Posts tonen met het label Ex-Libris. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ex-Libris. Alle posts tonen

vrijdag 9 augustus 2024

De Deventer boekenmarkt, ruim 20 jaar later


Ruim twintig jaar geleden bezocht ik voor het laatst de Deventer boekenmarkt.
Mijn dochter was net geboren en ik kreeg steeds meer het gevoel dat ik er niet zoveel meer vond, nadat ik er - een decennium eerder - onregelmatig was geweest. Daarbij kwam dat mijn bronnen ondertussen meer divers werden, denk aan de lokale kringloop en veilingen, naast een wekelijkse kwalitatief hoogwaardige boekenmarkt (elke vrijdag op het Amsterdamse Spui). Meer ingrijpend was het stormerhand toenemen van mijn online boekensneupen op Antiqbook, Boekwinkeltjes, Marktplaats en Catawiki. Er kwamen ook steeds meer antiquariaten (en boeken) online. Kortom, een bezoek aan de jaarlijkse Deventer boekenmarkt veranderde van een 'must go' naar 'nice'.
Inmiddels doe ik al jarenlang en het hele jaar door - ook zonder de Deventer boekenmarkt - topvondsten en mijn blog (met inmiddels ruim 500 bijdragen) getuigt daarvan.


Toen ik daarom enkele maanden geleden besloot om weer eens in Deventer te gaan kijken was dat vooral om nostalgische redenen. Bovendien kreeg ik verlof van mijn werkgever waardoor ik opeens drie dagen aaneengesloten vrij had en beschik ik sinds kort - na tien jaar - ook weer over een luxe (lease)auto.


Eerlijk is eerlijk, ik heb er de afgelopen week wel een beetje naar uitgekeken (ondanks mijn scepsis en lage verwachtingen). Goed voorbereid en na een onrustige nacht met weinig slaap werd ik zondagmorgen 4 augustus om zes uur wakker. Na het gebruikelijke ochtendritueel (waartoe sinds een klein jaartje ook een rondje behoort met mijn dochters' Lassiehond Flynn) startte ik om kwart over zeven mijn auto, gewapend met een mok koffie en een koek. Ruim een uur later parkeerde ik in een verstild Deventer op de Beestenmarkt, nabij het treinstation. Plek zat, zondag gratis en op loopafstand van het centrum (tip!).


Er is in al die jaren, zo constateerde ik vrij snel, niet zo heel veel veranderd. Veel kramen, veel boeken en - naarmate de dag vordert - nog veel meer mensen. Wel opvallend vond ik de ruime mogelijkheid om je aanwinsten te pinnen of met een 'tikkie' te betalen. Een pak contant geld op zak zoals vroeger is nauwelijks nog nodig en rijen voor de pinautomaat heb ik ook niet gezien.
Eenmaal aangekomen op zo'n markt schakel ik over naar mijn gebruikelijke 'sneupstand'.
Ik loop in het midden tussen twee rijen met kraampjes en scan links en rechts het aanbod. Strips? Geen interesse... Ansichtkaarten? Geen interesse. Moderne pockets en ramsj? Geen interesse... Dozen ongeordend modern spul? Geen interesse... Spelletjes, vreettentjes en nieuwe schrijvers die hun boeken promoten en signeren? Geen interesse...
Alleen kraampjes waar ik antiquarisch belegen drukwerk ontwaar zijn mijn tijd en aandacht waard. Dat zijn er gelukkig niet zo heel veel en bovendien gaat het dan vaak om oude bekenden van vroeger of handelaren die ik elders regelmatig tegenkom zoals antiquariaat Klikspaan (Axe van Maanen) en De Uilenspiegel (Eric Klee). 


Ik merk al gauw dat ik in al die jaren ook kieskeuriger ben geworden als het gaat om oud of interessant drukwerk. Mmmmm, wat zie ik daar? Erotische Japanse 'kussenboekjes' uit de Meijiperiode (1868-1912). Negenendertig euro is niet veel geld voor dergelijke curiosa, maar zijn ze ook echt? Het genre is zo langzamerhand enorm populair geworden onder westerse verzamelaars en wordt daarom volgens mij ook 'en masse' nagemaakt in het Verre Oosten... Doorlopen maar...


Mijn eerste bijzondere vondst (rond tien uur 's ochtends) maakt meteen grote kans om ook mijn eerste aanwinst te worden. Een kleine zeventiende eeuwse pocketuitgave van J.N. de Parival's "Les délices de la Hollande", compleet met de kaart van Nederland en alle stadsplattegronden voor slecht vijfenzeventig euro! Het perkamenten bandje ligt half los van het boekblok, maar dat kan eenvoudig worden vastgezet. Hier en daar constateer ik nog wat andere kleine defecten. Alles bij elkaar schat ik zo'n honderdvijftig euro aan restauratiekosten kwijt te zijn.
Maar toch en toch... Het wordt me net iets te veel, ook al kost deze uitgave in het antiquariaat al gauw vijfhonderd euro! Ik twijfel en na lang te hebben geaarzeld laat ik het boekje toch maar even liggen, het is vroeg en ik heb de hele markt nog voor me. Ik kom later nog wel ff kijken, denk ik... Maar als ik aan het eind van de dag weer langsloop op weg naar huis zie ik het niet meer liggen. Verkocht natuurlijk.


Regelmatig zie ik boeken die ik wel zou willen kopen, als ik ze al niet had! Bijvoorbeeld die prachtige bedrijfscatalogus van Mich(ael) Birk: "Katalog/Catalogue/Catalogo No. 4" (Tuttlingen, z.j. [ca. 1913], met zijn unieke assortiment fantasiecondooms, waarover ik hier schreef of die zeldzame brochure: "Beperking van het kindertal, hare noodzakelijkheid en de middelen om haar toe te passen" (Amsterdam, 3de druk, 1896), geschreven door mevrouw de weduwe Van Ham-De Raadt. Lees daarover meer hier!

Vervolgens slenter ik langs de IJsselkade, steeds iets sneller want mijn ochtendkoffie wil eruit! Het aantal toiletwagens valt me overigens wat tegen, dat mogen er voortaan best een paar meer zijn, bovendien blijken niet alle aanwezige hulpverleners en informatiemedewerkers op de hoogte van hun min of meer verborgen achteraflocaties.


Kom ik nog bekenden tegen? Er lopen hier - zo lees ik later - 100.000 mensen rond (het weer is uitstekend!) en ik let natuurlijk totaal niet op al dat publiek, jong of oud, maar op stalletjes, boeken en oud papier. Desondanks word ik gespot door enkele X volgers (zoals @FrankBoeken en @KemperAlferink). Zelf bemerk ik verzamelaar Arie van den Berg (1948), die zijn collectie populair drukwerk uit diverse Europese landen, waaronder volksboeken en prenten, pamfletten e.d. aan het Allard Pierson heeft geschonken. Kennelijk is hij nog steeds niet uitverzameld en kan hij het kopen niet laten...
Maar mijn grootste verrassing volgt als ik op een gegeven moment naast mij een bekende stem hoor onderhandelen over een stapel verzameld werk van Eduard Douwes Dekker (1820-1887), alias Multatuli. Het blijkt een collega-beveiliger te zijn met wie ik nota bene regelmatig samenwerk op Schiphol! Ik ben stomverbaasd als hij vertelt dat hij al jarenlang fan en verzamelaar is van Multatuli en realiseer me hoe weinig ik eigenlijk weet van mijn collega's buiten het werk om.

Echt afspreken (via Whatsapp) doe ik alleen met de Boekensneuper die hier met zijn dochter rondloopt.
Hij sjouwt een tas vol met Corvey modellen voor de uitgever (genoeg voor een derde blog daarover) en zij leest en koopt vooral Engelse hardbacks (net als mijn dochter).
Ik heb voor hem mijn redactie-exemplaar van het jaarboek van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen meegenomen; dat scheelt mij weer portokosten.


Na onze ontmoeting en wat korte boekenbabbels gaan zij weer op weg naar huis. Niet veel later - rond vier uur 's middags - besluit ook ik om er een einde aan te breien.
Als ik weer in mijn auto over de A1 zoef ligt mijn tasje vrijwel leeg naast mij op de passagiersstoel. Er zit slechts één nieuwe aanwinst in. Gevonden op een kraampje langs de IJsselkade (bij een verkoper die ik me kan herinneren van een boekenmarkt lang geleden langs de Amstel, georganiseerd door de Kan).
Ditmaal liggen bij hem veel oude militaria boeken. Routineus en plichtmatig snuffel ik daar wat doorheen maar mijn oog is inmiddels gevallen op een plastic tasje met daarin een klein boekje...


Het gaat om een halfleren bandje met een bibliofiele en adellijke provenance zo blijkt uit het ex-libris; Bibliothèque de Th. de Jonghe", met het devies: "Fortune ne vieillit pas". De Brusselse Jean Baptiste Théodore de Jonghe (1801-1860) was diplomaat en advocaat en erfde een groot familiefortuin waarmee hij in dertig jaar tijd een fabelachtige (voornamelijk genealogische en heraldische) bibliotheek opbouwde. Na zijn dood werd zijn boekenberg tussen 5 november 1860 en 7 februari 1861 geveild bij Ferdinand Heussner in Brussel (Piet Buijnsters schreef uitvoerig over hem in zijn: "Geschiedenis van het antiquariaat en bibliofilie in België (1830-2012)" (Nijmegen, 2013). 
"This magnificent library was one of the greatest and most complete ever formed on the history, heraldry, genealogy, and numismatics of the Low Countries. The collection was the most important sold since Lammens and Van Hulthem 25 years earlier". In het boekje zit tevens het ex-libris van een andere - iets minder bekende - rechtsgeleerde, de Amsterdamse advocaat en procureur mr. A(braham) Lind (1858-1933).


Bij nadere inspectie thuis blijkt het te gaan om een convoluut met vier verschillende uitgaven, waarvan in ieder geval drie zijn gedrukt door Pieter Hendrik Dronsberg, die tussen 1788 en 1798 Amsterdams stadsdrukker was. Het zijn achtereenvolgens: 
A. "Brand-keure der stad Amsterdam, vervat in drie deelen" (Amsterdam, z.j. [179.])
CWijkindeling. 30 pagina's, dubbelzijdig bedrukt (60 stadswijken) met een omschrijving van het blusgebied van de desbetreffende wijk en waar zich de brandspuit en brand-emmers bevinden. Een curieus overzicht waarvan de functie mij in eerste instantie ontging. Titelpagina of bladnummering ontbreken en de naam van de 'Capiteyn' van de desbetreffende wijk moest kennelijk zelf worden ingevuld. Een eerder uitgegeven brand-keur gedrukt door Samuel Lamsveld uit 1763 (online raadpleegbaar) gaf de oplossing. Hierin zit namelijk één enkelzijdig (!) bedrukt blad met de informatie van wijk 38. Dergelijke informatiebladen waren kennelijk bedoeld om samen met het brand-keur te worden verstrekt aan de bevelvoerende officier van de wijk (die vervolgens zijn eigen naam daarop kon invullen). Ze werden dus niet zoals mijn exemplaar gebundeld uitgegeven (of gedrukt) maar apart per wijk verstrekt. Een curiosum waar (volgens de STCN) nog één ander voorbeeld van bekend is in de collectie van het Noord-Hollands Archief. Een integraal wijkoverzicht (inclusief de buitenwijken) vinden we pas voor het eerst achterin het Amsterdamse brandkeur van 1831.


Honderdvijfendertig euro staat er op de gele sticky note... Niet te veel geld, vind ik, en het onderwerp spreekt mij wel aan (ik schreef al eens uitvoerig over de brandspuit-penningen van de Overtoom, Nieuwer- en Ouder-Amstel). De verkoper bemerkt mijn interesse en (expres wat overdreven) aarzeling en vraagt om een tegenbod. Voor honderd euro word ik de nieuwe eigenaar. Toch nog wat gevonden en gekocht op de Deventer boekenmarkt!

Volgend jaar weer?

vrijdag 19 februari 2021

Herinnering aan 't vooronder

In 2014 maakte ik voor het eerst kennis met 't vooronder. Op uitnodiging van boekenvriend Wim Heijting mocht ik aanschuiven als lid van de redactie van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen (NGB). Onze vaste vergaderplek was 't vooronder, zoals wij het souterrain van het huis aan de Amsterdamse Prinsengracht 901 noemden.
Gastvrouw was Isa de la Fontaine Verwey-le Grand, die samen met poes Lotje tot het redactiegezelschap behoorde.

Vanaf de straat was 't vooronder al te zien. Naast de hardstenen trap die naar de bel-etage voerde zat een flink raam dat binnen uitzicht bood op talrijke passerende benen, fiets- en autowielen. Isa deed altijd zelf open en begroette dan haar 'koetsier', de bijnaam die ik kreeg omdat ik haar regelmatig met de auto naar diverse bijeenkomsten bracht en weer terug naar huis. Tal van nieuwjaarskaartjes en envelopjes herinneren mij daar nog aan. Zelf noemde ik mij gekscherend haar chaperon.

Door de voordeur kwam je in een smalle gang met kapstok en marmeren vloertegels. Een paar meter verder rechts was een deuropening. Daar voerde een smalle wenteltrap ('pas op voor je hoofd!') naar het onderhuis. Beneden bevonden zich - aan de achterkant van het huis - de keuken (met het toilet) en aan de voorkant... 't vooronder.

Het was geen grote kamer, maar er was voldoende plek voor een grote ovale tafel en stoelen met kussentjes. Mijn vaste plek was altijd op de stoel met mijn rug naar het raam. Thee met lange vingers en witte wijn met kaasstengels behoorden tot de vaste tafelaccessoires. Er werd uiteraard vergaderd maar vooral ook veel gekletst over de wereld van het boek en onze diverse belevenissen daarin. Die waren nogal verschillend want de redactie was en is - net als het genootschap zelf - altijd een bonte mengeling geweest van boekwetenschappers, bibliothecarissen, drukkers, boekenliefhebbers en verzamelaars.

Overal in het huis aan de Prinsengracht stonden of lagen stapeltjes boeken. In 't vooronder stonden ze op lange planken langs de wanden, rij na rij. Veel Franstalig, veel negentiende eeuws, en ook veel boekwetenschap. Ook stond er een kastje met een aantal oude drukken in bijzondere banden (die inmiddels allemaal zijn geschonken aan de Bijzondere Collecties van de UvA, thans Allard Pierson). Het wachten op andere redactieleden duurde nooit lang. Ik vond er altijd wel iets om in te bladeren en veel van wat er aan genootschapsuitgaven en boekhistorie stond was mij wel bekend. Het merendeel van de boeken stond er al decennialang en behoorde tot de persoonlijke bibliotheek van Herman de la Fontaine Verwey (1903-1989), de oervader van de Nederlandse boekwetenschap. Zijn boeken waren herkenbaar aan het ronde ex-libris ontworpen door Sjoerd Hendrik de Roos (1877-1962) met centraal daarop een riviergod, zijn naam en de spreuk: "Il en prent, qui veut de la fontaine".

In de boekenrijtjes stonden ook enkele bijzondere exemplaren en één daarvan herinner ik me nog heel goed en sprak sterk tot mijn verbeelding. Het ging om: "Studia Bibliographica in honorem Herman de la Fontaine Verwey" ('Amstelodami, Kalendis novembris, 1966'). Een 'Festschrift' onder redactie van S. van der Woude. Het was het exemplaar voor Herman de la Fontaine Verwey zelf, luxe gebonden door de uitgever, M. Hertzberger (1897-1982), in rood leer met gemarmerde schutbladen en vergulde kopsnede. De publicatie (478 bladzijden) bevat 28 bijdragen, inclusief de introductie door de hoofdconservator van de Belgische Koninklijke Bibliotheek, Herman Liebaers (1919-2010). Alles is in het Frans, Duits of Engels, ook de 13 bijdragen uit Nederland! Het 'Festschrift' was een geschenk ter gelegenheid van het zilveren jubileum van Herman de la Fontaine Verwey als bibliothecaris (directeur) van de Universiteitsbibliotheek Amsterdam. Het boek zou overigens pas in het voorjaar van 1968 verschijnen. 

Een 'Festschrift' is een uitgave die originele bijdragen bevat van naaste vrienden, collega's soms ook voormalige promovendi van de desbetreffende honoré, vaak een academicus. Het verschijnt meestal ter gelegenheid van diens pensioen, een belangrijke verjaardag of een ander opmerkelijk jubileum. Herman de la Fontaine Verwey was in de boekenwereld niet de enige die een dergelijk eerbetoon in de vorm van een 'Festschrift' zou ontvangen.

Dat overkwam bijvoorbeeld ook de antiquaren Nico Israel (in 1989), Anton Gerits (in 1990) en Bob de Graaf Bierbrauwer (in 1992). Een recent voorbeeld is de uitgave die verscheen ter gelegenheid van het afscheid van Paul Hoftijzer (sinds 2013 de redactievoorzitter van het NGB), als hoogleraar boekgeschiedenis aan de Universiteit van Leiden: "Om het boek, Cultuurhistorische bespiegelingen over boeken en mensen" (Hilversum, 2020). 

Ook in mijn bibliotheek staan diverse voorbeelden, zoals: "Boeken verzamelen" (Leiden, 1983), aangeboden aan mr. J.R. de Groot bij zijn afscheid als bibliothecaris van de Rijksuniversiteit Leiden en natuurlijk (één van de meest bekende in dit genre); "De Arte et Libris. Festschrift Erasmus 1934-1984" (Amsterdam, 1984), aangeboden aan de antiquaar en boekhandelaar Abraham Horodisch (1898-1987). 

Met de verhuizing van Isa en Lotje - enige jaren geleden - kwam ook een eind aan de jarenlange vergaderingen in 't vooronder. Sweet memories bleven. In oktober 2019 twitterde boekenvriend Koen de Jager - die een lezenswaardig blog bestiert onder de titel "Quis leget haec?" - dat hij via antiquariaat Klondyke in Almere eigenaar was geworden van het NGB-jubileumboek "De Complete Verzameling. Notities over het einde van boekencollecties" (Amsterdam, 2016). Niet zomaar een exemplaar, maar nummer 1 dat bij mijn weten aan de auteur, Paul van Capelleveen, was geschonken. 

Het bleek echter te gaan om het Romeins genummerde exemplaar I dat was aangeboden aan (onze hoofdsponsor) Isa de la Fontaine Verwey! Toen pas drong het tot mij door dat het opdoeken van 't vooronder, c.q. de verhuizing van onze gastvrouw naar een kleinere behuizing, natuurlijk ook gepaard was gegaan met de schifting en opruiming van de daar aanwezige omvangrijke boekenberg. Ik besteedde er verder geen aandacht aan maar onlangs schoot mij dit weer te binnen toen ik om de een of andere reden de website van antiquariaat Klondyke bezocht.
Ik snuffelde digitaal wat door hun aanbod en trof er verschillende boeken aan met de opmerking dat er een ex-libris in zat van Herman de la Fontaine Verwey. Toen ik vervolgens op zijn naam selecteerde en de prijs van hoog naar laag sorteerde stond bovenaan als klap op de vuurpijl diens speciaal gebonden huldeblijk dat ik ooit in 't vooronder had bepoteld en bewonderd.

U begrijpt wel dat dit boek inmiddels in mijn bibliotheek staat als een herinnering aan 't vooronder en een groot boekhistoricus die ik persoonlijk nooit heb gekend, maar wiens nabijheid ik toch in zekere mate heb gevoeld, dankzij mijn omgang met zijn allercharmantste weduwe Isa, 'de vrouw met het kleine naampje en het grote hart'... (*) 

---------XXXXX---------

(*) Vrij naar Willem Walraven (1887-1943): “Itih, met het kleine naampje en het grote hart, werd geboren in de desa Tjigoegoer, dicht bij Tjimahi in de Preanger.” Het is de openingszin van zijn verhaal “De clan” dat met nog een ander verhaal van Walraven (“Op de grens”) door Rob Nieuwenhuys werd opgenomen in diens Indisch-Nederlandse bloemlezing “Bij het scheiden van de markt” uit 1960.

zaterdag 23 januari 2021

Nederlands oudste gedrukte drukkershandboek


Het jaar 2021 was nog maar tien dagen oud toen Perkamentus positief testte op corona.
Met mijn (contact)beroep op een locatie waar corona heerst was het natuurlijk niet zozeer de vraag of ik het zou krijgen maar wanneer... 
Gedurende twee weken bleven de symptomen gelukkig beperkt en vergelijkbaar met een flinke verkoudheid. Wat nog steeds niet helemaal weg is en ook al langer speelt is het lamlendige gevoel dat deze coronatijd mij geeft (en waarover ik eerder schreef in: "Bibliofilie in coronatijd"). Het kost mij moeite om leuke boeken te vinden die mijn begeerte opwekken en die mij bovendien inspireren om erover te schrijven. Dat is uiteraard goed voor de portemonnee, maar slecht voor de continuïteit van mijn blog. Ik was daarom aangenaam verrast en blij toen ik een week geleden bij het Amsterdamse antiquariaat Boek & Glas een boekje aantrof dat ik onmiddellijk wilde kopen. 


Het gaat om een fraai in halfperkament gebonden exemplaar (met lichtblauwe, linnen platten) van Nederlands eerste gedrukte drukkershandboek: "Handboek ter beoefening der boekdrukkunst in Nederland. Voorafgegaan van eene beknopte geschiedenis dezer kunst" ('s Gravenhage, 1844). De anonieme auteur, tevens uitgever, was de boekdrukker en -verkoper Pieter Marius van Cleef Jzn. (1819-1858).


De belangstelling voor zijn uitgave was gering en in 1856 zou hij het boek nogmaals als titeluitgave (met kartonnen uitgeversband) op de markt brengen. Mijn aanwinst bevat een ex-libris ontworpen door Gerardus Pieter Lambertus Hilhorst (1886-1957) voor Alexander Wilhelm Barten (1877-1959). Barten was vijfendertig jaar directeur van de School voor de Grafische vakken in Utrecht. Ik kocht het boekje via Boekwinkeltjes bij antiquariaat Boek & Glas voor € 125,- euro (incl. verzendkosten). 


Antiquarisch wordt deze originele uitgave maar zeer zelden aangeboden, en vaak tegen veel hogere bedragen. Wel goed verkrijgbaar is de fotoherdruk van 1974, met een uitvoerige en informatieve inleidende studie van boekhistoricus Frans A. Janssen. Omwille van die studie kocht ik die voor twee tientjes erbij. Het boekje is overigens ook via Googlebooks te raadplegen. 


Janssen schrijft in zijn studie dat Van Cleefs 'Handboek' verscheen aan het einde van een periode van 350 jaar waarin het handwerk van het boekdrukken op houten persen vrijwel ongewijzigd was en nog vóór de grote veranderingen die de industriële revolutie in de boekdrukkunst teweeg bracht. Van Cleefs 'Handboek' richt zich tot collega-drukkers en mensen in het vak en is bedoeld als praktisch handboek met nauwkeurige zetinstructies, formaatschema's en vouwmethoden.


Ik kende deze uitgave al toen in 2010 Steven de Joode erover schreef op zijn blog 'The Library of Curiosities'. In "Handboek ter beoefening van de boekdrukkunst" beschreef hij zijn eigen exemplaar dat hij inmiddels, als antiquaar van Black Dog Rare Books, weer doorverkocht. Toen ik mijn nieuwe aanwinst thuis ontving besloot ik zijn artikel nog eens door te lezen. Ruim tien jaar geleden was ik best wel jaloers op zijn bezit en ontstak zijn bespreking bij mij een brandend verlangen. Ditmaal echter werd ik vooral getroffen door wat hij schreef over zijn exemplaar. Leest u even mee?


"Enkele jaren geleden wist ik zelf de hand te leggen op een exemplaar van de oorspronkelijke editie. Interessant genoeg bleek dit een ex libris te bevatten van A.W. Barten. Deze grafische deskundige was jarenlang directeur van de School voor de Grafische vakken in Utrecht, waar hij in 1942 afscheid nam. Hij bezat een fraaie bibliotheek die behalve vakliteratuur onder andere enkele incunabelen en postincunabelen bevatte. Barten paste zijn kennis toe in verschillende publicaties over de geschiedenis van de grafische techniek.
Zijn levenswerk vormde een uitgebreide typografische encyclopedie waaraan hij decennia lang werkte, zonder haar evenwel te publiceren. De encyclopedie werd, samen met zijn bibliotheek, in 1960 ter veiling aangeboden door A.J. van Huffel’s Antiquariaat te Utrecht.
De catalogus bevat 724 nummers, met als uitsmijter de encyclopedie in handschrift. In de veilingcatalogus wordt onder nummer 94 het Handboek beschreven, gebonden in half perkament. Interessant genoeg is mijn exemplaar echter gebonden in contemporain half leder. Kennelijk bezat Barten meerdere exemplaren".

Geen twijfel mogelijk, het exemplaar in half perkament dat onder nummer 94 in de veilingcatalogus 'Typographie et branches alliées' wordt beschreven is thans mijn eigendom! Barten bezat dus in ieder geval twee exemplaren van Van Cleefs 'Handboek'.

Ik wens u allen een gezond en voorspoedig 2021.

zaterdag 23 maart 2019

Ochtendbespiegelingen van Frederik de Grote


In 1766 verscheen een klein Franstalig boekje getiteld: “Les matinées du Roi de Prusse écrites par lui-même” (Berlin, 1766). De titelpagina vermeldde weliswaar geen officiële auteur maar de schrijver zou niemand minder zijn dan Frederik II (de Grote) van Pruisen (1712-1786).
De inhoud, waarover later meer, veroorzaakte de nodige beroering en er verschenen tot ver in de negentiende eeuw tal van herdrukken in verschillende talen, soms onder een andere titel zoals: “Soirées du roi de Prusse” en “l' Art de régner”.

Nog tijdens het leven van Frederik verschenen er minstens vijf verschillende edities die alle vrij schaars zijn. Sinds kort staat in mijn bibliotheek een exemplaar van "Les matinées du Roi de Prusse" (Berlin, MDCCLXXXIV [1784]). De uitgave (in duodecimo, 60 blz.) zit in een blauw contemporain kartonnen bandje. Op de versozijde van het titelblad bevindt zich een roodkleurig vierkant ex-libris, waaruit blijkt dat mijn nieuwe aanwinst ooit stond in de befaamde ‘Tetschner-Bibliothek’ van de graven van Thun-Hohenstein. Toen hun stamslot in 1933 werd ingericht als Tjechoslowaaks militair hoofdkwartier werd hun bibliotheek met enkele duizenden banden, in beslag genomen en verkocht. Eén van de opkopers was de later zeer bekende antiquaar H.P. Kraus (1907-1988).


Het oorspronkelijke handschrift (op papier, gemaakt in één van Frederik’s Oost-Pruisische papiermolens, met als watermerk de firmanaam ‘Neuendorf’ en de koninklijke adelaar) zou zich hebben bevonden tussen de familiepapieren van Eugen Freiherr von Massenbach (1817-1894). Was de auteur inderdaad Frederik de Grote?
Het lijkt onwaarschijnlijk en is nooit definitief vastgesteld en de werkelijke auteur is nog steeds een mysterie. In de loop der tijd zijn tal van andere kandidaten genoemd zoals graaf Ewald Friedrich von Herzberg (1725-1795), de Pruisische kapitein-ingenieur C. (Zacharie de Pazzi) De Bonneville (1710-1780) maar ook Voltaire (1694-1778).
Aangezien de laatste een ‘penvriend’ was van de Pruisische vorst mag het opmerkelijk heten dat er met geen woord over wordt gerept in hun brieven. Althans ik vond daarvan niets terug in de uitgave van hun briefwisseling (1736-1778) die in 2007 verscheen bij uitgeverij Van Gennep.

In ‘Les Matinées’ richt ‘Der Alte Fritz’ zich in vijf Machiavelliaanse bespiegelingen tot zijn neef Karel Willem Ferdinand van Brunswijk-Wolfenbüttel (1735-1806). De morgenuren handelen over:
1. De oorsprong van hun stamhuis, de gesteldheid van het rijk, de bodem en zeden van zijn land. "De levenswandel van de meerderheid der vorsten uit dit Huis is verfoeilijk slecht geweest, een genadig toeval en slechts bepaalde omstandigheden, die zeer meewerkten, hebben tot onzen groei het meeste bijgedragen. Ik kan u bovendien verzekeren, dat de eerste die zich onzen kroon opzette, één van de ijdelste en stompzinnigste Heeren geweest is, en bovendien een zeer wanstaltig en puistig lichaam bezeten heeft."
2. Over religie en godsdienst. "Bedenk het wel, mijn waarde Neef, er is niets ter wereld, wat den geest en het hart meer foltert en tiranniseert dan de godsdienst: want deze stemt noch met onze hartstochten noch met de bedoelingen der staatkunde overeen, die toch een monarch allen in 't oog te houden heeft. Zodra men God vreest, of beter gezegd, angst voor de hel heeft, wordt men tot capucijn."
3. Over gerechtigdheid. "De gerechtigheid is Gods evenbeeld. Wie kan in de uitoefening ervan de hoogste volmaaktheid bereiken? Doet men daarom niet verstandiger, als men zelfs het voornemen laat varen, om ze volkomen te bezitten?"
4. Over politiek, schone wetenschappen, de letterkunde en zijn kleding."Ik draag geen andere kleding dan mijn regimentsuniform, mijn troepen gelooven, dat ik dat doe uit bijzondere hoogachting voor hun stand, maar voornamelijk doe ik het, om met een goed exempel voor te gaan".
5. Staatkunde. In de laatste bespiegeling gaat het over zijn drie grondbeginselen in de staatspolitiek; “het eerste voor zijn veiligheid te zorgen en naar gelang van omstandigheden zich uit te breiden; het tweede geen bondgenootschappen aan te gaan dan tot zijn voordeel; en het derde, zich te doen vreezen en eerbiedigen zelfs in de hachelijkste tijden”.
De Franse editie door Spiess die in 1797 in Parijs bij Dentu verscheen bevat een zesde morgenuur over het leger.


Bijna een eeuw geleden verscheen hiervan een schaarse Nederlandse vertaling verzorgd door H.A. Petermeyer (1888-1943) getiteld: “De morgenuren eens konings aan zijns broeders zoon 1766" (Amsterdam, 1924). Petermeyer (‘Peet’) was een Nederlands journalist in Berlijn en correspondent voor tal van bladen. Zijn vader was Duitser en dus sprak en schreef hij vloeiend Duits zodat het geen verbazing wekt dat er gelijktijdig een Duitse editie van zijn hand verscheen.


Petermeyer heeft aan zijn uitgave twee andere elementen toegevoegd. Ten eerste de “Geloofsbelijdenis van Z.M. den Koning van Pruisen” waarvan artikel 1 als volgt luidt:
"Ik geloof niet, wat de Paus beveelt, ook niet in allen deele, wat Luther bevestigd en Calvijn geschreven heeft. Ik geloof echter aan den Eenigen God en stel Zijn Heilig woord tot daadwerkelijken grondslag van mijn geloof en wat daarmede niet overeenstemt, zal nooit door mij worden geloofd, ook al zou een Engel des Hemels het geschreven hebben".
Het tweede is: “De ‘morgenuren’ in Doorn”, een verslag van Petermeyer's bezoek aan de verbannen Duitse Keizer Wilhelm II in Doorn en zijn daar gehouden voordracht over de ‘morgenstonden’. De Keizer was daarin zeer geïnteresseerd en liet ‘en passant’ weten dat hij bijzonder gecharmeerd was van de vierdelige film: “Fridericus Rex” uit 1921/22.
Een historisch kostuumdrama dat de achttiende eeuwse 'frische fröhliche Krieg' toont onder commando van 'Der Alte Fritz'. Kijk en zing uit volle borst mee (let op de tekst!) met de Pruisische 'Fridericus-Rex-Grenadiersmarsch' van Ferdinand Radeck (1828-1903)!


Petermeyer was niet de eerste die een eerste Nederlandse vertaling op de markt bracht.
Die was al een halve eeuw daarvoor verschenen en wel bij de firma R.C. Meijer van Multatulikenner R.C. d’Ablaing van Giessenburg (1826-1904).
Diens vertaling van ‘Les matinées’ zit echter verborgen in de reeks “Curiositeiten van allerlei aardwaarover ik eerder schreef en wel in nummer 34: “Een paar staatsstukken” (Amsterdam, 1876).


Voor: “De ochtendbespiegelingen van den Koning van Pruissen” gebruikte d’Ablaing de uitgave van Ch. Potvin (Brussel, 1871) die de oorspronkelijke, niet vermeerderde tekst bevat (en ook nauw aansluit bij de Berlijnse editie van 1784).
Vraagt men waarom ik, even als mijn geachte vriend, aan deze lezing de voorkeur geef, mijn antwoord is gereed: De bedoelde vermeerdering is blijkbaar een onhandige, walgelijke vervalsching, om schandaal te verwekken; zo’n tekst valt niet in mijn smaak en behoort niet te huis in mijn curiositeiten” (blz. 4). Behalve de 'ochtendbespiegelingen' bevat d'Ablaing's uitgave ook nog het politiek testament van een ander verlicht despoot: "Kopij van het ontwerp van Europesche heerschappij door Peter de Groten nagelaten aan zijn opvolgers op den troon van Rusland, en berustende in de archieven van het paleis Petershoff bij Sint Petersburg".

vrijdag 14 oktober 2016

Huisboek(je)


Dankzij Catawiki bezit ik sinds kort het befaamde: “Huisboek voor vaderlandsche huisgezinnen” (Amsterdam, 1793), van Johannes Florentius Martinet (1729-1795).
Zoals ik wel vaker doe met oude boeken heb ik aan mijn uitgave een portret van Martinet toegevoegd (zie bijvoorbeeld hier, hier of hier) dat ik via antiquariaat Van der Steur kon bemachtigen.
Martinet behoorde nog tot de fysico-theologen die in de wonderen der natuur een bewijs voor het bestaan van God zagen. De orde en harmonie die er heerste in Gods schepping werden door hem verheerlijkt en aan het huisgezin tot voorbeeld gesteld. Door verbetering van het gezinsleven hoopte Martinet uiteindelijk de gehele samenleving te verbeteren.

Rond 1800 bevond die samenleving zich volop in een veranderingsproces op weg naar een industriële (19de eeuwse) maatschappij waarin werk- en privésfeer steeds meer gescheiden werden. “Door de scheiding van huis en werk werd het gezin geleidelijk aan een gesloten gemeenschap, die werd gekenmerkt door 'Innerlichkeit', 'Intimität' en 'Emotionalität' en de afwezigheid van conflicten, concurrentie en arbeid. De openheid van de traditionele familie werd vervangen door de geslotenheid en intimiteit van het burgerlijke gezin, die nu diende als schuilplaats voor het materialisme en de immoraliteit van de maatschappij. Het gezin werd een gemeenschap die min of meer los stond van de maatschappij. Het werd 'Innenraum' en 'Gegenwelt' tegenover een vijandige buitenwereld. Binnen deze familie leefde men in toenemende mate alleen met de directe verwanten wat de band tussen deze familieleden intensiveerde en emotioneler maakte” (B.L.M. Hijstek in: “De Burgerlijke 19e eeuw: ‘My house is my castle’”).
Kortom ook het gezin veranderde en zo bekeken gaf Martinets huisboek wellicht een steuntje in de rug en voorzag het kennelijk in een grote behoefte want er bestaat ook een 2de druk uit 1803 bij dezelfde uitgever en zelfs een 3de druk uitgegeven in 1831 bij J. Noman & Zn. in Zaltbommel.


Uit de hoofdstukjes ‘de Ouden van dagen’ en ‘Dienstbooden’ in dit boek blijkt wel dat ook inwonende (schoon)ouders konden behoren tot het gemiddelde huisgezin. Alleen bij de gegoede stand kwam daar uiteraard het dienstpersoneel nog bij. Beide categorieën zouden pas na de Tweede Wereldoorlog het huisgezin verlaten. Ondertrouwde lieden en jonge echtgenoten werden ook door Martinet toegesproken waarbij natuurlijk vooral werd gewezen op de wederzijdse huwelijkse en huiselijke plichten.



Niet lang na mijn aanwinst liep ik op de Amsterdamse Spui boekenmarkt tegen een ander ‘huis-boekje’ aan dat ik niet kende.
De titel luidt: “Huis-boekje voor verloofden en pas-gehuwden en voor dezulken, die eenmaal den huwelijken-staat zullen omhelzen” (Amsterdam, 1823). Het heeft nog zijn originele groen kartonnen bedrukte uitgeversbandje met aan de achterzijde van het voorplat het ex-libris van Ulco Proost (1885-1966). Als bibliofiel werd Proost vooral bekend om zijn collectie bijbels en fraaie boekbanden maar kennelijk schuwde hij ook dergelijke curieuze uitgaven niet.


Deze uitgave is veel zeldzamer dan het boek van Martinet.
Het exemplaar dat ik op de boekenmarkt vond werd in mei 2016 geveild bij Bubb Kuyper in Haarlem (veiling 64/3236). Het bracht een bescheiden zeventig euro op exclusief veilingkosten. Koper destijds was Arnoud van antiquariaat Salamander (in Almere).
Ik werd de nieuwe eigenaar voor honderd euro.
Arnoud maakte dus een bescheiden winst, temeer omdat ik er twee andere boekjes, van enkele euro’s per stuk, gratis bij kreeg.
Alleen de Koninklijke Bibliotheek en Bijzondere Collecties van de UVA bezitten een exemplaar van dit bijzondere boekje. Zowel het huisboek van Martinet als dit 'huis-boekje' zijn gedigitaliseerd zodat u er zelf even in kunt bladeren en lezen.


Het huisboekje voor verloofden en jong gehuwden verscheen oorspronkelijk in 1821 in Leipzig onder de titel: “Hausbedarf für Verlobte und Neuverehelichte und solche, die es noch werden wollen”. De auteur was de dichter en predikant Christian Friedrich Traugott Voigt (1770-1814).
De 153 bladzijden bevatten geen illustraties. Alleen op de titelpagina is een kleine afbeelding gegraveerd door Abraham Lion Zeelander (1789-1856).
De vertaler is onbekend maar hij (of zij) verwijst al in de eerste zin van het voorwoord naar het huisboek van Martinet.

Wat opvalt in dit boekje is het veel explicieter taalgebruik.
Woorden als: zwanger(schap), natuurlijk zuivering (menstruatie), teedere kusjes, echtelijke omhelzing, zinnelijk genot/-reinheid, huwelijksgenot, bijslaap, boeleerster (hoer), voortplanting, en liefkozende driften kom je bij Martinet niet tegen. Het ging er dan ook om - zo lezen we in het voorwoord aan de verloofden en pas gehuwden - om de kern van het verhaal met korte doch krachtige woorden toe te lichten. En waar draaide het dan uiteindelijk om? Natuurlijk om de ultieme daad met het ultieme resultaat; het “vaderland eenen gezonden burger te leveren”.

Of dit destijds weinig verhullende boekje net zo’n bestseller was als het ‘Huisboek’ van Martinet mag worden betwijfeld. De nauwkeurige lezer zal inmiddels hebben gezien dat op de voorkant van de uitgave nog een prijs staat van ƒ1,50 maar in de advertentie (uit de Opregte Haarlemsche Courant van 3 juli 1824), is dat nog maar ƒ1,25. En ruim veertig jaar later is deze uitgave nog steeds verkrijgbaar voor zestig cent bij boekhandelaar G.D. Bom in Amsterdam (zie onderstaande advertentie uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 5 november 1864).

woensdag 17 augustus 2016

Een boekenmarkt met erotische verrassingen


Ik ben geen verzamelaar van erotica pur sang maar dat neemt niet weg dat ik op dat gebied af en toe iets interessant vind dat ik graag aan mijn bibliotheek toevoeg.
Ditmaal sloeg ik toe op de laatste boekenmarkt van het jaar georganiseerd door ‘De Kan’ langs de Amstel; een plek die mij qua ambiance meer kan bekoren dan de drukke Dam.
Het thema van de markt was ditmaal ‘Erotiek’.
Wie denkt dat de kramen dus volgestapeld lagen met oude en nieuwe boeken uit dit genre heeft het mis. Enkele handelaren hadden niets en bij weer anderen trof ik wat achteraf een bescheiden stapeltje aan dat er soms met moeite tegenaan hikte.

Pas bij de kraam van antiquariaat Nonpareil uit Hoevelaken kreeg ik rode oortjes!
Daar lag niet alleen een ruime collectie moderne uitgaven op dat gebied maar bovendien diverse interessante exemplaren vroege of oude erotica.
Ik kon maar moeilijk kiezen uit al dat lekkers uitgestald op één tafel (en dat komt niet vaak voor!). Uiteindelijk kocht ik vier objecten en betaalde daarvoor een bescheiden zeventig euro. Eén uitgave (en zeker niet de minste!) valt buiten het thema ‘Erotiek’ en laat ik hier onbesproken. De andere drie kocht ik om verschillende redenen.


De modernste uitgave is van Marieke van Doorninck en Margot Jongedijk; “In het leven. Vier eeuwen prostitutie in Nederland” (Dieren, 1997). Een vlot leesbaar geïllustreerd boekje dat alweer bijna twintig jaar geleden verscheen bij de gelijknamige tentoonstelling in Apeldoorn.
Het wordt op Boekwinkeltjes overvloedig aangeboden maar ik kocht het vooral omdat ik al bladerend twee afbeeldingen ontdekte van objecten die ook in mijn collectie zitten.
Zoiets vat ik als bibliofiel verzamelaar toch op als een compliment en bevestiging!


Het gaat om een afbeelding (op blz. 18) van de titelprent uit: “Licht in Nacht. Van den arbeid in duister Amsterdam” (Amsterdam, 1917) waarover ik hier schreef en om een afbeelding van de befaamde ansichtkaart van het luxueuze Amsterdamse bordeel Maison Weinthal uit 1902 (blz. 45), waarover meer hier.


Mijn tweede aanwinst is eigenlijk geen boekje maar een kartonnen envelope met een losbladig uitgegeven catalogus “Erotica & Curiosa” van antiquariaat Van Sabben (Haarlem, 1986).
Het is een gelimiteerde geïllustreerde uitgave (ik kocht nummer 51 van de 175) die destijds dertig gulden kostte.
Op bladzijde 41 (van de 47) staan de richt-/startprijzen van de 145 kavelsnummers en de oorspronkelijke eigenaar heeft met potlood de nummers aangestreept die destijds werden verkocht. Dat waren er slechts 26!
Géén van de topstukken haalde de startprijs, waaronder het erotisch oeuvre in drie delen van Guillaume Apollinaire (1880-1918): “Oeuvres érotiques completes” (Barcelonnette [Paris], [Marcel Lubineau], 1934). Startprijs ƒ 2100,- gulden!
Ter vergelijking; deze set vond ik thans aangeboden voor € 300,- euro!
Een goede les dat niet alle (oude) boeken (en verzamelgenres) in prijs stijgen!


Het was overigens de catalogus zelf die mij verraste want ik ken maar één ander voorbeeld. Het gaat om veilingcatalogus (161): “l Erotica Rarissima” (Utrecht, 1980) van J.L. Beijers. Ook die werd genummerd en gelimiteerd uitgegeven en is een collectorsitem op zich geworden.


De grootste erotische verrassing, mijn derde aanwinst, heb ik voor u tot het laatst bewaard!
Het is in een in donker marokijn leer gebonden uitgave van: “Le Parnasse libertin: ou Recueil de poesies libres” met een fictief uitgeversadres ‘A Cythere [Parijs], Chez le Dru, à l'enseigne de Priape' (1775).
Het gaat om een exemplaar van de derde druk van deze erotische verzamelbundel die eerder verscheen in 1769 en 1772. Naast tal van anonieme versjes, rijmen en epigrammen bevat het ook stukjes van bekende schrijvers zoals Voltaire 1694-1778),
De la Fontaine (1621-1695) en Rousseau (1712-1778). 
U kunt er hier zelf even in bladeren en genieten.


Zeldzaam?
Over het algemeen is alle achttiende eeuwse erotica schaars. Deze uitgave vond ik in geen enkele Nederlandse bibliotheek terug.
Antiquarisch wordt momenteel een exemplaar aangeboden van de editie van 1772 voor honderdtachtig euro (in ‘modern wrappers’).

Doorslaggevend bij mijn beslissing om het boekje te kopen was de provenance!
Voorin zit namelijk het ex-libris van de Amsterdamse huisarts Bob Luza (1893-1980).
Luza was een bekend bibliofiel verzamelaar en Piet Buijnsters heeft hem geportreteerd, zowel in zijn: “Geschiedenis van het Nederlands antiquariaat” (Nijmegen, 2007) als in: “Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie” (Nijmegen, 2010).


Weliswaar verzamelde Luza meer dan alleen erotica maar hij is bij mij vooral als collectioneur van dergelijke ‘libertijnse boekjes’ in het geheugen blijven hangen.
Zijn collectie werd een jaar na zijn overlijden grotendeels geveild bij A.L. van Gendt.
De eigenaar van antiquariaat Nonpareil was toen één van de bieders. Inmiddels zijn we weer vijfendertig jaar verder en is Perkamentus (voor even) de laatste schakel in de keten…
De bibliofiele kringloop in optima forma!

vrijdag 3 juli 2015

Daarvan kon BB alleen maar dromen...


Ik juich! Geen hoger heil heeft ooit mijn ziel gestreeld,
Dan dat ik, Nederland!, ben op uw’ grond geteeld

Zo begint de eerste ‘zang’ in de “Hollandsche Natie, in zes zangen” van zakenman Jan Fredrik Helmers (1767-1813). Het is wellicht het meest nationalistische (en bombastische) lied uit de Nederlandse literatuur. De complexe verschijningsgeschiedenis is fascinerend en maakt het tot een boekhistorisch en bibliofiel icoon.

Dankzij de biografie van Marinus van HattumJan Fredrik Helmers 1767-1813. Leven en werk van een Amsterdamse wereldburger” (Amsterdam, 1996) zijn wij goed geïnformeerd over deze vrijwel vergeten schrijver die anno 2015 vermoedelijk de meeste bekendheid geniet bij de bewoners van de 1ste, 2de en 3de Helmersstraat in Amsterdam.
Van Hattum – die ik onlangs nog tegenkwam op de boekenmarkt – heeft wel meer leuke boekjes over Helmers geschreven. “Hulde aan Helmers. Lofdichten op Jan Fredrik Helmers (1767-1813) ter gelegenheid van zijn 200ste sterfdag op 26 februari 2013” (Amstelveen, 2013) en “Helmers en France” (Amstelveen, 2014) staan hier naast zijn Helmers biografie in de kast.


Drie weken geleden kwam daar de (tot dusver) laatste editie bij van “De Hollandsche Natie” (Nijmegen, 2009). De eerste moderne heruitgave (de voorlaatste dateert van 1883!) met een uitvoerige inleiding verzorgd door Lotte Jensen in samenwerking met Van Hattum.

Helmers’ magnum opus (hij werkte er bijna tien jaar aan!) verscheen voor het eerst in 1812. Het grootste gedeelte van het huidige Nederland was toen ingelijfd bij het Eerste Franse Keizerrijk (1810-1813).
Uitgever was de Haagse Johannes Allart (1754-1816), maar het boek werd gedrukt in Amsterdamse door J. Ruys.
De oplage bedroeg 1300 exemplaren waarvan er nog 250 in het magazijn stonden toen de Franse censuurpolitie toesloeg. De drukker werd gedwongen een verbeterblad te plakken in de resterende exemplaren in het magazijn. Steen des aanstoots was een passage op bladzijde zesenvijftig die aan de Franse censor was ontsnapt. Hierin laat Helmers de dichter Joost van den Vondel (1587-1679) het volgende zeggen:

"Ja, de afgemartelde aard’ schept adem, en ’t heelal,
Herkent weêr Nederland, gelouterd door zijn’ val".

Vondel voorspelt Nederland dus een betere toekomst.
De uitgever moet aan deze passage een noot toevoegen waarin staat dat het sinds de Franse tijd al veel beter ging met het vaderland: ‘de zon door Vondel voorspeld is opgegaan van het steeds merkwaardig ogenblik af hetwelk ons Lot met dat van het Fransche Rijk heeft verbonden’. De drukker maakt inderdaad een inplakvel met de gewenste noot, maar voegt eraan toe dat die geplaatst is op last van de Generale Directie over de boekhandel te Parijs, na het overlijden van de schrijver. Dit vel moet hij vervolgens opnieuw vervangen door een vel zonder die toevoeging” (“Boeken onder druk. Censuur en pers-onvrijheid in Nederland sinds de boekdrukkunst”, red. Marita Mathijsen, Amsterdam 2011, blz. 72).


Een eerste druk met het beruchte verbeterblad (met of zonder toevoeging) is daarom antiquarisch veel zeldzamer, duurder en meer gezocht dan een gewoon exemplaar.
Dat was trouwens eind negentiende eeuw al zo. Zo lezen we in het bekende boek van
R. van der Meulen: “Over de liefhebberij voor boeken” (Leiden, 1896):
Toen in 1812 Helmers ‘Hollandsche natie’ ter perse gelegd werd, was het handschrift door de Napoleontische censuur zoodanig besnoeid, dat niet minder dan 150 regels uit dit gedicht geheel weggelaten en een aantal andere gewijzigd moesten worden. Bij de uitgaaf vond de regeering, dat de censuur-commissie nog te veel had laten staan, wat geen genade kon vinden; het boek werd dus terstond verboden en een keizerlijk bevel tot inhechtenisneming uitgevaardigd tegen den schrijver, die echter juist twee dagen te voren gestorven was. In de herdrukken van dit beroemde gedicht, die na 1813 verschenen, zijn de uitgelaten of gewijzigde plaatsen naar het oorspronkelijke handschrift hersteld, maar die eerste verminkte uitgave werd toen en later voor de tekstvergelijking zeer begeerd en is tegenwoordig uiterst zeldzaam” (blz. 149).


Begeerd en zeldzaam; dat gold ook voor onze nationale knuffelbibliomaan Boudewijn Büch (1948-2002) die over Helmers en de “Hollandsche natie” schreef:
Eigenlijk houd ik van zo’n onmogelijke schreeuwlelijk als J.F. Helmers die zelfs de extreem-romantische ziel in 1812 verbaasde met De Hollandsche Natie. Helmers zou voor dit gedicht door de Fransen opgepakt zijn, ware het niet dat hij op 26 februari 1813 overleed.
Ik bezit van dit ellenlange vers een zesde druk uit 1822 (ik verlang al jaren naar een eerste druk, maar die kom ik nooit tegen) en er valt slechts één ding over dit maxi-lied te zeggen: het is niet alleen ’t zotste verzetsvers dat ooit in onze taal geschreven werd het is tevens het krankzinnigste lied dat er überhaupt aan een Nederlandse drukpers werd toevertrouwd” (Boudewijn Büch: “Boekenpest”, Amsterdam 1988).

Pas tien jaar later, op 28 maart 1998 ging de wens van BB in Steenwijk in vervulling en kocht hij een (gewone) eerste druk; “Ik houd van die zwiepende romantiek, zoals ik ook van Willem Bilderdijk houd” (Boudewijn Büch: “Een boekenkast op reis”, Amsterdam 1999). Hij las er zijn poes regelmatig uit voor. Die hield kennelijk niet (of wel?) van Helmers en zette het na het horen van de eerste zang steevast op een hartstochtelijk mauwen.


Mijn zoektocht naar de eerste druk van “De Hollandsche Natie” was dankzij internet een stuk korter. Al bijna twee jaar geleden vond ik bij antiquariaat De Zilveren Eeuw in Zwolle een heel bijzonder exemplaar.
Eigenaar Rob de Bree maakt altijd veel werk van zijn boekbeschrijvingen (wat ik persoonlijk wel zo prettig vind) en daardoor wist ik dat hij een uitgave aanbood in halfleren band met sierpapieren platten met verbeterblad en voetnoot zonder de toevoeging (Blz. 56, D4).
Bovendien zijn er wat extra’s bijgebonden zoals de uiterst zeldzame titelpagina van de zes kunstplaten, één bij elke zang, gegraveerd door Reinier Vinkeles (1741-1816) naar M.J.van Bree, die uitgever Allart in 1815 uitgaf (de platen zelf zijn niet aanwezig) en de gedrukte “Veranderingen en bijvoegselen in den derden druk van De Hollandsche Natie (....) welke onder het dwangjuk der Fransche heerschappij, niet in den eersten en tweeden druk dezes werks mogten gesteld worden”.
Afgelopen week heb ik de knoop doorgehakt, het boek gekocht en mijn bibliofiele begeerte gestild.
Voorin zit het ex-libris van Mr. W.C. Baert de Waarde. Dat moet een bibliofiel met een fraaie collectie zijn geweest want van hem heb ik nog een prachtuitgave staan, zoals u hier kunt lezen.
Tegelijkertijd kocht ik bij het Haarlemse antiquariaat Van der Steur een portret van Helmers gegraveerd door Philippus Velijn (1787-1836) dat ik toegevoegde aan mijn nieuwe aanwinst.
Van deze gravure werd rond 1890 (in de tijd dat de Amsterdamse Helmersbuurt werd gebouwd) nog een prentbriefkaart uitgegeven door het fotostudio Delboy & Baer in Den Haag (zie boven dit artikel). Die vond ik voor enkele euro's op internet en zit nu in de biografie van Van Hattum. Dat doe ik wel vaker zo met interessante prentbriefkaarten!

Tja… en toen ontbrak er eigenlijk nog maar één ding; een tweede druk van de “Hollandsche Natie”. Die kwam uit na de Franse tijd in 1814 en was feitelijk de eerste ongecensureerde druk van dit vaderlands (of nationaal) epos zoals Helmers het oorspronkelijk had bedoeld. Een uitgave die niet alleen ruim honderd versregels meer telt (en ook tien minder die wel in de eerste maar niet in de tweede druk staan!), maar ook tal van woord- en zinsveranderingen. Neem de eerste regels bovenaan dit stuk. Vanaf de tweede druk lezen we:

Ik juich! Schoon thans geen zon van welvaart ons meer streelt,
Dat ik,o Nederland!, ben op uw’ grond geteeld


Helmers is antiquarisch tegenwoordig onvoorstelbaar goedkoop maar een tweede druk kocht ik toch maar niet.
In plaats daarvan kocht ik een mooi bewaard gebleven vierde druk (‘s-Gravenhage, 1817) in origineel kartonnen blauwe uitgeversband. Die is namelijk identiek aan de tweede of derde druk (beiden verschenen in 1814), maar – zoals het titelblad vermeldt “met Platen”. Het is de eerste geïllustreerde uitgave waarin naast de titelplaat ook de eerdergenoemde zes kunstplaten van Vinkeles standaard zijn meegebonden.

Al met al bezit ik nu een kleine, maar fijne collectie met betrekking tot Jan Fredrik (en dus niet 'Frederik'!) Helmers en zijn “Hollandsche Natie”, nietwaar?
Daarvan kon BB alleen maar dromen...


NB. Lees het vervolg; "Een addendum".