedelijk gedrukt in een kleine oplage) is onvindbaar, zelfs WorldCat., online bibliotheken en antiquariaten zwijgen in alle talen. Mogelijk herbergt het schoolarchief nog een exemplaar, maar dit unieke boekje biedt nu al een fascinerend inkijkje in de voorhanden zijnde leeskost voor de toenmalige kweekschoolstudenten oftewel onderwijzers en onderwijzeressen in spé. Die was overigens naar tegenwoordige maatstaven niet alleen bescheiden, maar ook weinig professioneel. De volgende rubrieken (met tussen haakjes het aantal boeken) waren aanwezig: Romans en verhalen, zowel Nederlands als vertaald (362), Poëzie (59), Frans (27), Duits (45), Engels (35), Geschiedenis (35), Letterkunde (27), Aardrijkskunde (12) en Natuurkunde (22). Totaal een kleine 600 boeken, waarvan ruim de helft bestond uit Romans en verhalen.


Bij een handelaar waar ik ook de voorgaande jaren leuke dingen kocht vond ik ditmaal drie interessante items. Ten eerste de promotie-uitgave geschreven door de arts C.A. Bergsma (1798–1859): "Beschrijving van de inrigting en de wijze van soepbereiding ten behoeve der minvermogenden te Utrecht" (Utrecht, 1840). Een exemplaar met een extra papieren omslagje waarop gedeeltelijk handgeschreven (tussen haakjes) staat: "Aan (den WelEd. Gestr. Heer Mr. Van Beest van Voorst,) van de commissie tot spijsuitdeeling".
Cornelis Wernard van Voorst van Beest (1810-1879) was advocaat in Utrecht en medeoprichter van de Rotterdamsche Lloyd. Bergsma beschrijft in zijn brochure de bereidingswijze van (Rumpfordsche) soep (en met welke ingrediënten) in een 'papiniaansche' pot (voorloper van de snelkookpan). In 1847 verscheen een herziene brochure want inmiddels kookte men het voedsel voor de armen met het veel efficiëntere toestel van d'Arcet.


Een andere uitgave die ik meenam is: "Reglementen van de twéé hofjes van Staats en Noblet" (Haarlem, 1780). In bruinpapieren omslag (20 blz.), met een los modern informatiefoldertje (over de stichtingsgeschiedenis van beide hofjes). In het imposante toegangsgebouw van het Hofje van Staats (gebouwd in 1730-1733), aan de Haarlemse Jansweg 39, was ooit antiquaar C.P.J. van der Peet (1908-1983) gevestigd. De meeste boekenliefhebbers - die ook wel eens een veiling hebben bezocht - zullen het kennen uit de tijd dat veilinghuis Bubb Kuyper er zat (tussen 1986 en 2012). Volgens de STCN liggen er van dit reglement alleen nog enkele exemplaren in Haarlemse archieven en bibliotheken.


De derde en laatste is: "Ieder zijn eigen drukker. Perfect typen" (z.p., z.j.[ca. 1900]). Catalogus (67 blz.) van zak-drukkerij 'Gloria', kleine 'drukkerijen' voor klein drukwerk.
Deze 'drukkerij', waarvoor aan het begin van de twintigste eeuw veelvuldig werd geadverteerd, bestond uit een doosje met een letterhouder (stempel), een set caoutchouc (rubber) letters, die in de letterhouder konden worden geschoven (m.b.v. een meegeleverd tangetje) en een stempelkussen. Je kon er eenvoudig drukwerk mee maken, zoals visitekaartjes, advertentieteksten en mededelingen. De catalogus bevat diverse illustraties van de daarvoor benodigde artikelen alsmede een zeer uitgebreid overzicht van de leverbare lettertypen (waaronder 'perfect'). Een tweede exemplaar van deze fraaie uitgave heb ik nergens antiquarisch noch in bibliotheken of archieven kunnen vinden. 


Tot slot toon ik u nog één van de twee religieuze rariteiten die ik kocht. 
Het is een vroeg zeventiende eeuws pamfletje getiteld: "Sekere articulen de welcke in de vreese des Heeren overdacht moeten werden, van alle ghereformeerde christenen, die meynen dat het gheoorloft zy inde kercken der Papisten tot voldoeninghe harer Placaten den hoet af te doen" (Amsterdam, 1610). Ruim vierhonderd jaar oud, met een groot en fraai drukkersvignet van Dirk Troost, die op het Rokin woonde, hartje Amsterdam.

Een wonderlijk onderwerp, nietwaar? Als ik tegenwoordig een kerk binnenstap om het interieur te bewonderen, gaat mijn eventuele hoofdbedekking automatisch af. Gewoon uit fatsoen, want religieus ben ik niet. Maar in 1610 lag dat blijkbaar gevoelig en trok de schrijver maar liefst dertig artikelen uit de kast om zijn gereformeerde achterban ervan te overtuigen dat dat in een Katholieke kerk absoluut niet kon! Mocht de goede man mijn nuchtere commentaar kunnen lezen, dan zou hij me waarschijnlijk direct naar de hel wensen onder verwijzing naar artikel eenentwintig: "Seggen zy dat het een cleyne en geringe sake is / iae een beuseling den hoet af te doen: ick segge dat het een sware / groote / schrickelycke zonde is / als voor gewesen is.".


Pas rond een uur of vijf 's middags komen mijn inmiddels 'houten benen' tot rust aan een cafétafeltje. Het urenlange gesjouw in de hitte maakt dorstig en met een lekker koel Weizen-biertje bij de hand heb ik mooi even de tijd om rustig mijn zeventien nieuwe aanwinsten te inspecteren. Op het tafeltje (rechts) ziet u overigens ook nog een vooroorlogs drukkerscliché liggen dat ik bij Colette & Co. zag en meenam voor een tientje. Het is een wonderlijk toeval dat ik ook op de Deventer boekenmarkt - net als op de Dordtse boekenmarkt - oud drukkersmateriaal tegenkom. Het cliché toont de kaart van Nederland en in het kadertje rechtsonder staat: "Nederlandsche reservaten" (daaronder: "Bezittingen van het Rijk", "Bezittingen v.d. Vereen. tot behoud van natuurmonum.", "Beschermt door Vereen. tot bescherming van vogels" en "Andere vereen. of particulier.").
Een relict - lijkt mij - uit de pionierstijd van de Nederlandse natuurbescherming, maar uit welk boek? Ik heb (nog) geen idee en er valt thuis nog zo veel uit te zoeken...

vrijdag 28 november 2025

Satirische begrafenisbriefjes uit de Patriottentijd


Ik was op weg naar de Summerschool in het Allard Pierson Museum en passeerde antiquariaat Brinkman op het Singel waar Frank zojuist de stoep had geschrobd. Volgens mijn horloge had ik nog voldoende tijd en daarom besloot ik om even binnen te wippen voor een praatje en te kijken of er nieuwe aanwinsten op de planken stonden. In de kleine wandvitrine met glazen schuifdeurtjes ontwaarde ik een fraai geperst zwartlinnen bandje waarvan de platten met sierkaders in goud waren bedrukt en het boekblok aan alle zijden was verguld. Een presentexemplaar?

Het bleek te gaan om twee ingezonden antwoorden op een prijsvraag die werd uitgeschreven door de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels ('de vereniging met de lange naam'), naar aanleiding van haar vijfentwintigjarig bestaan.
De eerste geschreven door de Haagse uitgever Koenraad Fuhri (1814-1858): "Adres aan de boekverkoopers in Nederland" en de tweede door zijn Amsterdamse collega Johan Hendrik Gebhard (1809-1884): "Beschouwing van de vraag der Vereeniging 'Bestaat er verval of kwijning in den Boekhandel?'" (Amsterdam, 1846). Fuhri won en Gebhard kreeg een eervolle vermelding, maar dit terzijde.

Ik bladerde en las wat en ontdekte aan het einde van de bijdrage van Fuhri een ongewone bijlage (G) bestaande uit facsimile's van twee achttiende eeuwse satirische pamfletten.
De ene getiteld: "Lees-Cedul om in staatsie en goede ordre te volgen het Lyk van Wylen den door Schrik Versturven Heere [...] De Ouderwetse Nederlandsche Patriot" (z.p., z.j. [1781]) en de ander in de vorm van een eenzijdig bedrukt oblong begrafenisbriefje: "In 's Gravenhage, Anno 1781. Tegens Maandag, den 31sten December, werdt UE: ter begravinge verzogt, met het zoo ongelukkig door de Schrik van een Advertentie van den 17den Dito, gesneuvelde lyk van De Ouderwetsche Nederlandsche Patriot, [...]" (z.p., z.j. [1781]).


Die heb ik ook! - dacht ik - en tegelijkertijd vroeg ik mij af wat ze in dit boekje deden...
Om maar met het laatste te beginnen. Fuhri beschrijft op bladzijde 12, 41 en 42 de prullen die in het vorige tijdvak (de 18de eeuw) verschenen en hoe hij daarvan eens zestig pakketten tegenkwam. "Eene baal niet te tillen", van geschiedkundige, staatkundige, godsdienstige stukken, paskwil- en twistgeschriften uit de periode 1778-1793 afkomstig uit de nagelaten bibliotheek van de jurist Daniël François (1781-1840), die op 21 september 1840 in Den Haag werd verkocht bij Thierry en Mensing.
"Gij klaagt over blaauwboekjes en twistgeschrijf, waardoor gij uwe handel vaak onteert ziet; maar het tijdperk, uit hetwelk 'onze voornaamste firma's ontsproten', was daarin zoo rijk, dat gij, als ge toen geleefd hadt, niet zoudt gezegd hebben, dat de Boekhandel verviel, maar dat die ten grave gedaald was. Ik heb het u reeds gezegd; ik zag eens zestig pakken daarvan bijéén, als het resultaat van vijftien jaren (*); ik zag ze zoo vuilaardig, persoonlijk en gemeen, dat onze minste stalletjes-man er zich nu voor schamen zou". En in een noot (*) daaronder: "Maar de boekhandel van het hier behandelde tijdvak geneerde zich toen vrij algemeen met de uitgave van zulke hatelijke en zoutelooze libellen, als waarvan ik er u hier een doe kennen. Hartstogt gaf ze in de pen, winzucht deed de uitgaaf ondernemen, en het kan niet missen, of onder zulk eene gesteldheid van zaken moest de solide Boekhandel wel treuren". De facsimile's dienden dus als voorbeelden van afkeurenswaardig drukwerk dat in grote hoeveelheden in de 18de eeuw (maar ook daarvoor al) was verschenen.

Ik pakte mijn telefoon erbij om het facsimile van het begrafenisbriefje te vergelijken met mijn exemplaar. Onder de aanwinsten van januari 2023 vond ik die terug. Nu werd meteen duidelijk dat ze inhoudelijk verschillend waren. Plots herinnerde ik mij dat ik mijn aanwinst op de dag dat ik het op de Spui boekenmarkt had gekocht aan Joanna (Frank's compagnon) had laten zien. Ik vertelde Frank dat we hadden gelachen om de pamflettist die over een onuitputtelijke hoeveelheid scheldnamen en beledigingen bleek te beschikken. En passant had Joanna toen opgemerkt dat zij toevallig ook zo'n quasi begrafenisbriefje te koop hadden!
Frank, die had geluisterd, ging meteen op zoek in zijn database. Inderdaad... en niet veel later stond ik met hun exemplaar in mijn handen en konden we constateren dat die in ieder geval wel identiek was aan het facsimile. Ik besloot om beide (boekje en begrafenisbriefje) te kopen om er eens nader onderzoek naar te doen.


Begrafenisbriefjes werden in de achttiende eeuw direct na een overlijden door aansprekers rondgebracht bij familie en vrienden aan de hand van 'leesceelen'. Dat zijn rollen, soms wel enkele meters lang, met de namen van allen die voor de begrafenis werden uitgenodigd.
In de 17de, 18de en 19de eeuw moeten er vele honderdduizenden begrafenisbriefjes zijn gedrukt. Zoveel dat in Amsterdam de stedelijke overheid verordonneerde dat voor elke honderd er één gulden aan het aalmoezeniersweeshuis moest worden betaald met een minimum van drie gulden. Bovendien werd in 1676 bepaald dat het formaat van het begrafenisbriefje niet groter mocht zijn dan een 'quarto ordinaris schrijfpapier' (oblong, ca. 25 cm breed en 20 cm hoog).
Ze kenden een redelijk gelijkvormige inhoud. De kop vermeldde plaats, datum en jaar. Vervolgens in groot kapitaal de naam van de overledene al dan niet met zijn beroep, soms bijnaam en eventuele kwalificaties. Tot slot het adres (sterfhuis) waar men zich verzamelde voor de uitvaart en naar welk kerkhof het lichaam werd gedragen. Een enkele keer veroorloofd men zich bij dergelijk drukwerk frivoliteiten zoals een bericht op rijm.
Satirische begrafenisbriefje in de achttiende eeuw verschenen vooral tussen 1780 en 1790 toen de politieke spanning tussen Prinsgezinden en Patriotten toenam. Ze imiteren met hun vormgeving de werkelijkheid en ook de inhoudelijke opmaak sluit nauw aan bij de gebruikelijke/normale begrafenisbriefjes. Anders dan de laatste werden ze natuurlijk niet gratis verspreid, maar verkocht. Eveneens afwijkend is het feit dat ze niet alleen melding maken van de dood van personen (die soms nog niet eens overleden waren!), maar ook van 'overleden' voorwerpen c.q. kranten!

Gedurende deze periode verscheen overigens veel meer satirisch efemeer drukwerk rondom al dan niet overleden politieke tegenstanders, zowel visueel (spotprenten) als verbaal (denk aan gefingeerde testamenten, spotliedjes en kluchtspelen zoals de 'schertsbegrafenis').
Ik laat deze hier verder buiten beschouwing met uitzondering van de vaak bij het begrafenisbriefje apart verschenen opsomming/beschrijving van alle deelnemers aan de begrafenisstoet (veelal 'lees-cedul' genoemd). Daarmee kon de satire en hoon worden doorgetrokken naar andere politieke tegenstanders die in relatie stonden met de overledene.


Dat begrafenisbriefje en cedul vergelijkbaar zijn blijkt uit het feit dat beide soms hetzelfde 'echtheidsteken' droegen (zoals een gefingeerd heraldisch wapen). Dit is bijvoorbeeld het geval bij nummer 1 (2) en 3 in de onderstaande lijst. Ook komt het voor dat op het cedul wordt verwezen naar het begrafenisbriefje (zoals bij nr. 4 in de lijst, hieronder afgebeeld).


Dergelijke beschrijvingen van de begrafenisstoet waren destijds zeker niet algemeen gebruikelijk. Ze verschenen vrijwel uitsluitend na het overlijden van hooggeplaatste personen soms zelfs als boek, uitbundig geïllustreerd en met uitvoerige beschrijvingen van de uitvaartstoet. Een mooi voorbeeld hiervan is de uitgave die verscheen na het overlijden van Willem IV van Oranje-Nassau (1711-1751): "Lyk-staetsie van zyne doorluchtigste hoogheid den heere Willem Carel Hendrik Friso, prince van Orange en Nassau" ('s Gravenhage, 1755).

Aan de hand van gegevens uit de STCN, de pamflettencatalogi van W.P Knuttel en L.D. Petit alsmede enkele andere online bronnen kon ik het volgende overzicht maken van satirische begrafenisbriefjes verschenen tussen 1781 en 1787 (plus eventueel 'cedul'). 
Compleet zal dit overzicht vermoedelijk niet zijn. Daarbij moet worden opgemerkt dat dergelijk efemeer drukwerk niet alleen grotendeels is verdwenen maar zich bovendien ook vaak bevindt in (familie)archieven die nog niet zijn ontsloten zoals (bijzondere) bibliotheekcollecties door de STCN. Antiquarisch worden ze maar zeer zelden aangeboden. Toevallig kon ik - terwijl ik dit blog schreef - nummer 3 (met cedul) bemachtigen bij antiquariaat Goltzius in Lisse.

1. De Ouderwetse Nederlandsche Patriot (1781). Knuttel nr.19891. Cedul 19892. De begrafenisstoet telt 14 deelnemers. De Encyclopedie Nederlandstalige Tijdschriften geeft uitgebreide informatie over deze krant.


2. De Ouderwetse Nederlandsche Patriot (1782). Knuttel nr. 20267. Cedul 20268. Anders dan bij nr. 1 gaat het hier feitelijk om een uitnodiging voor de uitvaart-diensten!


3. Johan Barueth (1708-1782). Vurig Orangistisch predikant. Knuttel nr. 20244. Cedul 20245. Zijn begrafenisstoet telt 22 deelnemers.


4. De 's Gravenhaagsche alias Hof Courant (1783). Knuttel nr. 20438. Cedul 20439. Uitvoerige informatie over deze krant wordt gegeven door mr. W.P. Sautijn Kluit in: "Mededeelingen gedaan in de vergaderingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1874-1875". De begrafenisstoet telt 65 deelnemers. Nummer 55 is "W. v. Bilderdijk, J.U. candid te Leyden".

5. Pierre Frederik Gosse(n) (1751-1826). Knuttel nr. 20440. Cedul 20441. Haags courantier. Hij was uitgever-distributeur van de nrs 1 t/m 17 van De Ouderwetse Nederlandsche Patriot (zie nr. 1 en 2). De daaropvolgende nummers 18 t/m 27 verschenen bij de Rotterdammers Charles Richard Hake & Lambert Bennet. Op het begrafenisbriefje nr. 2 worden de laatsten genoemd onder hun verbasterde namen 'Haalna' en 'Goednet'. Bij Gosse verscheen eveneens de 's Gravenhaagsche alias Hof Courant (nr. 4).

6. Hendrik Kannegieter Jansz. (1722-1783). Knuttel nr. 20540. Cedul 20541. Orangist en oud-doelist (1748). Overigens verscheen van zijn politieke medestander Christiaan Teepken (17..-1748) al veel eerder een dergelijk begrafenisbriefje (Knuttel 18077.a.) evenals van Daniël Raap (1703-1754), Knuttel nr. 18422 en 18423. De tekst van het briefje van Teepken is later opgenomen in de serie: "Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen" (Emden, 1748-1754, deel II, blz. 237). Twee satirische begrafenisbriefjes van Raap zijn hierin als facsimile opgenomen (deel VI).


7. De Diemer of Watergraafsmeersche Courant (1783). Niet in Knuttel. Cedul (Amsterdam, 1783) in Petit nr. 7194. Voor informatie zie de Encyclopedie Nederlandstalige tijdschriften.

8. Nikolaas Francois Hoefnagel (1735-1784). Patriotische querulant en pamflettist. Niet in Knuttel. Exemplaar uit 1784 in Utrechts archief (signatuur: PK: VII D I nr. 22).

9. Ludwig Ernst van Braunschweig-Wolfenbüttel (1718-1788). Militair in stadhouderlijke dienst, besturend voogd van Willem V tot 1766. Knuttel nr. 20787. Cedul 20788.
De begrafenisstoet telt 12 nummers.

10. Kees Salm (Frederik III van Salm-Kyrburg 1745-1794). Militair in stadhouderlijke dienst, bevelvoerend verdediger van Utrecht. Knuttel nr. 21634. Cedul 21634 (zie voetnoot). De begrafenisstoet telt 32 nummers. Gedrukt naar aanleiding van zijn smadelijke vlucht op 15/16 september 1787 uit Utrecht bij het naderen van de Pruisische troepen.


Opmerkelijk is dat de helft van bovenstaande lijst (nrs. 1 t/m 5) wordt toegeschreven aan de politieke pamflettist Nikolaas Francois Hoefnagel (1735-1784) over wie de Nederlandse literatuurhistoricus Andre Hanou (1941-2011) veel heeft geschreven. Hoefnagel is daarmee de onbetwiste specialist in dit genre. Hij kreeg na zijn dood - heel toepasselijk - een koekje van eigen deeg.

vrijdag 3 oktober 2025

'Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen'


Onlangs kon ik via Marktplaats voordelig een zeer curieuze uitgave bemachtigen. Het gaat om de serie: "Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen" (Embden [Amsterdam], 1748-1754).
Ik ben deze titel in de loop der jaren regelmatig tegengekomen op beurzen, markten en veilingen, vaak een los deeltje of meerdere, maar zelden compleet. Telkens als ik er dan in bladerde verwonderde ik mij over deze vreemde uitgave, zijn merkwaardige samenstelling, inhoud en illustraties.
Het "Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen" past in het rijtje: "Nederduitsche en Latynsche keurdichten" (Rotterdam, 1710) en het meer bekende "Groote tafereel der dwaasheid" (Amsterdam, 1720). Het zijn compilaties van (al dan niet eerder verschenen los efemeer) drukwerk, die hun ontstaan danken aan maatschappelijke onrust of economische en/of politieke instabiliteit. De teksten in het praaltoneel zijn ongepolijst en direct. Ze vertegenwoordigen de mening van het gepeupel. Straattaal en vloekwoorden zijn eerder regel dan uitzondering. Juist dat maakt de inhoud zo interessant en bijzonder tegelijk.

We weten dat het praaltoneel niet in het Duitse Embden werd "gedrukt voor de liefhebbers" maar in Amsterdam bij Gerardus van Hattum (die ook uitgaf onder het pseudoniem J. de Vries, Deventer). Van Hattum was als boekdrukker/-handelaar slechts enkele jaren actief en in zekere zin is het praaltoneel - zeker qua omvang - zijn opus magnum. In de Short-Title Catalogue Netherlands (STCN) worden slechts 25 uitgaven (meest anoniem verschenen) aan hem toegeschreven. Het ligt voor de hand dat het fictieve impressum van het praaltoneel te maken heeft met de inhoud van deze serie; een compilatie van honderden - op enkele na - anoniem verschenen anti-orangistische teksten. Vele daarvan waren al eerder afzonderlijk verschenen als paskwil (schotschrift of smaadschrift) en sommige waren zelfs verboden en vernietigd!
De uitgever zelf was ook niet van onbesproken gedrag en een kleurrijke figuur; "Van Hattum was een geval apart. Die behoorde tot de clientèle van de in 1748 in ongenade gevallen familie Six. In de jaren vijftig (van de 18de eeuw) waren bij hem tal van geschriften verschenen waarin zowel de hervormde kerk als de doelisten het hadden moeten ontgelden. Inmiddels was zijn rol uitgespeeld, want als homoseksuele en dus chantabele kroongetuige had Van Hattum zijn voornaamste tekstschrijver, de politieke pamflettist Jacob Baroen, achter de tralies geholpen. Een nauwgezette reconstructie van Van Hattums betrekkingen met de overheid en haar vertegenwoordigers zou licht kunnen werpen op heel wat zaken die tot nog toe verborgen zijn gebleven. Helaas wilde men dat nu juist voorkomen. [-] Van Hattum is als het ware in het niets verdwenen, alsof hij behoedzaam uit het zicht is geloodst" (Ton Jongenelen in: "De waarneming als constructie. Sodomie en rechtsvervolging in Amsterdam in de achttiende eeuw" in: "Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman", jaargang 21 (1998)).

Volgens de bekende 19de eeuwse antiquaar Frederik Muller (1817-1881) was bovengenoemde Baroen de grote man geweest achter het praaltoneel. "Het zeer bekende Praaltooneel van Neerl. Wonderen, 7 dl., dat in de jaren 1748 tot 53 dikwijls zal vermeld worden, is volgens een oude bij mij berustende Confessie in HS (handschrift), geschreven of verzameld en uitgegeven door zekeren Jac. Baroen te Amst., die in 1757 ook heeft geschreven en in het geheim bij F. Houttuyn en K.v. Tongerloo (2 Doopsgezinde boekverkoopers) heeft uitgegeven: 'De Deïst vermeerderd' wat toen ter tijd scherpelijk vervolgd is" (in: "Nederlandse Historieplaten", Amsterdam 1876/1877, deel II, blz. 172, nr. 3948).


Het praaltoneel verscheen in een maatschappelijk onrustige periode waarin de spanningen tussen Prinsgezinden en Patriotten toenamen. Dit leidde tot landelijke onlusten zoals in Amsterdam waar in 1748 de pachtersoproer uitbrak en de Doelistenbeweging zich politiek roerde.
De eerste vier delen van het praaltoneel zagen het licht in dat 'wonderjaar', vervolgens verscheen deel V in 1753 en deel VI in 1754.
Deze zes delen bevatten allemaal een Franse titelpagina, een verklaring van de allegorische titelprent, de allegorische titelprent zelf en de typografische titelpagina in zwart en rood. Van deel I bestaat een variant met een andere titelpagina uitgegeven in 1748, evenals van deel II (1749) en deel III (1751). Deel IV werd heruitgegeven in 1754. Na afronding van deel VI verschenen nog een prent en twee publicaties. De prent draagt de titel "Vergadering der Patriotten op de groote burgerzaal in de Cloveniers doelen te Amsteld. in Aug. Ao 1748" en moest worden geplaatst in deel II (NB. deze afbeelding komt voor in meerdere contemporaine publicaties!). 


De twee stukjes moesten worden gebonden achter deel VI. Beide vormen ze het 'zevende deel', dat geen aparte titelpagina heeft (allegorisch noch typografisch) zoals de voorgaande zes delen. Het gaat om: "Het gedrag der stadhoudersgezinden, verdedigt door Mr. A.v.K. rechtsgeleerde" en "Het stadhouderschap wettiger gehandhaafd en de Doelistery-gezinden kragtiger verdedigd als door Mr. A.v.K.", inclusief het verbod op deze twee publicaties uit 1754.
In de pamflettencatalogus van W.P.C. Knuttel worden ze beide genoemd onder nr. 18414 en 18415. Bij het eerste nummer schreef Knuttel: "Door mr. Elie Luzac. Met het volgende werd het den 15 mei te Amsterdam vóór het stadhuis publiek verbrand. Een premie van F. 3000 werd uitgeloofd voor den ontdekker van den schrijver, drukker of verspreider der beide paskwillen. In Amsterdam schreef men beide pamfletten aan de Doelisten toe. Het werd in 1783 herdrukt".
Deze serie bevat overigens veel meer verboden publicaties, zoals in deel II (blz. 153): "De weergalooze Amsterdamsche Kiekkas..." (Knuttel nr. 18033) en in deel IV (blz. 153) het beruchte: "Kort en beknopt Hollands Vraagboekje ten dienste van allen, die hun geluk zoeken te bevorderen, door ware Doelistery waardoor de Staat ontroerd en de Prins misleid word" (destijds ook wel de catechismus der Doelisten genoemd).

Bij diverse paskwillen is de tekst voorzien van voetnoten waarin gebruikte pseudoniemen en spraakmakende kwesties nader worden verklaard. Op die manier werden specifiek lokale schandaaltjes en rellen ook voor lezers elders begrijpelijk.
In de zes delen worden talrijke politieke tegenstanders gefileerd, met name de Amsterdamse Oranjegezinde porseleinverkoper Daniel Raap (1703-1754). Zozeer zelfs dat Knuttel in zijn pamflettencatalogus kon schrijven: "De meeste der hier volgende gedichten over Raap en zijn begrafenis zijn opgenomen in Dl. VI van het 'Dichtkundig Praal-tooneel van Neerlands wonderen'" (bij nr. 18421).


Daarnaast zijn - als politieke rode draad - een aantal officiële publicaties van overheidswege opgenomen. 
- In deel I (blz. 219) de 'Propositie' van Willem IV, een voorstel voor belastinghervormingen (d.d. 25 juni 1748).
- In deel II (blz. 184) het: "Billyk verzoek der Amsteldamsche Burgery, aan zyne Doorlugtige Hoogheid op nieuw voor te stellen", (blz. 187) plus enkele vervolgstukken en (blz. 213) de: "Sententie tegens Harmen Coops Fledderus binnen Steenwyk" (d.d. 24 april 1749) alsmede enkele vervolgstukken.
- Deel III (blz. 71) de: "Sententie by den Ed. Hove Provinciaal van Utrecht, den 8 Augustus 1748. gepronuncieerd en geëxecuteerd jegens Willem Cornelisz. van Claveren, alias Dikke Willem, en Marrigje Willems, alias Lange Marie" (d.d.10 augustus 1748) en (blz. 78): "Request van de Gedeputeerden van Haarlem, die op de Gevangen Poort in 's Hage zyn in Verschering genomen" (d.d.2 januari 1750).
- Deel IV (blz.32) de publicatie van de Staten van Holland over het afleggen van de eed door wijnkopers plus enkele vervolgstukken (blz. 67 en 68). Vervolgens (blz. 129) een publicatie van de stad Rotterdam naar aanleiding van de plundering van het huis van de wijnkoper Gerrit Hagedoorn (d.d. 18 augustus 1751). Tot slot (blz. 159) een publicatie van de stad Amsterdam tegen lasterlijke paskwillen met name het godslasterlijke paskwil verschenen onder de titel: "Kort en beknopt Hollands Vraag-boekje" (niet gedateerd, maar van 8 september1751).
- Deel VI (blz. 295) een publicatie van de stad Amsterdam tegen paskwillen (d.d. 28 januari 1754), een Placaat van de Staten van Holland en West-Friesland tegen paskwillen (d.d. 7 maart 1754) en tot slot een Placaat van de stad Amsterdam tegen de eerdergenoemde twee publicaties die samen het 'zevende deel' vormen van het praaltoneel (d.d. 14 mei 1754).

De allerlaatste pagina van de serie is een "Berigt aan de liefhebbers", over de eerdergenoemde nagekomen prent en twee stukjes plus (verso) een lijst van illustraties voor de boekbinder. Enkele illustraties komen voor in zowel de pamflettencatalogus van Knuttel (met het begeleidend paskwil) als in Frederik Muller's "Nederlandse historie platen".
De meeste zijn uitvouwbaar en doen wonderlijk primitief aan. Ze zijn geen van alle gesigneerd. Frederik Muller spreekt over slechte kopieën en dat klopt.
Neem bijvoorbeeld de prent voorin deel IV: "Ter nagedachtenisse van de inhuldiging zijner doorl. Hoogheid Willem Karel Henrik Friso als Marquis van Vere en Vlissingen". Het origineel linksonder is gesigneerd onder de prent ("S. Fokke inv. et fec. 1751." en "F. Houttuyn excudit."). De - overigens redelijk geslaagde - kopie rechtsonder niet.


Het praaltoneel is al met al een rommelige uitgave, gedrukt op matig papier. De titelpagina van deel IV bijvoorbeeld is gedateerd 1748 maar de opgenomen teksten lopen door tot ver in 1753! De bladwijzers achterin rammelen; ze zijn onvolledig of geven een weinig informatieve omschrijving/titel. Zo kan het gebeuren dat je bij het collationeren verschillende verrassingen tegenkomt. Bijvoorbeeld in deel VI (blz. 42) waar een grafschrift staat voor Daniel Raap in de vorm van een acrostichon dat niet in de bladwijzer wordt vermeld. Een ander voorbeeld is een prent ("Raap uyt gely door een Predikant na de Galg met eenig ander bywerk") plus de voorafgaande uitleg, die kennelijk later is toegevoegd (Deel IV tussen bladzijde 160 en 161). Dat is niet alleen zichtbaar aan de verspringende paginanummering maar ook aan de custode ('OP') rechtsonder op de laatste bladzijde van het voorafgaande (verboden) "Kort en beknopt Hollands Vraagboekje...".


Weer een andere verrassing schuilde achter het: "Smeek-schrift aan 't Groot en Magtig Amsterdam". Er staat niet bij van wie, maar het bleek te gaan om een gedicht (uit 1753) waarin het dorp Amstelveen zicht richt tot zijn grote buurman de stad Amsterdam.
De volledige titel luidt: "Smeekschrift aan het groot en magtig Amsteldam opgedragen door het klein en nedrig Amstelveen" (Deel V, blz. 232). Hierin vraagt het dorp ootmoedig om bestrating van een belangrijke verkeersader, de Amstelveenseweg tussen het dorp en de stad Amsterdam. Omdat dit gedicht in de lokale geschiedenis van mijn woonplaats totaal onbekend is geef ik het hier volledig weer.


Het direct daaropvolgend keer-dicht "Nihil of nul op 't request van het klein en nedrig Amstelveen gegeeven als uit naam van het magtig Amsteldam" (blz. 236) maakt korte metten met dit verzoek.
Wat denkt dat armzalige Amstelveen wel? Wat kost dat wel niet? Bovendien is het alleen maar om de Fransche Schouwburg aan de Overtoom (afgebrand in 1754), die ten nadele is van de Stadsschouwburg op het Leidseplein, beter bereikbaar te maken. "De Fransche Dichtkonst, of de Schouburg op de Overtoom, welke door onze Eygen Inboorlingen wordt ten toppunt gevoerdt, waar door de Amsterdamsche Schouburg een inmportant verlies komt te leyden, en weeuw en wees 'er de smerte komt van te gevoele" (voetnoot blz. 244). Destijds ging een gedeelte van de inkomsten van de schouwburg naar de stadswezen en weduwen. De bestrating van de Amstelveenseweg kon wel wachten en pas in 1810 wordt gesproken over de 'nieuwe straatweg' tot aan het dorp Amstelveen.


Tot slot bevat deel VI van het praaltoneel twee bijzondere paskwillen in de vorm van satirische begrafenisbriefjes. Bijzonder omdat ze door hun oblong vorm en inhoudelijke opbouw echte begrafenisbriefjes imiteren. Vooral in de periode 1780-1790 is dergelijk drukwerk verschenen. Enkele zitten ook in mijn collectie en zullen ter sprake komen in mijn volgende blog: "Satirische begrafenisbriefjes uit de Patriottentijd".

vrijdag 7 maart 2025

De piratenactie op het Haarlemmermeer in 1782


Bij Eric Klee (antiquariaat De Uilenspiegel) lag in zijn kraam een opengeslagen boekje met een curieuze titelpagina. Het bleek te gaan om een convoluut met twee bijzondere uitgaven. Ten eerste: "Het Haarlemmer Meer in rouw, Over het vlugten van het nieuw-modisch kaaper jagt De Blixem, Gevoerdt door capitein Livinus Vinkenstyn..." (z.p., z.j. [1782]). Knuttel pamflet 20321, in één band met: "Vervolg en slot op het kamerspel, het Haarlemmer meer in rouw of de overhaaste vlugt van het nieuw modisch kaapersjagt de snelle Blixem, Gevoerdt door capitein Livinus Vinkenstyn...", gevolgd door: "Het boek der losbollen, of de daaden der binnenlandsche kapers" (z.p. Fictief: "Gedrukt in de Oude Weetering, by de Geele Wildeman", z.j. [1782]) Knuttel pamflet 20322. De verschijning van beide pamfletten werd aangekondigd in oktober en november 1782 in twee kranten: de "Leydse courant" en de "Diemer- of Watergraafs-meersche courant" en was "alom te koop".


De 'kapers' - die zich door hun goede naam, maatschappelijke status en familiekapitaal ontastbaar waanden voor de gevolgen van hun actie waren: 'Livinus Vinkenstyn' alias Lieve Geelvink (1757-1783), 'Peters-zoon'/'Resretep' alias Jan Baron de Petersen (1745-1786), 'Wildzang'/'Van Welderen' alias George Hendrik de Wilde (1738-1817) en 'Losbollius' alias Pieter Muilman (1750-1819).
Een bizar maar smakelijk verhaal waarover ik verder niet hoef uit te wijden want het is al lang geleden uitvoerig beschreven. In 1988 door de bekende Haarlemse antiquaar Ab van der Steur (1938-2012) voor het bibliofiel en grafisch genootschap "Het beschreven blad" ("Een kaping op het Haarlemmermeer in 1782"), in 2012 door Hans Krol op zijn weblog "Librariana" ("Een kaping o.l.v. Lieven Geelvink van Bosbeek op het Haarlemmermeer") en later in 2021 nogmaals door Koen Kleijn voor: "Ons Amsterdam" ("Een kaping op het Haarlemmermeer in 1782"). Even lezen dus!

Thuisgekomen met mijn nieuwe aanwinst kostte het mij niet al te veel moeite om erachter te komen dat Eric deze uitgave verwierf via het Haarlemse veilinghuis Bubb Kuyper waar hij kennelijk veilingrestanten van de afgelopen november-veiling (81) had opgekocht.
Het boekje is in de catalogus te vinden onder nummer 1190 en de kavelomschrijving merkt op dat het afkomstig is uit de collectie van mr. A.M. (Ton) van den Broek (1932-1995). Beide pamfletten werden (door hem?) gebonden in een modern halfleren bandje met gemarmerde platten.
Op de binnenzijde van het voorplat zit een handgeschreven notitie van Ton geplakt die eindigt met de opmerking: "ex: antiquariaat C.P.J. van der Peet. Hofje van Staats - Haarlem 1968". Overigens dacht Ton dat de pamfletten uit 1800 waren, maar dat is niet juist.
Die verkeerde datering is afkomstig van C. Ekema: "Catalogus van Boeken, Pamfletten enz. over de Geschiedenis van Haarlem, en van het huis van Brederode..." (Haarlem, 1874, blz. 136, nummer 704).

Omdat de destijds spraakmakende gebeurtenissen al verschillende keren zijn beschreven had ik niet direct het voornemen om er verder een blogstukje aan te wagen. Maar na het lezen van de artikelen en nader bestuderen van de diverse bronnen zag ik voldoende aanleiding om twee nog onbesproken punten voor het voetlicht te brengen.


Ten eerste lijkt het erop dat wij niet alle publicaties die verschenen naar aanleiding van dit achttiende eeuwse schandaal ook kennen.
Slaan we de befaamde pamflettencatalogus van Knuttel erop na dan vinden we in het vijfde deel (1776-1795) op blz. 165 alle thans bekende pamfletjes terug (nrs. 20320 t/m 20325). Zes in totaal, feitelijk vijf want nummer 20323 "Het boek der Losbollen" is een aparte uitgave (in ander lettertype, zonder colofon) van de tekst in pamflet 20322. De opmerking van Krol op "Librariana": "Ten slotte wordt ook in de volgende Knuttel-pamfletten van de kaping op het Haarlemmermeer melding gemaakt: nummers 20611, 20626 en 20627 (2de druk van 20626)" is onjuist. Geen van deze pamfletten (uit 1783) heeft betrekking op de Haarlemmermeerse kaping of bevat daarover informatie (zoals u zelf via de hyperlinks kunt nalezen/constateren!).


Wij weten echter dankzij het "Vervolg en slot op het kamerspel..." (Knuttel pamflet 20322) dat het er zeven moeten zijn geweest. Op bladzijde 7/8 van het derde toneel kunnen we lezen hoe onze vier hooggeboren 'kapers' zich blijkbaar toch zorgen maken over eventuele repercussies in welke vorm dan ook. In spanning wachten ze nader bericht uit de stad af.
Al gauw komt 'Vinkenstyn' met slecht nieuws...

"Vinkenstyn. 
Hier ben ik weerom. Zie daar myn waarde Vrinden!
Zeeven Papieren, daar wy klaar in zyn te vinden:
My toegezonden uit de Stad door zekere Vrind.
Die weet hoe al het nieuws door my nog word bemind.

Peters-zoon.
Dit loopt dan anders af als wy deez ogtend dachten,
Toen wy nog al te zaam, niet zonder grond verwachten,
Dat ons geen Hekel-Pen zou treffen in deez' tyd.

Losbollius.
Dat spyt my duivels!

Wildzang.
En ik ben zeer verblyd
Dat al die Schryvertjes ons, (zulke brave Heeren,)
Met hun attentie nog gelieve te vereeren.
Ik zeg hun nedrig dank voor hunnen moeite, en
Ik zweer dat ik volmaakt hun gisping waardig ben.
Maar laat ons stuk voor stuk eens van naby bekijken,
Om ook op onze beurt een vonnisje te stryken.

Vinkenstyn.
Zie hier de taal dan eerst (kwanswys) van het gemeen (Knuttel pamflet 20325).

Losbollius tegen Wildzang.
Wat zegt gy van dit Vaers?

Wildzang.
Het bruit al zo wat heen,
De dichter is niet veel veleert van 't Vaerzen maken.
Waaragtig hy spreekt veel van onverstaanbre zaken.

Vinkenstyn.
Zie hier een tweede; hier spreekt ons de stroom God aan (Knuttel pamflet 20324).

Peters-zoon
Het scheind geen kwade toon die deez' Poeët kan slaan.
Wat zegt gy Wildzang?

Wildzang.
Ja, die Vent is meer bedreeven,
Om aan de gansche zaak, een beeter kleur te geeven.

Vinkesteyn.
Zie hier een derde, die op ons toepasselijk is.

Losbollius.
Een Noot'ficatie, O die is geheel niet mis (Knuttel pamflet 20320).

Vinkenstyn.
Zie hier een vierde dan, om ons te Corrigeeren (Onbekend pamflet, Knuttel pamflet 20322?).

Peters-zoon.
Die Publicatie kan men bij ons wel ontbeeren.

Vinkenstyn.
Nu deeze vyfde dan, wat zegt gy van die trek?

Wildzang.
Aankondiging, die schrijver is geen groote gek.
Is dat nu een manier van Satyriek te schryven?
Kom, kom de vodden buurt. Maar waar zal 't zesde blyven (Onbekend pamflet).

Vinkenstyn.
Hier is het ook myn Heer!

Peters-zoon.
Dit schiend wel bybeltaal
In drie Capittelen (Knuttel pamflet 20323).

Wildzang.
Kom gekheid al te maal,
Die schryver liegt te grof; en 't geen hyna wil maken,
Verstaat hy net zo min, als de echtheid onzer zaken.
Maar nu het zevende, wat droes verteld ons dat?

Vinkenstyn.
Zie daar; dit Kamerspel, als ik het wel bevat
Is 't best der vorige papieren (Knuttel pamflet 20321).

Wildzang.
't is met reden.
Hier ziet men onz' geval meer uitgebreid ontleden.
En ons, maar ook met ons, nog anderen berispt,
En sterk, maar kundig ook, en vry poliet gegispt.
Dat kan een vrolyk mensch waaragtig schier niet wraken,
Dat eens een Schryver dus die zaak Publiek wil maken".

De identificatie van nummer vier als mogelijk Knuttel pamflet 20322 is op basis van het feit dat hierin enkele voetnoten (waaronder een correctie) voorkomen gemaakt door de schrijver. Maar logisch lijkt mij dit niet, al was het maar gezien de volgorde waarin de pamfletten besproken worden. Ergo, mogelijk twee maar in ieder geval één pamflet (in de vorm van een satirische 'aankondiging') over dit voorval heeft waarschijnlijk de tand des tijds niet doorstaan en is onbekend gebleven.


Ten tweede valt er iets te zeggen over het illustratiemateriaal.
Zoals u kunt lezen maakt Knuttel bij "Het Haarlemmer Meer in rouw..." (nr. 20321) de opmerking: "Bij dit ex. is gevoegd de prent: "Bloedig Gevegt Tusschen Twee Amsterdamse Kapers En een Vriesse Turfschuijt Op de Haarlemmer Meer October 1782" (NB. In: "Het Boek der Losbollen..." begint vers 1 met: "Ende het geschieden in de agtste Maand...").
Deze los uitgegeven niet gesigneerde prent - die naar believen kon worden toegevoegd aan het pamflet - vinden we terug in Frederik Muller's: "Nederlandsche Historieplaten" onder nummer 4494 (niet 1494!). In mijn aanwinst ontbreekt deze prent.


Tot slot is er nog die curieuze titelpagina van: "Het Haarlemmer Meer in rouw..." met een plaatje dat volgens de titel de overdaad en wellust in losbandige gezelschappen moet verbeelden. Het is bovendien een waarmerk; "Om een nadruk te beletten Liet men hier dit plaatje zetten". Rechtsonder is met een vergrootglas leesbaar: "B. Picard fec." Dat is de Franse graveur en boekillustrator Bernard Picard (1673-1733). Volgens H.J. Scholten: "Catalogue raisonné des dessins des écoles française et hollandaise" (Teylers museum Haarlem, 1904, blz. 336) was deze kleine gravure bedoeld "pour un livre de chansons notées".
Het Rijksmuseum heeft er ook een afdruk van (objectnr. RP-P-OB-51.542) en die maakt veel duidelijk. Nu wordt zichtbaar dat het plaatje oorspronkelijk was gedateerd; 1722, en bovendien voorzien van een ondertitel: "Les plaisirs de la Jeunesse".
Eten, drinken, muziek maken, dansen en gezellig kletsen waren toen kennelijk de pleziertjes en genoegens van de jeugd. Alles met mate natuurlijk, want overdaad en wellust leidde tot losbandigheid en die had in 1782 geleid tot die spraakmakende piratenactie op het Haarlemmermeer.

donderdag 23 november 2023

'Uit het leven van Koning Gorilla', een onbekende editie


"'D'r was eens een koning Gorilla genaamd
Een prachtexemplaar van een koning
Hij was om zijn zuipen en vloeken befaamd
Hij had zich nog nooit om z'n ondeugd geschaamd
En vreesde voor straf noch onttroning
Dat monster verkoos zich een Duitse prinses
Beroemd door talenten en gaven
Als eega, maar hij sloeg haar meer met de fles
Dan zich aan haar deugden te laven
Terwijl hij zijn huwelijkse plichten vergat
Zocht hij in bordelen verstrooiing
O, wat een pracht van een koning was dat
O, wat een pracht van een koning"
(P. de Ruijter: "Het lied van Koning Gorilla").

Alweer zes jaar geleden beschreef ik in: "Vissen achter het net, naar Willem en Jet" hoe ik een zeldzaam schotschrift tegen Koning Willem I kocht bij antiquariaat Boek en Glas en dat completeerde door op zoek te gaan naar de daarbij behorende litho via een verlopen advertentie op Marktplaats. In de inleiding bracht ik toen het wellicht bekendste en meest beruchte Oranjeschotschrift uit onze vaderlandse geschiedenis ter sprake: "Uit het leven van Koning Gorilla".


Dit anoniem verschenen pamflet gericht tegen Koning Willem III (1817-1890), verscheen voor het eerst in Den Haag in 1887. Het is lange tijd toegeschreven aan S.E.W. Roorda van Eysinga (1825-1887), maar waarschijnlijk door meerdere personen samengesteld.
De uitgave bleek bijzonder populair, alleen al in dat jaar moeten er vele duizenden exemplaren van zijn verschenen. 
Wie uitgebreid wil kennisnemen van de geschiedenis van dit pamflet, zijn bronnen, inhoud en de verschillende edities die tot ver in de twintigste eeuw zijn verschenen verwijs ik graag naar de uitgebreide studie van Boudewijn Sirks (DBNL). Van het pamflet zijn thans de volgende edities bekend:

A. "Uit het leven van Koning Gorilla". B. Liebers (Den Haag, z.j.), 24 p. Verschenen in 1887.
B. "Uit het leven van Koning Gorilla" (Z.p., z.j.), 16 p. Verschenen in 1887.
C. "Uit het leven van Koning Gorilla" (Z.p., z.j.), 12 p. Verschenen in 1887.
D. "Uit het leven van Koning Gorilla". K.A. Bos (Amsterdam, 1897), 16 p. Herziene uitgave.
E. "Uit het leven van Koning Gorilla". D. Wehrens (Middelburg, 1907), 16 p.


F. "Uit het leven van Koning Gorilla". Nieuwe uitgave. De Vrije boek- en brochurehandel (Rotterdam, 1966), met een toelichting door Hans Jar, 38 p.
G. "Uit het leven van Koning Gorilla". In: "Gandalf" 17 (Amsterdam, 1967). Een fotomechanische herdruk van B.
H. "Uit het leven van Koning Gorilla". In: "Hop hop hop, hangt de socialisten op!", ‘een documentaire over het opkomende socialisme in de jaren tachtig’, samengesteld door Leonard de Vries, Polak & Van Gennep (Amsterdam, 1967), p. 202-217. Herdruk van D.
I. S.E.W. Roorda van Eysinga: "Uit het leven van Koning Gorilla". Met annotaties van Boudewijn Sirks (z.p. (Bombay), 1987).
J. "Uit het leven van Koning Gorilla". In: "Willem III: Koning Gorilla", met een inleiding door Dennis Bos, Uitgeverij Aspekt B.V. (Soesterberg, 2002).

Onlangs struikelde ik op Marktplaats over een onbekende Middelburgse uitgave die ik voor een paar euro kon bemachtigen. Mijn aanwinst (16 p. formaat 20.1 cm. x 13 cm.) zit in een verschoten roodkleurige papieren omslag met op de voorzijde behalve de titel en een titelvignet ook rechtsboven de vermelding: "prijs 5 cent" en onder het vignet het impressum: "P. Botbijl, Schuitvlotstraat N163, Middelburg, 1912". Linksboven werd de brochure gestempeld: "verzameling D. Wijnbeek". David Wijnbeek uit Zwolle (1915-1975) bezat ooit het grootste particuliere archief met betrekking tot het huis van Oranje.


Over de Middelburgse uitgever P. Botbijl (waarschijnlijk de politiek actieve metselaar Pieter Bernardus Botbijl, 1889-1953) vond ik maar weinig persoonlijke gegevens terug. Kennelijk dreef Botbijl vanaf 1912 een Socialistische boek- en brochure-handel, waar je ook terecht kon voor schrijfbenodigdheden en ansichtkaarten.
Dankzij Delpher vond ik diverse krantenadvertenties waarin hij zijn politiek sterk gekleurde uitgaven aanbood. Dat zijn 'opruiende' antiklerikale (en tegen het koningshuis gerichte) koopwaar niet bij iedereen in de smaak viel blijkt wel uit een redactioneel stukje in: "De Morgenpost" van 15 juni 1909.


Overigens wordt uit zijn advertenties niet altijd duidelijk wat nu precies door hem zelf werd uitgegeven en wat hij via andere uitgevers doorverkocht. WorldCat kent van hem maar drie uitgaven die - zo blijkt uit de krantenadvertenties - speciaal werden aangeboden aan colporteurs. Het gaat om de volgende titels:

1. T. Boot: "Een bouquetje roode rozen: een bundel vrijheidszangen en gedichten" (Middelburg, 1910).
2. J. Most (vertaald uit het Duits): "De godspest eene besmettelijke ziekte, door de doctoren weinig bestudeerd, door de geestelijkheid verspreid" (Middelburg, z.j. [1910]).
3. B. Rothman(n) (vertaling G. Rijnders): "De zeven doodzonden der maatschappij" (Middelburg, z.j. [1912).


Regelmatig adverteerde hij in: "De Toekomst; socialistisch weekblad voor Zeeland en Westelijk Brabant" dat tussen 1893 en 1923 verscheen. Ook zijn advertentie voor: "Uit het leven van Koning Gorilla" vond ik daarin terug. 


Ik heb natuurlijk mijn nieuwe aanwinst vergeleken met het exemplaar van de Middelburgse uitgave van Wehrens uit 1907, aanwezig in de collectie van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (I.I.S.G.) in Amsterdam. Beide waren immers ook verkrijgbaar bij de (socialistische) "Drukkerij 'De Toekomst'", die tussen 1900 en 1920 in Middelburg zat. 


De vraag was uiteraard; 'Gaat het bij Botbijl's brochure wellicht om een titeluitgave?'.
In eerste instantie leek dat zo. Beide tellen 16 bladzijden maar alleen de uitgave van Wehrens heeft op de achterzijde van de omslag reclame staan voor: "De Toekomst; socialistisch weekblad voor Zeeland en Westelijk Brabant". Als we de tekst nauwgezet lezen blijken er hier en daar minieme verschillen te zijn. Een mooi voorbeeld is de laatste bladzijde. Hier zijn maar liefst drie verschillen zichtbaar. 


Meest opvallend is dat in Botbijl's uitgave de slot-leus: "Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap" vetgedrukt werd en zonder uitroepteken! Maar in de alinea's daarboven zijn nog twee verschillen zichtbaar. Zo staat er bij Botbijl: "...omdat hij een gekroonden Gorilla was..." (i.p.v. "gekroonde") en in de laatste alinea werd "slavenjuik" door Botbijl verbeterd in "slavenjuk".
Daaruit blijkt dat de tekst opnieuw werd gezet. Botbijl's "opnieuw verschenen" uitgave kan dus worden beschouwd als een aparte editie en worden toegevoegd aan het lijstje op Wikipedia (NB. dit is in januari 2024 gebeurd).

Lang heeft Botbijl's Socialistische boek- en brochure-handel niet bestaan. Ik vermoed slechts twee jaar. Geldgebrek?