Posts tonen met het label Antiek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Antiek. Alle posts tonen

vrijdag 20 juni 2014

Coster in beeld


Zo af en toe fietst er op dit blog een vondst doorheen die niet de vorm heeft van een boek. Als antiquarius ben ik immers ook geïnteresseerd in historische objecten zoals een mysterieus profaan middeleeuws insigne, een Sumerisch kleitablet (de oudste tekst in mijn collectie) of een zeldzaam achttiende eeuws ‘verklikkertje’.

Antiek of curiosa past wat mij betreft goed bij (oude) boeken en u kunt dat ook zelf constateren als u wat van de fotografische stillevens bekijkt die ik af en toe maak. Dat er dus wel eens spannend antiek in een tweedehands boekwinkel staat en wordt verkocht – zeker als dat boekgerelateerd is – komt voor mij niet als een verrassing. Het bevordert weliswaar de bekende naamsverwarring tussen de antiquair en de antiquaar maar ik neem dat verder niemand kwalijk.


Tot nog toe was een antieke boekenpers kopieerpers het meest boekgerelateerde object tussen mijn boekenstapels. Sinds kort zijn de stapels weg dankzij de komst van twee extra boekenkasten begin vorige week (van zes propvolle Ikea Billy boekenkasten promoveerde ik naar acht). De fraaie kopieerpers kwam zodoende weer vrij te staan maar dat bleek van korte duur. Sinds afgelopen woensdag staat er namelijk een bibliofiel object naast!

Dat ging zo. Ruim een week geleden zocht ik weer eens op Marktplaats en typte ik zoals gebruikelijk wat trefwoorden in om te kijken naar het resultaat. Het trefwoord ‘Gutenberg’ leverde een verrassing op in de vorm van een bijna dertig centimeter hoog beeldje (zie collage geheel bovenaan) van Laurens Janszoon Coster! Als chauvinistisch bibliofiel kan ik mij de verwarring Gutenberg-Coster voorstellen, als boekhistorisch liefhebber niet, maar daar gaat het nu niet om.

Het was mij bekend, zeker na het schrijven van ‘Boekjes voor ‘Lautje’, dat er naar aanleiding van de onthulling van het Costerbeeld van Louis Royer (1793-1868) op de Haarlemse Grote Markt (op 16 juli 1856) diverse prullaria memorabilia verschenen voor een breed publiek. In het boekje van Lotte Hellinga-Querido en Clemens de Wolf: “Laurens Janszoon Coster was zijn naam” (Haarlem, 1988) lezen we daarover: “Het beeld was te koop op grote en kleine litho’s, op gedenkpenningen in brons en zilver, op schilderijtjes in papier-maché en als replica in diverse maten in brons en zink en in pleister en hout” (blz. 118).

Bron voor deze informatie is natuurlijk het jubelboek van ‘costerbeliever’ J.J.F. Noordziek: “Gedenkboek der Coster-feesten van 15, 16 en 17 juli 1856” (Haarlem, 1858). Op bladzijde 272 treffen we een uitgebreid prijslijstje aan van de diverse verkrijgbare ‘statuetten’.
In metaal waren er twee ontwerpen.
De goedkoopste replica’s (zie afbeelding links) werden vervaardigd door de gieterij van Enthoven & Co. te ’s Gravenhage en waren te koop bij de Haarlemse boekhandelaar J.J. van Brederode. Een beeldje in brons (0.47 cm. hoog) kostte vijfennegentig gulden en de variant in zink drieënzeventig gulden. Ze waren ook een maatje kleiner verkrijgbaar (0.25 cm. hoog). Voor een exemplaar in brons betaalde men dan achttien gulden en in zink acht gulden en vijftig cent.

De duurste, artistiek meest fraaie uitgave (zie afbeelding rechts) kwam van de Gebr. Lurasco te Amsterdam. Dit in brons gegoten beeldje (0.48 cm. hoog) was vervaardigd naar een klein model van Royer zelf en verkrijgbaar via de Haarlemse boek- en kunsthandelaar C. van Asperen van der Velde. Het kostte een voor die tijd formidabele honderd vijfentwintig gulden. Koopwaar uitsluitend voor gefortuneerden dus en dat gold eigenlijk voor alle beeldjes. Het gemiddelde weekloon bedroeg destijds slechts acht a negen gulden waardoor ze voor de overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking een onbereikbare luxe waren.

De oplage van de beeldjes is (mij) verder niet bekend maar gemeengoed is het niet geweest. In de loop der tijd zullen er velen bij de handelaar in oud metaal zijn beland, zeker nadat Laurens Janszoon Coster definitief was afgeschreven als uitvinder van de boekdrukkunst.
Een enkele keer duikt er een beeldje op via de veiling, vaak de kostbaarste uitgave van Lurasco, waarvoor inmiddels forse bedragen moeten worden betaald. De goedkopere uitgaven van Enthoven in brons of zink, groot en klein, ben ik nog niet tegengekomen (en dat geldt ook voor de houten - en pleistervariant).

Het beeldje dat mij via Marktplaats bereikte komt van iemand die werkzaam was in de grafische industrie. Het is wat grof gemodelleerd en verschilt op enkele details met de beeldjes uit 1856, zoals de hoed en de sokkel. Het is massief, doet metaalachtig aan maar is niet gesigneerd. Alleen op de achterkant staat op de boomstam een soort merk (een O met een staartje).

Vermoedelijk is het (nog) geen antiek. De enige andere moderne replica die ik ken (hier links) is een 32 centimeter hoog model in roodbruine kunsthars uit 1978, gemaakt door beeldhouwer Wim Jonker (1920-1993).
Wie het weet mag het zeggen. Voorlopig blijft de herkomst van mijn exemplaar een raadsel en eerlijk gezegd; ik hou daar wel van!

vrijdag 21 december 2012

Naamsverwarring

De antiquair, een handelaar in oude kunst, sier- of gebruiksvoorwerpen, wordt menigmaal verward met de antiquaar wiens handel zich beperkt tot min of meer oud drukwerk, vooral boeken.

De verwarring is begrijpelijk.
Zeker als je bedenkt dat menig antiquair ook wel eens een oud prentje of boekje verhandeld. Andersom, een antiquaar die bijvoorbeeld antiek zilver of meubels verkoopt, komt vrijwel niet voor.
Als antiquair lid worden van de ‘Nederlandse Vereeniging van Antiquaren’ (NVvA) is niet mogelijk maar antiquaren kunnen wel lid zijn van de club van antiquairs; ‘De Vereeniging van Handelaren in Oude Kunst’ (VHOK).
Zowel de VHOK als de NVvA bestaan al geruime tijd, de eerste sinds 1911 en de tweede sinds 1935. Van beide bezit ik het (van harte aanbevolen) jubileumboek met een overzicht van de geschiedenis en de ontwikkeling van de desbetreffende ‘vereeniging’.


Als het gaat om boeken over deze beroepsgroepen, hun handel en klanten, dan heeft de bibliofiel meer geluk dan de liefhebber van oude kunst en antieke voorwerpen. Over boekhandel en antiquariaat zijn namelijk – hoe kan het ook anders - meer boeken verschenen dan over de wereld van de antiquair. Alleen als het gaat het om verhalen over het persoonlijke wel en wee van deze figuren is er een overeenkomst te bespeuren. Noch de antiquaar noch de antiquair geven graag hun memoires prijs aan het papier. Van de eerste ken ik maar een handvol uitgaven en van de laatste slechts één, het boekje van Saam Nijstad (1922-2011): “Van antiquair tot kunsthandelaar. Leven en werk van Saam Nijstad en zijn ontmoeting met de Nieuwe Wereld” (Zwolle, 2004).


De antiquair en antiquaar zijn familie van elkaar. Aan beide woorden ligt het Latijnse antiquarius ten grondslag. Een oude term waarmee de liefhebber van oudheden wordt bedoeld, zoals ikzelf.
Tot de ‘antiquariï’ behoorden veel bekende bibliofielen. Naast boeken en manuscripten ging hun interesse ook uit naar de vaderlandse geschiedenis, archeologie, sfragistiek en numismatiek. Ze verzamelden antieke (gebruiks)voorwerpen, munten en penningen en publiceerden daarover zoals mr. Gerard van Loon (1683-1758). Met hem maakten we al eerder kennis. Anderen, zoals Cornelis van Alkemade (1654-1737) en zijn schoonzoon mr. Pieter van der Schelling (1691-1750), waren vooral geïnteresseerd in oude gebruiken en gewoonten.


Zowel de handel in antiek als oud drukwerk kent een lange traditie. Van beiden zijn al vroeg de ‘pareltjes’ verhandeld en verzameld. In de loop der tijd zijn de meeste topstukken wel in een museum of bibliotheek terechtgekomen. Een schilderij van Rembrandt of de Gutenbergbijbel worden nog maar zeer zelden op de open markt aangeboden.
Veel antiek, zoals deze lege wijnfles en roemer uit de achttiende eeuw, was vroeger gewoon veelvoorkomend gebruiksgoed en werd niet bewaard maar weggegooid. Archeologen vinden daarvan veel terug. Met papier is dat anders. Juist van het in grote hoeveelheden uitgegeven populair drukwerk, zoals almanakjes, nieuwstijdingen en liedjes is vaak bar weinig overgebleven.

De antiquaar en antiquair kennen een select publiek van liefhebbers. Zowel boeken (oud of nieuw) als antiek (kunst of gebruiksvoorwerp) zijn tegenwoordig niet echt ‘hot’, te oordelen naar de wooninrichting- en huisstylingprogramma’s op TV.
Ik vermoed dat er desondanks meer (winkel)antiquariaten verdwijnen dan antiquairs. Ik ken ook (nog) geen verzendantiquairs, wel verzendantiquariaten.

Een wezenlijk verschil tussen antieke voorwerpen en boeken is dat het bij de eerste vooral draait om esthetische waarden en bij de laatste vooral om de informatieve waarde. Het boek is in de eerste plaats informatiedrager. Maar om alleen kennis te nemen van de tekst hoef je tegenwoordig veel boeken niet meer te kopen en heb je dus ook geen antiquaar meer nodig.

Een ander verschil is dat vooral antiek last heeft van moderne vervalsingen die veel op internet worden aangeboden. Geknoei met oude boeken kom je daar ook wel tegen maar een moderne vervalsingen van een zeventiende of achttiende eeuws boek nooit. Het zal wel niet lonend zijn en lijkt mij ook een stuk moeilijker al was het maar omdat elke rechtgeaarde bibliofiel zijn neus gebruikt!

Want of ik nou mijn middeleeuwse Pingsdorf beker of vroeg negentiende eeuws koperen scheerbekken besnuffel (en beide zijn echt!).
Ik ruikt helemaal niks. Maar de geur van boeken, (lompen)papier, drukinkt, oud leer of perkament is onmiskenbaar en onvervalsbaar.




“Waar ben ik met mijn pijl en boog
Op uit? Is het de boekengeur?
Ik ruik aan stapels, torenhoog,
Tot ik daartussen iets bespeur
Wat ruikt naar poeder, eeuwenoud,
Door boekenwurmen opgewoeld,
Of naar een bordje havermout –
Er is geen geur die me bekoelt.
Al stinkt een boek naar zalf of teer,
Er is nog altijd plaats voor meer.” 

(Gerrit Komrij: “Ballade van de boekenjager”, Eindhoven 2008)

maandag 24 september 2012

Boeken. Sigaartje erbij?

Sir Winston Churchill (1874-1965) zag je zelden zonder sigaar.
Toen de bekende Britse ijdeltuit veldmaarschalk Bernard Montgomery (1887-1976) eens opmerkte: “Ik drink niet, ik rook niet, ik slaap veel, daarom ben ik voor 100% in vorm”, antwoordde Churchill: “Ik drink veel, ik slaap weinig en ik rook sigaar op sigaar. Daarom ben ik 200% in vorm”.

Ik zou niet willen beweren dat sigaren mij in vorm houden, maar sinds mijn studietijd rook ik graag (en regelmatig) een sigaartje (nee, ik ben niet de ‘trouwe vriend’ in dit toepasselijke stukje).
Zoals elke beginner rookte ik aanvankelijk van alles, verschillende merken, formaten, rijp en groen door elkaar. Pas na enige tijd ontwikkel je een eigen smaak (want daarom draait het bij sigaren) en voorkeur.
Voor mij geen grote Cubaanse sigaren (longfillers), want die vind ik persoonlijk niet zo lekker, maar sigaren als ‘La Paz Wilde’ (shortfillers). Soms veroorloof ik mij een wat luxer type zoals ‘Olifant Panatella Vintage’, wat mij betreft nog steeds de lekkerste sigaar, en een doodenkele keer koop ik een extra luxe sigaar zoals de ‘Hajenius Corona Sumatra’. Voor die laatste moet je echt gaan zitten en even de tijd nemen!

Binnenshuis rook ik eigenlijk nooit. Meestal zit ik buiten in de tuin met een boekje, koffie en een sigaar maar ook op de boekenmarkt slenter ik graag van stalletje naar stalletje met een sigaartje. Soms tot irritatie van medesnuffelaars die mopperend plaatsmaken (en dat is precies mijn bedoeling), soms tot genoegen van iemand die zelf sigaren rookt of die daar herinneringen aan heeft (‘Ooooh mijnheer, zo rook het altijd bij mijn grootvader…’).
Een grootverbruiker als Koning Faroek I van Egypte (1920-1965), die regelmatig in Genève nooit minder dan 5.000 sigaren per bezoek kocht, ben ik niet. Gemiddeld één sigaar per drie dagen en zelden meer dan twee sigaren op één dag. Ik kan ook heel goed zonder, soms wekenlang niets en dan opeens begint het weer te kriebelen.
Vaak is daar een aanleiding voor zoals laatst toen ik bij mijn favoriete kringloopwinkel het boekje “De Nederlandse Sigaar. De wereld van puur genieten” (Eindhoven, 1998) tegenkwam voor € 1,25.
Een dag later kocht ik een doosje Hajenius Corona Sumatra, stak er een op en bladerde naar de beschrijving op bladzijde 131. Behalve wat objectieve gegevens zoals formaat en samenstelling staat er, net als in wijngidsen, ook een beschrijving van de ‘Geur’, ‘Smaak’, ‘Balans’ en ‘Nasmaak’. Zó nadrukkelijk herken ik dat allemaal niet maar net als bij wijn ben ik ook geen echte sigarenkenner.


Ik bezit een klein aantal boekjes over sigaren (roken). Eén ervan, “De kunst van het sigaren roken. Vier fanaten geven hun geheimen prijs” (‘s-Gravenhage, 2005) ontving ik een aantal jaren geleden tijdens de cursus ‘Genietend Roken’ bij het bekende Amsterdamse sigarenhuis Hajenius. Een leerzame en bijzonder leuke ervaring die ik iedere liefhebber kan aanraden.
De andere uitgaven kwamen in de loop der jaren tot mij zoals dat van de beroemde Zino Davidoff (1906-1993): “Het boek van de sigaar” (Amsterdam, 1989).

Als antiquarius heb ik ook een tijdje antieke objecten verzameld die bij mijn sigaren roken pasten. Zo kocht ik jaren terug in Den Haag twee fraaie eind negentiende eeuws gefineerde houten kistjes. Een kleine (‘cigares’) waarin ik mijn La Paz - en Olifantsigaren bewaar en een grotere (‘tabac’) voor mijn Hajenius sigaren.
Beiden staan overigens regelmatig leeg, want boeken kosten ook geld en als ik moet kiezen, kies ik voor boeken!
Daarnaast bemachtigde ik via Marktplaats een prachtige gestoken Engelse Sterling zilveren sigarendoos voor onderweg (gemaakt door Samuel M. Levi in 1900 in Birmingham) waarin vier tot vijf sigaren passen (De letter B liet ik er later ingraveren). Alleen voor bijzondere gelegenheden natuurlijk en om indruk te maken, meestal neem ik mijn lelijke stalen sigarenkoker mee waarin twee sigaren passen.


Ook in de boekenwereld behoort het nuttigen van tabak tot de vaste rituelen.
De fameuze Joodse boekhandelaar Barend Boekman (1869-1942) rookte sigaren. De oude (Henk) Brinkman van het gelijknamige Amsterdamse antiquariaat rookte pijp en vond het niet erg als ik met een sigaartje door zijn voorraad snuffelde. Om de hoek, in de Rosmarijnsteeg, bij antiquariaat Straat en De Friedesche Molen houden ze ook van tabak en is het roken van een sigaar geen probleem. Vaak kan ik aan boeken ruiken of de laatste eigenaar een roker was.
Overigens is het wel handig om je handen vrij te hebben bij het bladeren in de oude en nieuwe boekjes. Thuis heb ik daar een waardige oplossing voor. Om mijn rokertje tussen twee trekjes door te laten rusten gebruik ik een fraaie Engelse Sterling zilveren sigarenstandaard uit 1905 (gemaakt door Deakin & Francis).

En nu weer rustig een trekje nemen en bladeren… Boeken en sigaren combineren prima!

donderdag 9 juli 2009

Tabak van Casparis


Ik bezocht onlangs het Pijpenkabinet in Amsterdam van Don Duco. Duco zag ik voor het laatst 35 jaar geleden op verschillende verzamelaarsbeurzen waar hij (toen al) zijn bodemvondsten waaronder de bekende (vaak Goudse) kleipijpjes verhandelde.
Met enige verbazing constateerden wij beiden dat we ouder geworden waren en kletsten wat bij over vroeger. Mijn onverwachte bezoek was niet helemaal toevallig.
Ik wilde zijn deskundige mening horen over een object dat ik alweer een aantal jaren geleden kocht bij een antiquair.
Het is een vierkante (palm?)houten matrijs (8 x 8 cm) met gestoken voorstelling, aan het eind van de 18de eeuw gebruikt voor het bedrukken van kerftabakszakjes.

Tabak werd vroeger in de winkel gekerfd (fijngesneden) en verkocht in een papieren zakje, dat was voorzien van een eigen opdruk. Deze tabakszak was drager van reclame voor de winkel zowel als het product, vaak verlevendigd met een aansprekende afbeelding.
Na gebruik werd de tabakszak weggegooid, zodat het overgrote deel van dit verpakkingsdrukwerk (efemera!) helaas verloren is gegaan. Ook de houten matrijzen zijn jammer genoeg maar weinig bewaard gebleven. Het Pijpenkabinet bezit een paar 18de eeuwse matrijzen en een vrij grote collectie tabaksvignetten.


Mijn exemplaar vertoont bovenaan een ovaal gezicht op de uit 1774 daterende kerk te Ouderkerk aan de Amstel in 1775, gekopieerd naar een gravure gemaakt door C. Bogerts naar een tekening van Hendrik Keun (1738-1787). In het midden staat “Ouderkerk”.
Onderaan is een uitstalling van tabaksartikelen als tabaksrollen, tonnen, vaatjes en balen maar er staat ook een theebus tussen. Op een snuiftabakspot in het midden staat “appe”, voluit “rappe” d.w.z. gemalen snuiftabak.

Deze onderste voorstelling is identiek aan de afbeelding op een matrijs van 'De Maas-Stroom' in het bezit van het Historisch Museum Rotterdam. Feitelijk lijken beiden matrijzen in het geheel sterk op elkaar maar de zwierige ornamentiek rondom mijn exemplaar verraadt dat deze wat ouder is (1775-1800) dan de Rotterdamse matrijs.
Dergelijke matrijzen konden generaties meegaan en vaak werden er veranderingen op aangebracht. Dat is bij mijn exemplaar niet het geval, bovendien is de afbeelding nog mooi scherp wat doet vermoeden dat het blokje niet lang in gebruik is geweest. Aan de onderzijde is het blok recht afgesneden. Hiertegen kon een ander blok of drukzetsel worden geplaatst, bijvoorbeeld een adres of de reclame artikelen van dat moment.


De hamvraag is natuurlijk: ‘Wie was de tabakshandelaar die het vignet 'Ouderkerk' voerde?’. Daarvoor zijn twee aanwijzingen. Op de voorzijde staat op de tabakston links
“C & C”. Op de achterkant van het blok staat in bruine inkt “Casparis”.
Dat laatste was makkelijk voor de drukker die, als hij weer een aantal vellen verpakkingsmateriaal had bedrukt, wist dat deze matrijs (tussen de vele anderen) eigendom was van de tabakshandelaar Casparis.

Het dorp Ouderkerk wordt door de rivier de Amstel doorsneden.
De bebouwing ten westen van de Amstel (‘de buurt over Ouderkerk’) behoorde altijd tot de gemeente Nieuwer-Amstel c.q. Amstelveen. Hier was van oudsher ook de meeste bedrijvigheid.
Maar helaas komt zowel in Ouder- als in Nieuwer-Amstel de naam Casparis niet voor in de laat 18de eeuwse doop-, trouw- en begraafregisters of vroeg 19de eeuwse burgerlijke stand.
Het is dus maar de vraag of Casparis (& Co.?) zijn tabaksnering daadwerkelijk in Ouderkerk uitoefende. Het kan ook zijn dat hij in het nabijgelegen Amsterdam zetelde (waar de naam destijds wel voorkwam) en snuiftabak van de in Ouderkerk aanwezige snuifmolens verkocht (zoals molen ‘De Vreede’) onder de merknaam ‘Ouderkerk’.
Hoe dan ook Amsterdam was zijn belangrijkste grondstoffen en afzetmarkt. Mogelijk ontdek ik nog eens de ware identiteit van deze Casparis. Voorlopig blijft hij in tabaksnevelen gehuld.

Naschrift

6 november 2011, de tabaksnevel is opgetrokken!

Uit: Amsterdamsche courant (van 15 december 1796):

“Wordt by deezen geadverteert dat de Compagnieschap van Negotie in Kruideniers-Waaren en Tabak, op den Nieuwendyk, bij de Armsteeg, gecanteerd hebbende onder de Firma van DE CASPARIS en COMP., den 26 November laatstleden met consent van de Interessanten is geëindigd; en worden de geenen die eenige Pretentien ten laste der voormelde Societeit mogten hebben, verzocht, zich voor primo February 1797 aan ’t voormelde Huis te willen addresseren om hunnen betaalingen te erlangen.
Amsterdam 12 February 1796.
J.B. TRESSIN als Mede-Compagnon van bovengemelde Societeit.

Alzoo de Compagnieschap onder de Firma van DE CASPARIS en COMP., genegotieerd hebbende in Kruideniers-Waaren, Tabak &c. op den 26 November I.I. met wederzyds goedvinden is gedissolveerd zo zullen dezelve Affaires door den Ondergetekende, als Kooper en overneemer van gem. Stand, in hetzelfde Huis voor zyn privé rekening verder worden gecontinueerd.
PAULUS DE CASPARIS
”.

Op 29 maart 1809 verkopen de erfgenamen van Paulus de Casparis aan Christian Möhringer “‘De Romein’, huis en erve zijnde een snuiftabaksfabriek, hoek Spaarpotsteeg”.
(Amsterdams Stadsarchief, transportakte voor 1811: NL-SAA-21727501).