Posts tonen met het label Numismatiek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Numismatiek. Alle posts tonen

vrijdag 23 december 2022

Brandspuit-penningen van de Overtoom, Nieuwer- en Ouder-Amstel


Perkamentus antiquarius doet af en toe het tweede deel van zijn 'nom de plume' eer aan en koopt dan iets wat niet van papier is noch bibliofiel, maar wel antiek en/of van (lokaal) historisch belang. 
De laatste keer was dat een eind 17de -, begin 18de eeuwse geelkoperen onderwijsplak waarover u meer kunt lezen in: "'Ten eersten sal hy hebben een fraeye hantplacke'". Ditmaal gaat het om drie 18de eeuwse brandspuit-penningen; een van Nieuwer-Amstel (Amstelveen), een van Ouder-Amstel en een exemplaar van de Overtoom, die plotseling samen op Marktplaats werden aangeboden. 

Let wel brandspuit en niet brandweerpenningen, omdat er toen nog niet zoiets als een georganiseerde brandweer in loondienst bestond. De brandspuit werd bediend door een aantal daartoe aangewezen burgers/inwoners van de stadswijk of het dorp; de spuitgasten ('geaffecteerden'). Die spuitgasten waren in het bezit van brandspuit-penningen die feitelijk presentie-penningen waren. Daarnaast was het een legitimatiebewijs vergelijkbaar met de (ambachts)gilde-penning. Werden de spuitgasten opgeroepen voor een brand dan leverden ze hun penning ter registratie in bij de brandmeester of deponeerde deze in een collectebus bij (en soms aan) de spuit. De spuit(en) die het eerst bij de brand arriveerde(n) kregen vaak een premie. Op ongeoorloofde absentie stond een boete.


Het is niet de eerste keer dat ik dergelijke penningen tegenkom. In 1994 kocht ik al eens een exemplaar van Nieuwer-Amstel, gevonden in een weiland in Diemen en niet veel later een exemplaar van Ouder-Amstel op een verzamelaarsbeurs in Amstelveen (gevonden op Amstelveens grondgebied). Ik maakte er tekeningen en een beschrijving van voor: "Amstelveen in Vuur & Vlam 1792-1992" (Amstelveen, 1992. Historisch cahier nummer 1 van de Vereniging Historisch Amstelveen (VHA) en het verenigingsblad van de VHA: "Amstel Mare" (Jrg. 5, nr. 1, maart 1994). Beide exemplaren zouden zich thans in de collectie van deze lokaal historische vereniging moeten bevinden maar helaas deelde men mij onlangs mee dat die van Ouder-Amstel niet meer aanwezig is...


Brandspuit-penningen van grote steden zoals Amsterdam (met vanaf 1684 zestig wijken en nog veel meer brandspuiten) zijn niet zeldzaam en duiken regelmatig op bij veilingen en verzamelbeurzen. Soms afkomstig uit oudere collecties, maar ook wel als bodem (metaaldetector) vondsten. Mijn Amsterdamse brandspuit-penning van wijk 59 (het gebied rond de Amstelkerk, waar ook de brandspuit stond) kocht ik via een veiling voor € 61,20 euro (inclusief veiling- en verzendkosten). Het Amsterdam Museum beschikt over een zeer uitgebreide collectie penningen van diverse Amsterdamse stadswijken, maar ook over enkele zeldzamere exemplaren van omliggende ambachtsheerlijkheden en dorpen.

De onderzoeksmogelijkheden die internet tegenwoordig biedt brachten mij ertoe om mij opnieuw te verdiepen in deze materie. Wat is er feitelijk bekend over de brandspuit-penningen van Nieuwer-Amstel, Ouder-Amstel en de Overtoom uit (numismatische) literatuur en archieven? Liggen er exemplaren in openbare collecties en zo ja, hoeveel ongeveer en waar? Wat is er bekend over de gebruikte inscripties en afkortingen op de brandspuit-penningen, zijn er verschillende penningen binnen één gebied? Welke relevante stukken met betrekking tot mijn onderzoeksgebied bevinden zich in de oude archieven? Zijn er wellicht voorzichtig conclusies te trekken of komen we tot nieuwe inzichten? Werk aan de winkel dus.

LITERATUUR

Mijn onderzoek startte thuis in mijn bibliotheek en achter de PC. Ik vond al gauw een paar interessante uitgaven en literatuurverwijzingen. Bijvoorbeeld in de catalogus die verscheen bij de "Historische Tentoonstelling van Amsterdam gehouden in de Zomer van 1876" (Amsterdam, 1876, blz. 40). Daarin staan tientallen beschreven exemplaren; de meeste afkomstig uit de omvangrijke verzameling van kunsthandelaar en veilinghouder mr. Jeronimo de Vries (1776-1853). 


Daarnaast zijn er enkele numismatische uitgaven waarnaar vaak wordt verwezen, bijvoorbeeld: J. Dirks: "De Noord-Nederlandsche Gildepenningen, wetenschappelijk en historisch beschreven en afgebeeld door..." (Haarlem, 1878. Aanhangsel II, blz. 386).
Van de in Dirks besproken brandspuit-penningen van Nieuwer-Amstel (met een exemplaar gelijk aan de mijne) en Ouder-Amstel zijn begin jaren dertig in Amsterdam de gietmallen teruggevonden door gemeentelijk numismaat W.K.F. Zwierzina (Zie zijn artikel: "Gietmodellen van gilde- en brandspuitpenningen". In: "Amstelodamum: orgaan van het Genootschap Amstelodamum". Vol. 19 (1932), p. 73-75). Onbekend is waar deze gietmallen zich thans bevinden.
Ook lezenswaardig is L. Minard-Van Hoorebeke: "Description de Méreaux et jetons de présence, etc. des Gildes et Corps de Métiers, eglises, etc." (Gand, 1878, blz. 74-76, met exemplaren van Nieuwer- en Ouder-Amstel).
Daarnaast zijn via Google(Books) eenvoudig verwijzingen te vinden naar exemplaren in oude veiling- en tentoonstellingscatalogi. Het probleem van vrijwel al deze 19de eeuwse publicaties is dat de beschreven brandspuit-penningen vaak spoorloos zijn. De huidige locatie (collectie) is onbekend en er zullen in de tussentijd ook wel penningen verloren zijn gegaan.

Die onbekende huidige locatie geldt helaas ook voor de afgebeelde brandspuit-penningen in twee meer recente publicaties. Het gaat om P. Knijnsberg: "Brandspuitpenningen" (Amstelveen, 1986) en M. Nuijttens: "De brandspuitpenningen voor de Noord- en Zuidelijke Nederlanden" (Zegem, 1994).
Vooral Knijnsberg's publicatie, een kopie, uitgegeven in eigen beheer is moeilijk te vinden. Gelukkig beschikt de bibliotheek van de Nationale Numismatische Collectie (NCC), in beheer bij De Nederlandsche Bank (DNB) over een exemplaar en was de beheerder mij uiterst behulpzaam met het sturen van de PDF-files van beide publicaties. De uitgave van Knijnsberg bevat zestig afbeeldingen van Nederlandse brandspuit-penningen (meestal van beide zijden) zonder verdere toelichting. Vijf daarvan hebben betrekking op ons onderzoek. 


De uitgave van Nuijttens, met eveneens vijf exemplaren die ons interesseren (feitelijk vier, want één staat ook in Knijnsberg), doet niet veel meer. Na een kort voorwoord in maar liefst tien talen passeren in alfabetische volgorde tientallen afbeeldingen van Nederlandse en 'Belgische' brandspuit-penningen, soms met een korte toelichting. Ondanks hun onbekende huidige locatie heb ik toch al deze brandspuit-penningen uit Knijnsberg en Nuijttens aan het eind van mijn inventarisatie opgenomen omdat het interessante aanvullende informatie oplevert (en dat geldt ook voor enkele penningen in particulier bezit die ik aantrof op een Belgische website). 

INVENTARISATIE 

Bij het maken van deze inventarisatie heb ik mij geconcentreerd op de brandspuit-penningen van Nieuwer-Amstel (NA), Ouder-Amstel (OA) en de Overtoom (OT) die ik online kon traceren en lokaliseren in openbare/toegankelijke collecties. 
Een bijzonder vruchtbaar uitgangspunt bij de samenstelling bleek de Collectie Nederland. Die bevat honderden voorbeelden uit diverse openbare collecties met exemplaren uit de 17de t/m de 20ste eeuw van diverse steden en dorpen. In enkele gevallen had ik vervolgens contact met de desbetreffende conservatoren voor aanvullende gegevens. Voor hun vriendelijke medewerking ben ik ze dankbaar. In de hiernavolgende lijst treft u het resultaat van mijn zoektocht aan (klik eventueel op de hyperlink voor een afbeelding en aanvullende informatie).  

Collectie Perkamentus antiquarius (3 x).

NA    Op de spuit: HWO (Letters meegegoten. Hulp Waterspuit Overtoom?), boven de spuit: 39.

OA    Boven de kroon: W(ijk) 2.

OT    Voorzijde: OVERTOOM, onder de naam N(ummer) 2, boven de spuit: 48. 

Voorzijde (NA / OT / OA)

Achterzijde (NA /OT /OA)

Collectie VHA / Amstelveen (1 x).

NA    Op de spuit: HWO (Letters meegegoten. Hulp Waterspuit Overtoom?). 

OA    Boven de kroon W(ijk) 1. NB. Niet meer aanwezig in de collectie!


Collectie Museum Amstelland / Ouderkerk (1 x).

OA    Boven de kroon: W(ijk) 2.


Collectie Fries Museum / Leeuwarden (9 x).

N14219  NA    Op de spuit: Broeder Schap (Letters ingegraveerd. Politieke leuze, na 1795).
N14220  NA    Op de spuit: HWO (Letters meegegoten. Hulp Waterspuit Overtoom?).
N14221  NA    Op de spuit: KS (Letters ingegraveerd. Kleine Spuit?), boven de spuit:
N. 33 (draagoog).
N14222  NA    Op de spuit: D. UNIE (Letters ingegraveerd. Politieke leuze, na 1795).
N14223  NA    Op het wapenschild: W(ijk) 5, N6, boven de spuit: 65.
N14224  NA    Op het wapenschild: W(ijk) 8, op de spuit: GP (Letters ingegraveerd. Grote Pomp?)

N14230  OA    Boven de kroon: W(ijk) 2.
N14231  OA    Boven de kroon: W(ijk) 3, boven de spuit: 16.

N14232  OT    Voorzijde: OVERTOOM, onder de naam N(ummer) 2, boven de spuit: 60.

Collectie Amsterdam Museum / Amsterdam (10 x).


PB82      NA    Op het wapenschild: W(ijk) 8, op de spuit: CP (Letters ingegraveerd. Centrale Pomp?).
PB83      NA    Op het wapenschild: W(ijk) 5, N6, boven de spuit: 88.
PA1075  NA    Op de spuit: HWO (Letters meegegoten. Hulp Waterspuit Overtoom?).
PA1076  NA    Op de spuit: HWO (Letters meegegoten. Hulp Waterspuit Overtoom?).
PA384    NA    Op de spuit: WS (Letters meegegoten. Water(spuit) Sloten?).
PA385    NA    Op de spuit: KS (Letters ingegraveerd. Kleine Spuit?), boven de spuit: N. 34 (draagoog).
PA386    NA    Op de spuit: D. UNIE (Letters ingegraveerd. Politieke leuze, na 1795), boven de spuit: 5.
PA387    NA    Op het wapenschild: W(ijk) 5, N6, boven de spuit: 40.
PA388    NA    Op de spuit: Broeder Schap (Letters ingegraveerd. Politieke leuze, na 1795).

PB84      OA    Boven de kroon: W(ijk) 3, boven de spuit: 44.


Collectie Teylers Museum / Haarlem (1 x).

TMNK 05570  OA    Boven de kroon: W(ijk) 2. 

Collectie Geldmuseum (2 x).
In 2013 sloot het Geldmuseum zijn deuren. De collectie berust thans bij De Nederlandsche Bank (DNB).

GP-00320  NA    Op het wapenschild: W(ijk) 5, N6, boven de spuit: 58.

GP-00324  OA    Boven de kroon: W(ijk) 3.

Collectie van Museum Gouda (1x).

Nr. 57252  NA    Op de spuit het jaartal 1753, boven de spuit 4.


Op de Belgische website 'Loden penningen-Méreau' kwam ik nog de volgende vier penningen tegen (in particulier bezit):

NA    Op de spuit 27, boven de spuit 30.
NA    Op de spuit: KS (Letters ingegraveerd. Kleine Spuit?), boven de spuit:
N. 12 (draagoog).

OA    Boven de kroon W(ijk) 1.

OT    Voorzijde: OVERTOOM, onder de naam N(ummer) 2, boven de spuit: 48.

NB. Een derde NA-exemplaar dat op deze website wordt omschreven als een (nota bene) 19de eeuwse brandspuit-penning van Nieuwer-Amstel wijkt zo af van de gebruikelijke vormgeving dat het m.i. vrijwel zeker gaat om een andersoortige penning.

In: P. Knijnsberg (5 x).

NA    Op de spuit: HWO (Letters meegegoten. Hulp Waterspuit Overtoom?), boven de spuit: 59 (blz. 2, nr. 6).
NA    Op het wapenschild: W(ijk) 5, N6 (blz. 17, nr. 6).

OA    Boven de kroon: W(ijk) 3, boven de spuit: 46 (blz. 3, nr. 8).
OA    Boven de kroon: W(ijk), nummer onleesbaar (blz. 18, nr. 8).

OT    Onder de naam N(ummer) 2 (blz. 17). 

In: M. Nuijttens (4 x). 

NA    Op de spuit: HWO (Letters meegegoten. Hulp Waterspuit Overtoom?), boven de spuit: 59 (blz. 32 bovenste afbeelding). NB. deze wordt ook al door Knijnsberg gesignaleerd)
NA    Op de spuit: KS (Letters ingegraveerd. Kleine Spuit?), boven de spuit: N. 8 (draagoog, blz. 32 onderste afbeelding).

OA    Boven de kroon: W(ijk), nummer onleesbaar (blz. 34).

OT    Onder de naam N(ummer) 2 (blz. 35).
OT    Onder de naam N(ummer) 2, boven de spuit: 34 (blz. 43).
Nuijttens weet niet goed raad met deze penningen. Hij classificeert ze zowel onder Overtoom Oostzaandam (blz. 35) als onder Westzaandam-Overtoom (blz. 43). Straks meer daarover.


CONCLUSIES EN OPMERKINGEN

De slangenbrandspuit van Jan van der Heyden (1637-1712) werd pas in het laatste kwart van de 17de eeuw in Amsterdam geïntroduceerd (Het boven dit artikel geplaatste exemplaar bevindt zich in het Brandweermuseum Hellevoetsluis). Ze waren duur, vereisten instructies, bediening en regelmatig onderhoud. Met uitzondering van de Amsterdamse Overtoom zullen de omliggende dorpen en ambachten daarom pas in de loop van de 18de eeuw over een dergelijke - destijds moderne - brandspuit hebben beschikt. De door mij bestudeerde brandspuit-penningen zijn allemaal te dateren tussen circa 1690 en 1810.
Naar latere brandspuit-penningen, meestal geslagen (en met ingegraveerde inscripties), heb ik niet gezocht. Alle exemplaren die ik vond zijn gegoten van een messing, brons-/(geel) koperlegering. Exemplaren van edelmetaal (er bestaan bijvoorbeeld enkele fraaie zilveren Amsterdamse voorbeelden, zoals het hieronder getoonde exemplaar uit 1770) zijn mij voor wat betreft de Overtoom, Nieuwer- en Ouder-Amstel onbekend. 


Alle brandspuit-penningen zijn rond en ongeveer even groot (3.9 tot 4.2 cm.) en dik (3 tot 5 mm.). De brandspuit-penning van Nieuwer-Amstel (met op de spuit HWO) is het grootst (en dikst) en bovendien opvallend fijn gedetailleerd. Zo is bijvoorbeeld goed zichtbaar dat het wapenschild op deze penning een kaderlijn heeft die niet te zien is op veel andere exemplaren. Daaruit trek ik de conclusie dat er van de brandspuit-penning van Nieuwer-Amstel tenminste twee verschillende afgietsels in omloop waren.
Zowel de brandspuit-penning van de Overtoom als van Ouder-Amstel zijn veel grover uitgevoerd.

De brandspuit-penningen vertonen aan de voorzijde plaats- en locatiegegevens in de vorm van:
- Een wapenschild (NA).
- Een wapenschild plus plaatsnaam (OA).
- Plaatsnaam plus nummer (OT). 
Op de achterzijde staat een afbeelding van een draagbare brandspuit (zonder wielen/wagentje) met daar omheen een in zijn staart bijtende slang (Ouroboros).

Verder komen voor:
I. Op de voorzijde: een wijknummer. Van de brandspuit-penningen van Nieuwer-Amstel zijn alleen penningen met de wijknummers 5 en 8 overgeleverd. Deze penningen dateren vermoedelijk uit het laatste kwart van de 18de eeuw. Waren er penningen met andere wijknummers in omloop? Het 'register civique' van 1811 (enkele decennia later) vermeldt voor Nieuwer-Amstel weliswaar 10 wijken (waaronder zich ook de Overtoom bevond) maar het lijkt mij onwaarschijnlijk dat er dus ook 10 brandspuiten waren. Vermoedelijk stonden in wijk 5 en 8 de twee achttiende eeuwse brandspuiten en zijn er geen brandspuitpenningen met andere wijknummer.
Het 'register civique' van Ouder-Amstel geeft geen wijkindeling. Van Ouder-Amstel zijn uitsluitend penningen met de wijknummers 1, 2 en 3 bekend (en uit niets blijkt dat er meer wijknummers in omloop waren). 
II. Op de achterzijde: het persoonlijk/unieke nummer van de spuitgast (boven de spuit).
Men nummerde in de loop der tijd en bij verandering van spuitgast(en) gewoon door. Overigens werd één brandspuit bediend door een team van ongeveer 40 personen. Dit verklaart de (soms) hoge nummering.

Daarnaast zien we op de penningen:
III. Meegegoten onveranderlijke gegevens/afkortingen zoals de naam 'OUDER-AMSTEL' plus de wijkaanduiding boven de kroon, de (veel voorkomende) afkorting 'HWO' en 'WS' op die van Nieuwer-Amstel alsmede de naam 'OVERTOOM'/'N2' op de Overtoomse brandspuit-penning. Van penningen uit andere plaatsen zijn voorbeelden bekend met meegegoten specifieke (spuitgast)taken zoals: 'AANDEBAK', 'SLANGLIJDER', 'AANDEPYP', 'AN.D ZUYGPOMP' en 'AAN VOERDER'.
IV. Overige (later aangebrachte) inscripties. Daartoe behoren bijvoorbeeld de politieke leuzen; (2 x) 'Broederschap' en (2 x) 'D. UNIE' ('De Unie'). De eerste is ontleend aan het Frans revolutionaire motto: 'vrijheid, gelijkheid, broederschap', dat na de bezetting van de Nederlanden door Frankrijk in 1795 zijn intrede deed. De tweede - uit dezelfde periode - verwijst naar het Unitarisme, een politieke stroming ten tijde van de Bataafse Republiek. Beide leuzen stonden ook op de brandspuit zoals blijkt uit een - in het oud archief van Nieuwer-Amstel - teruggevonden brief van brandmeester Dirk van Dam uit 1801. Deze penningen dateren dus uit het laatste decennium van de 18de eeuw. Van alle bekende Nederlandse brandspuit-penningen zijn er slechts een paar met een (ingeslagen) jaartal.
Eén daarvan is een exemplaar (NA) met op de spuit 1753, uit de collectie van het Museum Gouda.

ARCHIEF NIEUWER-AMSTEL

Het oud archief van het Ambacht Nieuwer-Amstel, met het Archief van de Ambachten Rietwijk, Rietwijkeroord en Rietwijkeroorderpolder (Stadsarchief Amsterdam, inv. nr. 5501) is helaas grotendeels verloren gegaan. Twee archiefnummers m.b.t. de brandweer resteren. Archiefnummer (238) bevat - in chronologische volgorde - de volgende keuren, bekendmakingen en 'ampliaties (aanvullingen/uitbreidingen) daarop.


1. "Nadere Ampliatie op de Brand-Keure (van 1 januari 1700) aan den Overtoom". Artikel 1. "Dat vermits nu een tweede Brandspuyt aangekoft is / de manschap tot beheering van dezelve twee spuyten zal worden vergroot / ende daar toe door Brandmeesteren aangestelt 80 man / ende die te verdeelen zodanig als Brandmeesteren raadzaam vinden en ordonneeren zullen" (1723).
2. "Ampliatie van de Keure en Ordonnantie op het Brand-Gereedschap aan den Overtoomze Weg" (1738)
3. "Keure en Ordonnantie op het blussen van brand, bergen der brandspuijt en gereedschappen daar toe behoorende Aan de Overtoomsche Weg" (1751). Handgeschreven keur waarin aan het eind verwezen wordt naar een eerdere keur met betrekking tot dit onderwerp van 11 december 1696.
4. Keur en ordonnantie met betrekking tot de inzet van extra brandspuiten van elders (m.n. van de stad Amsterdam) bij brand (1764).
5. "Keure en Ordonnantie op 't blussen van Brand, bergen der Brandspuyten en Gereedschappen daar toe behoorende, voor zoo verre het Jan Hanssen, Nieuwe Thuyn, Wenslouwer en Weespaaden, mitsgaders nog een kleyn paadje daar by geleegen, is concerneerende" (1783).
6. "Brand-Keure voor het dorp Amstelveen" (1792).
7. "Brand-Keure voor den Overtoom in Wyk 10, als meede aan de Slooter Zyde in Wyk 2" (1796).


8. Notificatie dat de functie van opper-brandmeester (behorende tot de taken van de schout) voortaan zal worden waargenomen door de tijdelijk president der Municipaliteit (= Burgemeester) tevens civiele aanklager (1798).
9. Notificatie op de voorgaande met betrekking tot het hatelijk en ongepast protest van enkele brandmeesters op deze 'heilzaame schikking' (1798).
10. "Extract uit het Register der Resolutien, van den agent van Inwendige Politie en toezicht op den staat van Dyken, Wegen en wateren der Bataafsche Republyk" (1798).
11. Notificatie waarin de brandmeesters van wijk 9 en 10 worden ontheven van hun post omdat zij weigeren de president van de Municipaliteit te erkennen als opper-brandmeester (1799).
12. Notificatie over het verzet van de brand- en wachtmeesters van wijk 9 en 10 alsmede enkele ingezetenen van die wijken over de voorgaande notificatie (1799).
13. Notificatie dat diegenen die betrokken zijn bij de brandspuit zijn vrijgesteld van dienst bij de gewapende burgermacht (1801).
14. Notificatie met gedeeltelijke herroeping van het voorgaande (1801).
15. "Generaale Brandkeure voor de gemeente van Nieuwer-Amstel" (Amstelveen, 1801).
Geeft in artikel 12 (blz. 14) belangrijke inlichtingen over de inscripties op de brandspuit penningen.
"En zal aan ieder van de geäffecteerdens (spuitgasten) gegeeven worden een exemplaar van dit Reglement, en een koperen Penning met Dorps Wapen en Nommer van de Wyk, aan de eene zyde daar op uitgebeeld, hebbende aan de andere zyde het Nommer, waarby de geäffecteerde op de Brandlyst bekend staat, en eene Brandspuit voor die tot de groote Pomp behooren, het woord kleine pomp voor die aan de kleine Pomp, het woord Slanghouder voor de Slanghouders, en het woord Agterslang voor die daar by behooren, om die tot een teken van haar Ampt, om by Brand door de bezetting te geraaken, te vertoonen, welke Penningen zy by verhuizinge, of dat elders heen voor langere tyd, op de vaart gaan, aan de Brandmeesters wederom zullen moeten geeven, op verbeurte van 25 stuivers, en die dezelve zullen komen te verliezen, zullen verbeuren zes stuivers, waar voor hun een nieuw zal worden gegeven".
16. Proclamatie van de municipaliteit aan de inwoners van wijk 3 en 4 over het nog steeds ontbreken van een brandspuit voor hun wijk (i.v.m. de hoge kosten) (1803).
17. Notificatie over vervanging van het 4de, 5de en 6de artikel (in deel II) van de generale brandkeur uit 1801 (1806).

Archiefnummer 239 bevat de al eerdergenoemde brief uit 1801 van Dirk van Dam, die al twee jaar fungeert als brandmeester "in de brandspuijt genaamt de Unie in Weyk 11" (bij het 'Jan Hansenpad', tegenwoordig Jan Hanzenstraat). 


ARCHIEF OUDER-AMSTEL

Rijker is het Archief van het Ambacht en Plaatselijk Bestuur van Ouder-Amstel (Stadsarchief Amsterdam, inv. nr. 5500). Vooral nr. 122. 'Stukken betreffende de brandspuiten en de bemanning 1761-1805' geeft een goed inzicht in de Ouder-Amstelse brandbestrijdings-organisatie in de tweede helft van de 18de eeuw. Het bevat een dossier uit 1767 met betrekking tot de aanschaf van twee nieuwe brandspuiten voor bijna 2400 gulden. Daarin is te lezen dat er een spuit stond in Duivendrecht en een spuit in het dorp Ouderkerk (wijk 1). Tevens blijkt hieruit dat na aankoop van de nieuwe spuiten de oude dorpsspuit niet werd afgedankt maar gereviseerd ten behoeve van de wijk De Ronde Hoep (en geplaatst bij de Stokkelaarsbrug). In het kostenoverzicht voor de nieuwe brandspuiten staat ook een post: "aan Gellius Spies (geelgieter) voor 317 Kopere brandspuijt-penningen". 


Enkele bewaard gebleven bemanningslijsten van Ouder-Amstelse brandspuiten uit diezelfde tijd geven een indruk van het aantal man dat bij één spuit betrokken was. Bijvoorbeeld voor wijk 1 (het dorp Ouderkerk): 
1 Generale brandmeester, tevens voor wijk 2 (Jacob Boekweit, de dorpsschout),
4 Brandmeesters met 1 assistent,
1 Pijphouder met 4 assistenten tevens slang-houders,
2 Lantaarndragers,
1 Uithaalder en lapzakdrager met 1 assistent,
19 man aan de perspomp,
7 man aan de waterpomp,
1 Rollezer met 1 assistent.

DE OVERTOOM

Volgens de Amsterdamse stadshistoricus Jan Wagenaar (1709-1773) bezat Nieuwer-Amstel twee brandspuiten die ten dienste stonden van dit uitgestrekte ambacht en: "Aan den Overtoom, staan 'er ook twee, die, door de Ambagten van Nieuwer-Amstel en Slooten, in gemeenschap, onderhouden en gebruikt worden". Dat blijkt ook uit de archivalia waaronder een: "Brand-keure voor den Overtoom in Wyk 10, als meede aan de Slooter Zyde in Wyk 2" (1796).


Dit gemeenschappelijke gebruik van blusmiddelen bleef bestaan tot begin 19de eeuw, zoals blijkt uit artikel 8 (deel II, blz. 11) van de "Generaale Brand- en Wagt-Keure, voor de gemeente Sloten, Sloterdyk, Osdorp en de Vrye Geer" (Amsterdam z.j. [1815]). "Ingevalle er buiten deze Gemeente brand mogt zyn ontstaan zullen de Brandmeesters zich derwaarts niet mogen begeven, dan op hooge order van den Opper-Brandmeester dezer Gemeente. Hiervan word uitgesloten de spuit van den Overtoom, die in de verplichting blyft, volgens oude overeenkomst, om zich onder Nieuwer-Amstel ingeval van noodzakelykheid ter assistentie derwaarts te mogen begeven". 

De brandspuit-penning van de Overtoom verdient extra aandacht. Een overtoom is een scheepsoverhaal en daarvan waren er verschillende in Holland.


Alleen P. Knijnsberg schrijft de penning toe aan de Amsterdamse Overtoom, zonder uit te leggen waarom.
J. Dirks classificeert de penning onder Westzaan-Overtoom (blz. 387). M. Nuijttens weet het niet zeker en zet de penning daarom onder zowel Westzaandam-Overtoom als Overtoom Oostzaandam. 
Noch Dirks, noch Nuijttens geven daarvoor argumenten. Mogelijk kenden ze de Amsterdamse Overtoom niet of namen ze aan dat die onder de stad Amsterdam viel. Nuijttens toeschrijving aan Westzaandam-Overtoom - waarvan geen 18de eeuwse brandspuit-penning bekend is - baseerde hij vermoedelijk op het bestaan van een 19de eeuwse penning (1829) met het opschrift: "Brandspuit Westzaan Overtoom" (bladzijde 43, onderaan). Indien onze Overtoom penning op deze overhaal betrekking heeft waarom zou er dan alleen 'Overtoom' op de penning staan en niet zoals bij het exemplaar uit 1829 'Westzaan Overtoom'?
Ook de toeschrijving aan Overtoom Oostzaandam (waar de Oostzaner-Overtoom, thans Oostzanerwerf lag) is problematisch. Van de Oostzaner-Overtoom is namelijk wel een 18de eeuwse brandspuit-penning bekend met aan de voorzijde de karakteristieke drietandige vork (greep) uit het oude wapen van Oostzaan (en aan de achterkant de gebruikelijke afbeelding van een brandspuit). Indien onze 'Overtoom' penning betrekking zou hebben gehad op de aldaar gelegen scheepsoverhaal dan zou dit symbool uit het oude wapen beslist op de penning hebben gestaan.

Zijn er argumenten te vinden voor een definitieve toeschrijving van deze brandspuit-penning aan de Amsterdamse Overtoom (die nimmer over een eigen heraldisch wapen heeft beschikt)?
Ik denk van wel. Knijnsberg, Dirks en Nuijttens geven namelijk geen verklaring voor N2 onder de naam Overtoom op de penningen en juist deze twee elementen bij elkaar leiden tot een oplossing.
We hebben al gezien dat Amsterdam binnen zijn stadsmuren zestig wijken had, op de brandspuit-penningen aangeduid met een W plus het desbetreffende wijknummer. Rondom Amsterdam - buiten de stadsmuren en Singelgracht - lagen echter als een buffer ook nog enkele zogenaamde buitenwijken, genummerd 1 t/m 5.
Van deze buitenwijken (met vanaf 1789 hun eigen brandkeur) zijn twee brandspuit-penningen bewaard gebleven (1 en 4. NB. 2 en 5 staan vermeld in de eerdergenoemde catalogus uit 1876). Daarop staat geen W(ijknummer) maar een N, de eerste letter van Nummer, gevolgd door een cijfer plus een B (van Buitenwijk). Bijvoorbeeld: Nº1·B zoals op de penning van buitenwijk 1 hieronder.


De Overtoom lag in buitenwijk nummer 2 (N2!), zoals blijkt uit een publicatie uit 1829 (blz. 21/22), waarin de grens van deze buitenwijk aldus wordt beschreven; "De oude Wetering, van de Weteringspoort tot tegen over (de herberg) Stadlander, van daar, dwars door de Schagerlaan tot aan de Scheidpaal, staande aan den Heiligeweg (de Overtoom!); van dezen het Buiten-Gasthuis achterom, tot aan het Bolwerk Osdorp; voorts de Singel van dit Bolwerk af tot aan de Weteringspoort; en alles wat tusschen deze opgenoemde grenslijn is begrepen".
De jurisdictie van de stad Amsterdam over de Overtoom strekte zich uit tot de 'scheidpaal' (de 100 gaardenpaal) op ongeveer 370 meter vanaf de Singelgracht (1 roede was 3.68 meter). In dat gedeelte (aan het begin van de Overtoom bij Amsterdam) heeft ook de stadsspuit (Nº2·B) gestaan. Het overige gedeelte van deze langgerekte, industrierijke wijk behoorde tot de jurisdictie van het ambacht Nieuwer-Amstel.

Zoals uit de archivalia blijkt had de Amsterdamse Overtoom met zijn kruitmolens, katoendrukkerijen, herbergen, opslagloodsen en zijn gecompliceerde historische/juridische verhoudingen al aan het einde van de 17de eeuw een eigen brandspuit. Ik vermoed dat de brandspuit-penning van de Overtoom bij de eerste brandspuit(en) heeft behoord die daar in dienst kwam(en). In de loop van de 18de eeuw kwamen er brandspuiten bij, zoals de spuit die volgens Wagenaar werd gedeeld door het ambacht Nieuwer-Amstel en het ambacht Sloten en die bleef klaarstaan: "om zich onder Nieuwer-Amstel ingeval van noodzakelykheid ter assistentie derwaarts te mogen begeven" (Vandaar dat ik de afkorting HWO op de Nieuwer-Amstelse brandspuit-penning heb geïnterpreteerd als 'Hulp Waterspuit Overtoom').  


TOT SLOT

Er is maar weinig onderzoek gedaan naar brandspuit-penningen. Een kort algemeen artikel werd gepubliceerd door J. Herweijer: "Brandspuitpenningen" (In de "Muntkoerier", oktober 1985, blz. 22/23). Daarnaast was - voor zover mij bekend - slechts drie keer eerder een penning uit een bepaalde stad onderwerp van studie. Eind 19de eeuw publiceerde Jhr. mr. M.W, Snoeck: "Eenige opmerkingen omtrent de ‘s-Hertogenbossche Brandspuitpenningen" en "Nog iets over de ‘s-Hertogenbossche Brandspuitpenningen" (In: "Tijdschrift van het Nederlandsch Genootschap voor Munt- en Penningkunde...", 5de jrg. 1897, blz. 39 t/m 43 en 6de jrg. 1898, blz. 48 t/m 54).
In 1987 beschreef N.L. Arkesteijn: "De Delftse brandspuit-penningen" (in: "De Beeldenaar", tweemaandelijks tijdschrift voor numismatiek en penningkunst (11de jrg. nr. 4, blz. 147 t/m 152) en in 1988 verscheen in hetzelfde blad: "De Goudse brandspuit-penningen" (13de jrg. nr. 1, blz. 246 t/m 247) van H.J. van der Wiel. De laatste twee zijn in PDF-formaat te raadplegen via de website van "De Beeldenaar".

Naschrift

Inmiddels verscheen een uniek standaard- en naslagwerk: "Brandspuitpenningen in de Lage Landen" (Heritage Auctions Europe, IJsselstein, 2025), n.a.v. een onderzoek uitgevoerd door twee leden van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Munt- en Penningkunde (Allex Kussendrager en Wiebe Nijlunsing). Perkamentus werkte hieraan mee en de informatie in dit blog is grotendeels overgenomen. Dankzij hun onderzoek doken er ook nieuwe brandspuit-penningen op, die mij tijdens het schrijven van dit blog, onbekend waren. Zo blijkt er een zilveren exemplaar te bestaan van de Nieuwer-Amstelse brandspuit-penning HWO! Ook bestaat er een exemplaar van de Overtoom brandspuit-penning met N.1! Daarmee vervalt mijn argumentatie dat N2 een verwijzing naar het (Amsterdamse) buitenwijknummer zou zijn (al blijft de toewijzing van deze penning aan de Amsterdamse Overtoom overeind!). Het blijkt te gaan om het spuitnummer (er waren immers volgens Wagenaar ook twee brandspuiten voor de Overtoom, naast de 'HWO-spuit'). 

zaterdag 28 augustus 2021

Een mysterieuze replica


In 1975 bestond Amsterdam 700 jaar en vierde de Nederlandsche Vereeniging van Antiquaren (NVvA) haar veertigjarig jubileum. Een kort verslag van de activiteiten - ruim vijfenveertig jaar geleden - staat in de kroniek van de NVvA (blz. 43), die twintig jaar later verscheen onder de titel: "Offeren aan Mercurius en Minerva", (Amsterdam, 1995).

Daarin lees ik dat de commissie voor de organisatie van het jubileum bestond uit de antiquaren S. Emmering, N. Israel (tussentijds uitgetreden), A.L. van Gendt, E. Franco, en P.C. Notebaart (later vervangen door B. Hagen). Het congres van de International League of Antiquarian Booksellers (ILAB) vond plaats van 21 tot 25 september. Voor het eerst verscheen er een gemeenschappelijke catalogus, de 'joint catalogue of Dutch antiquarian booksellers' en de beurs die tussen 27 en 29 september plaatsvond in het Amsterdamse Marriott Hotel was, met een omzet van 3.7 miljoen gulden (een nieuw record), uiterst succesvol.
Er waren ook plannen die niet zijn doorgegaan, zoals een tentoonstelling met als thema Amsterdam en een boek van Herman de la Fontaine Verwey over 'antiquariaat en verzamelaars in Nederland door de eeuwen heen'. Pas dertig jaar later zou Piet Buijnsters daarin voorzien met zijn: "Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat" (Nijmegen, 2007) en "Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie" (Nijmegen, 2010). 


Al geruime tijd weet ik dat er in dat jubileumjaar ook een replica werd geslagen van de Amsterdamse penning van het gilde van boekverkopers en -drukkers (3 mm. dik, met een doorsnee van 4 cm.). Vlak voor mijn zomervakantie kon ik die replica via Marktplaats kopen voor bijna zeventien euro (inclusief verzendkosten). Het object maakte mij uiteraard nieuwsgierig en riep onmiddellijk vragen op. Wie was de opdrachtgever geweest? De NVvA, de ILAB of de Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels (VBBB), thans de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak (KVB)? Waar en bij wie was de penning gemaakt? Bij de Koninklijke Begeer? Wat was de oplage destijds, wat had de productie gekost en wie hadden een exemplaar ontvangen?

Dergelijke (gilde)penningen van het 'Boek-vercopers en Druckers Gilt' werden vanaf het midden van de 17de eeuw tot begin 19de eeuw uitgereikt bij toetreding tot dit gilde (dat in Amsterdam sinds 1662 bestond) en gebruikt als presentiemiddel en als legitimatie.
Ze dienden om de aanwezigheid tijdens gildebijeenkomsten te kunnen controleren maar ook om te kunnen aantonen dat men een officieel erkend vakman (en gildebroeder) was. 
Antiquarisch worden ze uiterst zelden aangeboden. In 2017 dook het onderstaande exemplaar op van boekverkoper J.T. Brink G.z. uit 1804 bij veilingsite Catawiki. Helaas heb ik die veiling gemist...



In de collectie van het Amsterdamse Allard Pierson /Bijzondere collecties UvA (Bibliotheek van het Boekenvak) worden maar liefst meer dan vijftig originele exemplaren bewaard! (UBA544). Het merendeel (45 stuks!) werd in 1874 gekocht door Frederik Muller uit de veiling van de nalatenschap van J.T. Bodel Nijenhuis. Daarnaast bevinden zich exemplaren in diverse musea; zoals de gildepenning van Johannes Schot (1675) in de collectie van het Rijksmuseum. Ik ken ook een zeldzaam zilveren exemplaar in de collectie van het Haarlemse Teylersmuseum op naam van Bernardus Mourik (1734).
 

Bij de penning hoorde een gildebrief zoals dit voorbeeld uit 1764 in de collectie van het Rijksmuseum, op naam van de plaatdrukker Harmanús Veelwaart. Duidelijk zichtbaar is dat gildepenning en gildebrief gebruik maakten van dezelfde beeldsymboliek.


Dat geldt ook voor het (vroeg negentiende eeuwse?) lakzegel van het Amsterdamse 'Boekverkoopers, boekdruckers en kunstverkoopers gild' (eveneens in de collectie van het Rijksmuseum uit de nalatenschap van antiquaar Simon Emmering). Ook daarop zien we de bekende cartouche met ter weerszijden de attributen die we ook op de gildepenning en gildebrief tegenkomen.

In 1808 werden de gilden door Lodewijk Napoleon afgeschaft en dat gebeurde nogmaals definitief na de totstandkoming van het Koninkrijk in 1818. Twee jaar later, in 1820, werd een wet uitgevaardigd die regelde dat de resterende gildekassen en andere bezittingen van de gilden vervielen aan de desbetreffende stadsbesturen.


Terug naar die replica van brons uit 1975. Via een exemplaar dat te koop werd aangeboden op de website van munt- en penninghandelaar Laurens Schulman vond ik een verwijzing naar het tweemaandelijks tijdschrift voor numismatiek en penningkunst: "De Beeldenaar" (2005, 29ste jaargang nr. 6). Hierin staat een artikel van Raf van Laere: "Penningen in boeken", waarin een originele penning wordt beschreven met een slotopmerking over de replica. 

Die beschrijving luidt als volgt: "Amsterdam; Gilde van boekverkopers en drukkers; Ø 39,5 mm. Vz.: allegorische voorstelling waarin Mercurius, de god van de handel, centraal staat. Hij houdt zijn staf in de rechterhand en een boek in de linker; onderaan drukkerswerktuigen: pers, open boek, passer, inkttampons. Legende: BOEK-VERCOPERS EN DRUCKERS GILT. Kz.: cartouche getopt door het wapen van de stad Amsterdam. In de cartouche over drie lijnen: BALTES /CARELZ /1686. Op het origineel is de tekst gegraveerd. Andere exemplaren dragen de namen van Baltes Boekholt (1658), Esaias van Claveren (1659), Harman Aelsen (1662), Jan Claes (1663), Jan Hermenz (1686), Joannes de Wees (1688) en Bernardus Mourik (1734). Van het exemplaar van Carelz werden bronzen replica’s geslagen naar aanleiding van het congres van de International League of Antiquarian Booksellers dat in 1975 te Amsterdam werd gehouden". Hoe kwam Raf aan die wijsheid? Ik stuurde hem een email en kreeg vrijwel direct antwoord dat zijn bron een exclusieve Amerikaanse numismatische publicatie was.


Het gaat om: "Rarities of Numismata Typographica. Four examples of early Dutch Printers' Bookbinders' & Booksellers Guild Medals" (Newton, 1996). Een prijzige uitgave - in cassette - met vier afgietsels in sterling silver van originele penningen (gemaakt door de Ronnie DaVinci Company). Hierbij zit een beschrijving van William Blades (1824-1890), auteur van "Numismata Typographica; or the medallic history of printing" (Diezelfde Blades was overigens ook auteur van de onder bibliofielen meer bekende: "The enemies of books").
De cassette is een uitgave van de Bird & Bull Press (1958-2013) en aan de beschrijving gaat een introductie vooraf van de uitgever en directeur, Henry Morris (1925-2019). Morris heeft overigens veel meer geschreven over 'tokens voor booksellers and bookmakers'. 


Van zijn: "Rarities of Numismata Typographica" bestaan 120 exemplaren. Ook het zilveren afgietsel van de penning ten name van Baltes Carelz. zit hierin met een afbeelding en beschrijving (bladzijde 27/28). De eindnoot vermeldt: "Our example engraved; Baltes Carelz, 1686. An approximate replica of this medal was struck in bronze and issued as a keepsake during the International League of Antiquarian Booksellers Congress, held in Amsterdam in 1975". Er staat "this medal" waarmee dus niet specifiek het exemplaar ten name van Baltes Carelz. werd bedoeld. Evenmin mag de conclusie worden getrokken dat Morris de initiatiefnemer van mijn bronzen replica was. Morris kocht zijn gildepenningen namelijk pas in 1992 op de veiling in Frankfurt am Main van Dr. Busso Peus Nachf. e.K. waar de omvangrijke collectie van Paul Jehne (1851-1937) onder de hamer kwam. Inbrenger was de Münzhandlung CG. Thieme in Dresden die de collectie van Jehne's erfgenamen had overgenomen en al die tijd had bewaard. 

Mijn zoektocht naar de herkomst en achtergronden van dit curiosum leverde dus helaas geen antwoord(en) op. Noch de NVvA, ILAB, VVVB (KVB) of Koninklijke Begeer konden antwoord geven of wisten er van. Het feit dat Morris wist dat er een replica was gemaakt in 1975 leek mij een aanwijzing te zijn dat de oorsprong moest worden gezocht onder numismatische verzamelaars(organisaties) in Engeland of Amerika. 

Op 28 augustus publiceerde ik (de eerste versie van) dit blog en drie dagen later ontving ik een email met foto's van één van de deelnemers aan het ILAB-congres in 1975 met de volgende verhelderende inhoud.


"Dear Mr. 'Perkamentus',

When I read your request for information about a facsimile medallion issued for the ILAB Congress in Amsterdam in 1975 passed on by Mrs. Elstner, I knew that I had been at that congress but had no recollection of the medallion in question. As is usually the case, I found my copy while looking for something entirely different and I send you images of the medallion, the box it came in and the information leaflet that was included. As to your question of “for whom and how many”, - if I got one then every congressist got one and in those days there were anywhere between 200 and 400 participants. Usually there was a printed list of participants given to everybody, but I will have to be looking for something else to find that! Maybe the Dutch Association still has a note of those numbers.
Best wishes.
"

Keith Fletcher

H.M. Fletcher ABA
The Granary
Moor Place Park
Much Hadham
Herts SG10 6BF
01279 843 507


Het doosje bevatte de penning en een informatieblad met in twee kolommen (links in het Engels en rechts in het Frans) de volgende tekst:

"The medal offered you here as a remembrance of the 23th ILAB Congress is a replica of a token struck in the 18th century for the Guild of Booksellers, Printers, and Art dealers of Amsterdam.
It has not been possible to establish with any certainty when the first token was struck, but one may safely assume that guild tokens were already in use at the end of the 17th century.
The guild token can be described as follows.

Observe:
Mercury, winged and in flight, holding in his hand the caduceus or serpent-wand and in his left hand an open book. To the left of him a printing press, to the right two inkings balls. Mercury is in flight above an open book, flanked by a composing stick and open compasses. Caption: Guild of Sellers and Printers of Books.

Reverse:
The arms of Amsterdam placed above a large oval cartouche, in which a name and date can be engraved. A small twist pattern rings both sides.

Brass, cast: diam. 40 mm.".

Dus toch! De ILAB en de Koninklijke Begeer! Al weten ze het zelf niet meer...

woensdag 9 april 2014

Oud geld


Regelmatig gaan wij naar Utrecht om wat te wandelen.
Puur jeugdsentiment want mijn grootouders van moeders kant hebben hier een halve eeuw gewoond in de wijk Oog in Al. De auto parkeren we daar altijd gratis in de Mozartlaan om zo door het park Oog in Al te lopen richting de puinhoop die de Utrechtse binnenstad door sloop, verbouwing en nieuwbouw nu is.
Het is een route vol jeugdherinneringen waaronder de oude Koninklijke Nederlandse Munt, een Rijksmonument gebouwd tussen 1903 en 1911, die we over de negentiende eeuwse Muntbrug heen en terug passeren.


Net als mijn moeder kan ik nog steeds feilloos herhalen wat daar boven een van de deuren in steen is uitgehouwen en net als haar horen mijn huisgenoten mij daar telkens hetzelfde versje reciteren als we het gebouw naderen;

“Het geld hier uit metaal verkregen
Zy nooit ten vloek doch steeds ten zegen”.

In een min of meer ver verleden heb ik van alles verzameld waaronder natuurlijk ook munten en penningen.
In laatjes, hier en daar, zwerven daarvan nog de restanten. Een luciferdoosje met wat ondefinieerbare kleine Romeinse en Griekse muntjes, ooit gekocht op Kreta toen ik daar begin jaren tachtig op vakantie was, een collectie Nederlandse geld vanaf 1948, geërfd van mijn grootvader (van vaders kant), wat zilveren tientjes, wat herdenkingsmuntjes, een pot met centen en een losse 18de eeuwse VOC duit, ooit zelf opgegraven.
Numismatiek vind ik vind nog steeds interessant maar mijn voorkeur gaat uit naar historische penningen die geen deel uitmaakten van het betaalverkeer.


Eigenlijk is dit een kort vervolgstukje op de “De verzamelaar(s)” dat ik in november 2011 schreef. Dat ging over de eerste handleidingen voor jonge verzamelaars die na 1880 verschenen bij A.W. Sijthoff in Leiden.

Daaronder bevond zich ook een uitgave geschreven door mr. Ch. M. Dozy (1852-1901) over het verzamelen van munten en penningen. Anders dan oorspronkelijk de bedoeling van de uitgever was, is de handleiding van Dozy weinig gericht op ‘de jonge verzamelaars’ maar het onderwerp werd door hem wel in een historische en internationale context geplaatst. Eerder verschenen boekjes zoals dat van G. van Orden (1774-1854): “Handleiding voor verzamelaars van Nederlandsche Historiepenningen” (Leiden, 1825) beperkten zich nog volledig op het becommentariëren en aanvullen van Nederlandse uitgaven die op dat gebied in de eeuwen daarvoor waren verschenen zoals van Frans van Mieris (1689-1763), Pierre Bizot (1630-1696) en Gerard van Loon (1683-1758).

Dozy's handboek (uit 1884) ontbrak destijds nog aan mijn collectie maar u weet inmiddels wel hoe dat bij boekenjagen gaat. Met geduld, toeval en veel 'online' snuffelen vond ik uiteindelijk toch de originele zeldzame uitgave bij een antiquariaat voor slechts vijftien euro. Veel bedenktijd had ik niet nodig.
Dozy’s: “Het verzamelen van munten en penningen, Handboek tot het aanleggen van eene munt- en penningverzameling” (Leiden, z.j.) zit, zoals u op de foto’s kunt zien, nog in zijn oorspronkelijke papieren omslag met op de achterzijde reclame waaruit blijkt dat een aantal verzamelonderwerpen uit Winkler’s “Handboek voor den Verzamelaar” ook los verkrijgbaar waren.


Toen ik de website van de Koninklijke Bibliotheek raadpleegde kwam ik er achter dat zij niet over een origineel exemplaar van Dozy’s handboek beschikken maar over een herdruk. Die – ook al schaarse - herdruk was een initiatief van boekbinder A.J. (Dries) Jannink uit Zuidlaren (Drenthe). Met enige moeite kon ik Dries traceren en vroeg hem om inlichtingen. Zijn heruitgave van Dozy, zo vernam ik, verscheen rond 2002 in een oplage van circa twintig exemplaren en verkocht voor vijfentwintig euro per stuk.
Hij had wel meer oude numismatische werken opnieuw uitgegeven, vertelde hij, zoals de serie van de beroemde numismaat Pieter Otto van der Chijs (1802-1867). Bij het noemen van die naam ging bij mij een belletje rinkelen. Had ik daar ook niet iets van staan in mijn bibliotheek?

En inderdaad. Wat verloren tussen andere uitgaven vond ik P.O. van der Chijs: “De munten der voormalige graafschappen Holland en Zeeland…” (Haarlem, 1858). Een los deel uit een serie van negen delen, dat ooit behoorde tot de collectie Oldenbroek. Het is geen kostbaar origineel exemplaar maar een herdruk van ruim veertig jaar geleden uitgegeven door Holleman Munten (Overdinkel, 1973). Trouwens, ook die Holleman uitgave is, compleet of per deel, inmiddels aardig prijzig geworden.


Toen ik weer terugkeerde naar de website van de Koninklijke Bibliotheek om te zien wat zij in huis hebben zag ik dat ook hiervan alleen een herdruk beschikbaar is, niet van Holleman maar van - jawel! - Dries Janink.