Posts tonen met het label Komrij. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Komrij. Alle posts tonen

zaterdag 13 oktober 2018

Dansen - und Satan lacht dazu


Wijlen collega boekenjager, Gerrit Komrij (1944-2012), schreef er al over in "Over het nut van katholicisme". Er is geen andere geloofsrichting die zich met zoveel diverse aspecten van het dagelijks leven heeft bemoeid als het katholicisme. Of het nu ging om het krijgen van kinderen, de opvoeding, het kijken naar films, alcoholgebruik, het lezen van boeken of het dragen van de laatste mode; de kerk ('mijnheer pastoor') had er een mening over. Wij mogen het katholicisme dankbaar zijn dat die mening niet zelden werd verwoord in thans geheel verdwenen obscure boekjes, curieuze brochures en folders. 'Bibliofiele malligheid' van de bovenste plank, en ik ben er een groot liefhebber en fanatiek verzamelaar van. Tijdens schaarse feestjes en borrelpraat mag ik er graag uit verhalen, wat niet zelden leidt tot verbaasde reacties en lachsalvo's.

Veel van dergelijke uitgaven in mijn collectie komen uit opgeheven missiehuis- en kloosterbibliotheken (zoals die van Stein, Tilburg en Udenhout). Slechts enkele kocht ik op boekenmarkten en via het antiquariaat. Een flink aantal verkreeg ik het afgelopen jaar dankzij Boekwinkeltjes uit de bibliotheek van Ed Schilders (en die conclusie had u zelf ook al kunnen trekken als u mijn rubriek 'Het jaar geboekt' volgt en de maandelijkse overzichten leest). In dit stukje wil ik een aantal uitgaven uit mijn collectie aan u voorstellen die zich uitlaten over het fenomeen 'dansen'.

Dansen was aanvankelijk een onderdeel van de rituele geloofsbeleving maar tijdens de Middeleeuwen veranderde het beeld. Opzwepende muziek, erotische geladen lichaamsbewegingen, al dat extatische geweld tussen beide seksen werd verdacht en al gauw bestempeld als onzedelijk, zondig en het werk van de Duivel.


Mijn vroegste uitgave op dat gebied is het boekje van Henri-Louis Hulot (1757-1829): "Onderrigting over de hedendaegsche dansvergaderingen" (Antwerpen, 1828). Het is een uitgave van A.M.D.G. ('AMajorem Dei Gloriam', Bibliotheek van godsdienstige, redekundige en historische boeken, ten gebruyke der Catholyke Jeugd. No. 5).
'Dansvergaderingen', schrijft abt Hulot, "zijn byeenkomsten van persoonen van verschillig geslagt, zonderling van jongelingen, welke, bij het geluyd eeniger speeltuygen, te samen zekere bewegingen maeken om zich zelve en andere te vermaeken".
Dansvergaderingen lokten onkuis gedrag en handelen uit. Bovendien vonden ze vaak plaats tijdens de vastentijd en op zon- en feestdagen. Dagen die toegewijd moesten zijn aan 'de traenen, aen de droefheid' en aan God. Hoogst gevaarlijk werd het als de dansvergaderingen in het duister plaatsvonden, 's nachts, en/of gemaskerd/verkleed. Alle zedelijke remmen los was dan vaak het resultaat.

Bij Hulo ging het nog vooral om het dansen en lezen we maar weinig over de muziek. Dat veranderde na 1900 toen nieuwe muziek leidde tot nieuwe dansvormen in apart daarvoor gebouwde bal- en danszalen (dancings).
In: "Op tegen de Zedenontaarding! In woord en daad - In boek en beeld - In dans en kleeding" (Amsterdam, 1914) door P. van Dorp lezen we daarover: "Maar zulk een oud-Hollandsche klompjesdans staat tot de verbeestelijkte nikkerdansen in de balzalen der hedendaagsche beschaving als de landelijke gezondheid tot de geheime ziekte van een der fijngemanierde lebemänner, die het moderne leven al heeft verbruikt, nog vóór zij aan den ouderdom der Suzannabelagers toe zijn!".
Vooral de tango moest het bij Van Dorp ontgelden: "Weet u wat de tango is? Het is het wringen en draaien van het lichaam in slappe bochten en het huppelen en wiegelen net als een gans, het grimassen-maken van een aanstellerigen schooljongen, het is, maar ach, waarom de onderdeelen van de tango te vergelijken. De tango is de tango".

Ook de schrijver en journalist Henri Borel (1869-1933), die er nota bene zelf een dubbele moraal op nahield, was onverbiddelijk in zijn oordeel: "Het moet nu eindelijk maar eens ronduit gezegd worden: de moderne dansen: Foxtrott, Boston, One Step, Two Step, de diverse Blue's, Shimmy's en Charlestons zijn in den grond perverse bewegingen; al dat heenschuifelen en knikken en bibberen en draaien en quasi-elegant likkebaarden en knoeien en wringen gaat naar verboden daad toe".

Medici, vooral psychiaters en niet te vergeten gynaecologen, zo betoogde de schrijver zouden "zoo het hun gevraagd werd, ontstellende, en werkelijk een rilling door het land zendende onthullingen kunnen doen over de funeste gevolgen, vooral bij jonge meisjes, van deze in de balzaal tot het uiterste geprikkelde fysische verlangens en nooden".
De oorsprong van al dit kwaad kende de schrijver wel: "Dat deze dégoûtant-indécente dansen van wilde negerstammen afkomstig zijn is vrijwel bewezen. Bij de negerstammen, in hun oer-vorm, hebben zij echter nog iets grandioos-hevigs, brutaal demonisch, dat men, zij het in een minderwaardige soort, groot zou kunnen noemen, en het bruut seksueele is er openlijk en eerlijk in, schaamteloos zonder schijnheilig te zijn. De verwording er van tot Europeesche moderne dansen is er echter geniepig-week, elastiekerig slap, schijnheilig verscholen, listig-gecamoufleerd, Tartufferig achter de mouwen verstopt, en dit alles is het nu juist, wat haar voor mij zoo dégoûtant maakt (H. Borel: "Over de moderne dansen", Den Bosch, 1927).

Mijn laatste aanwinst op dit gebied is een uitgebreide brochure, inclusief 'geneeswijze en geneesmiddelen' (anoniem verschenen maar) geschreven door de bekende hoofdaalmoezenier van de Limburgse mijnstreek Henri (H.A.) Poels.
Zeg nou zelf: "Dansen. Beschouwingen door een zielzorger", (Roermond, 1931) is alleen al door zijn prachtige illustratie op voorzijde en pakkende omslagtitel, 'Dansen - und Satan lacht dazu', een lust voor het oog!


Poels stipt in zijn brochure negen (zeer) bezwarende omstandigheden aan.
1. De directe nawerking van het dansen! Maar al te vaak voert de opwinding na een dansavond "Tot het stellen van ongeoorloofde handelingen, hetzij met zichzelf, hetzij met anderen...".
2. Het nachtelijk dansen! "Het verraderlijke, het 'unheimsiche' van den nacht, die zoveel kwaad met zijn zwarte vlerken omhult, dringt door in de bal- en danszaal en glupt er rond, gelijk Sint Petrus zegt: 'als een brieschende leeuw, zoekend, wie(n) hij zal verslinden".
3. Na het dansen gezamenlijk of alleen de danszaal verlaten en naar huis gaan! Gezamenlijk: "'t kan ook een wilde troep worden van brullende, brallende, lallende, heele en halve gekken, waar de een zich niet meer voor den ander hoeft te schamen". Alleen: "En hier volgen eenige puntjes, zei eens iemand op den preekstoel, en die moet ge zelf maar aanvullen!".
4. Veelvuldig dansen! "Door het veelvuldig dansen wordt de omgang tusschen de personen al te vrij; er ontstaat vanzelf vroegtijdige en dus langdurige en dus gevaarlijke verkeering; veel dansen maakt zeker lichtzinnig en zet de zinnen maar op plezier en lol, en is oorzaak van 'eene tijdelijke verruwing'".
5. De gevolgen! Inwonende jongeren worden slaven van hun prikkelende genotzucht en spenderen verkwisten daar al hun geld aan. Lichamelijke gevolg; overmatige vermoeienis en verzwakking van het lichaam. "De dans die tegenwoordig bekend is onder de naam 'Java' vordert een kracht die gelijk staat met een hevig vuistgevecht". Kijk zelf maar!


6. Dansen op zon- en feestdagen! "Want het is de heele dag, van 's morgens vroeg, tot 's avonds laat: Zondag en christelijke feestdag. En neem het heilige karakter dier dagen weg uit ons godsdienstig leven - dat godsdienstig leven zal langzaam maar zeker een jammerlijken teringdood sterven. Zie naar andere landen!".
7. Gemaskerd dansen en bal-masqué! "Is het heilig schaamtegevoel door God als een natuurlijke schutse geplaatst tussen de geslachten, dikwijls zóó al vermoord, met het masker voor is het heelemaal ten doode opgeschreven; en wanneer dan de booze begeerlijkheid los breekt, en zich 'ongezien en ongekend' (maar men weet mekaar toch te vinden!) uiten kan, vooral op de nachtelijke bals, met zijn dikwijls zoo geraffineerde zedenontaarding, dan is het hek voorgoed van den dam...".
8. Iets nieuws en van de laatste tijd! "We hoorden verder eenige malen, dat bij dansmuziek plotseling de danszaal in 't donker wordt gehuld. Wat dit ten gevolge moet hebben voor de zedelijkheid der dansers, gezwegen van een gevaar voor paniek - behoeft niet nader te worden aangetoond. Zooiets is schandelijke gewetenloosheid van den kant der zaalhouders...".
9. Dansen op vroegtijdige jeugdigen leeftijd! "Want is er geen leeftijdsgrens bepaald , dan zal men het treurige en belachelijke schouwspel zien, dat - permiteer me het woord - 'snotneuzen' en 'blagen' van 15, 16, 17 jaar enz. daar in zulke omgeving al rondspringen. Wat daar allemaal van moet terecht komen? Straatgekken, flirten, lichtzinnige scharrelpartijen zonder eenig doel of vooruitzicht, vroegtijdige en langdurige en gevaarlijke verkeering, gedwongen huwelijken, kortom: vroegrijp enz. Uit het bovenstaande volgt aanstonds, dat kinderbals absoluut en in elk geval verkeerd zijn en nooit of te nimmer goed te keuren".

Hoe heeft het zover kunnen komen vroeg Poels zich af, van waar die danswoede?
"Een der meest algemeene oorzaken is de verminderde godsdienstzin en het gebrek aan levensernst".  Bovendien "Vroeger" - aldus de rector van het stedelijk gymnasium in Leiden, dr. Bosselaar - "vroeger was het huisgezin veel meer centrifugaal (-). De Jeugd heeft in dezen moderne tijd een eigen meening, die 'gerespecteerd' moet worden".
Door een gebrek aan goede opvoeding is er geen wellevendheid, geen gevoel voor fijne en goede manieren meer; "men brengt de straattaal en straatmanieren mee in de balzaal; het meisje is voor de jongens geen meisje meer, maar men verwisselt plotseling van paren, men danst tegen den stroom in - allemaal vergrovingen en verruwing, die uit Amerika hier overgewaaid zijn.
Vervolgens: er wordt door de hedendaagsche jeugd veel meer geld verdiend dan vroeger; men wordt 'kostganger' thuis, houdt veel geld over en achter; de fabrieksarbeid brengt de geslachten vaker en dichter bij elkander: op de werkplaats, in de treinen, op weg naar en van de fabriek - geen milieu, dat over het algemeen bevorderlijk is voor een goede omgang; de zorgen en de werkzaamheden als dienstbode in de huisgezinnen (vooral met veel kinderen) worden met opzet gemeden - en het leventje van de lichte cavalerie (geen dienstkloppen a.u.b.!) gaat alweer beter zijn gang!
Voeg daarbij de aanwakkering en het zien van de genotzucht in schaamtelooze illustraties (vuilnisbak-bladen!) en sidder-romannetjes van 5 cent langs de deur in wekelijksche afleveringen; dan niet het minst de huidige bioscoopvoorstelling, welke voor 90 % een PEST zijn voor de opgroeiende jeugd van 16 - 22 jaar, met hun verleidende reclames, waarop bij voorkeur half naakte café-chantant-meiden, die met 'deftige' heeren champagne drinken, in alle mogelijke 'houdingen' waardoor alleen op de zinneprikkeling gespeculeerd wordt (o, vervloekte ergenis-gevers!) - met de veelvuldig-voorkomende ballets en dans-partijen in de films - dan hebben we al heel wat oorzaken enz. opgenoemd".

vrijdag 5 september 2014

Het ploertenboek

Wat is het toch heerlijk om met een handvol trefwoorden digitaal te snuffelen en te surfen van boekwinkel naar antiquariaat op zoek naar iets geks.
Het is te vergelijken met de hengelsport waar ik absoluut geen affiniteit mee heb. Je gooit een lijntje uit met aas en wacht, soms heel lang, tot er wordt gebeten. In mijn geval type ik een trefwoord net zo lang tot ik resultaat boek en laat vervolgens - anders dan bij vissen - niet meer los!

Het gevolg van een dergelijke actie laatst was een absurde titel die mij – zeker voor de tijd waarin zij verscheen – heerlijk bizar in de oren klonk en dat nog wel van een bekende maar wat vergeten Engelse schrijver. Ik heb het over “Het ploertenboek en andere schetsen” (Schiedam, z.j./1870) van William Makepeace Thackeray (1811-1863).

Alleen al de negentiende eeuwse groenlinnen boekband met reliëfdruk is een lust voor het oog en in mijn ongelezen exemplaar zit behalve een mooie titelpagina ook een portret van de schrijver. Antiquarisch hier en daar voor weinig verkrijgbaar maar mocht u er helemaal geen geld voor over hebben dan is er ook een online editie beschikbaar. Het is de eerste Nederlandse uitgave van “The book of snobs”, vertaald door dr. J.C. van Deventer (1824-1892).


Het gaat mij hier niet om de inhoud, daarvan kunt u zelf kennis nemen, maar om het woord ‘snob’ en zijn vertaling in het Nederlands. Volgens de Engelse Wikipedia (waar Thackeray slechts in een voetnoot wordt genoemd) is het eigenlijk een afkorting ‘S. Nob.’ van het Latijnse ‘sine nobilitate’ (niet adellijk) dat vaak op Engelse universiteiten achter de naam van de ‘gewone’ studenten werd gezet om hen te onderscheiden van hun aristocratische studiematen.

Uitgebreid is de verklaring die wordt gegeven in mijn onvolprezen: “Woordenschat. Verklaring van woorden en uitdrukkingen” (’s-Gravenhage, 1899).
Daar lezen we: “Snobisme (eng.) naar Thackeray, Book of snobs, dat eerst in de Punch (1848), artikelsgewijs, met illustratiën van den schrijver verscheen, door Lindo vertaald met Ploertenboek. Het is inderdaad ploertigheid van eene bijzondere soort nl. met een zweem van deftigheid en voornaamheid. In het Fransch is het weleer de zucht, om hoogergeplaatsten na te apen, door b.v. zekere genoegens, niet voor eigen voldoening na te jagen, maar omdat anderen het ook doen, waarbij aanstellerij, geveinsde geleerdheid en schijnbare kunstliefde niet zijn uitgesloten. Vóórdat Thackeray de aangeduide opstellen deed verschijnen gaf hij in 1829 een weekblaadje, getiteld: The Snob (De Schoenlapper) uit, terwijl hij aan de hoogeschool te Cambridge studeerde, waarvan echter slechts 11 nummers (prijs 2½ pence) het licht zagen. Hij hekelde daarin vooral de schoolvosserij, zodat waarschijnlijk daaruit oorspronkelijk èn de titel èn de strekking van zijn werk is geboren. Hij noemde George IV een snob, omdat hij zich voor den eersten gentleman van Europa wilde laten doorgaan en in zijn gezindheid en manieren toch niets van een gentleman had”.


U vraagt zich nu waarschijnlijk net als ik af waarom het woord ‘snob’ (Volgens ‘Van Dale’: “Iemand die zich uit verlangen naar aanzien op aanmatigende wijze voordoet als kenner op het gebied van kunst en cultuur”) door Mark Prager Lindo en Van Deventer niet gewoon is gehandhaafd? Heel waarschijnlijk omdat snob in Nederland nog niet als woord voldoende bekend was. Het is veelzeggend dat de eerste vermelding die ik vond voorkomt in ‘De Constitutioneel; nieuwe ’s-Gravenhaagsche Courant’ van 13 oktober 1855 in een bespreking van Thackeray’s werk en “The book of snobs”.
Maar wat is een Snob? zal mij de lezer vragen. Een Snob is wat de Duitschers een philister heeten. Men kan dit woord, dat de nieuwsgierige lezer te vergeefs in een Engelsch woordenboek zoeken zou, niet eenvoudiger en meer voldoende vertalen.
Wat het Philisterdom in Duitschland is, is het Snobbism in Engeland
”.

Philister? Volgens de eerder aangehaalde ‘Woordenschat’: “In Duitschland, in de studententaal eene verachtelijke benaming van geringe burgers, ook paardenkoopers, of ook wel van alle niet studeerenden; in onze studentenwereld ploert”, en in hetzelfde boek: “Ploert (stud.), niet-student, vandaar huis-ploert (hospes), wijnploert (wijnkooper), sigarenploert (Sigarenkooper), en derg. Ook dito-frik”. Overigens komen zowel ‘Philister’ als ‘ploert’ al voor bij Klikspaan in zijn “Studententypen” (Leiden, 1841).

Kortom; wat ‘snob’ is in het Engels en ‘Philister’ in het Duits was ‘ploert’ in het Nederlands.
Was; want tegenwoordig is ‘ploert’ toch vooral een belediging zo niet een regelrecht scheldwoord voor typen die wij verdenken van onbeschoft, slecht, gemeen, lomp, onbetrouwbaar en doortrapt gedrag. In die betekenis komt het ook terug in literaire fictie.
En snob?

Opeens moest ik denken aan één van mijn laatste kringloopvondsten, een gesigneerd exemplaar van Gerrit Komrij’s: “Humeuren & temperamenten. Een encyclopedie van het gevoel” (Amsterdam, 1989). Gerrit (‘meneer Komrij, u bent een ploert!’) schreef over snobisme:

“Een snob is iemand voor wie we onze neus ophalen. We herkennen hem op het eerste gezicht. Hij is de man van de geleende ideeën. Hij leest alleen de boeken die ‘men’ hoort te lezen.
Wat zeg ik? Hij leest helemaal niet – hij koopt boeken die op tafel horen te liggen. Dikke, dure boeken. Met veel kleur en fotografie. Hij is de man die op vernissages met zijn rug naar de schilderijen staat, maar die geen moment het dienblad met de sherryglazen uit het oog verliest. Hij ontbreekt bij geen toneel- of operavoorstelling, maar komt daar om gezien te worden, niet om te zien
”.

Kortom iemand die zich in (cultureel) opzicht beter wil voordoen, maar vind u hem (of haar) ook een ploert?

vrijdag 25 april 2014

De derde stapel; een affaire...


Er groeit een derde stapel boeken.
Op de oude babycommode, waar ook mijn kopieerpers staat, is geen plek meer.
De twee boekenstapels daar hebben hun maximale hoogte bereikt. De één is eenennegentig centimeter hoog (veertig boeken), de ander één meter vijfentwintig (twee en veertig boeken). Ernaast, als kleine steunberen, staat bij elke boekentoren nog een rijtje van drie. De meerderheid, (eenenzestig boeken) is afkomstig van de lokale kringloop en per stuk hebben ze gemiddeld niet meer dan drie euro gekost.

Ja! Maar het komt er niet van. Duidelijk is wel dat het er sowieso twee moeten zijn. Het gaat immers niet alleen om die drie stapels, welnee! Die stapels zijn het gevolg van overvolle boekenkasten. Ook op mijn zes Billy’s staan rijen boeken en op de dichte rijen in de kasten liggen talloze anderen soms noodgedwongen in kunstzinnige patronen vervlochten. Alles bomvol!


Net als zijn grote broertjes bestaat ook de derde stapel (drie en dertig centimeter, veertien boeken) vrijwel uitsluitend uit nieuwe aanwinsten. U ziet ze hier allemaal, dan hoef ik niet de titels op te schrijven en kunt u in één oogopslag zien dat ik een redelijke omnivoor ben.

Het enige nieuw gekochte boek (bij Bol.com) is dat van Nicholas A. Basbanes: “On paper. The everything of its two – thousand year history by a Self-Confessed Bibliophiliac” (New York, 2013).
Mijn vierde boek van Basbanes naast zijn: “A Gentle Madness. Bibliophiles, Bibliomanes, and the Eternal Passion for Books” (New York, 1995), “Among the gently mad. Strategies and Perspectives for the book hunter in the twenty-first century” (New York 2002) en “Patience & Fortitude. A roving chronicle of book people, book places and book culture” (New York, 2001).
Basbanes boeken over de wereld van het boek zijn niet alleen plezierig geschreven maar bevatten ook altijd een zeer grote hoeveelheid informatie en uitgebreide bibliografie. Ik ben er wel een fan van en hoop dat hij nog eens Amsterdam aandoet zodat ik mijn exemplaren door hem kan laten signeren.

Z
eldzaam (de oplage was slechts 250 exemplaren) is de uitgave van Dennis Schouten: “Duivelse boeken. Twee eeuwen griezelliteratuur in de lage landen” (Den Haag, 1997). Ik zocht het al toen ik mijn stukje schreef over de eerste Nederlandse druk (1928) van Bram Stoker’s ‘Dracula’ maar vond het pas veel later voor vijftien euro bij een antiquariaat. Het geeft een prachtig overzicht van twee eeuwen griezelliteratuur in de lage landen en bevat een bibliografie met 3888 boeken op dat gebied. Ik ben gek op dat soort schaarse overzichtswerken die (nog) niet zijn gedigitaliseerd!


De overige boeken komen bijna allemaal uit mijn kringloopwinkel met uitzondering van het zeldzame en beruchte ‘cultboek’ van Mohamed Rasoel “De ondergang van Nederland. Land der naïeve dwazen” (Amsterdam, 1990) dat ik voor vijftien euro (een koopje!) via Boekwinkeltjes kocht.



De verschijning veroorzaakte destijds een heuse literaire rel affaire en één van de hoofdrolspelers, de hoogleraar tekstwetenschap Teun A. van Dijk, heeft jaren later daarover in eigen beheer een informatief boekje uitgegeven: “De Rasoel-Komrij Affaire” (Amsterdam, 2003).
Ook dat kocht ik via Boekwinkeltjes voor slechts vijf euro, voorzien van zijn handtekeningstempel en genummerd 52. Dit boek hoort in de bibliotheken en op de boekenplanken waar ook de boeken van Komrij een plaats hebben gevonden”. Mee eens, al geloof ik net zo min als vele anderen met mij Van Dijk's suggestie dat Gerrit Komrij (1944-2012) iets met Mohamed Rasoel te maken had. 
Alleen Komrij's antiquarisch ruim verkrijgbare bundel “De ondergang van het regenwoud. Over zekere leerstoel” (Amsterdam, 1993) ontbreekt nog aan deze kleine affaireverzameling maar ik wacht dan ook tot ergens een door Rasoel Komrij gesigneerd exemplaar opduikt!
Tussendoor kwam hier via Marktplaats ook de door Komrij zelf uitgegeven ansichtkaart binnen waarop hij staat als de mysterieuze ‘arabier’. 


Over die spraakmakende Rasoel-Komrij affaire - zo herinner ik mij - is bijna vijfentwintig jaar geleden erg veel te doen geweest. Wekenlang was Rasoel's boek hét onderwerp in de journalistieke media. 'Tout’ literair Nederland sprak en las er over en Rasoel trad op in menig populaire talkshow (en Van Kooten en De Bie). Wie toen nog te jong was of niet meer precies weet waarover het ging moet beslist even kijken naar deze spannende NTR-documentaire van Marco de Vries “
Op zoek naar Rasoel” (uitgezonden 14 december 2013).

En terwijl u kijkt druppelt hier het bedrukte papier gestaag naar binnen en groeit de derde stapel…

maandag 19 augustus 2013

Komrij's roomse poolster

Voor de erotomaan is de katholiek van onschatbaar nut. Hij die het pad der zonde zoekt oriënteert zich op de roomse poolster het best. (-) Nooit ben ik, in mijn eerste nieuwsgierige jaren, op het spoor van zoveel ‘interessante werken’ betreffende geest en lichaam gebracht als door de Standaard Catalogus van het R.K. Centraal bureau voor Lectuur onder leiding van A.B.H. Gielen sj.
Het was een goudmijn van modieuze, anarchistische, ontuchtige, verkeerde, hoerige, opwindende en polemische boeken, kortom van alle boeken die ik wou lezen
” (Gerrit Komrij in: “Over het nut van het katholicisme”, in “Verzonken boeken” (Amsterdam, 1986).

Welke nieuwsgierige bibliofiel hunkert na het lezen van Komrij niet naar A.B.H. Gielen (1871-1929): “Standaard Catalogus van het R.K. Centraal bureau voor Lectuur” (Amsterdam, 1925)?
De catalogus verscheen oorspronkelijk bij de Amsterdamse uitgeverij Joost van den Vondel en wordt antiquarisch voor bedragen rond de vijftien euro aangeboden. Zeer schaars zijn de daaropvolgende twee supplementen die in 1926 en 1927 (de laatste o.l.v. J. van Heugten sj) verschenen bij de uitgeverij ‘Foreholte’ in Voorhout.
Een complete set zie je daarom niet vaak maar een paar jaar geleden trof ik er een aan bij antiquariaat “De Friedesche Molen”. De vraagprijs bedroeg zestig euro. In de winkel vertelde ik Hein over wat de catalogus van jezuïetenpater Gielen voor Komrij had betekend (‘zijn roomse poolster’). De waarschuwingen van pater Gielen voor bepaalde boeken zijn - anno nu - vervat in termen die vooral op de lachspieren werken; ‘ontredderde lectuur’, ‘een heel smerig ding; voor niemand’, ‘een lasterroman, die te vuil is om aan te pakken’, 'Pornografie. Afgekeurd' of ‘een wanhopig meedogenloos bijna ziekmakend boek, met socialistische strekking. Niets voor ons’.
Menig boek belandde bij Gielen zo op de symbolische brandstapel. Voor Komrij echter waren zijn woorden hartelijke aanmoedigingen en Koninklijke aanbevelingen om de desbetreffende uitgave onmiddellijk na te jagen, te kopen en te lezen. Kennelijk had ik er wat al te enthousiasmerend over gesproken want Hein besloot de boeken toch maar zelf te houden. Geduld, geduld….


Uiteindelijk vond ik een paar weken geleden weer een complete set (uit een voormalige kloosterbibliotheek) bij antiquariaat “Boek en Glas” en nu voor maar vijf en twintig euro! Meteen gekocht natuurlijk.

De catalogus begint met een uitvoerige inleiding waarin staat met welke drie factoren Katholieken te maken hebben als het gaat om de zorgvuldige keuze van hun lectuur.
A. De natuurwet. “Wat ik voel of weet dat mij schade brengt, ook al zou het anderen niet deren, late ik ongelezen, anders breng ik mijn geestelijk leven in gevaar en pleeg vergrijp tegen mijne ziel”. Voor iedere Katholiek lag dit natuurlijk anders, afhankelijk van zijn opleiding, gevoeligheid, ontwikkeling etc. Bij twijfel; raadpleeg uw biechtvader.
B. De kerkelijke boekenwet. Welke boeken verboden zijn om hun antikatholieke opvattingen, onzedelijkheid, goddeloosheid etc.
C. De Index. De officiële lijst van verboden boeken opgesteld door het Vaticaan.

Wat wilde pater Gielen (tussen 1912 en 1929 hoofdredacteur van de ‘Boekenschouw’) bereiken met deze standaarduitgave? “Een practische gids zijn om schadelijke boeken van onschuldige, en gevaarlijke van twijfelachtige te helpen onderscheiden. Of een boek kunstwaarde heeft of niet, lijkt ons naast de ethische waarde van zoo'n ondergeschikt belang, dat wij er niet veel woorden aan zullen besteden. Wij hebben een hartgrondigen hekel aan de tegenwoordige opfokking tot aestheten in plaats van tot oprechte en beginselvaste Christenen, die plichts- boven schoonheidsgevoel stellen. Door kunst is waarschijnlijk nog nooit iemand in den hemel gekomen, tenzij hij er God mee diende. Hetgeen dan weer den ethischen kant van het vraagstuk naar ons toekeert. Het is er ons derhalve allerminst om te doen ‘letterkundigheid’ te gaan bewonderen, die overigens niet langer pleegt te duren dan een vrouwenmode”.


Het was natuurlijk onmogelijk om alle verschenen en te verschijnen boeken te beoordelen. Volgens Gielen bleek uit ervaring en onderzoek dat vooral de nieuwste “kersversche” boeken werden gelezen. Om nader te bepalen welke titels dat waren werden de catalogi van diverse grote leesbibliotheken bestudeerd. “Die zijn als graadmeters van de waardeering van het publiek en van de veelgelezenheid van een boek. Daaruit maakten wij onze keuze van titels in dezer voege, dat wij ter bespreking allereerst noteerden wat gelijkelijk in alle of de meeste catalogi voorkwam”.
Het ging natuurlijk vooral om Nederlandse en vertaalde romans (waaronder vele thans min of meer vergeten auteurs en spoorloos verdwenen uitgaven); “omdat deze in hoofdzaak de verspreiders zijn van goed en kwaad; zij richten zich tot de groote massa, zij speculeeren op de sensatielust van het publiek, zij behoeven niet te voldoen aan voorwaarden van waarheid, wetenschap of logica, maar brengen het gedachtentuig van elk willekeurig individu onder het bereik van allen”.


Een enkele keer komen we Nederlandse klassiekers tegen zoals Couperus (1863-1923): “Een dandy met de taal en een dandy met het leven. Een verfijnd artist, als men wil, ofschoon wij het zelf niet gelooven, maar een heilloos schrijver om zijn bar sensualisme, zijn amoraliteit en immoraliteit en zijn theosofische gevoelens. Een criticus in ‘Onze Eeuw’- zegt, dat men Couperus-werken later precies zoo zal lezen en vinden, als men tegenwoordig leest en vindt ‘Julia' van Rhynvis Feith” en over diezelfde Rhynvis Feith (1753-1824): “Zijn beide romans Julia (1792) en Ferdinand en Constantia, zijn huilerig sentimenteel en om hun boekentaal ongenietbaar”. Een mild oordeel naar Gieliaanse maatstaven en duidelijk voor elke Katholiek, Couperus- en/of Rhynvis Feith-fan.

vrijdag 21 december 2012

Naamsverwarring

De antiquair, een handelaar in oude kunst, sier- of gebruiksvoorwerpen, wordt menigmaal verward met de antiquaar wiens handel zich beperkt tot min of meer oud drukwerk, vooral boeken.

De verwarring is begrijpelijk.
Zeker als je bedenkt dat menig antiquair ook wel eens een oud prentje of boekje verhandeld. Andersom, een antiquaar die bijvoorbeeld antiek zilver of meubels verkoopt, komt vrijwel niet voor.
Als antiquair lid worden van de ‘Nederlandse Vereeniging van Antiquaren’ (NVvA) is niet mogelijk maar antiquaren kunnen wel lid zijn van de club van antiquairs; ‘De Vereeniging van Handelaren in Oude Kunst’ (VHOK).
Zowel de VHOK als de NVvA bestaan al geruime tijd, de eerste sinds 1911 en de tweede sinds 1935. Van beide bezit ik het (van harte aanbevolen) jubileumboek met een overzicht van de geschiedenis en de ontwikkeling van de desbetreffende ‘vereeniging’.


Als het gaat om boeken over deze beroepsgroepen, hun handel en klanten, dan heeft de bibliofiel meer geluk dan de liefhebber van oude kunst en antieke voorwerpen. Over boekhandel en antiquariaat zijn namelijk – hoe kan het ook anders - meer boeken verschenen dan over de wereld van de antiquair. Alleen als het gaat het om verhalen over het persoonlijke wel en wee van deze figuren is er een overeenkomst te bespeuren. Noch de antiquaar noch de antiquair geven graag hun memoires prijs aan het papier. Van de eerste ken ik maar een handvol uitgaven en van de laatste slechts één, het boekje van Saam Nijstad (1922-2011): “Van antiquair tot kunsthandelaar. Leven en werk van Saam Nijstad en zijn ontmoeting met de Nieuwe Wereld” (Zwolle, 2004).


De antiquair en antiquaar zijn familie van elkaar. Aan beide woorden ligt het Latijnse antiquarius ten grondslag. Een oude term waarmee de liefhebber van oudheden wordt bedoeld, zoals ikzelf.
Tot de ‘antiquariï’ behoorden veel bekende bibliofielen. Naast boeken en manuscripten ging hun interesse ook uit naar de vaderlandse geschiedenis, archeologie, sfragistiek en numismatiek. Ze verzamelden antieke (gebruiks)voorwerpen, munten en penningen en publiceerden daarover zoals mr. Gerard van Loon (1683-1758). Met hem maakten we al eerder kennis. Anderen, zoals Cornelis van Alkemade (1654-1737) en zijn schoonzoon mr. Pieter van der Schelling (1691-1750), waren vooral geïnteresseerd in oude gebruiken en gewoonten.


Zowel de handel in antiek als oud drukwerk kent een lange traditie. Van beiden zijn al vroeg de ‘pareltjes’ verhandeld en verzameld. In de loop der tijd zijn de meeste topstukken wel in een museum of bibliotheek terechtgekomen. Een schilderij van Rembrandt of de Gutenbergbijbel worden nog maar zeer zelden op de open markt aangeboden.
Veel antiek, zoals deze lege wijnfles en roemer uit de achttiende eeuw, was vroeger gewoon veelvoorkomend gebruiksgoed en werd niet bewaard maar weggegooid. Archeologen vinden daarvan veel terug. Met papier is dat anders. Juist van het in grote hoeveelheden uitgegeven populair drukwerk, zoals almanakjes, nieuwstijdingen en liedjes is vaak bar weinig overgebleven.

De antiquaar en antiquair kennen een select publiek van liefhebbers. Zowel boeken (oud of nieuw) als antiek (kunst of gebruiksvoorwerp) zijn tegenwoordig niet echt ‘hot’, te oordelen naar de wooninrichting- en huisstylingprogramma’s op TV.
Ik vermoed dat er desondanks meer (winkel)antiquariaten verdwijnen dan antiquairs. Ik ken ook (nog) geen verzendantiquairs, wel verzendantiquariaten.

Een wezenlijk verschil tussen antieke voorwerpen en boeken is dat het bij de eerste vooral draait om esthetische waarden en bij de laatste vooral om de informatieve waarde. Het boek is in de eerste plaats informatiedrager. Maar om alleen kennis te nemen van de tekst hoef je tegenwoordig veel boeken niet meer te kopen en heb je dus ook geen antiquaar meer nodig.

Een ander verschil is dat vooral antiek last heeft van moderne vervalsingen die veel op internet worden aangeboden. Geknoei met oude boeken kom je daar ook wel tegen maar een moderne vervalsingen van een zeventiende of achttiende eeuws boek nooit. Het zal wel niet lonend zijn en lijkt mij ook een stuk moeilijker al was het maar omdat elke rechtgeaarde bibliofiel zijn neus gebruikt!

Want of ik nou mijn middeleeuwse Pingsdorf beker of vroeg negentiende eeuws koperen scheerbekken besnuffel (en beide zijn echt!).
Ik ruikt helemaal niks. Maar de geur van boeken, (lompen)papier, drukinkt, oud leer of perkament is onmiskenbaar en onvervalsbaar.




Waar ben ik met mijn pijl en boog
Op uit? Is het de boekengeur?
Ik ruik aan stapels, torenhoog,
Tot ik daartussen iets bespeur
Wat ruikt naar poeder, eeuwenoud,
Door boekenwurmen opgewoeld,
Of naar een bordje havermout –
Er is geen geur die me bekoelt.
Al stinkt een boek naar zalf of teer,
Er is nog altijd plaats voor meer. 

(Gerrit Komrij: “Ballade van de boekenjager”, Eindhoven 2008)

vrijdag 2 november 2012

Verzonken boeken

"Het boekenkerkhof kent veel vergeten en verwaarloosde graven, maar het is het enige kerkhof waar de opstanding tot de mogelijkheden behoort.
Wie – al is het maar in één alinea, al is het maar in een obscuur werk – op papier is vereeuwigd loopt kans dat iemand, honderden jaren na zijn dood, nog eens een seconde aan hem wordt herinnerd.
Het kan bij toeval gebeuren, wanneer de lezer het boek alleen maar heeft gekocht om de band of om een grappige gravure die zijn aandacht trok, het kan gebeuren omdat iemand een onderzoek zou willen doen naar – zeg – het weversgilde van Zavegem: zo’n omweg is maar een schrale troost, toegegeven, maar het is toch de kans die onze geluksvogel definitief in een andere categorie heeft doen belanden dan de miljoenen naamlozen die onder de grond liggen zonder dat ze ooit in één regel werden vermeld
”.
Elke bibliofiel herkent dit citaat uit “Verzonken boeken” (Amsterdam, 1986) van Gerrit Komrij (1944-2012) en zal, net als ik, een (gesigneerd) exemplaar van dit heerlijke boek in zijn bibliotheek hebben staan.

Het ‘boekenkerkhof’ is voor mij vooral een kerkhof uit de negentiende, begin twintigste eeuw. De toegang was lange tijd moeilijk. Wie lagen er, wat lag er en waar?
Slechts enkele goed ingevoerde en ervaren bibliofielen als Komrij kenden de verborgen ingangen en vonden er moeizaam hun weg.
Daarin kwam voor mij pas verandering eind 2006 toen de Koninklijke Bibliotheek startte met het project Databank Digitale Dagbladen. Sindsdien zijn miljoenen krantenpagina’s gescand.
Tussen de illustraties en nieuwsberichten uit binnen- en buitenland treffen we ze aan, de vele duizenden vergeten auteurs, titels en spoorloos verdwenen grote en kleine uitgaven in de vorm van krantenadvertenties van drukkers, uitgevers en boekhandelaren.

In een nostalgische bui lees ik af en toe een paar van die dagbladen door, op zoek naar interessante informatie. Talloze advertenties passeren dan mijn vermoeide ogen. Obscure titels, onbekende auteurs, intrigerende boekbesprekingen en spotgoedkope aanbiedingen doen me watertanden. Een aantal gegevens schrijf ik op en gewapend met een lijstje ‘rariora’ doorzoek ik vervolgens hebzuchtig diverse antiquarensites. Jammer, helaas, tevergeefs, ze worden vrijwel nooit aangeboden. Alleen dankzij een site als WorldCat is hun bestaan in meervoud, zij het vaak minder dan vijf exemplaren, aantoonbaar in diverse bibliotheken.

Bij vrijwel geen andere categorie boeken spelen factoren als geduld, toeval en geluk een zo grote rol. En natuurlijk Magere Hein, die ervoor zorgt dat talloze aardse laatste rustplaatsen langzaam maar zeker vollopen. Als huizen en flatjes worden ontruimd en kasten en zolders vol ‘ouwe troep’ van opa en oma vlug moeten worden weggewerkt.
Om het tafelzilver wordt gevochten, familievetes worden geboren en kasten vol boekverschoppelingen wacht de onverbiddelijke ondergang in de papiercontainer. Slechts een enkel boekje wordt haastig door een nazaat ter herinnering uit de kast geplukt om na verloop van tijd, zoals deze, alsnog te worden verpatst via sites als Marktplaats. Een ander belandt verdwaald tussen kasten en kleding in de kringloop.
Mijn kringloop...
Met een onderdrukt hoerageroep trof ik vorige week maarliefst twee exemplaren aan op de planken gevuld met 'oude boeken'. Beide verschoppelingetjes, gebonden in hun oorspronkelijke negentiende eeuwse linnen uitgeversband met titels in goudopdruk, verkeren in onberispelijke staat. Zonder aarzeling nam ik ze mee. Welke boekenliefhebber laat ze, voor slechts twee euro per stuk, liggen?

Opvallend genoeg werden beide boekjes door onderwijzers geschreven. Het oudste exemplaar, in zwarte band, is een boekje van H. Mohrmann: “Amsterdams worstelstrijd tegen Spanje” (Amsterdam, 1878). Het ander, in fraai gestempelde paarse band, is van A.W.N. Hinrichs: “Een Paedagogische les. Teekeningen en schetsen naar huis en school” (Rotterdam, 1885).

Mohrmann’s uitgave, “mijn doel is dus alleen in smakelijken vorm het volk bekend te maken met de geschiedenis der Amsterdamschen voorvaderen van vóór drie eeuwen”, was met het oog op de 3de eeuwviering van de Amsterdamse reformatie, op 26 mei 1878, in zekere zin een gelegenheidgeschrift. Het bevat twaalf verschillende geromantiseerde historische verhaaltjes (79 blz., zonder illustraties) over onze hoofdstad in die roerige zestiende eeuw.
Bijzonder aardig, voor ons boekenliefhebbers, is het eerste hoofdstuk: “Een boekdrukkerij” dat verhaalt over de belangrijkste Amsterdamse drukker destijds; Doen Pietersz. (ca. 1479- voor 1546) en zijn winkel ‘De Eng(h)elenburch’. Het boekje besluit men een literatuuropgave per hoofdstuk.


Hinrichs’ boekje (176 blz.), opgedragen aan de nu geheel vergeten onderwijspionier G.B. Lalleman (1820-1901), is zoals de auteur in zijn voorwoord schrijft “proeve eener Paedagogische novelle”. Ik vond een exemplaar in de collectie van het onderwijsmuseum dat digitaal doorbladerbaar is. Zijn uitgave had, zo schreef Hinrichs, ondanks de vele handboeken die er over opvoeding door onderwijs waren drie redenen. “De aspiranten (d.w.z. aankomende onderwijzers) vinden, zoo zeggen ze, die boeken stijf en saai, de letterrok bevalt hun niet; reden waarom ik deze ‘novelle’ ’t licht laat zien, om bij de kweekelingen den lust voor de studie der opvoedkunde op te wekken. Dàn, omdat de ouders de opvoeding liever in novellistischen vorm lezen, dan uit leerboeken.
Eindelijk zijn in deze ‘Paedagogische les’ alleen die theoriën op ’t tapijt gebracht, die in huis en school behartigd kunnen en moeten worden tot heil van onze kinderen; daartoe is de opvoeding van p’tit Alexander ten voorbeeld gesteld
”.


Met een voldaan gevoel besluit ik deze laatste alinea's in de wetenschap dat ik twee naamlozen tot geluksvogels heb gemaakt. Miljoenen anderen smachten naar hun opstanding. Ze wachten lijdzaam in hun tijdloze graf op hem of haar, op de bibliofiel, "een slokop, een veelvraat, een ordinaire stapelaar". Zijn boekenhonger is onstilbaar en het avontuur lokt telkens weer. Alleen de tijd dringt, want “van papier zijt ge en tot papier zult ge wederkeren”.

zaterdag 1 september 2012

De anatomie van engelen

'Boeken met een verhaal’, gekke uitgaven, obscure brochures, bizarre onderwerpen, verzonken boekjes…
Ditmaal bracht de post een pakje uit Den Haag met een vroeg negentiende eeuwse brochure (54 blz.), in originele papieren omslag, waarop een wonderlijke titel prijkt:
Vergelijkende ontleedkunde der Engelen: een schets”, (Amsterdam, 1835).

Het gaat om de vertaling van een oorspronkelijk Duitse uitgave: “Vergleichende Anatomie der Engel: eine Skizze”, (Leipzig, 1825). Daarvan vond ik thans één exemplaar te koop voor € 300,- euro. Vergeleken daarmee is de € 75,- euro die ik uitgaf bescheiden, temeer omdat de eerste Nederlandse vertaling zeer zeldzaam is. Alleen de vertaling uit 1911 (door ene dr. Phil), uitgegeven door C. Bredée in Den Haag onder de titel: “Vergelijkende Anatomie der Engelen”, kom je een doodenkele keer nog wel eens tegen.
Die laatste uitgave bevat overigens ook een levensschets van de auteur evenals ‘een enkel woord over dit werkje’. Daaruit leren we dat dr. Mises een pseudoniem was van de Duitse psycholoog Gustav Theodor Fechner (1801-1887) dat hij gebruikte voor uitgaven waaraan hij zijn naam als geleerde niet wilde hechten.

Daar kan ik me van alles bij voorstellen want als geleerde kun je dr. Mises niet serieus nemen met zijn beschouwing over engelen: “niet als figuren, met het karakter van lieftallige vrouwen, dat hier aan een kritische beschouwing zou onderworpen zijn”,  maar als: “levende schepselen, die in het rijk der organismen op een hoogeren trap zullen staan dan de mensch”.


Volgens Mises zijn engelen etherische bolvormige zonneschepsels, vergelijkbaar met het edelste lichaamsdeel van de mens; zijn ogen. “Wij kunnen zelfs ons oog met volle recht een zonneschepsel op aarde noemen. Het leeft van en in de stralen der zon en heeft dus dezelfde gedaante als zijne broeders op de zon”.
Engelen communiceren door verschillende kleuren in een ronde vlek aan hun oppervlak te tonen, de plaats waarmee ze lucht en licht innemen zoals wij via onze mond. “De engelen zijn op zichzelf doorzichtig, maar ze kunnen naar willekeur kleuren aannemen; zij spreken met elkaar in gekleurde lichtstralen evenals wij in verschillende geluidsstralen. Wat de ééne engel den anderen wil zeggen, dat schildert hij op zijne oppervlakte; de ander ziet dat beeld en weet, wat in zijn ziel omgaat”.


Engelen staan het dichtst bij de zon en hebben daarom geen benen. “De oorzaken, die aan de aardschepselen beenen geven, vervallen namelijk op de zon. Op zichzelf streeft de zon ernaar, om bolvormige lichamen voort te brengen, hetgeen gedeeltelijk uit de gedaante der planeten blijkt, gedeeltelijk ook uit den bolvorm van het menschenhoofd, dat het meest van alle koppen op aarde de zon toestreeft.
Die vorm is nog volmaakter bij het oog, dat de zon in ’t bijzonder toebehoort.
Alleen de tegenwerking, die de zon in de vorming harer schepselen van de planeet ondervindt, belet de volmaking tot bol. Deze tegenwerking komt op de zon zelf niet in aanmerking. Maar als een engel geen beenen heeft, hoe beweegt hij zich dan? – Zooals de bolvormige planeten; naar vrije willekeur
”. Engelen zijn eigenlijk levende planeten “wat anders dan licht gaat er van de ééne planeet op de ander over?”.
Ze hebben een zintuig voor zwaartekracht, licht en tonen. “Van het gehoor der engelen weet ik nog niets. Toch zullen zij wel een vlies bezitten, dat in medetrilling kan geraken. Ook reuk en gevoel heb ik bij de engelen nog niet onderzocht.
De reuk staat waarschijnlijk op een zeer hoogen trap; want op de zon kan de verdamping buitengewoon groot zijn
”.

Een wonderlijke fantasie, dat zal de lezer met mij eens zijn, die – begin negentiende eeuw – beslist niet door iedereen op prijs werd gesteld.
Daar trekt de moderne bibliofiel zich natuurlijk niets van aan, hoe gekker hoe beter. Nadat ik de verkoper een e-mail had gestuurd dat het geld op zijn rekening stond ontving ik een retourbericht met een verrassende mededeling:
Ik heb ook een kleine anekdote voor u. Ik heb het ooit op de boekenmarkt in Deventer gekocht. De naast mij staande klant was Gerrit Komrij die zich bij zijn vriend liep te beklagen dat - wat boekstallen eerder - een boek net aan zijn neus voorbij ging. Op dat moment pakte ik uit de kast voor ons dit boekje. Hij keek mee, terwijl ik het bekeek. Zijn vraag ‘gaat u dit kopen?’ werd door mij bevestigend beantwoord. Waarna hij, met zijn kraakstem, tegen zijn vriend zei dat ze meteen weg gingen omdat zijn dag nu toch echt helemaal verpest was. Ik had wel met hem te doen, maar niet genoeg om het niet te kopen”.

En nu ligt datzelfde vermaledijde boekje dat aan zijn neus voorbij ging - en zo ontsnapt aan de veiling van zijn bibliotheek - bij Perkamentus.
In gedachten zie ik daarboven iemand instemmend knikken en glimlachen.
Het is de bibliofiel in mij, het is Komrij!

vrijdag 6 juli 2012

In mij... Komrij!

Twitterend, bloggend, nieuwslezend en schrijvend Nederland in actie.
Lovende woorden, beschouwingen, artikelen, radio en TV, allemaal over Gerrit Komrij (1944-2012).
Dat is niet zo verwonderlijk want Komrij was een kleurrijk en veelzijdig persoon. Bovendien iemand van uitersten, soms bijzonder aardig en soms uiterst vilein. Zoet, zout, zuur en bitter, Komrij was het allemaal.
Het zal dan ook niet lang meer duren of we kunnen de eerste Komrijbiografie tegemoet zien, het eerste Komrijbeeld aanschouwen, over de eerste Komrijbrug rijden of door de eerste Komrijstraat lopen.

Wat moet Perkamentus daaraan toevoegen? Ik heb Komrij niet persoonlijk gekend en nooit ontmoet. Uiteraard wel gezien, snuffelend op boekenmarkten en bij antiquariaten.
Mijn bewondering voor Komrij was beperkt. Voor zijn poëzie, polemische werken, toneelwerk etc. had ik geen geduld. Zijn NRC-column en blog las ik sporadisch.
Mijn bewondering gold vooral voor Komrij als verzamelaar en auteur van bijzondere/bibliofiele boekjes.
Snuffelen, sneupen naar verborgen schatten, ‘verzonken boeken’ en bijzondere uitgaven. De boekenjacht, de spanning en opwinding die dat met zich meebracht. Daarin vonden wij elkaar. Lees maar wat hij schreef als reactie op mijn stukje: Een bijzonder vorstelijke vondst”.


Vermoedelijk om deze gemeenschappelijke passie werd ik ‘uitverkoren’.
Uitverkoren om te worden opgenomen in zijn blogroll. Van de twintig links op “Lucifer in het hooi”, is Perkamentus de enige link naar een persoonlijk bibliofiel weblog.
Daar ben ik, eerlijk gezegd, best trots op.
De eerbiedwaardige bibliofiel zag wat in mij.
Hij zag... Komrij!

donderdag 12 januari 2012

De Pausin


Voor de verandering heb ik in de afgelopen Kerstperiode weer eens naar de televisie gekeken. Bijzonder boeiend vond ik de film “Pope Joan” (2009) geregisseerd door Sönke Wortmann naar de historische roman van Donna Woolfolk Cross. Mooie beelden met een mooie Pausin, vertolkt door een androgyne Johanna Wokalek.

Ik herinnerde mij dat ik jaren terug, als student, hierover al eens een vermakelijk boekje had gelezen dat voor het eerst in 1865 in Athene werd gepubliceerd. Het gaat om “Pausin Johanna” van Emmanuel Rhoïdis (1835 of 1836-1904) vertaald door - en met nawoord van Gerrit Komrij (Amsterdam, 1978).

De legende, in de tweede helft van de dertiende eeuw op schrift gesteld, verhaalt van de als man verklede Joanna die vanaf het jaar 855 twee jaar, vijf maanden en vier dagen als Pausin Joanna Anglicus (Johannes VIII) zou hebben geregeerd. Het bedrog zou zijn ontdekt toen zij tijdens een processie beviel van een zoon. Er zijn over haar eeuwenlang talloze verhitte discussies gevoerd en vele publicaties verschenen. Alles draaide er natuurlijk om of zij nou wel of niet bestaan heeft.
 


De film smaakte naar meer. Ik herlas het boekje van Rhoïdis/Komrij, speurde wat op internet en kocht om mijn historische kennis op te frissen bij antiquariaat Ben van Nijnatten: “De verhandeling van N.C. Kist, hoogleraar te Leiden, over Pausin Joanna, nagelezen en getoetst door J. H. Wensing, hoogleraar in het R.K. Seminarie te Warmond”(’s-Gravenhage, 1845).


Enkele dagen later ontving ik een ‘very nice copy’, gebonden in halfleer. Bij het doorbladeren werd ik aangenaam verrast door een leeg prijsformulier voorin, gedateerd 1850. Samen met een potloodaantekening aan de binnenzijde van het voorplat ‘Bibl. Hagev.’ is de herkomst van dit mijn exemplaar terug te voeren naar de voormalige bibliotheek van het Klein Seminarie Hageveld in Voorhout.

Deze lijvige negentiende eeuwse uitgave werd ruim anderhalve eeuw geleden gepubliceerd tijdens het laatste grote dispuut dat er in Nederland over Pausin Joanna werd gevoerd. Joanna was toen al door talrijke historici en theologen, zowel van katholieke als protestantse zijde, naar het rijk der fabelen verwezen maar hoogleraar N.C. Kist gooide de knuppel in het hoenderhok door in het “Archief voor Kerkelijk Geschiedenis, inzonderheid van Nederland” (Leiden, 1843, deel XIV) een artikel over haar te publiceren waarin hij stelde dat “het onderzoek harer geschiedenis nog niet gesloten is”. De Pausin, zo schreef hij, zou best wel eens een historische figuur kunnen zijn geweest. Kist, een ware Dan Brown ‘avant la lettre’, vermoedde een grote katholieke samenzwering, “een stelsel van bedrog en leugen”, dat alles wat haar historische werkelijkheid kon bewijzen verdonkeremaande, verdraaide of in de doofpot stopte. 


Katholiek Nederland reageerde als door een adder gebeten. Wellicht denkt u, waar maakten ze zich druk over? Maar we moeten de felheid van deze hele discussie zien in het licht van de negentiende eeuwse Katholieke emancipatie die uiteindelijk enkele jaren later, in 1853, zou leiden tot het herstel van de Bisschoppelijke Hiërarchie in Nederland. Katholiek of protestant, dat deed er toen nog toe.
Een pisnijdige Wensing liet zich niet kisten en publiceerde daarop zijn volumineuze
‘nalezing en toets’ die maar liefst 582 pagina’s telt en bomvol zit met argumenten uit talrijke historische bronnen en publicaties die pleiten tegen haar bestaan. Zijn uitgave bevat zo een mooi en nog steeds bruikbaar overzicht van wat er met betrekking tot Pausin Joanna in de loop der eeuwen is gepubliceerd en naar voren is gebracht.

Wensing probeerde het allemaal zo netjes mogelijk te formuleren maar en passant schoffelde de geïrriteerde katholieke hoogleraar zijn protestantse confrater onder het gras door diens redeneer en argumentatiekunst te bekritiseren. Bovendien was ‘Z.H.G.’ (Zijne Hoog Geleerde), volgens Wensing, onvoldoende geïnformeerd over de bronnen, kende hij vaak niet de juiste inhoud, gaf hij verkeerde interpretaties en gebruikte hij zijn materiaal selectief en onjuist. Saillant detail; de familie Kist is in Joanna blijven geloven!


Het voert te ver om hier uitgebreid in te gaan op het boek maar een van de meest sprekende ‘petit histoires’ die ook hier natuurlijk niet ontbreekt is het vermeende gebruik rond de ‘drekstoel’ ofwel de ‘sedia stercoraria’ (Wensing vermeldt er drie). Op deze zetel met halfronde zitting diende de kersvers gekozen Paus plaats te nemen waarna één van de daarbij aanwezige geestelijken onder de kleding van de Paus kroop en naar boven keek.
Zat daar wat bij mannen (meestal) zit, dan riep hij ‘Habet’ (hij heeft ze) of in de leukste versie van dit verhaal: ‘Testiculos habet et bene pendentes’ (‘hij heeft testikels en ze hangen goed’). Volgens de Joanna-gelovers werd deze stoel na haar dood in gebruik genomen om de eenmaal gemaakte fatale vergissing voor eens en voor altijd te voorkomen. Tegenstanders wijzen er echter op dat het ritueel rond de ‘drekstoel’ pas vanaf de elfde eeuw aantoonbaar is en een geheel andere betekenis had. De naam zou verwijzen naar wat er gezongen werd tijdens de plechtigheid, “De stercore elevat pauperem ut sedeat cum principibus” (God is degene die jou verheft uit de drek, die jou laat zitten bij de vorsten).
De kersverse Paus werd er zo nadrukkelijk op gewezen dat hij ook maar een eenvoudig mens was inclusief gebreken en behoeften. De ‘drekstoel’ is helaas al geruime tijd niet meer in gebruik maar twijfelt u desondanks aan het geslacht van de huidige Paus Benedictus XVI?

maandag 17 oktober 2011

Gek geworden


Voetstappen buiten… de deurbel… kippenvel.
Verwachtingsvol loop ik naar de deur. Mijn pakketje uit België.
Of ik even wil tekenen? “Nou dolgraag!”, en iets te uitbundig voor het digitale apparaat dat mij onder de neus wordt gehouden (de helft komt niet over) krabbel ik mijn handtekening. Het gaat om de eerste Nederlandse vertaling van het boek van Richard de Bury: “Philobiblon” (Kalmthout, 2006), uitgegeven door de Carbolineum Pers.

Met de hand gezet, in perkament gebonden en gedrukt op geschept papier in een oplage van vijf en zeventig exemplaren, gesigneerd door de illustrator (Bram Malisse) en vertaler (Wim Devriendt). Er zit zelfs een stofomslag om en het boek zit in een cassette. Driedubbele luxe dus waarvoor, u vermoedde het al, diep in de buidel moest worden getast. Maar ja… dergelijke uitgaven behoren nu eenmaal tot de primaire levensbehoefte van de ware bibliofiel!

Het handschrift van Richard de Bury (1287-1345), het oudst bekende tractaat over de liefde voor boeken, werd voor het eerst gedrukt in Keulen in 1474. Overigens was de inhoud mij al wel bekend want in mijn bibliotheek staat “Das Buch vom Buch” (Bremen, 1962) van Helmut Presser “mit einer übersetzung des Philiobiblons von Lutz Mackensen und einer bibliographie von Hans Wegener”. Een paar jaar geleden voor een paar euri op de Haagse boekenmarkt gekocht.

Philobiblon” was niet mijn eerste kennismaking met de Carbolineum Pers; een echte Vlaamse private press. Geruime tijd geleden vond ik bij Minotaurus al “De Bibliomaen” (Kalmthout, 2010). Het is een gedichtje van de Gentse stadsarchivaris en dichter Prudens Van Duyse (1804-1859) gepubliceerd in het Gentse tijdschrift "De Eendragt", in 1858. Het bibliofiele kleinood (oplage slechts vijfenvijftig exemplaren, waarvan nummer vijfentwintig in mijn bezit) bevat ook een fotoportretje van Van Duyse en kostte slechts vijftien euro. Blindelings en zonder aarzeling meteen gekocht!


Philobiblon” was ook niet mijn laatste kennismaking met de Carbolineum Pers.
Ik ben (zoals u inmiddels wel weet) gek op dergelijke gelimiteerde prachtuitgaven. Bij het doorbladeren raak ik vaak in een staat van opwinding die uiterst gevaarlijk is voor mijn financieel welbevinden. Ook ditmaal…Voor ik het wist stuurde ik met bibberende vingers een e-mail naar antiquariaat Fokas Holthuis:

"Waarde Fokas, Paul en Nick,
Ontving vandaag De Bury' s 'Philobiblon', van Boris Rousseeuw. Ben onder de indruk van dit prachtig uitgegeven boek van de Carbolineum Pers en vroeg mij af of jullie vinden dat ik dan ook maar Komrij's 'Lof der Stront' (book 21593 op Antiqbook) moet aanschaffen? Ik hoor graag nader.

Als verslaafde hoop je op een beetje compassie van die jongens. Dat ze je tot bezinning brengen, je wijzen op je onredelijke hebzucht en de bibliomane koorts temperen door te schrijven dat ze dit prachtboek (oplage zestig genummerde en gesigneerde exemplaren) liever zelf houden, dat je nog zoveel andere leuke dingen van dat geld kunt doen of dat het - jammer maar helaas - net is verkocht.

Hartelijk dank voor het bericht. Boris Rousseeuw maakt inderdaad schitterend drukwerk, in een eigen en herkenbare stijl, en schuwt het handzetten niet. Bovendien is zijn tekstkeuze ijzersterk. Vanzelfsprekend zijn wij van mening dat niets de aanschaf van Komrij’s vermakelijke Lof der Stront in de weg staat. Onze vraagprijs is € 300,- maar we zijn in dit geval bereid om 10% korting te geven.

Welja! Korting geven en vervolgens nog eens kosteloos opsturen ook!
Zijn ze daar soms helemaal gek geworden?