Posts tonen met het label Straattypen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Straattypen. Alle posts tonen

vrijdag 28 juni 2024

Wie waren 'de Controleur' en 'schele Trijn'?


Ik bezit alweer een aantal jaren een presentexemplaar van de "Komische gedichten van den controleur" (L.F.J. Hassels, Amsterdam 1884). Dat het een presentexemplaar is blijkt ten eerste uit de handgeschreven opdracht voorin aan de toenmalige minister van Financiën, Willem Johan Lucas Grobbée (1822-1907), die (niet onbelangrijk voor mijn verhaal!) - voordat hij de ministerspost kortstondig zou vervullen - ook werkzaam was geweest als inspecteur der directe belastingen.
Ten tweede is mijn exemplaar (ca. 13 x 20.5 cm., 78 blz. plus een blad met aantekeningen en inhoudsopgave) gebonden in een luxe roodleren band met titel en sierkaders in reliëfdruk en is het boekblok aan alle zijden met goud verguld. De uitgave (waarop men al vanaf 1884 kon intekenen) verscheen "ten voordeele van Weduwen van Ambtenaren" en was verkrijgbaar in een linnen band (in diverse kleuren) met dezelfde reliëfdruk als mijn luxe presentje (en kostte dan ƒ 1,75 gulden) of als goedkope uitgave in papieren omslag met illustratie, rechtsonder gesigneerd 'Tresling & Co. Amst.' (voor ƒ 1,25 gulden).
Het is overigens antiquarisch geen zeldzaam boekje. Op Boekwinkeltjes kunt u voor bedragen rond de vijftien euro zelf een exemplaar aanschaffen.


Het moet een destijds populaire uitgave zijn geweest en vooral geschikt voor luimige voordrachten want in maart 1886 verscheen een tweede vermeerderde druk, bij uitgever A.L. Land te Heerenveen, voor zestig cent. "De man die ze in de kleeren stak is dood, en daar ze met eenige nieuwelingen een frisch gewaad noodig hadden heeft de heer A.L. Land te Heerenveen de zorg daarvoor op zich genomen" (In: "Het Dagblad van Friesland", 27 maart 1886). Uitgever Hassels was inderdaad dood maar de auteur nog allerminst, zoals we later zullen zien.


Het vriendelijke voorwoord werd geschreven door niemand minder dan de bekende kunstcriticus Joseph A. Alberdingk Thijm (1820-1889). Die prees het loffelijke doel van de uitgave met zijn 'onschadelijke' en vermakelijke vlot gerijmde opstellen; "al komen er, hier en daar, vergrijpen tegen de kunstregels in voor". De uitgave bevat de volgende twaalf gedichten: 1. "Hoe ik het dansen geleerd heb", 2. "De Massematte", 3. "Schele Trijn", 4. "Op het kantoor van een Amsterdamsch ontvanger", 5. " De Amsterdamsche effectenhoek", 6. "Bij den Redacteur van 'De Praetvaar'", 7. "Dito", 8. "Practijk", 9. "Altijd komiek", 10. "De Uitdaging", 11. "Het Mirakel", en 12. "Bismarcks politiek". In vrijwel alle gedichten fungeert Amsterdam als decor en ook in de spaarzame aantekeningen bij een zevental gedichten wordt de hoofdstad meermalen genoemd als plaats van gebeurtenis.


Wie de paar boekbesprekingen leest die er destijds in de krant verschenen zal tot de conclusie komen dat "Schele Trijn" het meest populaire gedicht was van de bundel. Over de hoofdpersoon in dit gedicht werd aangetekend: "Historisch; eene algemeen bekende Amsterdamsche vischvrouw, in 1867 in den ouderdom van 88 jaar overleden". De controleur schetst Trijn, haar handel en wandel in de straten van Amsterdam, in beeldende en kleurrijke poëzie;

"Toen ik nog een jongen was, leefde schele Trijn;
Vischvrouw was ze van beroep, en bij groot en klein
Was zij algemeen bekend door haar flink postuur:
Niet te groot, maar vrij gezet, aardige figuur;
Als ze zat, dan stond haar borst loodrecht op haar knie;
Doch het schoonste lag in Trijns physionomie;
Bijna was de onderkant van haar neus zoo breed
Als hij lang was, wijl haar mond ieder denken deed
Dat moeder onzer Trijn op een zekeren tijd
Was geschrokken van een beer, die werd rondgeleid;
En haar kijkers, welk een pracht! Zag ze u in 't gezicht,
Dan was tevens 't rechteroog op uw rug gericht;
Vingers als een roggestaart had zij aan haar hand,
een paar beenen onder 't lijf van een olifant.
En hoe lief was zij gekleed! 't Pimpelpaarsche jak
Prijkte sierlijk op een rok als een beddezak,
En een muts, kapot genaamd, van fatsoen en maat
Als een helm in d'ouden tijd van een landsoldaat,
Zóó, met manden aan een juk, liep ze wat ze kon
Door het groote Amsterdam van de dag begon,
Schreeuwende langs straat en gracht met gespannen long;
'Ael braed ael of kabeljauw, schellevie of tong!'
Rijke klanten had ze niet; meiden van fatsoen
Hadden met dit 'zeegedrocht' liefst maar niet van doen;
Slechts de kleine burgerij nam de visch van haar;
Want voor weinig geld wou die 'levendige waar.'
Maar wie was er in de kunst uitgeleerd als Trijn?
Wie kon beter met wat bloed kieuwenverfster zijn?
Wie kon blazen in de visch, zooals zij dat deed,
Waardoor schelvisch bovenal versch en levend heet?
Wie kon schelpjes, zooals zij, strooien met verstand,
Waardoor elk dacht dat de visch levend kwam van 't strand?
Ook mijn moeder nam haar visch, wel niet extra goed,
Maar van eene qualiteit, waar men het toch meê doet;
Daarom kende Trijn mij goed, en verscheiden keer
Gaf zij met haar roggehand mij een lekk're peer.


Trijn werd ouder - en altijd had ze 't niet te breed;
Zij ging zitten in de Nes, waar zij zaken deed;
's Avonds was 't een lust, te zien hoe zij d' ouden paai
Schelvisch, tong of bot verkocht smaakloos als een haai.
Zie, daar komt een flinken meid vragen: 'Zeg eens, vrouw,
Zeg, wat kost dat zoodje bot in den roes, bij jou?'
Waarop Trijn zegt: 'Lieve kind, achttien Stuivers maar!' -
''k Geef je daarvoor dertig Cent.' - Nu roept Trijn: 'Verhaar!
Denk je, dat ik deze visch heb gestolen, del?
Bot is voor je mond geen kost, dat versta je wel!'
Daarop komt Jan Spillebeen, kleêrmakersknecht,
En die denkt: 'Bij schele Trijn kom ik 't best terecht.'
'Zeg eens, vrouw, die schelvisch daar, wat kost die het stuk?'
'Negen stuivers', antwoord Trijn, en op goed geluk
Biedt Jan vijftien Centen. Doch nu wordt Trijn recht kwaad:
'Vijftien Centen, spinnekop? Als je niet gauw gaat
Geef ik met die schelvisch jou voor je bleeken snoet
Een rababel; wie niet al schelvisch eten moet!
Man, die visch bederft je maag, dat 's niet goed voor jou,
Eet wanneer je smullen wilt, snijerskabeljauw!' (volksbenaming voor panharing)
Haastig komt monsieur Carbeau, kapper in de buurt,
Die door zijne huisvoogdes wordt naar Trijn gestuurd
Om te zien of hij geen aal bij die dikke vrouw
Kan bekomen voor de soep, die zij koken wou,
En voor dertig Centen krijgt hij een pierenzoô,
Trijn is heden in haar schik; en monsieur Carbeau
Hoort haar lachend zeggen, dat hij alleen die visch
Zoo goedkoop bekwam, omdat hij haar landsman is.
,Watte!' zegt monsieur Carbeau, 'een Française kij,
Ah! dat kan niet ware zijn, dat is mallerij.'
'Mallerij!' zegt Trijn, 'mijn baas! dat je dat niet vat,
Ik ben wel niet uit Parijs, maar van 't Franschenpad.'
En zoo sukkelt Trijn al voort, nu eens goed, dan kwaad,
't Blijft altijd een zuur stuk brood, dat ze vindt op straat."

U zult zich inmiddels afvragen wie nou eigenlijk die 'controleur' was? Heel vaak wordt Alberdingk Thijm genoemd als de vermoedelijke auteur die schuilgaat achter dit pseudoniem. Niets is minder waar... 
Zoals ik schreef bezit ik een luxe presentexemplaar met een handgeschreven opdracht van ene J. Goossens.


Zoals u kunt lezen noemt Goossens zichzelf niet 'de auteur' of 'de schrijver', maar wellicht was hij van beroep 'controleur', zoals men destijds ambtenaren bij de belastingdienst noemde? 
Ik raadpleegde: "Het jaarboekje voor de ambtenaren der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen, van het kadaster, den waarborg enz. in Nederland" (Gorinchem, 1886) en trof daarin inderdaad ene Johannes Goossens aan (geboren 19 april 1817 Amsterdam, overleden 2 februari 1887 Wiesbaden/Dld.), die in 1879 was opgeklommen tot Provinciaal inspecteur der directe belastingen, tevens voorzitter in Amsterdam. Een via Delpher gevonden krantenartikel van 3 juni 1886 maakte vervolgens aan alle twijfel een einde. Goossens was niet alleen betrokken bij de oprichting van het: "Uitkeeringsfonds bij overlijden van ambtenaren der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen" (1885), hij steunde de club ook financieel met o.a. de opbrengsten van zijn dichtbundel.


Ik heb nu voldoende aangetoond wie de auteur was van deze komische dichtbundel geschreven onder het pseudoniem van 'de controleur' (KB, bibliotheken, Worldcat. en antiquaren doe er u voordeel mee en pas uw auteursgegevens aan...), maar hierna doemt  onmiddellijk de vraag op wie er schuil gaat achter de historische figuur 'schele Trijn'?


Dat uitvinden leek mij geen gemakkelijke klus. Ik ken slechts één uitgave die specifiek handelt over Amsterdamse volksfiguren uit de eerste helft van de twintigste eeuw, maar (natuurlijk) allesbehalve volledig is: "Had je me maar. Amsterdams straatleven en straatfiguren tussen 1900 en 1940" (Amsterdam, 1979). Een overzicht met negentiende eeuwse Amsterdamse straattypen en hun bijzonderheden bestaat helaas (nog) niet. Overigens bevolkten verschillende onder hen, zoals de Japaneesjes, Joedele Saar, de blikken dominee, Haantje pik enz. enz., de sfeervolle verhalen van Justus van Maurik (1846-1904) en/of zijn zoals Isaac (Jitschak haLevi) Gerrit Betel (1818-1886), alias Isaäk de schoenpoetser op de Dam, afgebeeld door Johan Braakensiek (1858-1940). In veel gevallen echter is hun ware naam c.q. identiteit onduidelijk.

Ik besloot om naar het Amsterdamse stadsarchief te gaan in de hoop om daar met wat hulp 'Trijns' ware identiteit te achterhalen. Mijn onderzoeksvraag was duidelijk en simpel. Welke (vis)vrouw met de naam Catharina (roepnaam 'Trijn') overleed in 1867 op achtentachtigjarige leeftijd en was afkomstig uit de Jordaan (Fransche pad)? 
En zo vond ik na een paar uurtjes zoeken via 'Transkribus' de overlijdensakte van een Rooms-katholieke Amsterdamse weduwe (van Joseph Scheepmaker en Piet Groen) die in de Willemstraat (Jordaan) op de gezegende leeftijd van 88 jaar overleed (zij werd geboren/gedoopt in Amsterdam op 1 november 1778). De leeftijd klopte en het oudste Amsterdamse bevolkingsregister gaf de bevestiging. Zij woonde rond 1850 aan de Goudsbloemgracht, alias het Fransche pad, in de Beerengang. Geen twijfel meer mogelijk; 'schele Trijn' (dochter van Antonie Stoffels en Hendrina Nijdeken) was Catharina Stoffels.

vrijdag 23 juni 2023

Straattypen, baliekluivers en schoenpoetsers


In januari van dit jaar kocht ik de vrij zeldzame uitgave "Amsterdam in 55 afbeeldingen" (H.D. Tjeenk Willink, Haarlem 1883), in originele roodlinnen stempelband bij antiquariaat Brinkman in Amsterdam voor veertig euro. Op het voorplat zat een stuk gesmolten plastic dat ik er met een haarföhn gelukkig af kreeg en het boekblok (niet genaaid maar gelijmd) hing in drie losse delen in de band. Ook dat kon ik met wat boekbinderslijm en zwartlinnen tape herstellen.
Het is een boekje (VIII (inhoudsopgave) en 64 ongenummerde bladzijden in octavo) dat in het Nederlands/Frans verscheen - speciaal voor binnen- en buitenlandse toeristen - ter gelegenheid van de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling (ook wel Amsterdamse wereldtentoonstelling) van 1883.


Zoals blijkt uit reclameadvertenties verscheen de uitgave behalve in roodlinnen ook ingenaaid in slappe kartonnen/papieren band voor vijfenzeventig cent (zie illustratie hieronder). 


In "De Amsterdammer: dagblad voor Nederland" van 19 mei 1883 vond ik een korte boekbespreking: "Tegelijk met de Indische verzameling is bij denzelfden uitgever verschenen, Amsterdam in 55 afbeeldingen. Uit de reeks van schoone illustraties in 'Eigen Haard' en elders voorkomende, heeft de uitgever ook hier een gelukkige keuze gedaan. 
't Nieuwe en 't oude Amsterdam is vertegenwoordigd. Vooral langs onze grachten zijn veele schoone punten weergegeven. Voor de Amsterdammers is 't een interessante verzameling, voor den vreemdeling zal het een aangename herinnering aan onze stad zijn. 't Is jammer dat 't boekje niet wat beter is ingenaaid, - eigenlijk is 't niet ingenaaid, maar ingeplakt, zoodat vooral tengevolge der dubbele platen de bladen spoedig los laten". Dat laatste verklaart waarom niet veel boekjes de tand des tijds hebben doorstaan en waarom je de illustraties vaak los kunt aantreffen in het antiquarisch circuit.


De 55 houtgravures geven verschillende bekende Amsterdamse stadsgezichten weer, enkele standbeelden en museale objecten, en ook wat afbeeldingen van het dagelijks leven zoals "een Amsterdamse bidder en dienstmeid", "Burgerweezen" en het sfeervolle "In de Jodenbuurt" (vervaardigd door Charles Laplante (1837-1903) dat oorspronkelijk verscheen in: "Le Tour du Monde" (1878).

De laatste afbeelding trok echter het meest mijn aandacht. Vier anonieme figuren die op een balustrade zitten en wat met elkaar keuvelen. Volgens het onderschrift zijn het "Straattypen" ("Types de la rue"). Dat wil ik best geloven, maar waarom staat er "In Memoriam" boven de afbeelding? Zijn de(ze) 'straattypen' dood?


Om dit raadsel op te lossen ging ik eerst maar eens op zoek naar het tijdschrift "Eigen Haard" (dat eveneens bij H.D. Tjeenk Willink in Haarlem verscheen) en waaruit volgens het krantenbericht talrijke illustraties waren ontleend. Bijna alle jaargangen uit de periode 1875 t/m 1883 staan online.
Ik had geluk! In jaargang 1882, op bladzijde 397 vond ik de afbeelding terug met daaronder een stukje getiteld: "De balie bij de Amsterdamsche beurs". Daaruit bleek al gauw dat het In Memoriam in verband stond met het verdwijnen van hun zitgelegenheid; het hekwerk voor de Beurs van Zocher!

"Men - dat is een van de autoriteiten der hoofdstad - heeft goedgevonden de balie, waaraan wij hier een 'In Memoriam' wijden (natuurlijk niet om het stuk ijzer, maar om de baliekluivers, die er dag aan dag op zaten) te laten wegbreken. Met den tak zijn ook de vogels verdwenen. Waar vlogen ze heen? Waarschijnlijk naar een andere balie, want de gewoonte is een tweede natuur. Doch bleven ze bij mekaar? Hebben ze hun leerrijke en onderhoudende gesprekken voortgezet? Of gingen zij ieder afzonderlijk onder in een nieuwe combinatie waarin zij zich met een meer ondergeschikte rol moeten vergenoegen? 't Zou jammer wezen. Hun inzichten in de politiek van den dag en vooral in de bewegingen en schommelingen van den handel hadden een eigenaardig karakter. Hun critiek was steeds van de radicaalste soort en zij bekeken alles, vooral wanneer het stadszaken betrof, steeds van den practischen kant. Daarbij was hun levensgeschiedenis werkelijk belangwekkender dan men bij den eersten oogopslag zou menen. Ze hadden niet altijd op de balie gezeten. De oudste was zelfs in den handel geweest, al was 't maar in de vodden; en de vierden man van zijn zitplaats af, was 't aan te zien dat hij lang op zee gezwalkt had en landen en volken gezien. Van den tweede in de rij kunnen wij niet veel raden; hij heeft zijn heele leven tot nog toe op los werk geloopen, doch de derde was stellig een filosoof, een diepdenker. 't Komt ons vrij gemakkelijk voor, uit deze gegevens eenige tamelijk waarschijnlijke gissingen te maken omtrent hun maatschappelijke en huiselijke zijn. Vindt gij dit niet de moeite waard, welnu, dan zullen wij maar aannemen, dat zij bij de balie behoorden en met de balie voorgoed verdwenen zijn".
De in 1882 weggebroken 'balie' (leuning) waarvan hier sprake is, is goed te zien op oude afbeeldingen, van het in 1903 gesloopte gebouw. Het zijn de paaltjes met daartussen hekwerk ter weerszijde van de ingang.


Volgens het onderschrift bij de illustratie in "Eigen Haard" werd de oorspronkelijke tekening voor deze houtgravure (door J. van Hoof) gemaakt door J.C. Greive Jr. (1837-1891), naar een schets van L.J. Eymer (1843-1895). Greive heeft wel meer illustraties gemaakt voor Amsterdamse uitgaven maar Eymer was mij onbekend. Hij was een amateur tekenaar die opgeleid was tot ingenieur. In die laatste hoedanigheid verwierf hij enige faam door zijn ontwerp van de ijzeren overkapping van het station Amsterdam Centraal, dat onder zijn toezicht werd uitgevoerd. 

Ik besloot ook nog even de beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam te raadplegen maar vond daar mijn straattypen niet terug. Toen ik vervolgens wat verder zocht deed ik een aardige ontdekking...
Het gaat om een pentekening van "Schoenpoetsers bij de ingang van de Beurs van Zocher, Dam. Voorstudie voor illustraties in een (niet uitgekomen) boek over Amsterdam". Verder staat er (nog) geen aanvullende informatie bij, behalve een datering die waarschijnlijk circa tien jaar te laat is, maar de tekening is duidelijk door Eymer linksonder gesigneerd en rechts staat 'a.d. Beurs' (ik informeerde inmiddels de beeldbank over mijn bevindingen). Hier zien we ongetwijfeld dezelfde vier figuren als op de houtgravure.
Deze 'straattypen' en 'baliekluivers' waren dus Amsterdamse schoenpoetsers en op de tekening staan ze (met hun poetskistjes) voor de Beurs, want 'de balie' waarop ze zaten is inmiddels weg...


Er is in het stadsarchief nog een andere pentekening van Eymer bekend van een eenzame schoenpoetser bij de beurs van Zocher (met achter hem nog zichtbaar hekwerk). Het gaat om: "Figuren voor de ingang van de Beurs van Zocher, Dam 1 bij de ingang aan de rechterzijde".


Daarnaast vond ik in de beeldbank nog twee pentekeningen van hem met (volks)figuren bij de beurs.
De eerste getiteld: "Een groepje bedelaars voor de trappen van de beurs van Zocher", en de tweede: "Allerlei figuren voor de ingang en op de trappen van de Beurs van Zocher". Al deze tekeningen zijn vermoedelijk rond 1880 gemaakt. Bij een aantal staat in de beschrijving de opmerking dat het voorstudies zijn voor een (niet verschenen?) boek over Amsterdam.


Helaas vond ik daarover geen nadere informatie. Maar net als "straattypen" (waarvan geen pentekening meer bekend is) zijn deze twee tekeningen van Eymer later gebruikt als illustratiemateriaal. Ze staan samen op de onderstaande fotolitho getiteld "Amsterdam", die in 1891 werd uitgegeven door drukkerij Roeloffzen & Hübner.


Wat Amsterdamse schoenpoetsers betreft, die bevonden zich destijds op de Dam vooral rondom 'Naatje', ons eerste nationale monument. “Het monument stond midden op de Dam. De borstwering om het waterlooze waterbassin diende vele schoenpoetsers, straatbengels, en leeglopers (Amsterdamsch: kringetjespugers, vanwege de gewoonte van baliekluivers om over brugleuningen te hangen en tabakspeeksel, afkomstig van de pruimen, oftewel keezen, in het water te spuwen) tot zitplaats” (H. Polak: “Amsterdam die groote stad…” (Amsterdam, MCMXXXVI, blz. 258). Met het verdwijnen van 'de balie' bij de beurs van Zocher waren de ‘baliekluivers' dus allerminst verdwenen en de afbeelding op de litho rechtsonder bevestigt dit.


Onder de straattypen die zich daar ophielden bevond zich ook Isaac (Jitschak haLevi) Gerrit Betel (1818-1886), een destijds bekende verschijning, die als Isaäk de schoenpoetser figureert in een verhaal van Justus van Maurik (1846-1904) getiteld: "Isaäk op den Dam". Isaäk werd vereeuwigd door de bekende tekenaar Johan Braakensiek (1858-1940) en staat ook op de voorkant van de volksuitgave met verhalen van Justus van Maurik (die - vanaf 1895 - in negen delen verscheen).


Toen ik het verhaal bij Van Maurik nog eens herlas kwam ik de volgende passage tegen...
"Tusschen elf en twaalf uur heb ik 't altijd druk door heel veel klanten, die gepoetst willen wezen voor ze naar de Beurs gaan, want tegen halféén zie je al van die kleine spikkelantjes op de kleine steentjes vóór de Beurs staan. Als 't hek om één uur geopend wordt, verkas ik met mijn bak van de monument naar de Beurs. 't Is een mooi gebouw. Van voren zou je er heel veel van denken, maar op zij en van achteren, awai! 't lijkt waarachtig de ark van Noach wel. Ze schrijven in de kranten, dat er binnenkort een nieuwe beurs zal komen, altijd als er geld genoeg is". Ik vermoed dat Isaäk behalve schoenpoetser ook een ouwe baliekluiver was…

maandag 26 mei 2014

De jus van de stad


Perkamentus bezocht afgelopen zondag (25 mei) de Amsterdamse boekenmarkt op de Dam. Behalve snuffelen en sneupen was ik er vooral vanwege de presentatie van het nieuwe boekje van Ewoud Sanders: “De handel en wandel van de boekenjood. Over vermaarde, vergeten en fictieve straatboekhandelaren”, (Heemstede, 2014).

Altijd leuk om te zien hoe een concept, waaraan ik mocht bijdragen, uiteindelijk wordt geboren en vormgegeven. Wat dat betreft ben ik bijzonder tevreden met Ewouds keuze voor een mooi gebonden uitgave, omdat het onderwerp dat verdient. Blij met mijn gesigneerde presentexemplaren maakte ik van ons een ‘selfie’.

Als er één onderwerp is dat bij uitstek behoort tot de bibliofiele en boekhistorische canon dan is het wel de ‘boekenjood’. Zelf heb ik er ook al eens over geschreven zoals u hier kunt lezen en ook mijn Engelstalige lezers hebben in “Holy Ground” kennis gemaakt met de Amsterdamse ‘book Jew’.


De geschiedenis van de ‘Boekenjood’ is taalkundig interessant en historisch erg boeiend. Er is bij mijn weten geen andere geloofsgroep waarvan zoveel woordsamenstellingen bestaan. Dan denk ik niet alleen aan verdwenen beroepsaanduidingen als ‘boekenjood’, ‘zuurjood’, ‘sinaasappeljood’ en ‘voddenjood’ (slechts vier van de ruim tachtig!) maar ook aan de smakelijke ‘jodenkoek’, het scheldwoord ‘kankerjood’ en de Amsterdamse ‘jodenhoek’ als geografische duiding.

Het woord ‘boekenjood’, waarvan de discriminerende connotatie pas na de Tweede Wereldoorlog extra werd gevoeld, duikt op in 1841 en is tot ongeveer 1950 in ruim honderd bronnen te vinden. Dat is niet veel maar het woord behoorde vooral tot de dagelijkse straattaal net als het beroep behoorde bij de straathandel en zijn sociale status bij het straatleven.

Dat straatleven van 1850 tot de Tweede Wereldoorlog kunnen wij ons niet meer voorstellen omdat het totaal verdwenen is. Wie iets wil proeven van de sfeer, de romantiek, de ellende, de humor en vooral de bittere armoe en sociale ongelijkheid van toen, moet de boeken van Justus van Maurik (1846-1904) lezen. Geen ander schrijver heeft het Amsterdamse straatleven van eind 19de eeuw in al zijn facetten zo indringend beschreven als deze sigarenfabrikant.
Op de volksuitgave in mijn bibliotheek van zijn populaire serie novellen die eind 19de eeuw verscheen bij Van Holkema & Warendorf (Amsterdam) staat niet voor niets de op de Dam werkende Joodse straatfiguur Isaäk de schoenpoetser. Van Maurik is ook de auteur van “Toen ik nog jong was” (Amsterdam 1901), één van mijn laatste aanwinsten en een pareltje in de schaarse literatuur over het volkse straatleven, de straathandel en de talloze historische typetjes die daarin figureerden.


“Bekende straattypen waren tusschen de spelende jeugd altijd te vinden en vooral de blikken Dominee kwam met kermis eensklaps tevoorschijn, na soms maanden lang onzichtbaar te zijn gebleven. Hij was een allerzonderlingste verschijning, een man met een ascetisch voorkomen, lang grijs haar en een sterk Willemstraatsch accent. Meestal liep hij op klompen, soms op één klomp en één schoen – waarschijnlijk al naar gelang hij verstrooid was of niet – of de ‘geest’ had in de meerdere of mindere mate. Behalve een stok, die hem een steun, maar ook een wapen was nu en dan, droeg hij een zakbijbel, een pak tractaatjes en den blikken trommel met obliën mede, waaraan hij zijn bijnaam dankte.


Op de steigers, op de stoepen, of midden op straat, verzamelde hij jeugd en ouderdom om zich heen, maakte ruimte met zijn stok, ging midden in den kring staan en begon met een gebed. Daarna hield hij een soort preek over ‘de verdorvenheid des vleesches, de verkankering des gemoeds en de gifplanten der zonden die op de mesthoopen der menschenzielen ontspruiten. Hij wees op de Genade, de barmhartigheid en de reinwassching door ’t bloed…. En eindigde met obliën te verkoopen. – Lekkere, varse, zelver gebakken obliën!
Lukte de negotie, dan zei hij tot de koopers een zalvend: ‘Dankie wel hoor! Dat ’s Heeren zegen op u daal’! Maar als het Debiet onder nul bleef – en de jongens hem in de maling namen, zwol de toornader op zijn voorhoofd, zijn mond vertrok zich nijdig en tusschen de enkele stompjes tand, die hem nog trouw waren gebleven, door siste hij zijn belagers de woorden: ‘Amalekieten, Philistijnen, Edomieten… krengekoppen’ toe!
Dan ging hij verder, scheldend en razend, totdat ‘de Geest’ eensklaps weer over hem vaardig werd en hem deed staan, terwijl hij zich op de borst slaande, uitriep: ‘O, Heere! Heere! Wees mij arme zondaar genadig… oblië-en! Varse, lekkere 
oblië-en!” (blz. 51/52).


Figuren als de blikken Dominee waren er legio. Op deze, ruim een eeuw geleden verstuurde kaart ‘Amstel’s Oude Garde’, staan er een paar. Straatmuzikanten als Joedele Saar, de Japaneesjes en blinde Dirk de fluitist. Liedjesverkopers als Meyer de rijmer en Haantje Pik maar ook kleine zelfstandigen als Joseph de schoenpoetser (bij De Munt).
Scharrelaars die probeerden te overleven samen met ‘porsters’, ‘snorders’, ‘bruggentrekkers’, ‘standwerkers’ en ‘boekenjoden’.
Ze vormden de jus van de stad maar de wereld waarin ze leefden en werkten is verdwenen. Wat rest zijn verhalen die het verdienen om gelezen te worden. Jus, maar dan gestold in boekjes als “De handel en wandel van de boekenjood”.