Posts tonen met het label Friedesche Molen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Friedesche Molen. Alle posts tonen

vrijdag 19 juni 2015

I Amsterdammer

Op elke boekenmarkt staan ook kramen die ‘oude papieren’ (ephemera) verkopen.
Daarbij kun je denken aan reclameblaadjes, kwitanties, briefpapier, oude aandelen, losse vellen sierpapier maar soms ook archivalia zoals hypotheekakten op papier en perkament, begrafenisbriefjes, kasboekjes, schuldbewijzen etc.

‘Vieux papiers’ noemde Caspar Wechgelaer dat in één van zijn artikelen in Boekenpost (november/december 2011, nr. 116).
Het leuke is natuurlijk dat het vaak om unica gaat die meestal voor weinig geld van eigenaar wisselen.

Op de afgelopen Amsterdamse boekenmarkt, zondag 14 juni aan de Amstel, stond ik wat langer stil bij de kraam van Hein van Stekelenburg, de uitbater van antiquariaat ‘De Friedesche Molen’ in de Rosmarijnsteeg. Ik mag graag met Hein kletsen over het wereldje onder het genot van een sigaartje. Dat sigaartje was nu afwezig (ik was wat verkouden) maar het kletsen ging me desondanks goed af terwijl ik quasi achteloos wat heen en weer bladerde in Heins’ mappen met ‘vieux papiers’.

Het eerste waar mijn oog op viel was een soort kwitantie van rond 1870 van het fregatschip ‘Bilderdijk’ op weg naar Batavia (Indonesië). Leuk dat er al zo snel na het overlijden van onze gefnuikte arend Willem Bilderdijk (1756-1831) een schip naar hem was vernoemd.
Intussen was Bilderdijk-kenner Marinus van Hattum met zijn vrouw bij het gesprek aangeschoven en wees ik hem op dit curiosum in de map dat slechts tien euro moest kosten. De beste man twijfelde natuurlijk geen ogenblik en bedankte hartelijk voor mijn opmerkzaamheid.
Perkamentus gunt ook andere verzamelaars een buitenkansje!

Al kletsend bladerend of was het bladerend kletsend (?) was ik ondertussen op twee Amsterdamse poorterbewijzen gestuit gedeeltelijk gedrukt op perkament.
Eén ten name van (korendrager en schuitenvoerder) Coert Buijke 'van Stem' (het Duitse gehucht Stemmen bij Varenholz, thans gemeente Kalletal/Noordrijn-Westfalen) gedateerd 15 februari 1760 en de ander op naam van de in 1785 in Amsterdam geboren Daniel van Munster gedateerd 8 september 1807.
Ik kocht ze beide voor vijfenzestig euro en dat is een goede (vrienden)prijs!


Met deze aankoop ging een oude wens in vervulling.
Ik was veertien toen in 1975 het zevenhonderdjarig bestaan van Amsterdam werd gevierd. Natuurlijk verzamelde ik alles wat daarmee te maken had. Kranten, blaadjes, advertenties, bierviltjes, de ‘toverdoos’ met zijn wandelkaartjes, eerste dag enveloppen enz. enz.
In de RAI vonden destijds de Amsterdam 700-festiviteiten plaats (van 24 tot en met 29 juni 1975), onder de titel ‘Mokum 700’. Die bezocht de kleine Perkamentus natuurlijk ook.
Je betaalde er met ‘florijnen’ (ook die heb ik nog) en de toegangspas heette een ‘poorterbewijs’. Vanaf dat moment stond het bezit van een authentiek Amsterdams poorterbewijs hoog op mijn wensenlijstje. Na veertig jaar was de tijd rijp en het moment daar om die wens te vervullen.

Poorterbewijzen (ook wel poorterbriefjes, poorterakten of poortercedulen) zijn in Amsterdam vanaf de 16de eeuw tot 1811 verstrekt aan inwoners van de stad Amsterdam (maar ook in andere steden) die de eed hadden afgelegd en poorter waren geworden.
Poorter worden kon op drie manieren. Door geboorte (en als je vader Amsterdams poorter was) zoals bij Daniel van Munster. Door te trouwen met een Amsterdamse vrouw die geboren poorter, dochter van een poorter of weduwe van een poorter was of door betaling van een som geld zoals Coert Buijke deed.
Joden moesten hun poorterschap altijd kopen, zelfs al was hun vader Amsterdams poorter en waren ze geboren in Amsterdam.
Aan het poorterschap waren (administratieve) kosten verbonden die niet iedereen kon betalen. Ongeveer vijfentwintig procent van de Amsterdamse stadsbevolking was poorter.

Als poorter telde je in de stad pas mee. Je kon dan lid worden van een gilde of je eigen handel starten, je kon stedelijke functies gaan vervullen, je genoot vrijstelling van betaling van tol en – niet onbelangrijk - mochten je kinderen onverhoopt wees worden dan hadden ze recht op een plaatsje in het stedelijk Burgerweeshuis.


De tekst van Amsterdamse poortereed bleef tot in de tweede helft van de achttiende eeuw vrijwel ongewijzigd. Daarna werd ze enige malen aangepast aan de veranderende staatkundige situatie. Zo moest een aspirant poorter nadat Prins Willem V (1748-1806) in 1766 als stadhouder aantrad ook trouw beloven aan het gewestelijk bestuur van Holland en West-Friesland. Vanaf 27 februari 1795 stond er boven de poortereed: ‘Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap’ (zonder het Amsterdamse stadswapen) en legde men de eed af voor het Comité van Algemeen Welzijn. De aspirant poorter zweerde nu dat hij zich als burger van de stad zou gedragen naar de “Rechten van den Mensch en Burger, zodanig die bij de Publicatie der Provisioneele Representanten van het Volk van Holland in dato 31 Januarij 1795 zijn verklaard”.
In 1802 verdwijnt de vrijheidsleuze bovenaan het cedul weer evenals de geciteerde passage. Vanaf 12 maart 1803 ging de macht over op vijf uit de raad gekozen wethouders in wier handen voortaan de eed werd afgelegd. In 1808 vindt een bestuurlijke reorganisatie plaats. Het Koninkrijk Holland is ingesteld en tot eind 1811 neemt een burgemeester (soms ‘Maire’ genoemd) de eed af.


Een aardig inhoudelijk detail vind ik dat ‘Waken’ en ‘Byten’ in de tekst van mijn oudste poortereed. Mannelijke poorters waren namelijk verplicht in tijd van gevaar en nood de wacht te betrekken en in de winter als het vroor hulp te verlenen bij het hakken van bijten in het ijs (brandpreventie!). Bij vrouwelijke poorters werden deze woorden overgeslagen!

Als bewijs van poorterschap ontving men een op ‘francyn’ c.q. perkament gedrukt poorterbewijs. Vele poorters hadden hun cedul op zak, getuige de vouwen in het perkament. Die van mij liggen nu in een zuurvrij mapje in een archiefdoos.
Ik was al Amsterdammer maar voel me nu ook poorter…


Naschrift

Het uitreiken van imitatie poorterbewijzen tijdens de Amsterdam 700-festiviteiten in 1975 was niet nieuw. Ook aan de bezoekers van de Tentoonstelling van het Hotel- en Reiswezen in 1895, met als hoofdattractie: “der Stede van Oudt-Hollandt”, werden exemplaren uitgereikt.
In ruim vijf maanden trok destijds een dorp van nagebouwde Amsterdamse huizen op het terrein achter het Rijksmuseum (waar thans de siervijver is) een miljoen bezoekers. Pronkstuk vormde een getrouwe nabootsing van het middeleeuwse Amsterdamse stadhuis, dat in het echt in 1652 afbrandde. Opdrachtgever van het circa 80 panden grote stadje was de Nederlandse Hotelhouders Bond. Imitatie poorterbewijzen uit 1895 kom je antiquarisch niet zo vaak tegen. Pas zeer recent kon ik de ‘Poorter Eed’ van de Haagse Henriette Stang bemachtigen.

zaterdag 20 augustus 2011

De neuzen-revue

“Ik heb wat voor je”, zei Hein van antiquariaat De Friedesche Molen toen ik langs zijn kraam liep op de afgelopen Dordtse boekenmarkt; “een aanvulling voor je neuzenbibliotheek”!
Toen ik een week later verwachtingsvol zijn winkel in de Amsterdamse Rosmarijnsteeg binnenliep lag daar een fraai exemplaar klaar van de “Neuzen-revue. Voor een onbeperkt aantal Dames en Heeren, of ieder afzonderlijk”, door D. Junior met muziek van Léonce (Groning, ca. 1910).

Zoals ik al in het eerste deel van ‘De neuzenbibliotheek’ schreef wist ik wel dat er een neuzen-revue bestond (naast een neuzenlied), maar vind er maar eens één!
Mijn nieuwe aanwinst bevat naast de muziek voor de pianopartij, het eerste couplet en het refrein. De achterzijde is blanco.
Op de fraaie voorkant, in driekleurendruk, staat dat deze uitgave zestig cent kostte. Daarnaast was er een los vel met uitsluitend de tekst verkrijgbaar voor twintig cent. In de collectie van ‘Het geheugen van Nederland’ ontbreekt een exemplaar - zoals dat van mij - met de pianopartij. Wel beschikken zij over het losse vel met de tekst (in tweede druk). Duidelijk zichtbaar is dat daarop nog vijf vervolgcoupletten staan.
Bij uitgever J.D. Dijk in Groningen verschenen talloze van dergelijke uitgave op deze wijze, zoals rond 1925, “De Kiesrechtdames”. Eén vel bladmuziek met het eerste couplet plus refrein en een los verkrijgbaar tekstblad met meerdere coupletten. Voor de muziek maakte het allemaal niet uit, die bleef natuurlijk voor alle coupletten hetzelfde.
Nu nog even bij de buurvrouw langs om te horen hoe de pianomuziek klinkt. In de tussentijd kan Hein voor mijn neuzenbibliotheek verder zoeken naar de afzonderlijk uitgegeven tekst (a twintig cent) en naar een exemplaar van het neuzenlied!
Hein…?

donderdag 22 april 2010

Antiquariaat en rozemarijn


Ik ben wel een echte Bourgondiër en mag graag kokkerellen. Daarbij schuw ik de kruidenpotjes niet en volgens mijn partner en dochter gebruik ik daarvan teveel. Onzin natuurlijk! Neem nou een goede lamsbout, daarbij hoort vanzelfsprekend knoflook en verse geurende rozemarijn. À propos…Wie op boekenjacht gaat in hartje Amsterdam ontkomt niet aan de Rosmarijnsteeg.
Alweer vele jaren geleden zat hier op de hoek met de Nieuwezijds Voorburgwal (op de foto links) de befaamde Simon Emmering. Tegenwoordig loop ik over de smalle stoepjes (rechts) langs De Friedesche Molen waar ik zo af en toe onder het genot van een sigaartje met Hein over ‘het wereldje’ ouwehoer en buurman Just en -vrouw Christianne waken over hun grote verzameling Klassieken in Straat antiquaren. Als je vervolgens doorloopt en de Spuistraat oversteekt, naar de Raamsteeg, kom je al gauw bij de prentenhandel van Eduard van Dishoeck wiens etalage ik het liefst bewonder met een koel glas Oude Geuze Boon vanuit het tegenovergelegen biercafé Gollem. ‘Last but not least’ zit op de hoek van deze steeg en de Singelgracht, antiquariaat Brinkman (waar Frank meestal bedrijvig heen en weer loopt en de oude Brinkman aan zijn pijp lurkt!).

Ik heb overigens in geen van deze antiquariaten mijn (in perkament gebonden) exemplaar gekocht van Ludolph Smids: “Schatkamer der Nederlandsse oudheden of woordenboek, behelsende Nederlands Steden en Dorpen, Kasteelen, Sloten en Heeren Huysen, Oude Volkeren, Rievieren, Vermaarde Luyden in Staat en Oorlogh, Oudheden, Gewoontes en Lands wysen” (Amsterdam, 1711). Toch was het Smids die mij in gedachten meenam naar de Rosmarijnsteeg en daarover iets curieus wist te vermelden.
Ludolph Smids (1649-1720) was een veelzijdig man. Arts, dichter, geschiedkundige en schrijver. Zijn bovengenoemde boek, feitelijk een soort encyclopedie, is gewild om de zestig illustraties van met name kasteelruïnes, door Jacobus Schijnvoet (1685-na 1733) vaak naar Roelant Roghman (1627-1692). Velen daarvan bezocht Smids zelf (“…ging ik het selve besien, onder een dichten slaghregen komende van…”).

Zijn commentaar op bepaalde onderwerpen of gebeurtenissen is levendig en soms ronduit grappig. Heel toepasselijk en met enige spot besloot hij zijn boek met een zelfgemaakt gedicht:
“En hier mee sluit het werk. Gy schriften laat u drukken;
Gaat heen: doch als gy syt voltooit en in een band,
Denk vry het sal u gaan als all myn Andre stukken,
Wat heeft de nyd daar niet wel op gelekkertand:
Doch hou u stil; gelyk de dogg, die sich laat quellen,
En hoord de keffertjes niet meerder als haar bellen.
”


Terug naar de Rosmarijnsteeg. Eén van de lemma's die Ludolph Smids behandelt is de Dood. Verschillende typische gebruiken en gewoontes worden beschreven: “Te Amsteldam is, noch voor weinige jaaren, ontrent het overlyden van kinderen, het volgende gebruik geweest. Men steekt een bedstok uit, ontrent de deur, met palm vercierd. Aan het einde word een neus-doek, aan de vier tippen met strikjes opgedaan, over een hoep gehangen. Midden op de gemelde doek word een wasse popje (nu jongetje nu meisje) op een kussentje sittende, vast gemaakt. Deese opschik, naar der ouderen geringer of ryker stand, slechter of opsichtelyker, haaldemen van de Verciersters uit de Rosmarynsteegh”.


De rozemarijn van deze ‘Verciersters’ had dus niks te maken met het smakelijk maken van een maaltijd maar met het verdrijven van onwelriekende geurtjes, in dit geval de weeïge geur van ontbinding. Dat gebruik van geurige bloemen, planten en kruiden, in bosjes, kransen of los bij een overlijden maar ook bij andere hoogte- en dieptepunten in het menselijk leven zoals geboorte en huwelijk bestaat nog steeds, al gaat het ons nu meer om de fleur dan om het verdrijven van de geur! Een bijzondere aanvulling op Smids vond ik nog in het bekende werk: “De Uithangteekens, in verband met Geschiedenis en Volksleven beschouwd” (Amsterdam, 1867-1868) van J. ter Gouw en mr. J. van Lennep.


“De Verciersters, die in de 17de eeuw haar kwartier in de Rosmarijnsteeg hadden, maar later door de gansche stad verspreid raakten, hadden een cierlijk en bevallig uithangteeken. – de Verciersterskastjes, die sinds eenige jaren gansch verdwenen zijn. ’t Waren glazekastjes, die een half achtkant vormden, en met de platte zijde tegen den gevel hingen, - waarin rosmarijn, kransjes, bloemtakken, en in ’t midden de dominé op den preekstoel, en een bruid en bruidegom voor hem. Zoo werden, in vroeger tijd, de oogen der jeugd, heel de stad door, steeds met die lieflijke voorstelling gestreeld wat een zoet vooruitzicht voor den geest bracht. ’t Is echter maar beter, dat ze er niet meer zijn; de jeugd zou er toch niet meer bij kunnen staan kijken. Dat ging goed toen er stoepen waren, waarin men veilig stond; op de trottoirs staat men niet, maar loopt er of wordt omvergeloopen” (deel 1, blz. 121/122).

In gedachten zie ik ze hangen. Een Rosmarijnsteeg vol kleine welriekende etalagekastjes. Als ik hier binnenkort weer langs antiquaren loop zal ik nog vaak denken aan de ‘Verciersters’ en hun geurige rozemarijn (en wat minder aan lamsbout)!